Moeder en kind

Part 14

Chapter 143,876 wordsPublic domain

Dit kan op twee manieren gebeuren, namelijk door òf na iederen maaltijd aan de borst een fleschje te geven, òf door eenmaal of meermalen daags een borstmaaltijd door een fleschmaaltijd te vervangen. Mijns inziens is de eerste manier aan te bevelen, omdat men zoodoende de borst aan den gang houdt, den overgang dus geleidelijker kan doen plaats vinden, en omdat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat de zuigeling, bespeurende dat het zuigen aan de flesch gemakkelijker gaat dan aan de borst, minder of geen lust gevoelt aan de borst te drinken. Intusschen is het niet altijd mogelijk om deze manier te volgen, waarbij dan spoedig blijkt, dat de borst steeds minder zog afscheidt, zoodat het kind binnen zeer korten tijd alleen op de flesch is aangewezen.

Voor wij verder gaan is het noodzakelijk erop te wijzen, dat men zoo mogelijk moet vermijden tot het spenen over te gaan in het warme jaargetijde. Kinderen die in het warme jaargetijde gespeend worden, ook al geschiedt dit geleidelijk, loopen het grootste gevaar ernstige stoornissen in de spijsvertering te verkrijgen.

Van belang is het, om na te gaan welk voedsel men geven moet, in welke hoeveelheid, van welke samenstelling en hoe dit moet bereid worden.

Bovenaan staat het vervangen van de moedermelk door koemelk. Zonder in te gaan op het vraagstuk op welke wijze er, met het oog op de gezondheid niet alleen van den zuigeling maar van allen die melk gebruiken, voor gezorgd behoort te worden, dat de koemelk zoo wordt afgeleverd, dat zij geen schadelijke bestanddeelen bevat en van goede samenstelling is, moet erop gewezen worden, dat de moeder, die haar kind dit voedingsmiddel zal toedienen, daaraan de grootst mogelijke reinheid en zorg moet besteden. Een zuigeling slikt desnoods alles wat men hem geeft, indien het hem smaakt, maar reageert uiterst sterk op alle minderwaardig voedsel.

Het is algemeen gebruikelijk de koemelk zoodanig te wijzigen, dat zij tot voedsel van den jeugdigen zuigeling kan dienen. Daarom wordt zij verdund en worden er stoffen aan toegevoegd, welke, in aansluiting aan de ervaring, nuttig zijn gebleken voor het doel waarvoor zij moeten dienen. Een algemeenen regel voor verdunning en toevoeging is natuurlijk niet te geven, omdat dit afhankelijk is van den leeftijd, en van den toestand waarin de zuigeling verkeert. Daarom blijft elke voeding met tegennatuurlijk voedsel eene, welke in ieder bijzonder geval tastenderwijze moet worden toegepast, dat wil zeggen, dat men steeds moet probeeren. Dit betreft niet alleen de samenstelling, doch ook de wijze van toediening, vooral met betrekking tot het aantal maaltijden, de hoeveelheid en den graad van warmte.

Laat ons beginnen met het moeilijkste geval, namelijk dat de zuigeling van den aanvang af tegennatuurlijk voedsel gebruiken moet. Dan is er sprake van: het kind moet aan de flesch. Goed, maar welk voedsel zal men het kind geven? Hoe moet het voedsel bereid worden? Welke voorzorgen heeft men te nemen, opdat het kind groeie en geen nadeel ondervinde?

Het eenvoudigste is, het kind koemelk te geven, met water verdund en suiker daaraan toegevoegd.

Het voedsel kan men in het algemeen op tweeërlei wijze bereiden en wel: alles in eens gereed maken voor het gebruik in 24 uren of voor elke flesch afzonderlijk.

Het eerste is het gemakkelijkst. Men kan dan als volgt te werk gaan. Men maakt van te voren op, hoeveel voedsel de zuigeling vermoedelijk in 24 uren gebruiken zal. Daartoe is het noodig eenige cijfers te kennen en dat zijn die, welke de gemiddelde hoeveelheden, door een aan de borst gevoed kind gebruikt, aangeven. De gemiddelde hoeveelheden, waaraan, zooals uit de boven uit mijne praktijk gegeven getallen blijkt, zich niet alle kinderen zullen houden, omdat ook de hoeveelheden, door flesschenkinderen gebruikt, belangrijke verschillen vertoonen.

Van de regels, welke worden aangegeven, komen mij de opgaven van een onzer Nederlandsche kinderartsen, Dr. E. Gorter, het meest geschikt voor. Volgens die opgaven heeft een zuigeling op den 1sten dag niets, op den 3en dag 100 grammen, op den 6en dag 300–350 grammen, op den 10den dag 400–450 grammen, op den 14den dag 150 maal het aantal kilogrammen lichaamsgewicht aan grammen noodig. Aangezien ook de verhoudingen, door dienzelfden geneesheer aangegeven, mij—als algemeenen regel—geschikt voorkomen, geef ik die hier weder, met de opmerking, dat het blijken zal, alweder in verband met den algemeenen toestand van iederen zuigeling, dat afwijkingen nu en dan zullen voorkomen. Ik leg dus den nadruk op de woorden „als algemeenen regel”.

Hij geeft dan aan, dat men het kind voor de eerste 14 dagen een mengsel zal geven van 1 deel koemelk en 2 deelen water, dat 8% suiker bevat, dus b.v. op den 10den dag: 150 gr. koemelk, 300 gr. water en 24 gr. suiker (⅓ melk), en dat men daarbij nauwlettend heeft na te gaan, of het kind in alle opzichten gezond is.

Te beginnen met den leeftijd van 14 dagen, of 3 weken, wordt dan overgegaan tot een mengsel van 1 deel koemelk en 1 deel water, dat 8% suiker bevat (½ melk).

Om nu te weten hoeveel grammen men van dit mengsel per dag ongeveer geven zal, kan men van de gegevens op bl. 156 gebruik maken, b.v. door het lichaamsgewicht (in kilogrammen) te vermenigvuldigen met 150. Als voorbeeld gelde, dat een pasgeborene, die op den 6en dag 3 K.G. weegt, 300 gr. voedsel krijgt, waarvoor noodig is: 100 gr. melk, 200 gr. water en 16 gr. suiker; een kind van 3 weken, wegende 3,5 K.G., krijgt 500 gr. voedsel, dus: 250 gr. melk, 250 gr. water en 20 gr. suiker, terwijl men, als het kind met deze hoeveelheid, zonder ziek te zijn, niet groeit, opklimt tot 300 gr. melk, 300 gr. water en 24 gr. suiker.

Zoodra het kind 4–6 weken oud is, zal meestal de voeding met 2 deelen koemelk en 1 deel water met 10% suiker (⅔ melk) worden geregeld, bij welk mengsel het kind kan blijven tot het 4–6 maanden oud is. De hoeveelheid, die hiervan wordt gegeven, wordt weer berekend door het aantal kilogrammen, die het kind weegt, met 150 te vermenigvuldigen zoolang het jonger dan 3 maanden is, en met 140 als het ouder is. Van dit mengsel kan men ongeveer evenveel geven als de hoeveelheid moedermelk.

Vanaf de 4e of 6e maand ongeveer kan men, volgens Dr. Gorter, eene kleine hoeveelheid meel aan het mengsel toevoegen, te beginnen met 5 gr., dan al spoedig 10 gr. per dag. Dit meel vervange dan eene gelijke hoeveelheid suiker. Voorbeeld: Een kind van 5 maanden, weegt 6,5 K.G., krijgt 6,5 × 140 gr. = 910 gr. en wel 600 gr. melk, 300 gr. water, 20 gr. suiker en 10 gr. meel. [7]

Hij merkt terecht op, dat ook met op andere wijze samengesteld voedsel gunstig gevolg kan verkregen worden, doch dat dit mengsel het voordeel heeft van zeer eenvoudig te zijn.

Men heeft dus niets anders te doen, dan de voor 24 uren benoodigde hoeveelheid melk en water te meten, de suiker af te wegen en dit alles bij elkander gevoegd in een pan gedurende b.v. 5 minuten goed te laten koken. Door het koken verdampt gedurende dien tijd eene hoeveelheid water, welke door toevoeging van gekookt water tot de oorspronkelijke hoeveelheid moet aangevuld worden. De pan wordt met een deksel gesloten, vervolgens snel afgekoeld, het best in stroomend water, en dan op eene koele plaats bewaard, om telkens als eene flesch zal gegeven worden, de hoeveelheid, voor een maaltijd bepaald, daarin over te gieten.

Voor men het kind de flesch geeft moet die gewarmd worden. Dit doet men het best, door haar in warm water te zetten. De graad van warmte voor het voedsel, dat zich in de flesch bevindt, kan men beoordeelen door de flesch, nadat die eenigen tijd in het warme water gestaan heeft, af te drogen, te schudden en dan tegen het ooglid van het gesloten oog te houden. Indien men de vraag, of de flesch warm of koud aanvoelt, slechts aarzelend kan beantwoorden, kan men rekenen dat het voedsel de goede temperatuur heeft. Eene andere manier is deze, dat men een weinig van het voedsel in een lepel giet en dat proeft, waarbij men tevens kan nagaan of de smaak goed, het voedsel niet bedorven is, hetgeen in den zomer gemakkelijk geschiedt. Daarom is het aan te bevelen, vooral in den zomer, het mengsel tweemaal per dag, telkens dus de helft van de benoodigde hoeveelheid, te bereiden.

De tweede bereidingswijze is omslachtiger, ofschoon beter. Zij bestaat hierin, dat men dadelijk de voor 24 uren gereedgemaakte hoeveelheid voedsel over het aantal flesschen, door het kind te gebruiken, verdeelt (in alle flesschen dezelfde hoeveelheid) en deze flesschen, van eene kaoutchouk-sluiting voorzien, in een pan met water, waarvan het oppervlak op gelijke hoogte of iets hooger dan dat van de melk in de flesschen staat, plaatst, om daarin te koken, waarna de fleschjes, uit de pan genomen, afgekoeld en op eene koele plaats bewaard worden. In den handel zijn daarvoor de toestellen, naar Prof. Soxhlet genoemd, te verkrijgen.

In plaats van water, als verdunningsvloeistof, wordt ook wel een afkooksel van rijst of gort gebruikt, terwijl door vele geneesheeren van den aanvang af ook meel wordt toegediend. Deze afkooksels moeten, vooral in den zomer, met het oog op zuur worden, minstens tweemaal per dag bereid worden. (Zie voor recepten: Aanhangsel).

In plaats van rauwe melk gebruikt men somtijds gepasteuriseerde melk, doch aangezien deze niet zeker vrij van bacteriën is, zou men haar eveneens moeten koken, waardoor zij te veel verandert om nog als geschikt voedingsmiddel te mogen gelden. Met goed gevolg, door vele geneesheeren aanbevolen, wordt ook gebruik gemaakt van de zoogenaamde bussenmelk of gecondenseerde melk.

De eenvoudigste flesch is de beste. Zij moet gemakkelijk te reinigen zijn. In den handel komen er voor met eene reeks boven elkander geplaatste streepjes, met de bedoeling daarmede de hoeveelheden af te meten, doch welke het nadeel hebben, dat zij in het glas ingedeukt zijn en dus moeilijk schoon te maken, terwijl de afstanden niet gelijk zijn.

Na het gebruik moet men de flesch dadelijk met koud water uitspoelen en met, liefst gekookt, water gevuld en met een dotje schoone verbandwatten afgesloten, wegzetten. Er is slechts één goed model speen, in den vorm van een handschoenvinger, van zwart of rood kaoutchouk. Men moet haar, met het oog op reiniging, gemakkelijk kunnen omstulpen. Met eene gloeiende naald, welke snel ingestoken en uitgehaald wordt, maakt men er eene opening in, waardoor het vocht slechts druppelsgewijs kan uitloopen. Elke nieuwe speen moet men, voor het gebruik, uitkoken; later is het voldoende haar, van buiten en van binnen, onmiddellijk na het gebruik, in stroomend water te reinigen en in een bakje met zuiver, gekookt, water te bewaren.

Bij het voeden met de flesch moet men zeer voorzichtig zijn, omdat juist hierbij gemakkelijk stoornissen in de spijsvertering optreden. Daarom lette men op sommige dingen, welke wel eens als kleinigheden beschouwd worden.

Men mag de flesch niet bij het kind nederleggen, het den speen in den mond stoppen en dan aan het kind zelf overlaten, hoe het zich redden wil. De moeder, of wie het kind de flesch geeft, moet die in handen houden en het kind, terwijl het op den schoot of in het bedje ligt, voeden; daarbij geduldig zijn en opletten, dat het kind niet te schielijk drinkt. Daarom mag de opening in de speen niet te groot zijn.

Is de opening te groot, dan drinkt het kind de flesch te spoedig leeg. Men kan trachten daaraan te gemoet te komen, door binnen in de speen, tegen de daarin gemaakte opening aan, een stukje schoon hydrophiel gaas of een propje schoone verbandwatten te leggen, zoodat het vocht niet zoo snel uit de opening vloeien kan. Het spreekt vanzelf, dat men dit stop-middeltje, bij het reinigen, moet wegwerpen.

Indien het kind niet naar behooren zuigt, kan de oorzaak daarin gelegen zijn, dat het voedsel te warm of, wat minder vaak voorkomt, te koud is. Aangezien het kind ook voor het leegdrinken van de flesch een twintigtal minuten noodig zal hebben, is het goed om de flesch, teneinde het afkoelen te voorkomen, met een zakje van wol of van eene andere, de warmte slecht geleidende, stof te omhullen.

Vooral bij deze wijze van voeding kan het kind te veel voedsel krijgen, overvoed worden. Het kan echter ook te weinig krijgen, zoowel doordat te weinig per maaltijd gegeven wordt, als doordat, bij voldoende hoeveelheid, de voedingswaarde, tengevolge van te sterke verdunning, te gering is. Er behoort dan ook bij de voeding met de flesch eene groote mate van oplettendheid betracht te worden. Wanneer de moeder inderdaad die oplettendheid betracht en nauwkeurig acht geeft op den toestand van den zuigeling, in verband met een regelmatig verloop van het gewicht en in verband met eene behoorlijke ontlasting, kan zij, naar mijne overtuiging, ook hierbij, met inachtneming van het bij de borstvoeding besprokene, de regeling van het aantal maaltijden en de hoeveelheden, per maaltijd te gebruiken, in den beginne aan het kind overlaten. Zij bedenke daarbij, dat van een te sterk verdund mengsel grootere hoeveelheden noodig zijn om aan de behoefte van het kind te voldoen, en geve dus liever te weinig dan te veel. Bij mijne eigene kinderen, waarvan er twee van den aanvang af met koemelk moesten gevoed worden, handelde ik als volgt. Er werd begonnen met 1 deel melk en 2 deel water, waarbij melksuiker gevoegd was. In iedere flesch werd zooveel van het mengsel geschonken, dat er, als het kind gedronken had, altijd iets in de flesch overbleef. Indien de ontlasting daarbij goed was, zoowel wat aantal als vastheid en kleur betrof, werd zoolang bij deze samenstelling gebleven, tot de ontlasting veranderde. Werd de ontlasting dunner, dan werd een kleine hoeveelheid melk meer gegeven. Aangezien de verhouding steeds op 100 gram berekend werd, beantwoordde aan eene grootere hoeveelheid melk eene kleinere hoeveelheid melksuikeroplossing. Bijvoorbeeld: Voor 100 gram mengsel werden genomen 34 gram melk en 66 gram melksuikeroplossing. Was de ontlasting daarbij normaal, dan bleef het bij die verhouding, totdat de ontlasting iets dunner en vaker geloosd werd. Dan werden 36 gram melk en 64 gram melksuikeroplossing genomen. Werd daarbij de ontlasting weder normaal, dan bleef het daarbij; kwam de ontlasting nog niet naar wensch, dan werden genomen 38 gram melk en 62 gram melksuikeroplossing. Was evenwel de ontlasting te stijf, dan gebeurde het omgekeerde en werden genomen 32 gram melk en 68 gram melksuikeroplossing. Op die wijze werd, al naar het noodig bleek, tastenderwijze het voedsel met kleine schommelingen gewijzigd, zoodat gemakkelijk en zonder gevaar kon worden beproefd, wat op een bepaald tijdstip noodig was. Daarbij werd het merkwaardige feit genomen, dat het eene kind eenige maanden vroeger volle melk verdragen kon dan het andere, een bewijs hoe groote verschillen zelfs bij kinderen van dezelfde ouders kunnen voorkomen.

Dat ook bij de tegennatuurlijke voeding, onder bijzondere nauwlettendheid, aan het kind de regeling kan worden overgelaten, moge blijken uit nevenstaande kromme van tweelingen, welke aldus werden groot gebracht. Op de titelplaat ziet men de tweelingen in het bedje en daarvoor, op den grond zittende, een zusje, dat dezelfde vrijheid aan de borst genoten had; op de plaat tegenover bl. 176 de tweelingen, acht maanden oud. Bij geen van drieën werd eenige stoornis waargenomen. Foto’s [8] en kromme (curve) werden mij, met toestemming der moeder, welwillend verstrekt door de verpleegster, die moeder en kinderen, mij overigens geheel onbekend, verpleegde.

Het is niet zonder aarzeling, dat ik deze mijne opvatting over de tegennatuurlijke voeding neerschrijf, omdat, zooals reeds gezegd, aan de tegennatuurlijke voeding meer gevaren verbonden zijn dan aan de borstvoeding, en mijne opvatting, voorloopig althans, geheel afwijkt van hetgeen tegenwoordig geleerd wordt. Ik beveel haar dan ook niet onvoorwaardelijk aan, doch geef den raad, om in ieder bijzonder geval de hulp van den geneesheer over de wijze van voeding in te roepen, terwijl moeders, die in afgezonderd gelegen streken, zooals in onze koloniën nog al eens voorkomt, wonen, waar slechts met groote moeite en kosten het oordeel van een geneesheer kan worden ingewonnen, verstandig doen door zich zooveel mogelijk te houden aan het beginsel, neergelegd in het bovenvermelde omtrent samenstelling en hoeveelheid van het voedsel en omtrent het aantal der maaltijden. Waar men zoo gelukkig is den geneesheer steeds te kunnen raadplegen is mijn papieren geneesheer overbodig.

Ondervoeding behoeft men bij de fleschvoeding niet zoozeer te duchten, omdat daarin betrekkelijk minder gevaar schuilt voor den zuigeling dan in overvoeding. Die overvoeding is dan meestal te wijten aan de omstandigheid, dat de moeder te veel en te vaak voedsel geeft, telkens als het kind huilt of onrustig is en de hand in den mond stopt na het drinken. Gewoonlijk bespeurt men dit het eerst aan de luiers, waarin eene dunne groene en slijmerige of dunne gele, witte stukjes bevattende, ontlasting voorkomt, welke vijf- tot zesmaal per dag geloosd wordt. Het kind spuwt, geeft „boertjes” op, loost winden, slaapt minder, de buik is opgezet; het wordt mager, gaat er slechter uitzien, bleek met ingevallen oogen, welke toestand toenemend erger wordt. Somtijds treden deze verschijnselen plotseling op. Het beste is om, totdat de geneesheer verschijnt, dadelijk een streng dieet toe te passen, b.v. het kind slechts gekookt water of zeer slappe thee te drinken te geven. Bij het toedienen van thee wordt de ontlasting donkerder van kleur.

Minder moeilijk is het, als de zuigeling te eeniger tijd te weinig voedsel uit de borst krijgt en het noodig blijkt het tekort op andere wijze aan te vullen. Dat zal dan geschieden door de zoogenoemde gemengde voeding. De meening dat het geven van tweeërlei voedsel niet goed zou zijn, is volkomen onjuist. Wat de zuigeling nog van de moedermelk krijgen kan, al is het nog zoo weinig, komt hem ten goede en het zal betrekkelijk slechts zelden voorkomen, dat de overgang van natuurlijke tot tegennatuurlijke voeding plotseling noodig blijkt.

Een geleidelijke overgang is van te meer belang, naarmate het kind jonger is. Van den leeftijd zal ook afhangen, wat men als bijvoeding geven zal. Ook hierbij staat het toedienen van koemelk, in verdunningen welke samengaan met den leeftijd van het kind, bovenaan en zal het noodig zijn steeds tastenderwijze te werk te gaan, alles in verband met den toestand van het kind.

In plaats van verdunde koemelk wordt bij ondervoeding aan de borst, dus bij te weinig zogafscheiding, vaak uit karnemelk, met meel en suiker, bereid voedsel, als bijvoeding gegeven, om na eenigen tijd over te gaan tot de voeding met koemelk. (Bereiding zie aanhangsel).

In verband met de cijfers, vroeger genoemd omtrent hoeveelheid voedsel en samenstelling, wijs ik er hier nog eens op, dat de hoeveelheden, waarbij kinderen goed gedijen, zeer verschillend zijn en dat, wat de samenstelling betreft, geen regel te geven is, welke zonder uitzondering als de eenig juiste is aan te merken. Zoo is het ook te verklaren dat er, ondanks eene vrijwel algemeen aangenomen wijze van voedselbereiding en toediening, nog velerlei verschillende opvattingen bij geneesheeren zijn op te merken, welke mijns inziens voor een deel daaraan zijn toe te schrijven, dat zij allen weten, dat ondanks alle regels het gestel der kinderen ten slotte den doorslag geeft, zoodat in ieder geval weder moet geïndividualiseerd, d.w.z. geprobeerd, worden. Dit maakt het dan ook zoo moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om aan te geven hoe „het kind” moet gevoed worden. Van daar ook dat er zoovele fabriekmatig bereide voedingsmiddelen voor zuigelingen, de een met meer de ander met minder ophef, in den handel worden aangeprezen en aangewend, waaruit wel het duidelijkst blijkt, dat eene „kunstmatige moedermelk” tot nog toe niet gevonden is. Bij het eene kind gelukt de voeding met dit, bij de andere met dat voedsel, vaak eerst nadat verschillend lang geprobeerd is. Zij kunnen in den regel ontbeerd worden, indien de moeder zich houdt aan het voorschrift, dat zij in de allereerste plaats haar kind moet leeren kennen, in alle opzichten eene strenge reinheid heeft te betrachten en zich heeft te onthouden van het overnemen van voedingsmiddelen of voedingswijzen, waarbij kinderen van vriendinnen of kennissen, dus andere kinderen, al of niet schijnbaar, beter heeten te groeien dan het hare. In dit opzicht hebben plaatsen, waar vele moeders verkeeren om hare kinderen van de buitenlucht te doen genieten, zooals parken, vaak een ongunstigen invloed, omdat daar gemakkelijk kennis wordt gemaakt en het uitzicht der kinderen aanleiding geeft tot gesprekken omtrent de wijze van voeding, welke vooral jonge moeders wel eens aanleiding geven om de tot nu toe bij haar kind gevolgde wijze te veranderen. Iedere moeder doet verstandig zich te houden aan den raad, welken zij van den geneesheer, dien zij eenmaal haar vertrouwen schonk, ontving en al of niet vermeende afwijkingen met hem te bespreken, omdat alleen de huisarts de verantwoording dragen kan van zijne eigene opvattingen, welke hij door eigene ervaring als de juiste meent te moeten doen gelden. Ik meen dan ook te kunnen volstaan, met hetgeen ik hier in vage trekken heb trachten aan te geven en mij eveneens te moeten onthouden van beschouwingen, omtrent voeding en opvoeding, voor lateren dan den zuigelingenleeftijd.

Slechts heel in ’t kort wijs ik er nog op, dat, afgezien van individueele verhoudingen, zoowel bij moeder als kind, langzamerhand de zuigeling, op dikwerf ver uit elkander liggende tijdstippen, bij tegennatuurlijke voeding tot het gebruik van onverdunde koemelk gekomen is en dan ook weder geleidelijk ander voedsel zal dienen te ontvangen. Dit laatste begint van nature recht te verkrijgen, als de tanden te voorschijn komen, want dan begint het kind van zelf neiging te vertoonen daarvan gebruik te maken. Tegelijkertijd neemt de afscheiding van speeksel belangrijk toe, waardoor het kind in staat wordt gesteld voedsel van vasteren aard te verwerken.

Het is dan ook omstreeks dien tijd, dat de natuur aangeeft dat tot spenen kan worden overgegaan, welke overgang, zooals reeds vroeger werd aangegeven, slechts geleidelijk mag plaats vinden. Gewoonlijk zal dit omstreeks de zevende of achtste maand het geval zijn, somtijds vroeger. Men begint dan met een maaltijd aan de borst te vervangen door ander voedsel, vervolgens twee, drie maaltijden, in langer of korter tijdsverloop, dus steeds geleidelijk, om zoonoodig, b.v. bij het optreden van ernstige stoornissen, tot het geven van de borst te kunnen terugkeeren. Dan geve men verdunde melk, waarvan de samenstelling weder verband heeft te houden met den leeftijd van het kind. Behalve met water, kan men de melk ook verdunnen met slappe bouillon en langzamerhand overgaan tot andere spijs, als pap of brij, met melk als hoofdbestanddeel, al of niet met bouillon bereid, uit griesmeel, havermeel, een of ander kindermeel, sago, tapioca, brood of beschuit en daarna tot vaster kost. De duur van het spenen kan zeer verschillend uitvallen, van 2 tot 3 tot 4 weken en langer. Ook hiervoor is geen algemeene regel te geven.

ALLERLEI OPMERKINGEN MET BETREKKING TOT HET KIND.

Onder dezen titel zullen wij, in alphabetische volgorde, nog enkele zaken bespreken, welke ouders moeten kennen, al zal hier en daar wel iets genoemd worden, wat elders reeds werd aangestipt.

Vooraf gaan echter eenige algemeene opmerkingen.

De moeder moet leeren haar kind waar te nemen. Het spreekt van zelf, dat iedere moeder op haar kind let, maar het is voor haar niet gemakkelijk, om zich omtrent de beteekenis van allerlei verschijnselen een oordeel te vormen. Daarom kan de kennisneming van hetgeen hier volgt haar allicht van eenig nut zijn.