Part 15
Algemeene gezondheidsmaatregelen zijn van groot gewicht met betrekking tot den toestand van en in de woningen, vochtigheid, onvoldoende verlichting, te weinig of te veel warmte, onreinheid op woning, kleeding, lichaam, voedselbereiding, zuivere lucht enz.
De verpleging van het kind is eveneens van belang. Bij den zuigeling dient de huid niet alleen om het binnendringen van vreemde stoffen in het organisme te beletten, maar zij regelt ook de warmte van het lichaam. De groote oppervlakte van het lichaam van den zuigeling, in verhouding grooter dan bij den volwassene, maakt dat afkoeling of verhitting van de omgevende lucht sneller verlaging of verhooging van zijne lichaamswarmte ten gevolge heeft, terwijl aan den anderen kant de lichaamswarmte bij koortsende ziekten bijzonder snel en tot belangrijke hoogte toeneemt.
Behalve goede huidverpleging heeft dus ook de kleeding hare beteekenis. Ik kan niet nalaten erop te wijzen, hoe reeds de voeten onzer kleintjes van den beginne af misvormd worden door ze sokjes aan te trekken, die, omdat zij zakvormig in een punt uitloopen, reeds dadelijk de teentjes tot elkander brengen, wat nog toeneemt als later de schoentjes, vooral als die keurig spits zijn, worden gedragen. Het ware nog niet zoo dwaas om het voorbeeld der Japanneezen te volgen, die voor den grooten teen eene afzonderlijke ruimte laten, zooals dat voor den duim in de wanten gebeurt. Ook het vasthouden van de sokjes met een kouseband onder de knie is verkeerd.
Het kind kan men het best waarnemen als het ontkleed is. Dan kan men allereerst den toestand, waarin de huid zich bevindt, beoordeelen. In den beginne zijn alle zuigelingen min of meer rood van kleur, met in de meeste gevallen eenige vlekkige roodheid boven den neuswortel en op de bovenste oogleden, en blauwachtig roode tint van boven- en onderlip en kin. Allengs wordt de huid wat bleeker van tint, doch blijft mooi en frisch; de zooeven genoemde vlekjes verdwijnen later.
Bij het zieke kind, of bij een kind dat ziek wordt, valt het al spoedig op, dat de huid bleeker wordt of zelfs een vaalgrijze tint aanneemt, welke bij erger worden van de ziekte overgaat in eene blauwachtige tint in het gelaat, met name aan het voorhoofd en de slapen, en bij plotseling optredende aandoeningen ook om de lippen en den neus.
De slijmvliezen blijven ook in ziekte gewoonlijk nog lang rood gekleurd; alleen de tong wordt sterker rood, vooral aan de punt, en bij toenemen van het ziekte-proces droog, vooral bij koorts, en beslagen. Ook de lippen worden dan droog en krijgen kloven. In den mond lette men op spruw.
Bij vermagering, welke het eerst valt waar te nemen aan de binnenvlakte van de dijen, daarna aan beenen en armen, wordt de hals dun, de kin spits, gaat de spanning van de huid verloren, wordt het gezichtje kleiner.
Verder zijn op de huid huiduitslagen te zien, welke niet altijd aan slechte verzorging te wijten zijn; ook abnormale bleekheid b.v. bij bloedarmoede, overmatige dikte met slapte en witheid, zooals bij kinderen, die te lang aan de borst gevoed worden.
De oogen, oorspronkelijk helder en glanzend, worden dof, het wit der oogen vaak roodachtig met kleine adertjes doorloopen. Bij ontsteking van het bindvlies der oogleden vindt men afscheiding van eene dunne gele of dikkere etterige vloeistof, welke de oogleden doet aaneenkleven en in de ooghaartjes, als moeilijk te verwijderen stukjes, blijft vast zitten. Vroeger wees ik reeds op de acute ontsteking bij pasgeborenen, met het daaraan verbonden gevaar van blindworden bij niet tijdig toegepaste behandeling. Ik heb ontsteking van het bindvlies der oogleden zien optreden door het staren van den zuigeling in de vlam van een gasgloeilicht, waaronder de tafel stond waarop de zuigeling werd verkleed.
De groote fontanel kan ook den weg wijzen bij het beoordeelen van zieken. Bij kinderen die aan diarrhee lijden en dus veel vocht verliezen zinkt de fontanel in, terwijl zij bij vochtophooping in den schedel, zooals bij ontwikkeling van waterhoofd en bij ontsteking van het hersenvlies wordt aangegeven, gewelfd wordt. Men houde, waar ik hier over waterhoofd spreek, in het oog, dat het hoofd van den zuigeling opvallend groot is in verhouding tot de lengte van het lichaam, en het gelaat opvallend klein in verhouding tot den schedel, door de geringe ontwikkeling der kaken.
Aan de ooren valt bij ziekte, behalve dat zij opvallend wit worden, gewoonlijk niets bijzonders op te merken. Wel is het nuttig te weten, dat indien het kind bij het wasschen van het hoofdje teeken van pijn geeft, men aan de mogelijkheid van beginnende ontsteking van het hersenvlies of van het middenoor moet denken.
Bemoeilijkte ademhaling, met open mond, snurken, snuffen door den neus, kan wijzen op eene aangeboren ziekte, op vergroote amandelen, ontsteking van luchtpijpstakken of longen, kramp van de stemspleet. Zuigelingen zijn zeer vatbaar voor ontsteking der ademhalingswerktuigen, vooral ook bij influenza, zoodat volwassen personen, die verkouden zijn, moeten oppassen dat zij hunne aandoening niet op het jonge kind overbrengen, daar het van hun „verkoudheid” eene longontsteking kan krijgen. Daarom handelt eene moeder, die verkouden is, verstandig door, als zij een kind aan de borst voedt, vooral gedurende het zoogen, een doek voor mond en neus te houden en het kind niet te kussen.
De buik kan opgezet of ingetrokken zijn. Bij opgezetten buik lette men op al of niet duidelijk waar te nemen bloedvaten, of op darmbewegingen, welke door den buikwand te zien zijn. Verder lette men op breuken, niet alleen van den navel, maar ook in de liesplooien (darmbreuk) en bij jongens in den balzak (darmbreuk, waterbreuk), op bloeding of ettering uit den navel.
Aan beenen en armen, namelijk aan de polsen en enkels, kunnen verdikkingen ontstaan, vaste zwellingen bij Engelsche ziekte, indrukbare, waar gedurende eenigen tijd de indruk der vingers blijft bestaan, bij andere ziekten.
Ook lette men op verstopping en diarrhee, op de geur der ontlasting, op pijn bij het urineeren, op uitzakking van den endeldarm.
De lichaamswarmte (temperatuur) stijgt of daalt, waarop reeds boven gewezen werd, gemakkelijk en spoedig boven of beneden het normale. De temperatuur wordt gemeten met een thermometer, het liefst een zoogenaamden maximaal-thermometer, welke, met vaseline of olie ingevet, bij het op de zijde liggende kind voorzichtig in den endeldarm wordt gestoken en daar 5 minuten (den thermometer vasthouden) blijft liggen. De pols is gewoonlijk moeilijk te voelen, zoodat men dit kan nalaten.
Zweeten doet een gezond kind, tenzij het te warm ligt, niet; sterk zweeten vooral moet doen denken aan ziekte.
Indien een kind niet volmaakt gezond is, wordt het knorrig, verdrietig en onrustig, of gelijkmoedig, opvallend rustig en ernstig; beweegt zich, als het uitgekleed is, niet spartelend, doch blijft stil liggen, met slappe ledematen en dus niet in de vroeger beschreven houding met opgetrokken armen en beenen, of ook ligt het juist niet stil, doch maakt, ook in zijn bedje, heftige, schokkende, stootende, bewegingen met armen en beenen en met het hoofd. De spieren (het vleesch) zijn niet zoo gespannen, of juist hard en te sterk gespannen.
De slaap is meestal niet diep, de kinderen zijn onrustig, worden telkens wakker; de eetlust vermindert.
Braken. Indien het, kort na den maaltijd, teruggeven van eene geringe hoeveelheid genoten melk verandert in braken van vocht, met slijm en stukjes, na langer tijdsverloop, waarbij dan, als uiting van gestoorde spijsvertering, nog komen veranderde ontlasting, vooral diarrhee, winden, buikpijn enz., zal men den geneesheer moeten raadplegen. De oorzaak kan gelegen zijn in ziekte van het kind, in onverstandige wijze van voeden, in onreinheid bij het bereiden van voedsel, in onreinheid van flesschen en spenen, in bedorven voedsel. Daarbij zijn de kinderen onrustig en huilen of schreeuwen. Om alvast iets te doen, in afwachting van de komst van den geneesheer, geve men slechts gekookt water of zeer slappe thee te drinken.
Een hoogst enkele keer komt het voor, dat een zuigeling bloed braakt, al of niet gepaard met afgang van bloed uit den darm. De oorzaak daarvan ligt nog gedeeltelijk in het duister. Men moet zich dan in de allereerste plaats ervan trachten te vergewissen, of dat bloed, vooral indien alleen bloed gebraakt wordt, misschien te voorschijn komt na eene bloeding uit den neus, uit het slijmvlies van den mond, of na inslikken van bloed uit scheuren van den tepel. In deze gevallen is de hoeveelheid gewoonlijk gering. In het hier bedoelde, zeer zelden voorkomende, geval komt het bloed gewoonlijk zonder voorafgaande verschijnselen, somtijds na eenigen tijd van onrust gepaard met braken van genoten melk en met vloeibare ontlasting, veelal in de vier eerste dagen na de geboorte, zelden later. Meestal komt het bloed het eerst of alleen uit den darm, al of niet met ontlasting, in den aanvang in kleine hoeveelheid, vloeibaar of met bloedstolsels, lichtrood, donkerrood tot zwartachtig gekleurd. In een deel der gevallen gaat dit samen met braken van bloed. Zeldzamer wordt alleen eene roode of bruinachtige vloeistof, soms met stolseltjes, gebraakt, of ziet men kleine streepjes bloed in het uitgeworpen voedsel. Het kan bij één keer blijven, enkele uren, doch ook eenige dagen aanhouden. Indien het zich herhaalt, treden verschijnselen van sterk bloedverlies op; de temperatuur van het lichaam daalt, de ledematen, te beginnen met handen en voeten, en de neus worden koud, het gelaat krijgt een wasbleeke kleur, de ademhaling wordt oppervlakkig, de pols is nauwelijks te voelen. Men moet onverwijld de hulp van den geneesheer inroepen, daar de toestand voor den zuigeling zeer bedenkelijk worden kan.
Dit braken is niet te verwarren met het spuwen van ingeslikt vruchtwater, dat, vaak vermengd met de ontlasting zooals die door alle zuigelingen in de eerste dagen geloosd wordt en den naam van kindspek draagt, kort na de geboorte wordt uitgeworpen.
Breuken. Behalve de vroeger genoemde breuken komt bij jongens somtijds een waterbreuk voor, dat is eene ophooping van vocht in een bepaald gedeelte van den balzak, waardoor deze min of meer vergroot is. In de meeste gevallen verdwijnt dit vocht van zelf, zoodat eene behandeling onnoodig is.
Engelsche ziekte (Rachitis) is een ziekte, welke gewoonlijk nog in het eerste levensjaar en dan meestal eerst na de derde maand, bij vele kinderen eerst in het tweede halfjaar, begint, in den regel met algemeene verschijnselen, welke wijzen op stoornis in de voeding en op algemeene zwakte. De kinderen worden onrustig, verdrietig, slecht geluimd, schreien veel en slapen niet meer zoo goed als te voren; zij worden bleeker en slapper, lijden aan verstopping, later aan diarrhee; de urine heeft vaak eene doordringend scherpe reuk. Nadat deze algemeene verschijnselen twee of drie weken geduurd hebben, treden andere op. Een van de eerste is sterk zweeten, vooral aan het hoofd, zoodat ’s morgens vaak het hoofdkussen doornat is. De kinderen hebben pijn in de ledematen, voornamelijk bij aanraking, dus als zij worden opgenomen of aangevat, en bewegen armen en beenen liever niet. Terwijl zij op den rug liggen, bewegen zij het hoofd, ook in den slaap, heen en weder, wrijven met het achterhoofd op het kussen, waardoor daar ter plaatse het haar verdwijnt, doch worden rustig als men hen voorzichtig op zijde legt. Zijn zij ouder dan een half jaar, dan zoeken zij van zelf die ligging op de zijde. Als zij gedragen worden, wordt het hoofd hun al gauw te zwaar en leggen zij zich met wang en voorhoofd tegen het gezicht of den schouder van hen die ze dragen. Op de plaatsen waar men ze aanpakt komen spoedig roode vlekken te voorschijn.
Somtijds breekt de ziekte onverwacht uit, met plotseling optreden van diarrhee, verhooging van de lichaams-temperatuur, snelle pols, pijnen in de gewrichten en aanvallen van krampen.
Daarna vertoonen zich veranderingen in de beenderen, welke vooral zijn waar te nemen aan de uiteinden van de zoogenaamde lange beenderen, dat zijn die van armen en beenen, en aan de ribben. De polsen en enkels worden dik, de huid maakt daar diepe plooien; aan de voorzijde van de borstkas ontstaan plaatselijke verdikkingen van de ribben, ter weerszijden van het borstbeen, in overlangs loopende rijen, als de zoogenaamde rachitische rozenkrans. Het hoofd wordt groot en verkrijgt, door afplatting van den achterhoofdschedel, breed en hoog en in het midden vlak worden van het voorhoofd, een vierkanten vorm, waartegen de kleinheid van het gezicht, doordien de beenderen van het gelaat in groei ten achterblijven bij die van den schedel, opvallend afsteekt. De fontanellen blijven langen tijd open; de groote fontanel sluit zich eerst aan het einde van het tweede levensjaar of nog later. De kinderen leeren laat loopen, terwijl zij die reeds loopen konden, dikwijls als een van de vroeg voorkomende verschijnselen, den lust daartoe verliezen. Het krom worden van de beenen is algemeen bekend.
De tanden breken later door, in onregelmatige volgorde en met lange tusschenpoozen. De snijtanden blijven klein, met hoekige kauwvlakten en vertoonen soms halvemaanvormige bochten; de tanden zijn week en broos en kunnen tot den kaakrand afbrokkelen, zij worden wankleurig, het email vertoont overlangs en dwars loopende spleten en ronde deukjes. De willekeurige spieren zijn slap.
Kinderen met rachitis lijden vaak aan stuipen.
Huidziekten. De huid van den zuigeling is zeer dun, teeder en gevoelig, en antwoordt zeer gemakkelijk op prikkels, hetzij die van buiten af dan wel van binnen uit werken.
Daarom treden gemakkelijk plaatselijke veranderingen op, b.v. door inwerking van vochten, zooals melk welke uit den mond loopt, urine en ontlasting, wanneer de reiniging te wenschen laat. Doch ook al te veelvuldig reinigen en vegen van de huid kan, door telkens opnieuw verwijderen van het door de talkklieren geleverde vet, de huid overgevoelig maken voor schadelijke invloeden van buiten. De kinderen brengen zichzelf vaak door krabben wonden in het gelaat toe, waar schadelijke stoffen kunnen binnendringen, zoodat het dikwijls reeds vroeg noodig is de nageltjes te knippen.
Vervolgens kunnen prikkels, van den darm uitgaande, verschijnselen van huidaandoening teweeg brengen, terwijl eindelijk ook de erfelijkheid eene rol speelt, zoodat de kinderen vaak aan dezelfde aandoeningen lijden als de ouders vroeger deden.
Smetten of wondzijn van de huid. Het kenmerkende hiervan is het voorkomen van licht- of donkergekleurde, roode, vochtige, uiterst pijnlijke plekken, waaromheen en waarin somtijds blaasjes met troebelen inhoud liggen, welke plekken zich bij slechte verzorging gemakkelijk uitbreiden en de kinderen geducht kunnen hinderen. Men vindt deze plekken vooral op plaatsen welke voortdurend aan vocht zijn blootgesteld, b.v. aan den hals, waar de kleederen door spuwen of uit den mond vloeiende melk nat worden; aan de billen, aan de achtervlakte der dijen en in de liesplooien, door het lange liggen in luiers, nat door urine of door zure diarrhoeïsche ontlasting, bij voedingsstoornissen, alsmede aan de hielen en in alle plooien van de huid, vooral bij vette kinderen en bij kinderen die zweeten.
Het voorkomen en genezen heeft zich dus te richten op zorgvuldige verpleging en op zorg bij de voeding. De plaatselijke behandeling bestaat in het reinigen met olie en (of) poederen, waarbij alsol-strooipoeder en bolus alba uitstekende diensten bewijzen.
Urticaria of netelroosuitslag kenmerkt zich door het optreden van kleine of groote, eenigszins boven de omgeving uitstekende, helrood gekleurde, of lichte, in het midden dikwijls witachtige, vlekken, zooals die worden waargenomen na aanraking met brandnetels, vaak met een klein vochtbevattend blaasje in het midden. Zij jeuken, vooral in de warmte, en worden gewoonlijk door het kind opengeschuurd of opengekrabt, waarna zij, onder vorming van een korst, genezen.
Ook hierbij heeft men te letten op stoornissen in de spijsvertering. Zij komen eveneens voor na insectenbeten. Ter behandeling kan men de plekken wasschen met azijnwater of citroenwater, met een schijfje citroen er overheen strijken; laten drogen en daarna poederen. Dikwijls helpt het bestrijken met een stukje naphtholzeep, in water gedoopt, zoodat eene laag schuim op de huid komt, welke men laat indrogen.
Dauwworm is een vorm van eczeem, welke somtijds reeds vroeg optreedt.
Deze uitslag begint, dikwijls reeds in de eerste weken na de geboorte, meestal aan de wangen, en kan zich over het voorhoofd, over het gelaat en het behaarde hoofd, in ernstige gevallen ook in de plooien van den hals, in oksel- en knieholten en zelfs over het geheele lichaam uitbreiden. De aangetaste plekken, waar de huid rood wordt en zwelt, en waar kleine min of meer roodgekleurde verhevenheden ontstaan, welke zich tot blaasjes ontwikkelen en na opening, door krabben of schuren, een weinig vocht ontlasten, veranderen spoedig, door ineenvloeien en uitbreiding in de omgeving, in vochtige vlakten, waarop zich korsten vormen, welke de vochtige, vaak etterende, vlakken bedekken en waar tusschendoor een troebel of etterig vocht heen siepert. Blijft de aandoening beperkt, dan kunnen de kinderen er goed uitzien, doch bij groote uitbreiding gaat zij gepaard met stoornis van het algemeen welbevinden. Somtijds wijst de aandoening op geërfde neiging tot huidaandoening, welke dan vaak het eerst in verband met de voeding optreedt. Kinderen wier gestel neiging tot eczeem-vorming vertoont, lijden ook gemakkelijk aan katarrhen van de slijmvliezen van neus, keel en luchtpijpstakken, aan roode oogen, klierzwellingen in hals en nek, aan stoornis in de spijsvertering, gebrek aan eetlust, beslagen tong, loozen van winden, slijmige ontlasting; zij hebben meestal een prikkelbaar zenuwstelsel en zijn bijzonder vatbaar voor kinderziekten.
De aandoening kan van zelf tot genezing komen, vooral bij verandering van voedsel, zooals b.v. bij den overgang van melk tot gemengden kost, doch is gemeenlijk van langen duur en biedt vaak hardnekkig weerstand aan de door den geneesheer toegepaste behandeling.
Wijnvlekken. Somtijds wordt een kind geboren met min of meer blauwrood gekleurde vlekken, welke overal op het lichaam kunnen voorkomen, doch zeer dikwijls worden aangetroffen in den nek en aan het voorhoofd, aan de grens van het haar. Zij kunnen vanzelf, dus zonder behandeling, verdwijnen. Dit is niet het geval met de evens rood gekleurde
Vaatgezwelletjes, welke, bij de geboorte somtijds heel klein, allengs grooter worden en zich in alle richtingen, dus zoowel in de breedte als in de diepte, uitbreiden en zich boven de omgevende huid verheffen. Daarom is het aan te bevelen die zoo vroeg mogelijk te laten behandelen. Uitbranden, of vaccineeren op die plek, kan misschien bij geringe grootte een gunstig gevolg opleveren, de grootere vereischen operatieve behandeling.
Berg noemt men een zich op de behaarde hoofdhuid vormend mengsel van huidvet, huidschilfers en vuil. De meening dat het, soms in vrij dikke laag op de plaats van de groote fontanel gelegen, niet mag verwijderd worden, met het oog op de gevoeligheid der hersenen, is volkomen onjuist. De behandeling bestaat in weekmaken, door de plek des avonds met olie in te smeeren, het hoofd met een doek te omwikkelen, en ’s morgens met zeepwater te wasschen, tot alles verdwenen is. Bij herhaald optreden, ondanks deze behandeling, bestaat vermoeden op ziekelijken aanleg voor huidaandoeningen.
Lengtegroei. De lengte van het kind neemt in den aanvang vrij langzaam, daarna snel, tegen het einde van het eerste levensjaar weder langzamer toe. Ziekte heeft daarop bijna geen invloed. De gezond ontwikkelde jongen heeft bij de geboorte gemiddeld eene lengte van 50 cM. en groeit in het eerste jaar ongeveer 20 cM.; voor het meisje gelden de cijfers 49 en 18–19 cM. Voor eene beoordeeling van den groei van het lichaam hebben de verhoudingen van lengte, omvang van borst en schedel meer waarde, dan de lengte alleen. De omvang van de borst, gemeten ter hoogte van de tepels, bedraagt bij den pasgeborene gemiddeld 31–35 cM., de omvang van den schedel gemiddeld 33–35 cM. Bij goed ontwikkelde pasgeboren kinderen overtreft de omvang van de borst de halve lengte met ongeveer 6–10 cM. Een hooger cijfer (11–12 cM.) wijst op krachtige, een lager cijfer (5 cM.) op zwakke ontwikkeling. De omvang van den schedel en van de borst zijn bij de geboorte ongeveer gelijk. Bij normale ontwikkeling nemen beide gedurende eenigen tijd in dezelfde mate toe (in 3½ maand 2,5 cM.). Indien de omvang van de borst in mindere mate toeneemt, zou dit op rachitis wijzen (Bendix).
Ontlasting. Verstopping komt zoowel bij aan de borst gevoede als bij met de flesch gevoede kinderen voor; somtijds aangeboren. Zij is bij borstkinderen van weinig belang. Het kan gebeuren, dat er slechts om de twee of drie dagen ontlasting komt en dan òf heel weinig òf veel, en dan vaak in den vorm van droge harde ballen, welke onder sterke inspanning van het kind worden uitgedrukt. Daarbij ondervindt het kind wel eens pijn en kunnen er scheurtjes in de aarsopening ontstaan, welke bloeden, zoodat zich bloed aan de oppervlakte dier ballen bevindt. Het kind heeft dan angst voor het ontlasten en tracht de ontlasting binnen te houden, waardoor de verstopping toeneemt. Behalve pijnlijkheid bij de ontlasting hebben de kinderen vaak een gevoel van jeuken en branden aan de aarsopening. Vooral bij fleschkinderen komen die harde ballen, geel, lichtgeel of grijsachtig gekleurd, voor, welke men gemakkelijk uit de luier kan schudden.
Men onthoude zich zooveel mogelijk van inwendig toe te dienen middelen. Zoonoodig geve men een enkele keer wat wonderolie, b.v. een theelepeltje vol. Beter is het een zoogenaamd zeeppilletje aan te wenden, gemaakt door een stukje zeep ter dikte van een potlood en ter lengte van 3 of 4 centimeter te snijden, of door wat geschaafde zeep tot een balletje te kneden, en dat door de aarsopening in den endeldarm te brengen. Indien dit niet helpt, zette men, b.v. door middel van een gummi-ballon, een lavementje, waarvoor men eenvoudig lauwwarm water, of lauwwarm water en olijfolie (van elk een eetlepel), of lauwwarme olijfolie (twee eetlepels) of glycerine (een eetlepel glycerine en een eetlepel water), of koud water gebruiken kan. Men legge daarvoor het kind op de linkerzijde, met de knieën naar den buik opgetrokken, zoodat de aarsopening goed te zien komt, brenge dan het aanzetstuk (de canule) van het spuitje, goed met vaseline of olijfolie vetgemaakt, voorzichtig door de aarsopening in den endeldarm en spuite den inhoud van het spuitje vrij krachtig naar binnen. Bij fleschkinderen kan men meestal verbetering brengen door de samenstelling van het voedsel te veranderen, b.v. door minder melk te geven, door de melk te verdunnen met gortwater, door in plaats van gewone suiker melksuiker toe te voegen. Bij oudere kinderen kan men door toedienen van soep, groenten, ooft enz. trachten aan het euvel tegemoet te komen.