Part 17
Het is buiten twijfel, dat veel, wat wij uit den mond der leeken hooren, een overblijfsel is van hetgeen vroeger in de geneeskundige wetenschap gangbaar was en dikwerf langen tijd den geneesheeren tot grondslag van hun weten en handelen diende. Is het wonder, dat, waar zij zoo lang vasthielden aan oude leerstellingen, de leek daarvan nu nog geen afstand heeft gedaan; dat bij de leeken van dergelijke beschouwingen nog velerlei is blijven voortleven, waar de wetenschap haren dienaren ander en beter inzicht gaf?
Het schijnt mij toe, dat wij, ter verklaring der vrees voor reiniging, dat zog in het hoofd of in den buik zou slaan, moeten teruggaan tot de tijden van Hippocrates (geboren 460 j. v. Chr. op het eiland Kos). Wat hij, zijne scholieren en navolgers, hebben gedacht en geleeraard, vinden wij neergelegd in de geneeskundige geschriften welke den naam van Corpus Hippocraticum dragen. Kortheidshalve wordt gewoonlijk, bij de aanhaling van die geschriften, alleen van Hippocrates gesproken, omdat hij de voornaamste was, „onze leermeester” zooals 400 j. n. Chr. Oribasius hem noemde. Zijne leer is door alle tijden heen van grooten invloed op de geneeskunde geweest.
Voor Hippocrates dan was de kraamzuivering van het grootste gewicht. Stoornissen in de uitscheiding dier vloeistof werden in nauw verband gebracht met ziekten in het kraambed. De kraamzuivering werd voorafgegaan door de uitscheiding eener vloeistof, welke hij ichor noemde. De daarover handelende plaats wordt als volgt vertaald: „Na de geboorte van kind en nageboorte, vloeit eene bloederig-waterige vloeistof weg, welke van het hoofd en van het overige gedeelte van het lichaam komt en uitgescheiden wordt door het geweld, den arbeid en de hitte (gedurende de baring), en welke als inleiding van de kraamzuivering te beschouwen is.”
Waarom de kraamzuivering zich vertoont, wordt aldus verklaard. „De kraamzuivering treedt op, omdat bij de zwangerschap van een meisje gedurende de eerste 42 dagen, bij die van een jongen gedurende de eerste 30 dagen, slechts zeer weinig bloed tot voeding van het kind naar beneden gaat—omdat anders het jonge vruchtbeginsel zou verstikken. Na dien tijd evenwel vloeit, tegelijk met vermeerderde pneuma-opname [9], tot aan de geboorte eene grootere hoeveelheid bloed toe. De reiniging moet dus in de kraamzuivering teruggegeven worden, en naar buiten afvloeien, naar de orde der dagen”
Dit is, zoo gezien, vrij onverstaanbaar. Maar als men weet, dat een der Grieksche benamingen van kraamzuivering ook gebruikt wordt voor de menstruatie, dan ligt het voor de hand, dat waar van de leer der levensverschijnselen in het kraambed, en de afwijkingen daarvan, sprake is, met dien naam bedoeld is het menstruatie-bloed, dat in den eersten tijd der zwangerschap niet door het kind gebruikt werd, zoodat de kraamzuivering daarvoor in de plaats treedt.
In dezen gedachtengang ligt ook de grondslag voor de opvatting, dat de duur der kraamzuivering na de geboorte van een jongen 30 dagen, na de geboorte van een meisje 42 dagen duurt, d.i. naar de orde of naar den regel der dagen.
Om dit alles te begrijpen is het noodig na te gaan, hoe Hippocrates zich de vorming der vrucht voorstelde. Het voortplantings-product van de vrouw is voor hem niet het ei, omdat zoowel het ei als de eierstok hem onbekend waren, maar, evenals bij den man, het zaad. De bevruchting bestaat in het samenkomen van het zaad van man en vrouw. Dat zaad wordt uit het geheele lichaam, uit vaste en weeke deelen en uit alle vloeistoffen—n.l. de vier Hippocratische vloeistoffen: bloed, gal, water en slijm—afgescheiden, grootendeels uit het hoofd, van waar het, langs de ooren naar het ruggemerg geleid wordt.
Is het zaad van man en vrouw in de baarmoeder gekomen, dan wordt het door de lichaamsbewegingen der vrouw vermengd en door de warmte tot elkander gebracht en verdikt. Daarna neemt het pneuma op, omdat het op eene warme plaats ligt, door de ademhaling der vrouw. Het pneuma baant zich, nadat het verdikte zaad er mede gevuld is, een weg naar buiten. Dadelijk neemt het zaad weder nieuw, koud pneuma van de moeder in zich op, door de scheur waardoor het vroegere ontsnapt is. Op die wijze wordt het vruchtbeginsel gevoed.
Het van pneuma doordrongen zaad omgeeft zich met een vlies, waardoorheen zich, tot in het midden van het vruchtbeginsel, een weg voor het pneuma vormt, langs welken weg het in- en uittreden kan. Deze weg is blijkbaar de navel.
Maar door het vlies treedt ook bloed naar binnen.
Dit bloed is het menstruatie-bloed, dat, na de bevruchting, niet meer naar buiten afgescheiden wordt, maar, langzamerhand uit het geheele lichaam in de baarmoeder komende, het vlies omgeeft, en, tegelijk met het pneuma, door het vlies ingezogen wordt.
Bij de aldus plaatsgrijpende voeding, door pneuma en bloed, komt geleidelijk, onder vorming van de stoffen waaruit het vruchtbeginsel bestaat, door het pneuma de scheiding der weefsels tot stand. Na de splitsing, in ledematen en organen, is dan een kind ontstaan.
De duur van dit ontstaan, gerekend van het vastworden van het zaadmengsel af, is bij meisjes hoogstens 42 dagen, bij jongens hoogstens 30 dagen.
De oorzaak van de latere splitsing bij meisjes is te zoeken in haar ontstaan uit zwakker en vochtiger zaad.
Bij het toenemen van de hoeveelheid bloed in de baarmoeder neemt ook het aantal vliezen toe, welke dun zijn, met elkander door banden samenhangen en, evenals het eerste vlies, van de navelstreng af uitgespannen zijn. In deze vliezen, vooral in het meest naar buiten gelegene, ontstaan holten, in welke het moederlijke bloed, dat het ademende vleesch voeden moet, binnen dringt. Nu heet dat alles chorion, waarmede hoogstwaarschijnlijk de nageboorte bedoeld wordt.
Het begrip van kraamzuivering is dus dat van eene reiniging, en de stoornis daarin, vooral de verminderde of geheel opgeheven uitscheiding, moet dus van grooten invloed zijn. Dat is duidelijk, als wij weten, dat de kraamzuivering, evenals de maandstonden en het vruchtwater, gerekend wordt te behooren tot de steeds in beweging zijnde vier Hippocratische vloeistoffen, welke als zoodanig van buiten af in het lichaam komen en door het geheele lichaam verbreid zijn. De gezondheid van het lichaam berust op de normale verhoudingen dezer vloeistoffen. Zij ontstaan uit de in het lichaam gebrachte spijzen en dranken in de darmen, en komen door de aderen in de verschillende stapelplaatsen, van waar zij verder in het lichaam worden overgebracht. Die stapelplaatsen zijn: het hart voor het bloed, het hoofd voor het slijm, de milt voor het water en de galblaas voor de gal. Nadat zij met de deelen van het lichaam in wisselwerking getreden zijn, verlaten zij het lichaam door de lichaamsopeningen, dat zijn: mond, neus, aars en pisweg. Blijft de oude vloeistof langer dan 3 dagen in het lichaam, of is de nieuwe vloeistof in te groote hoeveelheid opgenomen, dan heeft dat kwade gevolgen.
Het achterblijven van de kraamzuivering heeft dus, daar de uitscheiding voor de gezondheid een noodzakelijk vereischte is, eveneens slechte gevolgen.
Als oorzaken voor het niet wegvloeien der kraamzuivering worden genoemd: ontsteking van de baarmoeder en sluiting van den baarmoedermond.
Als wij nu lezen, dat ontsteking van de baarmoeder o.a. teweeggebracht wordt door koude, dan komen wij reeds eenigermate tot eene verklaring van de vrees, welke bestaat voor het verhemden der kraamvrouw, evenals die tegenwoordig nog wordt waargenomen waar sprake is van reiniging, en het aantrekken van schoon lijfgoed, tijdens de menstruatie.
Om nu eene verklaring te vinden voor den angst, dat het zog in hoofd of buik zou slaan, moeten wij nog weten wat Hippocrates leert omtrent den oorsprong van het zog.
Wij denken, en dat deed Hippocrates ook, aan de borsten der vrouw. Maar weten wij nu, dat het zog in de borsten optreedt als voortbrengsel van de zogklier, Hippocrates dacht niet zoo en verklaarde het optreden van zog in de borsten op geheel andere wijze. Volgens hem speelden de borsten eene geheel lijdelijke rol.
Als de scheiding der vruchtdeelen is tot stand gekomen, zegt hij, beweegt het kind zich en treedt er melk in de borsten op. Die melk komt daarin door druk van de zwangere baarmoeder. Door dien druk wordt het meest vette, uit spijs en drank, uit den buikinhoud (in het net en in het vleesch) geperst. Het komt verwarmd, wit geworden en zoet gemaakt door de warmte van de baarmoeder, in den vorm van melk, door de aderen, voor het kleinste gedeelte in de baarmoeder, waar het kind er van gebruikt, voor een ander gedeelte in de borsten, waardoor deze opzwellen.
De borsten bezitten dus het vermogen de melk op te zuigen, maar bereiden die niet.
Dit kan ook gebeuren bij niet-zwangeren.
Bij de mededeeling, dat zog optreedt in de borsten van niet-zwangere vrouwen, wordt uitdrukkelijk gezegd, dat de menstruatie ontbrak. Maar het blijkt niet, dat Hippocrates van meening was, dat het menstruatie-bloed in die gevallen tot melk werd. Die opvatting wordt gevonden bij de oude Indiërs, zooals, naar men zegt, blijkt uit de Yajur-Veda, een in het Sanskrit geschreven werk, dat veel ouder is dan de Hippocratische geschriften. Wèl zegt Hippocrates, dat, als de borsten ontbreken, b.v. als zij weggenomen zijn, de melk op edele deelen slaat, op hart en longen, waardoor stikking optreedt.
Wanneer wij nu lezen, dat Steidele (in het begin der 19de eeuw) bij sterke vulling der borsten van niet-zoogende vrouwen melk uit de geslachtsdeelen zag vloeien, dan laat het zich, met den gedachtengang van Hippocrates en zijn begrip van melk, gemakkelijk verklaren, dat bij de leeken, die blijkbaar ook van deze dingen gehoord hebben, het begrip van verplaatsing van het zog naar andere deelen van het lichaam, door oorzaken welke op de werkzaamheid der geslachtsdeelen werkten, gemakkelijk ingang vond.
Bij de oude Indische artsen vinden wij immers ook wel eene dergelijke opvatting. Waar bij hen van de behandeling der koorts bij kraamvrouwen sprake is, leest men, dat de koorts ontstaat door het naar beneden zakken van de melk.
In verband met de Hippocratische leer kan dan ook eene andere opvatting, welke somtijds nog in de kraamkamer voorkomt, verklaard worden. Ik bedoel deze. Het is mij gebeurd, dat de baker het kind niet aan de moederborst wilde leggen, vóór dat de kraamvrouw gewaterd had, omdat—zooals zij zeide—het zog met urine vermengd zijn zou. Hippocrates rekende ook de urine tot de vier vloeistoffen te behooren. De pisweg is een der uitloozingswegen. Men kan zich dus voorstellen, dat, waar de melk haren oorsprong heeft in die vier vloeistoffen, de vermenging daarvan met afgewerkte doch nog niet uitgescheiden vloeistof, in dit geval de urine, mogelijk moest geacht worden.
Vele ontwikkelden onder onze patiënten, vooral onder de jongeren, zullen met ons lachen om deze opvattingen en het vies vinden, dat er menschen gevonden werden, die reiniging na de bevalling als een gevaar beschouwden. Maar eenigen tijd later zullen zij ons in vollen ernst mededeelingen doen, waaruit blijkt dat zij op hunne beurt aan opvattingen waarde hechten, die weder anderen doen glimlachen. Men moge het bijgeloof of domheid noemen, gewoonlijk komt het voort uit gebrek aan kennis van eigen lichaam en de verrichtingen daarvan, dat wij ook nu nog opmerkingen hooren, van hoogbeschaafden, welke overeenkomen met vooroordeelen, gewoonten en gebruiken, bij oude volken en natuurvolken in zwang, waarom zij lachen en over wier dwaasheid zij het hoofd schudden. En dat ondanks den vooruitgang in ontwikkeling, waarop wij 20ste-eeuwers trotsch zijn.
Of hooren wij niet herhaaldelijk, dat de oorzaak van de witte gerimpelde handen, waarmede de kinderen ter wereld komen, te vinden is in het, vooral in de laatste dagen, veel in zeepsop wasschen der moeder, en dat de roode oogleden te wijten zijn aan haar veelvuldig weenen?
De straks genoemde heel- en verloskundige van Alkmaar heeft destijds eene menigte aanteekeningen gemaakt, die voor vele plaatsen in ons land en daarbuiten nog ten huidigen dage zouden kunnen neergeschreven worden. Zoo zegt hij, wat het kind betreft, dat veel huidsmeer afkomstig heette te zijn van het vele spek of vet vleesch eten door de zwangere, of ook, dat de bijslaap nog kort voor de bevalling is uitgeoefend. Dit laatste heb ik nooit zelf gehoord, wel, dat er verband zou bestaan tusschen de groote hoeveelheid huidsmeer en het gebruik van vet gedurende de zwangerschap.
En wat hooren wij niet al met betrekking tot gebreken, waar mede het kind ter wereld komt, in verband met het schrikken der zwangere en het grijpen naar de plaats van haar lichaam waar zij eenig letsel verkreeg.
Ook deze opvatting is reeds oud. In de Yajur-Veda wordt reeds gezegd, dat zich bij het kind aan hetzelfde lichaamsdeel, waaraan de moeder letsel kreeg, dezelfde werking vertoont.
Toen ik onlangs dergelijke dingen met een mijner patiënten besprak, en haar vertelde hoe men in Hannover beweert, dat het kind moedervlekken of zomersproeten mede ter wereld brengt, als de moeder gele rapen of wortelen schraapt, of iets kookt, dat spat, wist de baker mij dadelijk te zeggen, dat dit volkomen waar was, want dat zij zelve het bij een harer kinderen had waargenomen. Maar ongeloovig schudde zij het hoofd, toen ik daarop zeide, dat in Hongarije de meening verbreid is, dat het kind een rooden uitslag krijgt, als de moeder met bloed omgaat, en dat het kind over het geheele lichaam zal behaard zijn als de moeder in de zwangerschap aardbeziën eet. Diezelfde baker reinigde de kraamvrouw na de bevalling wel degelijk, zag er ook geen bezwaar in, om de haren der patiënte uit te kammen en op te maken, maar had haar verboden vóór „de negen dagen” de nagels te knippen, omdat .... eene vloeiing of storting daarvan het gevolg kon zijn.
Zooeven besprak ik eene opvatting, welke steeds levendige belangstelling heeft opgewekt en nog vermag op te wekken. Ik bedoel het verzien der zwangeren. Welke de invloed zijn kan van voortdurende prikkeling der zintuigen, van schrik of gemoedsaandoeningen, is niet met een enkel woord uit te maken. Evenmin kan men steeds een afdoend antwoord geven op vragen, die ons, naar aanleiding van—naar het heet—met zekerheid waargenomen feiten, gesteld worden.
Vooral in de grijze oudheid werd het vermogen van allerlei op de zwangere inwerkende invloeden hoog aangeslagen. Maar ook later nog. Wilt ge een bewijs? Leest dan met mij het volgende uit het „Houwelijck” van Jacob Cats.
„Wanneer de vrouwe draeght soo dient de man te letten, Dat niemant door het huys misschien en kome setten Yet dat wan-schapen is, een wreet of seltsaem beelt Dat ons het ooge terght, en soo de sinnen steelt. Al wat oubolligh staet, of vreese kan verwecken, Of met een snellen schrick ons in de leden trecken, En dient een jonge vrou vooral niet daer se slaept, En van de reyne trou de soete vruchten raept. Wilt oock om dese tijt u niet te seer vergapen Aen eenigh selsaem dier, als simmen, katten, apen: En draeght niet in den arm, en leght niet aen den mont Een vreemde baviaen, of plat-geneusden hont. ’T is bij de vrouwen selfs in geenen deel te mercken, Hoe dat een vremt geval kan op de vrouwen wercken: Hoe onverwachte schrick tot aen de vrucht belent, En hoe een selsaem spoock sigh in de moeder prent. Wanneer een vrouwe draeght, het schijnt dat alle krachten Zijn besigh aen de vrucht, en op de moeder wachten; Dies waerder eenigh ding sigh in de sinnen vest, Dat sackt van stonden aen, en druckt in dat gewest. De Schrift getuyght het selfs, dat Jacob voor de dieren Van Laban heeft gelegt gestreepte populieren, Om even als het schaep zou paren metten ram, De plecken van het hout te drucken in het lam. Ghy die genegen zijt om zaet te mogen winnen, Hebt geen wan-schapen dier, geen monster in de zinnen: Stelt liever voor het oogh, wanneer ghij vruchten teelt, Een schoon een geestigh kint, een aerdigh menschenbeelt. Hier door ist wel gebeurt dat yemand van de Moren Vont in voor-leden tijt een witte vrucht geboren; Hierdoor ist wel gebeurt dat van een leelick paer Men wert, oock tegen hoop, een aerdigh kind gewaer. Een wijf bij al het volck vermaert in leelickheden, Wiens man haer niet en weeck in onbeschofte leden, Kreegh even-wel een kint het schoonste dat men vant, Een peerel van de stad, en wonder in het lant. Een kint gelijck een beelt, dat alle menschen presen, En namen in den arm, of met den vinger wezen, Een kint na vollen wensch, een gaeu en aerdigh fret, En niet te bijster schrael, en niet te lijdigh vet: Een yder stond verbaest, en sagh de frissche leden, En sagh de schoone verw, onseker van de reden; Dies gincker over-al een spreucke door de stadt, Alsof hier in de vrouw haer eer vergeten hadt. Een man die vorder sagh gingh al het huis beschouwen Gingh letten op het stuck, ter eeren van de vrouwen. Hij vint een schoon vertreck, daer op een schoon buffet Een aerdig kinder-beelt stont geestigh af-geset. Hij vont een ledekant behangen met gordijnen, Een leger voor den weert, gelijck het mochte schijnen: Hij vraeght wie datter slaept? hem wordt bescheyt gedaan, En stracx zoo gist de man hoe dat de saken staen. Hij spreeckt tot al het volck. Ick zal het oordeel vellen, Laet maer het jonghste kint hier in de kamer stellen. De meyt die loopter om soo veerdigh als se kan, En brenghtet in de sael, en geeftet aen den man. Die gaettet metter daet omtrent de beelden setten, Die maent een ieder aen hier op te willen letten: En siet, die nu het beelt en dan het kint bekeeck, En vont noyt eenigh ey dat zoo een ey geleeck. Daer gaet de kloeckste geest met vaste reden wijsen, Wat datter uyt het oog kan in de sinnen rijsen: En hoe een diep gepeys, door onbekende macht, Het ingenomen beelt kan prenten in de dracht. Stracx reser groote vreught, de bose tongen swegen, De vrou heeft metter daet haer eere we’er gekregen: En waer doen eenigh paer te samen wert geset, Daer was een schoon gesight omtrent het echte bedt.”
Immers tegenwoordig wordt ons nog menige mededeeling gedaan omtrent het verzien van zwangere vrouwen. Ik zag eens eene fotografie van een jongen, die over het geheele lichaam behaard was, welke buitengewone haarontwikkeling werd toegeschreven aan een sterk op de moeder inwerkenden prikkel gedurende hare zwangerschap. De moeder van dezen knaap werd op zekeren avond door haren man, die in opgewonden toestand tehuis kwam, zoo grof bejegend, dat zij in de bedstede de vlucht nam. ’s Mans woede wilde zich toen op een, in het vertrek aanwezigen, poedel koelen, doch het dier, al even weinig op een dracht slagen belust als de vrouw, zocht bij haar bescherming. Daar werd het dier door den man duchtig toegetakeld, en de verschrikte vrouw beviel na eenigen tijd van een kind, begroeid met lange haren, zooals de poedel die had.
Ook deze opvattingen, en hetzelfde geldt voor wat ik nog zal mededeelen, hebben haren oorsprong in overoude tijden, niet zoozeer in de beschouwingen van het volk, als in die der geneesheeren. Die beschouwingen, en voorschriften aan de hand daarvan gegeven, zijn langzamerhand als gemeen goed overgegaan in het denken der volken, en waar zij bij de geneesheeren, aan de hand van de zich ontwikkelende wetenschap, veranderingen en verbeteringen ondergingen of geheel verdwenen, bleven zij onder het overige menschdom bestaan en duiken telkens weder op. De oorsprong is vergeten, de beschouwing evenwel gebleven.
Wij moeten niet alleen in de Hippocratische boeken, maar ook in de overleveringen der oude Indiërs, oude Hebreeërs en oude Egyptenaren zoeken, om den oorsprong te vinden. Dan zien wij, hoe opvattingen uit oude tijden invloed uitoefenden op nieuwere. Zoo vindt men b.v. in de Hippocratische boeken veel terug, wat reeds in de Rig-Veda (± 1500 jaren voor Chr.) en vooral in de Yajur-Veda, welke van lateren datum is, beschreven staat, hetgeen erop wijst, dat ook de leer van de school van Hippocrates voor een deel is voortgekomen uit nog oudere geneeskunde.
Zeer zorgvuldig zijn b.v. in de Yajur-Veda de voorschriften over de gezondheidsregelen gedurende de zwangerschap, welke, volgens bevoegde beoordeelaars, uitmunten boven die van de Hippocratische school. Niet alleen wordt daarin zeer zorgvuldig alles opgegeven met betrekking tot het gebruik van spijs en drank, b.v. dat de (daar opgenoemde) vleeschsoorten invloed uitoefenen op de lichamelijke en geestelijke eigenschappen van het kind, maar ook gewaarschuwd tegen opwinding, overmatige inspanningen en schuddingen van het lichaam. Tevens wordt daarin gewezen op den invloed door indrukken van het gemoed en der zintuigen op de zwangere vrouw uitgeoefend, hetgeen bij Grieken en Romeinen in praktijk gebracht werd, zooals wij dit ook door vader Cats in dichtvorm neergeschreven zagen.
Wel is waar wordt in de Yajur-Veda niet gesproken over het verzien der zwangeren, maar iets in dien geest ligt toch opgesloten in de waarschuwing, dat de zwangere vrouw alles vermijden moet, wat onaangenaam is om te zien, en in het voorschrift, geen leelijke, wanstaltige voorwerpen aan te raken. Volgens Fassbender wordt hierover door de Hippocratische geneesheeren niet gesproken.
Wij zullen niet nagaan of, en in hoeverre, er in verhalen als van den behaarden knaap, en dergelijke, een zweem van waarheid in eene groote hoeveelheid verdichtsel kan verborgen zijn, doch onze beschouwingen voortzetten.
Waar geloof en bijgeloof hand in hand gaan, is het geen wonder, dat ook met betrekking tot de geneeskunde voornamelijk bij leeken begrippen bestaan, welke voor den wetenschappelijk ontwikkelde aan geloof en bijgeloof grenzen of daarmede samenhangen. Niet altijd is het geloof als bron van eigenaardige denkwijzen nog te herkennen, maar menigmaal schijnt het vreemde meer eene meening, eenmaal uit ervaring opgedaan, bij onduidelijke waarneming onjuist opgevat, door geslachten voortgeplant, veranderd, maar daarom nog niet verbeterd. Zeker is het, dat meeningen, als hier bedoeld, vooral bestaan op het gebied, dat samenhangt met ’s menschen intrede in de wereld; meeningen, welke moeten dienen om het geheimzinnige en onbekende te verklaren, terwijl het telkens blijken kan, dat de zoogenaamde verklaringen het geheel, als ’t kan, nog geheimzinniger maken.
Vooral de baring, en het meest indien daarbij stoornissen optreden, is iets zoo geheimzinnigs voor geest en gevoel, dat niet alleen de natuurvolken, maar ook de beschaafde volken zich niet aan den invloed, welke de gebeurtenissen op hen uitoefenen, onttrekken kunnen. Het is dan ook mogelijk bij allen sporen te vinden van de voorstelling, dat bij de geboorte bovennatuurlijke machten werken. Die machten worden veelal met persoonlijke eigenschappen bedacht en verschijnen eensdeels als booze geesten, als demonen, die de in barensnood verkeerende vrouwen met gevaren omgeven en haar ziek maken, anderdeels als goede geesten, die zich het lot dier bedreigde vrouwen aantrekken.
Zoo ontstond geleidelijk de gedachte aan strijd tusschen booze en goede geesten. Het ligt voor de hand dat de mensch, beangst door zijn onmacht, op die geesten invloed trachtte te verkrijgen, en zich daarbij medewerking van bovennatuurlijke machten trachtte te verzekeren. Daartoe werden en worden gebeden en bezweringen aangewend, wezens in dienst gesteld, met wier hulp zou verkregen worden, wat men wenscht. Zoo ontstonden de offeranden aan goden en godinnen, om die aan te zoeken hunne hulp te verleenen. Dat bestaat nog.
Het monotheisme leidde er toe één God als hulp in den nood aan te roepen, hem te bidden gunstigen invloed uit te oefenen, hetzij alleen of met medewerking van heiligen.