Part 13
Per maaltijd. | In 24 uren. | 18 Augustus 25, 25, 25 gr. | 75 gr. 19 ,, 60, 60, 50, 45 ,, | 215 ,, 20 ,, 55, 60, 50, 95, 80, 100 ,, | 440 ,, 21 ,, 60, 120, 70, 95, 90 ,, | 435 ,, 22 ,, 105, 90, 105, 100, 110 ,, | 510 ,, 23 ,, 105, 110, 75, 120 ,, | 400 ,, 24 ,, 130, 100, 100, 110, 120 ,, | 560 ,, 25 ,, 120, 140, 90, 100, 90 ,, | 540 ,, 26 ,, 120, 120, 120, 80, 90 ,, | 530 ,, 27 ,, 120, 110, 110, 110, 110 ,, | 560 ,, 28 ,, 115, 125, 130, 95, 90 ,, | 555 ,, 29 ,, 120, 130, 105, 95, 90 ,, | 540 ,, 30 ,, 120, 120, 160, 110 ,, | 510 ,, 31 ,, 115, 170, 150, 85 ,, | 520 ,, 1 Sept. 120, 120, 105, 130 ,, | 475 ,, 2 ,, 150, 100, 110, 130, 110 ,, | 600 ,, 3 ,, 130, 115, 120, 145, 30 ,, | 540 ,, 4 ,, 135, 110, 90, 120, 125, 70 ,, | 650 ,, 5 ,, 140, 130, 110, 120 ,, | 500 ,, 6 ,, 125, 120, 120, 85, 115 ,, | 565 ,, 7 ,, 125, 125, 125, 140, 50 ,, | 565 ,, 8 ,, 130, 100, 150, 120 ,, | 500 ,, 9 ,, 160, 155, 100, 90, 40 ,, | 545 ,, 10 ,, 105, 70, 110, 70, 85 ,, | 440 ,, 11 ,, 150, 135, 150 ,, | 435 ,, 12 ,, 140, 125, 130, 110 ,, | 505 ,, 13 ,, 125, 115, 105, 140 ,, | 485 ,, 14 ,, 145, 115, 145, ? ,, | 405+? ,, 15 ,, 140, 115, 130, 165 ,, | 550 ,, 16 ,, 150, 110, 145, 150 ,, | 555 ,, 17 ,, 120, 180, 110, 165 ,, | 575 ,, 18 ,, 130, 130, 150, 130 ,, | 540 ,, 19 ,, 120, 135, 130, 140 ,, | 525 ,, 20 ,, 140, 140, 160, 170 ,, | 610 ,, 21 ,, 110, 130, 130, 120, 120 ,, | 600 ,, 22 ,, 120, 110, 70, 140 ,, | 440 ,, 23 ,, 105, 185, 140, 80, 130 ,, | 640 ,, 24 ,, 125, 130, 110, 160 ,, | 525 ,, 25 ,, 140, 170, 130, 90, 120 ,, | 650 ,, 26 ,, 160, 165, 125, 140 ,, | 590 ,, 27 ,, 145, 130, 140, 70 ,, | 485 ,, 28 ,, 160, 90, 100, 170, 130 ,, | 650 ,, 29 ,, 140, 100, 165, 125, 130 ,, | 660 ,, 30 ,, 130, 170, 100, 150 ,, | 550 ,,
Meisje, M. A., geboren 7 October 1914,
Per maaltijd. | In 24 uren. | 9 Oct. 20, 30 gr. | 50 gr. 10 ,, 30, 60, 50, 55, 60 ,, | 255 ,, 11 ,, 60, 50, 50, 55, 70, 60 ,, | 345 ,, 12 ,, 80, 60, 100, 95 ,, | 335 ,, 13 ,, 100, 110, 70, 80, 95 ,, | 455 ,, 14 ,, 90, 90, 40, 90, 60, 80 ,, | 450 ,, 15 ,, 100, 80, 80, 90, 80 ,, | 430 ,, 16 ,, 115, 90, 70, 100, 120 ,, | 495 ,, 17 ,, 110, 120, 105, 100 ,, | 435 ,, 18 ,, 110, 120, 90, 90, 80, 105 ,, | 595 ,, 19 ,, 160, 90, 120, 70, 80 ,, | 520 ,, 20 ,, 60, 120, 120, 100, 130, 110 ,, | 640 ,, 21 ,, 110, 130, 100, 75, 110, 80 ,, | 605 ,, 22 ,, 150, 140, 110, 130, 100 ,, | 630 ,, 23 ,, 110, 120, 120, 180, 80 ,, | 610 ,, 24 ,, 130, 120, 150, 130, 100 ,, | 630 ,, 25 ,, 140, 120, 115, 80, 100, 100 ,, | 655 ,, 26 ,, 140, 130, 90, 140, 130, 110 ,, | 740 ,,
Het noemen van cijfers komt mij dan ook niet gewenscht voor, omdat de moeder daaraan allicht te veel waarde hecht, maar met een enkel woord kan wel worden aangegeven, op welke eenvoudige wijze men ongeveer kan nagaan, hoe groot de hoeveelheid gemiddeld zijn moet.
Neemt men voor de hoeveelheid aan het einde van de 8ste week als grondgetal 800 grammen aan, dan trekke men van dit getal voor iedere voorafgaande week 50 grammen af en telle voor iedere volgende maand 50 grammen daarbij op, b.v.
in de 4e week 600 gr. ,, ,, 5e ,, 650 ,, ,, ,, 6e ,, 700 ,, ,, ,, 7e ,, 750 ,, ,, ,, 8e ,, 800 ,, ,, ,, 12e ,, 850 ,, ,, ,, 16e ,, 900 ,, ,, ,, 20e ,, 950 ,, ,, ,, 24e ,, 1000 ,,
Volgens eene andere berekening verkrijgt men het gemiddelde, door in het eerste kwartaal het lichaamsgewicht van den zuigeling, in kilogrammen, te vermenigvuldigen met 150, in het tweede kwartaal met 140, in het derde kwartaal met 125.
Volgens eene derde berekening drinkt een gezonde pasgeborene op den 3en dag gemiddeld 100 grammen, den 6en dag 300–350 gr., den 10den dag 400–450 gr. en later ongeveer ⅙ van zijn lichaamsgewicht.
Men bedenke hierbij steeds, welke beteekenis aan een „het gemiddelde” aangevend cijfer te hechten is. Geen enkel kind zal zich daaraan houden, maar het cijfer geeft, in het algemeen, de hoeveelheid aan waarmede men tevreden zijn kan.
Wij komen nu vanzelf tot de vraag of een zuigeling, bij de voeding aan de borst, te veel of te weinig voedsel krijgen kan.
Beide gevallen zijn mogelijk, hoewel men toch wel zeggen kan, dat, onder normale omstandigheden, dus wanneer er geen wanverhouding bestaat tusschen de borst en de kracht waarmede het kind zuigt, van een te veel, van overvoeding, niet licht sprake zijn zal. De ervaring heeft mij geleerd, dat, indien men, zooals ik hierboven aangaf, in den beginne het kind vrijlaat in het kiezen van zijn maaltijd, voor overvoeding geen vrees behoeft te bestaan.
Dat een kind, als het na een behoorlijken tijd van slapen zijn maaltijd genomen heeft, wel eens wat teruggeeft van het genomene, is nog geen bewijs, dat het te veel gedronken heeft. Er zijn kinderen die men „luchtslikkers” noemt, en dat luchtslikken kan vooral voorkomen bij kinderen, die gulzig drinken. Als zij dan hunnen maaltijd genoten hebben, komt de luchtbel, die zich in de maag gevormd heeft, wel eens voor den dag, waarbij dan tevens eene hoeveelheid zog te voorschijn komt. Die luchtbel kan de oorzaak zijn, dat een kind, na genoten maaltijd, hoewel voldoende gevoed, onrustig is en niet inslaapt. Daarom is het aan te raden zulke kinderen gedurende het voeden, of daarna, een oogenblikje rechtop te houden, opdat de luchtbel ontwijken kan.
Intusschen mag ik niet verzwijgen, dat door verschillende schrijvers een ziektebeeld van overvoeding aan de borst geteekend wordt, al zeggen ook velen, dat, althans praktisch, eene overvoeding van het borstkind niet voorkomt.
Vermoedelijk is dan, volgens sommigen, de overvoeding minder te wijten aan het te veel gebruiken gedurende de maaltijden, dan wel aan het te vaak aanleggen van het kind. Dit zal in gewone omstandigheden niet veelvuldig voorkomen, maar het kan gebeuren als de moeder, telkens wanneer het kind mocht huilen of onrustig is en daarbij voortdurend de vingers in den mond steekt en daarop zuigt, zich verbeeldt dat het honger heeft, zonder na te gaan of er misschien een andere reden voor die onrust bestaan kan. Oorzaken van onrust toch zijn er vele in het leven van den zuigeling, als: het liggen in een natte luier, ongemakkelijke houding, welke hijzelf niet veranderen kan, te nauw sluitende kleeding, te warm gedekt zijn of te koud liggen, insectenbeten, blaasjes in den mond, verstopte neus, gesmet zijn aan de billen of in plooien van de huid, een scheurtje in de aarsopening enz.
Behalve in het te vaak aanleggen kan, naar men zegt, de oorzaak van overvoeding ook gelegen zijn in eene te overvloedige afscheiding van zog, vooral „lekkende borst”, waarbij voortdurend zog uit de borst druppelt. Dit komt, althans in belangrijken graad, niet zoo heel dikwijls voor. Om het nat worden der kleederen tegen te gaan, kan men de borsten bedekken met eene of andere stof, welke gemakkelijk vocht opslorpt, b.v. zachte doeken, de borsten bedekken met een zogglas, waarin eene opening door welke de tepel heen steekt, zoodat het zog wordt opgevangen, en de borsten opbinden. Tegen de „lekkende borst” is geen afdoend middel bekend.
In den beginne, aldus het geschetste ziektebeeld, spuwt het kind in den regel na den maaltijd eene kleine of grootere hoeveelheid zog (let op de luchtslikkers), hetgeen, als het niet te lang duurt, niet hindert, omdat juist daardoor het kind zich van het te veel genomene ontdoet. Daarbij komt dan, dat het kind niet zoo kalm slaapt, spoedig wakker wordt, aan de borst gelegd wel zuigt en somtijds daarna rustig wordt, doch niet voor langen tijd. Dat onrustig zijn gaat dan vaak over in schreeuw- of gilbuien, soms onder het zuigen, terwijl de buik opgezet is en het kind hoorbaar winden loost, om daarna voor enkele oogenblikken rustiger te zijn.
Indien er dadelijk na den maaltijd gestremde melk of, na eenigen tijd, eene waterheldere, zuur riekende, witte stukjes en slijm bevattende, vloeistof te voorschijn komt, moet men eene stoornis in de spijsvertering vermoeden.
De ontlasting komt, soms vaker, dun en schuimend, met geruisch voor den dag; de omgeving van de aarsopening en de billen worden rood, de reuk is sterk zuur. Er kan echter ook verstopping bestaan, waarbij de ontlasting nog normaal gekleurd is en de gewone vastheid heeft, doch na eenigen tijd eene groene kleur of gele kleur met groenen rand vertoont, waarin kleine witte stukjes en slijmdraden te zien zijn.
De eetlust wordt minder, het gezicht bleeker, de huid slapper; het lichaamsgewicht blijft, na aanvankelijk soms sterk te zijn toegenomen, op dezelfde hoogte staan, vermindert of schommelt—bij dagelijks wegen na te gaan—in dezen zin, dat plotseling toenemen in gewicht afwisselt met plotseling dalen.
Een kind kan ook te weinig voedsel krijgen. De verschijnselen hiervan, welke in het ziektebeeld beschreven zijn, vertoonen zoovele punten van overeenkomst met die van overvoeding, dat het vooral voor een niet-geneeskundige de grootste moeite oplevert, om uit te maken waarmede men te maken heeft. Sommige kinderen lijden aan slapeloosheid, zijn onrustig, schreeuwen spoedig na den maaltijd, drinken telkens als men hen aan de borst legt; de meeste doen juist het tegenovergestelde, zijn bijzonder rustig, zelfs slaperig. De ontlasting kan weinig stof bevatten, bruin tot groen van kleur, slijmig en taai zijn en om de twee of drie dagen komen, doch meestal is zij dun, in den beginne nog lichtgeel, vaak slechts als eene groene vlek in de luier, of nog geel met groene vlekken, al of niet met slijm gemengd. Indien deze ontlasting werkelijk als een verschijnsel van ondervoeding optreedt, wordt zij na toediening van meer voedsel onmiddellijk of al heel spoedig beter. De urine-loozing is verminderd, zoodat de luiers niet flink nat zijn.
Ook hierbij worden de billen en de omgeving van de aarsopening rood en smetten, treden puistjes op, wordt de huid bleeker en, bij vermagering, te ruim. Dit laatste wijst er reeds op, dat ook met betrekking tot het lichaamsgewicht iets valt op te merken en wel, dat het toenemen onvoldoende blijkt of dat het tot stilstand komt en, bij belangrijke ondervoeding, overgaat in het tegenovergestelde, dus afneemt. Vaak kan men, vóór het wegen, opmerken, dat het kind reeds in den aanvang van het zuigen vele zuigbewegingen maakt voor het slikt.
Hoe onvolledig ook, bespeurt men uit deze schildering, dat niet gemakkelijk uit de verschijnselen is op te maken waarmede men te doen heeft. Het voornaamste punt, waarop men te letten heeft, is wel het lichaamsgewicht en het bepalen van de hoeveelheid van het in 24 uren door den zuigeling genomen voedsel, waarbij vergelijking met de boven als gemiddeld aangegeven benoodigde hoeveelheid zog haar nut heeft.
De moeder zij, ingeval er vermoeden van ondervoeding bestaat, voorzichtig met het vermeerderen van de hoeveelheid voedsel, hetgeen geschieden kan door het vermeerderen van het aantal maaltijden, als dat te klein mocht blijken, of door het geven van bijvoeding naast de borst. (Zie: Gemengde voeding).
Dat een zuigeling te weinig voedsel krijgt kan verschillende oorzaken hebben, welke bij de moeder en bij het kind te zoeken zijn.
Bij de moeder kan het voorkomen, dat het kind, door slechte ontwikkeling van de tepels, vooral platte, ingetrokken of holle tepels, de borst niet goed vatten kan. In de meeste gevallen zal het, zij het met meerdere volharding, zoonoodig met gebruik maken van een tepelhoedje, toch gelukken. Dit hulpmiddel moet ook beproefd worden bij scheurtjes, spleetjes of afschilveringen van de huid van den tepel, indien het onmiddellijk zuigen daaraan te pijnlijk is. Het komt wel voor, dat het kind uit die wondjes bloed zuigt en met de melk inslikt. Is dat vrij veel, dan kan het dit bloed uitbraken, waarover de moeder zich niet ongerust behoeft te maken. Indien het niet uitgebraakt wordt, maakt het de ontlasting donker. Vele middelen worden aangegeven om die wondjes, die een enkele maal eene belangrijke uitbreiding kunnen verkrijgen, te genezen. Gelukt dit niet, dan kan het, waar ook het zoogen met een tepelhoedje nog te pijnlijk is, noodig blijken het kind eenige dagen van de borst te nemen, gedurende welken tijd dan meermalen daags het zog met een zogpomp of door melken uit de borst moet genomen en aan het kind gegeven worden. De genezing kan zelfs tien tot veertien dagen vereischen, doch gewoonlijk kan men het kind reeds vroeger, als de tepel minder gevoelig geworden is, weder aanleggen. In hoogst enkele gevallen moet somtijds het zoogen opgegeven worden.
Dit laatste kan ook het geval zijn bij de zeer zeldzaam voorkomende overgevoeligheid van den tepel, een toestand, waarbij aan de tepels geen enkele afwijking is waar te nemen en toch het zoogen voor de moeder een ware marteling is, door de pijnlijkheid, met uitstraling naar de zijkanten van de borst en naar den rug. Ook hierbij beproeve zij eerst het tepelhoedje, waarbij de maaltijd gewoonlijk langer duurt, voordat zij het zoogen opgeeft.
Verder komt het voor, dat de borst niet gemakkelijk melk geeft. Een flink ontwikkeld kind vooral zal op den duur die moeilijkheid wel overwinnen. Men kan trachten de borst williger te maken, door haar te melken. Eene al te volle borst wordt door het uitspuiten van de eerste melk-porties gemakkelijker te vatten.
Dat de borst inderdaad te weinig zog afscheidt, komt veel minder voor dan nog maar al te vaak gedacht wordt. Daarom moet de moeder de poging tot borstvoeding niet te spoedig opgeven, en, voor zij tot het geven van bijvoeding overgaat, trachten door het prikkelen van de borst, door melken, hetgeen zijzelve gemakkelijk leeren kan, of door uitpompen, deze tot meerdere afscheiding te brengen. Ook voorzichtige massage kan hierbij helpen. Het kan evenwel niet ontkend worden, dat somtijds, en merkwaardigerwijze komt dat na de eerste bevalling nog al eens voor, de zogafscheiding al spoedig onvoldoende is. Het toedienen van een of ander middel aan de moeder, het moge lactagol, somatose, malztropon of anders heeten, heeft geen nut. Waar zulk een middel wel eens schijnt te helpen, is dat te wijten aan suggestieven invloed, welke de moeder tot meer volharding bracht. Tot nog toe is er geen enkel voedings- of geneesmiddel gevonden, dat inderdaad de borst tot meerdere zogafscheiding aanzet. Van belang is veel rust en goede voeding van de moeder, welke volstrekt niet alleen of in hoofdzaak uit de zoo hooggeroemde pap moet bestaan.
Van te voren, namelijk gedurende de zwangerschap, is nimmer te beslissen of de aanstaande moeder al dan niet haar kind zal kunnen zoogen.
Meestal zal men niet voor het einde van de tweede week kunnen bepalen, of de afscheiding van zog beneden de als normaal aan te nemen hoeveelheid blijft, waarvoor men een minimum van 150 grammen per etmaal in de eerste week of het dubbele in de tweede week stellen kan. Indien evenwel verschijnselen van ondervoeding optreden, het kind niet voldoende in gewicht toeneemt en de pogingen om de hoeveelheid zog te vermeerderen, b.v. ook nog door het kind wat vaker en aan beide borsten aan te leggen, mislukken, zal men tot bijvoeding moeten overgaan.
Mocht het gebeuren dat, door welke oorzaak dan ook, een der borsten niet genoeg of in het geheel geen zog levert, dan neemt dikwijls de werkzaamheid van de andere borst zoodanig toe, dat zij alleen de noodige hoeveelheid voortbrengt.
Bij het kind kan de oorzaak gelegen zijn in misvorming van den mond en van het verhemelte, zooals wolfsmond, hazelip, gespleten verhemelte. Gewoonlijk zal alleen de wolfsmond of dubbele hazelip en eene wijde spleet in het verhemelte het zuigen beletten, terwijl het kind bij eenzijdige hazelip het zuigen wel leert. Ook pijnlijkheid in den mond, b.v. door spruw, kan het kind in het zuigen belemmeren, alsmede verkoudheid, waardoor het ademhalen door den neus bemoeilijkt of vrijwel onmogelijk is. Ten slotte zijn er somtijds kinderen, zelfs van normaal gewicht, die te slap zijn om met voldoende kracht te zuigen. Dat de tongriem het zuigen belet, en daarom moet ingeknipt worden, is zoo zelden het geval, dat men practisch wel zeggen kan, dat dit niet voorkomt. Zoolang het kind òf niet zuigen kan òf onder de genoemde omstandigheden te weinig voedsel krijgt, geve men het uitgemelkt of uitgepompt zog, met een lepeltje of uit een fleschje.
Uit het voorafgaande blijkt, dat men, voordat men aanneemt dat het kind ondervoed wordt, nauwkeurig rekening heeft te houden met verschillende mogelijkheden.
Wij komen nu nog even terug op den invloed welke, naar men zegt, op de vorming van het zog, met betrekking tot hoeveelheid en hoedanigheid, wordt uitgeoefend door verschillende gebeurtenissen of door ziekten van de moeder.
Het verschijnen van de menstruatie gedurende het zoogen is geen reden om het kind van de borst te nemen. Somtijds wordt gedurende de menstruatie wat minder zog afgescheiden of is dit het geval een of twee dagen van te voren, terwijl het zog weder toeneemt kort voor het einde daarvan, doch steeds duurt het slechts korten tijd. Meestal heeft dit geen invloed op het kind; somtijds is het wat lastig en vertoont lichte stoornis in de spijsvertering, terwijl het gewicht in die dagen niet toeneemt.
Bij vrouwen in het eerste kraambed is het weder intreden van de menstruatie in de derde week een niet zelden waar te nemen verschijnsel. Volgens Bendix treedt zij bij de helft der vrouwen na 3–8 weken op; volgens Remy hebben 43% der zoogende vrouwen de menstruatie, waaronder 26% de menstruatie onregelmatig. Er schijnt een vierwekelijks en een zeswekelijks type voor te komen, zoowel bij zoogende als bij niet zoogende moeders. De eerste menstruatie kan verwacht worden op den 42en of 28en, 21en of 14en, 10en of 11en dag, soms reeds op den 7en dag van het kraambed (Schatz).
Wij vinden vermeld, dat het eerste loslaten van een eitje uit den eierstok, naar de menstruatie te oordeelen, ongeveer in een termijn van 3–7 weken plaats vindt. Bij uitzondering gebeurt dat vroeger, zoodat bevruchting reeds weder in de eerste drie weken kan optreden, en, bovenvermelde mededeeling van Schatz in aanmerking nemende, zou dat reeds op den zevenden dag van het kraambed kunnen gebeuren. Vrij algemeen verbreid is echter de meening, dat eene zoogende vrouw niet zwanger worden kan. Hoe onjuist die meening is, blijkt, behalve uit het bovenstaande, nog uit de beteekenis van de woorden „blind zwanger worden” of „blind opgezet worden”, waarmede wordt te kennen gegeven, dat de vrouw gedurende het zoogen zwanger werd. Dat „blind” heeft dan betrekking op het feit, dat zulk eene vrouw gedurende het zoogen de menstruatie niet zag intreden. Menige vrouw die het zoogen, met de bedoeling om eene nieuwe zwangerschap te voorkomen, veel te lang voortzette, heeft dan ook ondervonden hoe onjuist die meening is.
Bevruchting blijft aanvankelijk zonder invloed op het zoogen, doch met voortschrijdende zwangerschap wordt de zogafscheiding minder en houdt allengs op. Vele moeders hebben, zonder eenige schade voor het zoogende kind, voor haarzelve of voor de vrucht die zij herbergt, tot in de tweede helft der zwangerschap kunnen zoogen. In ieder afzonderlijk geval heeft men dus eene beslissing te nemen in verband met den toestand der moeder. In het algemeen neemt allengs de hoeveelheid zog af, zoodat het tijdperk om het kind te spenen vanzelf ingeleid wordt.
Dat gemoedsbewegingen van invloed zijn is in het algemeen niet te loochenen, al is het zeker, dat de schadelijke inwerking dikwijls achterwege blijft en de vrees, welke men er algemeen voor koestert, zeer sterk overdreven is. Opwinding, schrik, angst, zorg en verdriet, smartelijk sterk op den geest inwerkende gebeurtenissen kunnen wel degelijk, wanneer zij hevig zijn, zij het dan ook tijdelijk, stoornis brengen in de zogafscheiding, hetzij dat de hoeveelheid zog vermindert, hetzij dat bij overvulde borst, ondanks krachtig zuigen van het kind, niets of slechts zeer weinig te voorschijn komt. Het kind krijgt dan natuurlijk niet genoeg, zal lastig zijn en misschien zelfs eene leelijke luier afdoen, maar de daaraan verbonden meening, dat het kind „het” van de moeder „afgezogen” heeft, is onjuist. Op den duur zal de borstvoeding er niet onder lijden.
Het oordeel of ziekte van de moeder, hetzij chronisch of acuut, tot het besluit zal leiden om niet te zoogen, behoort geheel en al tot het terrein van den geneesheer.
Het ligt voor de hand, dat wij nu gaan bespreken hoelang de moeder het kind uitsluitend aan de borst zal trachten groot te brengen, met andere woorden, wanneer het gespeend moet worden. Dit zal ons dan vanzelf leiden tot de bespreking van andere dan natuurlijke voeding.
Een voor alle gevallen passend antwoord op die vraag is niet te geven. In het algemeen kan men wel een tijdperk van zogvorming aannemen, doch in het bijzonder hangt veel af van omstandigheden en van de individualiteit der moeder, zelfs na opeenvolgende baringen.
Men kan zeggen, dat de afscheiding van zog in de eerste zes tot acht weken na de baring toeneemt, om dan verschillend langen tijd, ongeveer gedurende zes tot acht maanden, stand te houden en daarna af te nemen. Van nature zou het verschijnen van de eerste tanden erop wijzen, dat de zuigeling niet meer uitsluitend vloeibaar voedsel behoeft te ontvangen, doch het komt maar al te vaak voor, dat ook moeders, van de groote waarde der borstvoeding overtuigd, daarmede voortgaande, reeds voor dien tijd de hoeveelheid melk zien verminderen, het kind weinig in gewicht zien toenemen en dus wel genoodzaakt zijn daarbij ander voedsel toe te dienen. Te lang voortgezette voeding aan de borst blijft niet zonder nadeeligen invloed op het kind, omdat niet alleen de hoeveelheid onvoldoende wordt, maar ook de samenstelling van het zog verandert, in dien zin, dat het onvoldoende voedingsstoffen bevat. De verschijnselen, welke het kind gaat vertoonen, zijn samen te vatten onder het algemeene beeld van bleekheid en slapte. Het kind begint om zoo te zeggen te verwelken, terwijl niet zoo zelden teekenen van beginnende Engelsche ziekte zich voordoen.
Vaak kan het noodig zijn om omstreeks de zevende maand, somtijds reeds vroeger, tot bijvoeden over te gaan. Dan is het de vraag, welk voedsel men geven en op welke wijze men den overgang van het natuurlijke voedsel tot het andere tot stand brengen zal. Afgezien van de gevallen waarin men genoodzaakt is dit plotseling te doen, moet die overgang geleidelijk geschieden. Dat gebeurt dan door het toepassen van wat men gemengde voeding (allaitement mixte) noemt, d.w.z. dat men gedeeltelijk de borst, gedeeltelijk de flesch geeft.