Moeder en kind

Part 16

Chapter 163,899 wordsPublic domain

Diarrhee. Bij diarrhee komt de ontlasting te dun en te vaak, van 8 tot wel 20 malen of meer per etmaal. De ontlasting komt dan, dikwerf voorafgegaan door koliek-pijnen, met meer of minder sterk geluid te voorschijn, kan zuur of rottend rieken, schuimend zijn en bloed bevatten. De buik kan opgezet zijn of juist ingezonken. Vaak hoort men voorafgaand rommelen in den buik. Bestaat er maag-katarrh, dan is de tong beslagen. De kinderen zijn onrustig, schreeuwen zoowel omdat zij pijn in den buik hebben als omdat de streek om de aarsopening en de billen gesmet en open is. De eetlust wordt minder, het lichaamsgewicht neemt niet toe of neemt zelfs af, de kinderen zien bleek en worden slap, de hoeveelheid urine wordt minder. In ernstige gevallen bespeurt men invallen en koud worden van het gelaat, vooral koud worden van neus, armen en beenen; de kleur van het gelaat wordt vaak blauwachtig. Het kind ligt stil en verdraait de oogen, wordt plotseling onrustig, schreeuwt of gilt, beweegt de armen en beenen stootend, om dan weder, vermoeid, rustig te worden. Het toenemen van de hoeveelheid urine is een gunstig teeken.

De oorzaak kan zeer verschillend zijn. Bij fleschvoeding is zij vaak te vinden in onverstandig voeden, slechte reiniging van spenen en flesschen, bedorven voedsel. Men denke echter ook aan ziekte van het kind, als b.v. verkoudheid, infectie en zooveel meer, zoodat steeds de hulp van den geneesheer moet worden ingeroepen.

Om te beginnen kan men alvast iets doen, en wel het kind op dieet zetten, het namelijk niet anders dan gekookt water of slappe thee geven.

De roode billen wassche men met olie af en poedere daarna. Luiers, en alles wat met de diarrhee-ontlasting bevuild is, laat men in sodawater weeken en uitkoken, om ze daarna te wasschen.

Een gewoon verschijnsel is het optreden van dunnere ontlasting, gedurende eenige dagen, als de ontlasting van de eerste dagen na de geboorte (kindspek) tot de melkontlasting over gaat.

Zoowel verstopping als diarrhee gaan wel eens gepaard met pijnlijke uitzakking van een gedeelte van den endeldarm uit de aarsopening.

Spruw noemt men eene in den mond optredende aandoening, teweeggebracht door een schimmelplantje en kenbaar aan op de tong en op het verhemelte, in de plooien der wangen, op tandvleesch en lippen voorkomende witte of geelwitte vlekjes van verschillende grootte en vrij belangrijke dikte, alsof vlokken van geronnen melk in den mond zijn achtergebleven, waarvan zij gemakkelijk te onderscheiden zijn, doordat men ze niet kan wegwisschen. Vaak staat de ontwikkeling in verband met stoornissen in de voeding en kunnen zij verdwijnen, als die worden opgeheven. Ook kan het aanwenden van dotjes of fopspenen de ontwikkeling in de hand werken. Zij veroorzaken den zuigeling pijn, waardoor het zuigen niet alleen bemoeilijkt, doch zelfs verhinderd wordt. Als behandeling noodig blijkt, kan men de mondholte, maar vooral die plekken, door middel van een penseel bestrijken met borax-glycerine (Borax 2,5 gr. glycerine 10 gr.) b.v. 4 maal per dag, of de plekken flink wegwrijven met een rein lapje, gedrenkt met brandewijn. De hierdoor ontstane wondjes genezen spoedig.

Stuipen noemt men aanvallen van spierkrampen. De kramp-aanval begint met trekkingen in de spieren van het gelaat, waarbij het kind het voorhoofd fronst, de wenkbrauwen samen-, de mondhoeken naar beneden trekt, de kaken vast op elkander klemt, de oogleden opent en sluit, de oogen verdraait of in een bepaalden stand plaatst, schokkende bewegingen met het hoofd maakt, welke trekkingen overgaan op de spieren van den romp en van de ledematen, waarbij de ademhaling onregelmatig wordt, tijdelijk tot stilstand komt (men spreekt van „wegblijven” of „achter adem komen”), kortom alle spieren en spiergroepen ten slotte de krampen vertoonen, terwijl het gelaat eene bleeke kleur, daarna een blauwe tint aanneemt, bewusteloosheid intreedt, urine en ontlasting onwillekeurig geloosd worden.

Men heeft gedurende den aanval zorg te dragen, dat het kind zich niet bezeeren en, indien het tanden heeft, door een opgerolden doek of een houtje tusschen de tanden te steken, zich niet op de tong bijten kan. Terwijl men den geneesheer laat ontbieden make men de kleederen los en legge men koude compressen op het hoofd, welke telkens verwisseld worden, of wikkele men het inmiddels uitgekleede kind in een koud nat laken en zette men een lavement van zeepwater. Inmiddels worde een lauwwarm bad gereed gemaakt, waarin men het kind eene overgieting met koud water geeft.

Een afzonderlijke vorm is kramp van de stemspleet, waarbij het ademhalen, lang gerekt, met groote moeite en gierend geluid geschiedt, het kind, door gebrekkigen toevoer van lucht, blauw wordt en in het grootste gevaar verkeert.

De aanvallen verschillen in lengte van duur en in aantal; in ernstige gevallen treden zij meermalen daags kort na elkander op. Na den afloop van een stuip valt het kind dikwijls in een diepen slaap, met rochelende ademhaling.

Stuipen kunnen voorkomen bij kinderen met prikkelbaar zenuwstelsel, bij aandoening van de hersenen, bij plotseling optreden van stoornissen in de spijsvertering, bij het begin van acute infectie-zieken als de koorts intreedt, bij kinkhoest of andere ziekten en staan niet zelden in verband met Engelsche ziekte.

Inzinking. Bij kinderen, die zwaar ziek zijn, treedt somtijds ineens eene verandering in het uiterlijk op, welke men collaps noemt en misschien het best wordt aangeduid met het woord „inzinking.” De huid neemt dan plotseling een vaalgrijze kleur aan, terwijl het kind onrustig wordt, de oogen verdraait, angstig kijkt, het gelaat blauw, de punt van den neus en de ledematen koud worden, de buik opzet.

Men geve het kind een kortdurend warm bad met koude overgieting en brenge het daarna in zijn bedje, met warme kruik aan de voeten. Pas op voor verbranding der voeten.

Tanden krijgen. Het tijdstip waarop de eerste tand verschijnt en vervolgens de andere doorbreken is wel is waar aan individueele schommelingen onderhevig, doch men kan toch wel eenigermate aangeven, wanneer en in welke volgorde zij gemeenlijk te voorschijn komen. Bijgaande tand-formule geeft door letters aan, welke volgorde in het meerendeel der gevallen bij gezonde kinderen wordt waargenomen.

g e f c b | b c f e g = bovenkaak -----------------------+-------------------------------------- g e f c a | a d f e g = onderkaak ------ ----------------- ------ kiezen hoek- snijtanden hoek- kiezen tanden tanden

De eerste snijtanden (a. a.) breken tusschen de 7e en 8e of 9e, somtijds reeds in de 4e, 5e of 6e maand door; de tweede groep (b. b. c. c.) ongeveer 4 tot 8 weken later, de volgende groep (d. d.) tusschen de 10e en 12e maand. Dan volgen de voorste kiezen (e. e. e. e.) tusschen de 12e en 15e maand, of later, tot de 18e maand; daarop de hoek- of oogtanden (f. f. f. f.) omstreeks de helft van het 2e levensjaar en ten slotte de achterste kiezen (g. g. g. g.) tegen het einde van het 2e of het begin van het 3e jaar.

Aan het einde van het eerste levensjaar zijn dus alle acht snijtanden en aan het einde van het tweede of aan het begin van het 3e jaar alle twintig melk- of wisseltanden te voorschijn gekomen. Deze tanden zijn kleiner dan de blijvende tanden, de kauwvlakten zijn in verhouding kleiner, zij staan meer rechtop en zijn blauwachtig wit van kleur.

Afwijkingen in tijd en volgorde van het doorbreken komen vaak voor, ook bij kinderen die gezond en goed ontwikkeld zijn. Die afwijkingen zijn dus onverschillig als de kinderen goed gedijen. Alleen groote onregelmatigheden zijn van belang, als mogelijk verschijnsel van Engelsche ziekte.

Bij het gezonde kind bespeurt men vaak niets van het tanden krijgen; hoogstens zijn zij wat onrustig en huilerig. Soms kondigt het doorbreken der tanden zich aan door zeer sterke afscheiding van speeksel, kwijlen de kinderen sterk. Het tandvleesch is rood, gezwollen en pijnlijk, op de wangen vertoont zich eene omschreven roode plek, al of niet met blaasjes of puistjes bezet. Een of twee dagen van te voren is het kind licht koortsig, zonder eenige andere afwijking, doch ook wel met lichte stoornis in de spijsvertering, weekere vaker komende ontlasting, lichte katarrh van neus en keel, geringe zwelling van klieren aan den hals. Het kind gevoelt zich niet behaaglijk, is onrustig en prikkelbaar, steekt telkens de vingers in den mond, heeft minder eetlust en slaapt minder goed. De gevoeligheid en prikkelbaarheid van het kind is dus verhoogd en tengevolge daarvan kunnen dan ook schadelijkheden, welke op andere tijden geene uitwerking hebben, hem ziek maken. Ook treden in enkele gevallen verschijnselen van den kant der hersenen op, in den vorm van spiertrekkingen in het gelaat en aanvallen van kramp, maar het is zeer verkeerd om alle mogelijke ziekten, welke in dien tijd toch evengoed als op andere tijden kunnen optreden, zooals b.v. huiduitslag, hoesten, diarrhee, stuipen enz., als meer of minder onschuldige gevolgen of verschijnselen van het tanden krijgen te beschouwen. Men moet dus niet te spoedig zeggen: „O, dat is niets, dat komt van de tanden.”

Vaak neemt het kind gedurende dien tijd niet of weinig in gewicht toe of neemt het gewicht zelfs af. Aangenaam is het voor hem op iets hards te bijten, waarvoor hem een beenen ring, of iets anders dat hard is, mits daarbij groote reinheid betracht wordt, kan gegeven worden. Zulk een voorwerp mag niet te klein zijn, om het gevaar van inslikken te ontgaan.

Nog wijs ik erop, dat de met het tanden krijgen van nature gepaard gaande vermeerderde afscheiding der speekselklieren eene aanwijzing is, dat men van dat oogenblik af ook andere spijs, dan uitsluitend melk, kan toestaan.

Uitzakken van den endeldarm. Als gedurende de ontlasting het slijmvlies van de aarsopening of een gedeelte van het slijmvlies van den endeldarm naar buiten komt, spreekt men van uitzakken van den endeldarm. Men ziet dan de aarsopening omgeven door een blauwachtig-rood gekleurden dikken ring, welke gespannen aanvoelt, of het hoogrood of blauwrood gekleurde slijmvlies van den endeldarm een paar centimeters buiten de opening uitpuilen. Behalve pijn en aandrang tot persen gevoelt het kind zich goed. Deze afwijking komt minder bij zuigelingen, dan wel bij kinderen in het tweede of derde levensjaar voor.

De behandeling bestaat in het terugbrengen van de gezwollen deelen, nadat de ontlasting is geschied. Daartoe legt men het kind op zijde of plaatst men het in knie-elleboogligging, en brengt men het uitgeperste gedeelte, met den met olie of vet besmeerden of met een in olie gedrenkt lapje omwikkelden vinger, voorzichtig zoo diep naar binnen, dat alles verdwijnt.

De oorzaak kan gelegen zijn in verslapping van den endeldarm welke door persen erger wordt, in verstopping of diarrhee, waar vaak drang tot persen bij komt, in algemeene zwakte. Ook ziet men deze afwijking wel eens in aansluiting aan vernauwing van de voorhuid bij jongens, en bij kinkhoest.

Bij oudere kinderen, die van een potje gebruik maken, kan het voordeelig zijn het potje zoo hoog te plaatsen, dat het kind de voeten niet steunen kan, zoodat de buikpers minder sterk werkt. Ook kan men ze, op den rug op een ondersteek liggend, de beenen in de hoogte heffen, opdat zij die niet kunnen steunen. In een warm zitbad komt de ontlasting gemakkelijker en met minder pijn.

Vaccineeren. De bedoeling van het vaccineeren of inenten is, het kind te vrijwaren voor besmetting met het gif der pokken. Inderdaad verwekt de inenting eene ziekte, doch van weinig belang, welke ziekte niet besmettelijk is en den mensch in een toestand van onvatbaarheid voor echte pokken brengt. Aangezien deze onvatbaarheid van betrekkelijk korten duur is, ongeveer tien jaren, is het noodig de vaccinatie nu en dan opnieuw te verrichten.

Het proces verloopt als volgt. Nadat de inenting verricht is, genezen de gemaakte wondjes in de eerste dagen gewoonlijk zonder eenig verschijnsel. Daarna treedt om het genezen wondje een rooden hof op en vormt zich eene kleine verhevenheid, een puistje, dat op den vijfden dag in een blaasje overgaat, welk blaasje, in grootte toenemend, in het midden een deukje draagt. Oorspronkelijk met witachtigen glans wordt het blaasje tusschen den zevenden en negenden dag geel, de inhoud etterig en de omgeving min of meer gezwollen, met helroode ontstekingskleur, op aanvoelen warm. De ontwikkeling van deze pokpuist bereikt haar hoogtepunt tusschen den negenden en elfden dag. Dan verdikt zich de etter en droogt in, waarna zich, tusschen elfden en achttienden dag ongeveer, terwijl zwelling en roodheid der omgeving minder worden, een korst vormt, welke na eenige dagen afvalt, met achterlaten van eene roodachtige plek, welke allengs verbleekt, zoodat omstreeks het einde van de vierde week alles voorbij is. Liggen de puisten dicht bij elkander, dan loopen zij ineen en is de zwelling belangrijker.

Om de puisten tegen letsel, ook door krabben, daar de zwelling met jeuk gepaard gaat, en tegen infectie te beschutten, bedekt men ze b.v. met een lapje steriel gaas, met boorvaseline bestreken, vastgehouden door een of ander verband. Om krabben en schuren te verhinderen kan men de beweging der armen tijdelijk belemmeren, door de mouwtjes met veiligheidsspelden aan de borstkleeding vast te maken, of op andere wijze.

Behalve deze plaatselijke kunnen zich ook algemeene verschijnselen voordoen. Sommige kinderen blijven er vrij onverschillig onder, andere worden gedurende eenige dagen lusteloos of kribbig, hebben minder eetlust, nog andere krijgen een uitslag over het geheele lichaam, in den vorm van kleine roode vlekjes en puistjes.

Alleen gezonde kinderen mogen ingeënt worden. In het algemeen kan men zeggen, dat het de voorkeur verdient de kinderen zoo vroeg mogelijk in te enten, omdat zij dan minder gevoelig zijn. Meestal gebeurt het niet voor de zesde levensmaand, waarop men evenwel in tijden van epidemieën, welke echter na het invoeren der vaccinatie zelden en nooit meer in groote uitgebreidheid worden waargenomen, natuurlijk eene uitzondering maken zal. Het jaargetijde waarin men vaccineert is onverschillig.

Vernauwing van de voorhuid. Bij pasgeboren jongens is de eikel gewoonlijk samengekleefd met de voorhuid, eene tijdelijke verbinding, welke na korten of langeren tijd van zelf wordt opgeheven, zoodat behandeling onnoodig is. De voorhuid is altijd zoo nauw, dat het niet gelukt die over een groot gedeelte van den eikel terug te schuiven. Ook dit wordt op den duur anders. Intusschen kan het gebeuren, dat er tusschen eikel en voorhuid eene lichte ontsteking optreedt, ten gevolge van ontleding van de vettige stof, welke door daar ter plaatse aanwezige kliertjes wordt afgescheiden. Dit kan aanleiding geven tot dikwijls en pijnlijk urineeren, vooral als de opening van de voorhuid bijzonder nauw is, waarbij de zuigeling onrustig wordt, eene hoog-roode gelaatskleur krijgt en heftig schreit, terwijl de urine met een dunne straal te voorschijn komt en de voorhuid, als de urine tusschen eikel en voorhuid dringt, als een ballon wordt uitgezet. Dan is eene operatie noodig.

Bij eenvoudige lichte ontsteking zonder meer is het voldoende de voorhuid stomp los te maken en alles te reinigen.

Zindelijk maken van zuigelingen. In den laatsten tijd wordt aangegeven, dat men den zuigeling reeds heel vroeg kan leeren zijne behoeften op het potje te doen. Van den tweeden dag af laat men, volgens het voorschrift, het kind het potje even voelen, door het languit op den schoot te leggen, de beentjes met de linkerhand in de hoogte te houden en met de rechterhand het potje onder de billetjes te plaatsen. In de eerste dagen zonder eenig gevolg, zou het kind, bekend geworden met de aanraking van het koude potje, reeds in de tweede week de bedoeling daarvan vatten en zijne behoefte daarin doen. Dit geldt zoowel voor de urine als voor de ontlasting. Indien dit op geregelde tijden gebeurt, zou het kind al spoedig zelf de regelmaat vrijwel inachtnemen en in de vierde week de luier niet meer bevuilen. In den beginne kost het veel tijd, doch dat wordt spoedig anders. Geduld en tijd kunnen zonder twijfel ook hierbij veel doen bereiken en de daaraan besteede moeite loonen. In ieder geval bewijst het, dat de moeders zeker vroeger met het zindelijk maken kunnen beginnen, dan tot nu toe de gewoonte was. Het beste oogenblik zal wel dat vóór de voeding zijn.

Zitten, staan en loopen. Terwijl het kind met 5 of 6 weken, als het op den buik ligt, het hoofd flink vermag op te heffen, begint het dit in de 3e maand ook reeds in andere houding te doen en kan het in de 4e maand het hoofd reeds ophouden. Van de 6e maand af met steun, kan het in de 8e maand zonder steun zitten. Voor de 6e maand kan het het hoofd reeds in alle richtingen bewegen, zich op de zijde of op den buik draaien. Zoolang het hoofd bij het opnemen nog heen en weder schommelt, moet het kind nog in liggende houding verblijven, doch als het zich gaat oprichten, waarbij men het wel eens helpen mag, en het hoofd vermag op te houden, mag men het, als het de kracht daartoe bezit, op den arm dragen. Reeds na een paar weken sluit het de vingers om een voorwerp, dat men hem in de hand geeft, begint dit al spoedig vast te houden en grijpt omstreeks de 6e maand naar elk voorwerp, dat men hem voorhoudt. In de 9e maand begint het pogingen aan te wenden om, hier en daar in zijn bedje steun zoekende, zich op te richten en te gaan staan, hetgeen hem al spoedig gelukt. Indien het kind dit van zelf doet, laat men hem begaan, zonder vrees te koesteren dat hij daardoor kromme beenen zal krijgen, maar wel moet men zich onthouden hem te willen oefenen, door hem op de beenen te zetten. Men late alles aan hemzelf over. Tegen het einde van het eerste levensjaar begint het kind, terwijl het een houvast zoekt aan stoel of andere vaststaande voorwerpen, reeds te loopen, alras eenige schreden, zonder dien steun en aan de hand gehouden, te doen, om gewoonlijk zeer vlug alleen te loopen. Als het kind valt, zal het beginnen te huilen. Men doet dan verstandig hem niet met lieve woordjes en aanhalingen tot bedaren te brengen, doch er niet op te letten of te trachten hem af te leiden door zijne aandacht op iets anders te vestigen.

Voor den gezonden zuigeling is het een genot om slechts weinig gekleed, liever nog geheel naakt, te liggen spartelen. Men kan hem dit genot gemakkelijk verschaffen, door hem in een, niet beneden 15,5° C. (60° F.), verwarmd vertrek gedurende vijf tot tien minuten op een kussen of een matrasje te leggen. Hij oefent daarbij zijne spieren, neemt tevens een luchtbad en ook de moeder geniet ervan.

In den zomer kan men hem, bij goed weder, reeds in de tweede week in de buitenlucht brengen, op heel mooie dagen zelfs vroeger. In den beginne is het goed hem te dragen, doch dan mag hij niet te warm gekleed zijn. Weldra mag hij in eene goed-veerende wagen uitgaan. In het warme jaargetijde kan hij ook in den tuin of op de veranda, in wieg of wagen, buiten liggen, tegen zonlicht en tocht beschut. In den winter mag hij ook wel buiten gereden worden, in de middaguren, als de zon het hoogst staat, doch niet zoo vroegtijdig als in den zomer, en zeker niet als het winderig of nat weer is.

Het is de vraag of het niet beter is om den jongen zuigeling, in den laten herfst, in den winter of in de eerste voorjaarsmaanden geboren, in een verwarmd goed gelucht vertrek te houden, dan hem aan de dikwijls snel wisselende weersveranderingen, welke in dien tijd aan ons klimaat eigen zijn, bloot te stellen. Vele geneesheeren achten dit verkieselijk.

HET EEN EN ANDER OMTRENT BIJGELOOF, VOLKSGEWOONTEN, ENZ. BIJ ZWANGERSCHAP, BARING EN IN HET KRAAMBED.

In het eerste gedeelte was er sprake van het belang voor de aanstaande moeder om ten minste eenigermate te weten, hoe ongeveer de verhouding is van de deelen van haar lichaam, waarin zoowel de bevruchting geschiedt als waarin het bevruchte eitje zich ontwikkelt. Er werd op gewezen, dat het kind gelegen is in een spierachtigen zak, de baarmoeder, waarboven de darmen en de maag, eveneens een zakvormig orgaan, zich bevinden, en dat die allen door het middenrif gescheiden zijn van de borstholte, waar binnen het hart en de longen liggen.

Dikwijls hoorde ik de opmerking, dat het braken gedurende de zwangerschap zou te wijten zijn aan het feit, dat de hoofdharen van het kind de maag kriebelden. Zelfs met het weinige, dat ik omtrent de ligging der organen in de buikholte mededeelde, zal iedereen kunnen begrijpen, dat die verklaring allerbespottelijkst is. Eene andere opmerking, welke vaak gehoord wordt, is deze, dat de moederkoek aan het hart vastgegroeid was. Eene enkele overweging van de natuurlijke ligging der genoemde deelen in het lichaam der zwangere vrouw, doet de dwaasheid van zulk eene opmerking in het oog springen.

Dergelijke beweringen en opvattingen worden telkens weder met grooten ernst en zekere voorliefde geuit. Het nu volgende, indertijd geschreven met de bedoeling om te trachten den oorsprong van enkele daarvan te ontdekken, heb ik gemeend in dit boek te moeten opnemen, in de hoop daarmede, zoo het kan, een einde te maken aan verhalen en verdichtsels, welke menige zwangere vrouw in niet geringe mate angst en vrees kunnen aanjagen.

Wij schrijven 1910 en toch gebeurde het mij nog niet zoo heel lang geleden, dat eene kraamvrouw, die voor de derde maal moeder geworden was, mij zeide: „Aan al dat ouderwetsche doe ik niet meê, maar m’n haren kammen, dat durf ik niet. En omdat ’t zoo viezig wordt en er zoo’n onaangename lucht uit het haar komt, doe ik er wat Eau de quinine op. Maar vies is ’t wel, m’n haarspelden roesten er in.”

Al dat ouderwetsche! Daarmede bedoelde zij het niet reinigen van de kraamvrouw na de baring, het niet verwisselen van het bevuilde lijfgoed tegen rein, en nog andere van die handelingen, waarvan zoo nu en dan nog wel wat in de praktijk opduikt, als herinnering aan volstrekt niet ver verwijderde tijden en gewoonten.

Mijne patiënte vreesde, dat het uitkammen der haren, in de eerste negen dagen van het kraambed, aanleiding zou geven tot bloedstorting. Anderen verbonden oudtijds daaraan de vrees, dat het zog in het hoofd zou slaan. Wordt deze vrees misschien ook nu nog gevonden in ons vaderland?

Het aantrekken van schoon linnengoed, het verhemden, mocht niet gebeuren, omdat anders de kraamzuivering zou ophouden en het zog in den buik slaan.

Tot welke toestanden die vrees voor reiniging kan leiden en werkelijk leidde, blijkt uit eene mededeeling van een heel- en stadsverloskundige te Alkmaar (ten Houte de Lange) in het jaar 1852. „Eene vrouw die ik in bewusteloozen toestand, na den 36sten aanval van stuipen had verlost”, zegt hij, „bezocht ik den 8sten dag daarna.” De patiënte woonde op 2 uren afstands van zijne woonplaats. „Zij was in dien tusschentijd onder behandeling van eene plattelands-vroedvrouw en eenen Med. Doctor, die haar dagelijks bezochten. Voor haar bed komende kwam mij de walgelijkste stank te gemoet, en vond ik haar in den deerniswaardigsten toestand; zij lag nog in hetzelfde sluitlaken, dat ik haar na de verlossing had omgedaan, en in hetzelfde bed, in al de gedurende dien tijd ontlaste urine, kraamzuivering en drekstoffen. Twee plekken koudvuur van de grootte eener manshand aan de billen en stuit verspreidden den afschuwelijksten stank. Niettegenstaande dezen ongehoorden toestand en dat zij een nietig klein vrouwtje was, is alles zeer voorspoedig genezen, heeft zij nog zevenmaal gelukkig en voorspoedig gekraamd en leeft nog”. Tot zoover zijn verhaal.

Onwillekeurig vraagt men zich af, of er eenige reden bestond voor de vrees, dat reiniging der kraamvrouw schade zou kunnen berokkenen en of die reden uit het volk zelf, dan wel uit de geneeskundige wetenschap kan ontsproten zijn.