Moeder en kind

Part 18

Chapter 183,848 wordsPublic domain

De toevlucht tot die hoogere machten begint reeds met de zwangerschap en heeft eene eerste uiting in het danken voor het intreden der zwangerschap en het aanbevelen van de jonge vrucht in de beschutting der godheid.

Van godsdienstigen aard is de aanbidding der godinnen, zooals die b.v. bij de Grieken en Romeinen bestond. Wij vinden gewag gemaakt van Ilithyia of Eileithyia, de godin der geboorte, welke nu eens als zelfstandige godin optreedt, dan weder vereenzelvigd met Here (Juno) en Artemis (Diana). De echt latijnsche Ilithyia, de Juno der baring, is Lucina de licht- en vooral levenbrengende godin der Romeinen. Haar ter eere werd op den 1sten Maart feest gevierd, op welken dag de moeders zich naar den tempel begaven, dezen met bloemen versierden en tevens om een talrijk kroost smeekten. Van Lucina bestaan talrijke afbeeldingen. In de linkerhand draagt zij een fakkel, in de rechter een offerschaal, waarin een kind ligt; of wel zij houdt die hand uitgestrekt, als ’t ware om den jonggeborene te ontvangen. Zoo staat zij afgebeeld op eene schilderij van Rubens, de geboorte van Maria de Medicis voorstellende. Ook wordt zij afgebeeld met eene zweep in de eene en een scepter in de andere hand.

De zweep was het zinnebeeld van gemakkelijke bevalling. Dat herinnert ons aan de Lupercalia, dat zijn de feesten ter eere van Lupercus, den Romeinschen god Pan, die een heiligdom, lupercal genaamd, bij den Palatijnschen heuvel bezat. De priesters (luperci) liepen dan in woesten optocht half naakt door de stad. Zij hadden slechts een gordel van geitenvel om de lenden en riemen van geitenleer in de handen, waarmede zij allen geeselden, die zij ontmoetten. De vrouwen strekten bij het voorbijgaan der priesters de handen uit, ter geeseling, in het geloof dat daardoor zij, die onvruchtbaar waren, vruchtbaar werden en de anderen, dat zij eene gelukkige baring zouden doormaken.

In Jordan’s Edda komt een lied voor, Oddrun’s klacht (Oddrûnargrâtr) geheeten, waarin Borgny, in barensnood, Oddrun om hulpe bidt. Oddrun voldoet aan dat verzoek.

„Milden Gemüts vor des Mädchens Kniee Setzte sich Oddrun und sang nun Oddrun Wirksame Weisen, gewaltige Weisen Der gebärenden Borgny zum Beistande zu.”

Borgny bedankt haar daarvoor. Oddrun antwoordt:

„Führwahr nicht die weil du dessen würdig Neigt’ ich mich nieder, aus Not dir zu helfen; Nur mein Gelübde hab’ ich geleistet, Das ich anderwärts aussprach; allerorten Beistand zu bieten (gebärenden Frauen), Als hier das Erbe die Edlinge teilten.”

Jordan meent, dat hier het overblijfsel van eene Noorsche Godensage aanwezig is, verwant en in het wezen der zaak gelijk aan de Grieksche sage van Leto en hare tweelingskinderen Appollo en Artemis. Ook Leto kon niet baren, voordat de hulp van Eileithyia is ingeroepen, evenals hier Borgny den bijstand van Oddrun noodig heeft. Oddrun zou dus voor de Noren (Germanen) geweest zijn wat Eileithyia bij de Grieken was, de Hera der geboorte (de Romeinsche Juno).

De Grieken offerden ook aan Genetyllis (Aphrodite) ter verkrijging eener goede bevalling, de Romeinsche vrouwen aan Postvera of Presa, om eene gunstige ligging van het kind te verkrijgen. Bij de Lacedemoniërs offerden de vrouwen haren gordel aan Artemis, alsook de eerste kleedingstukken harer kinderen.

Bij vele andere volken werden, en worden nog, feesten gevierd, waarbij gewoonlijk offers plaats hebben. Wáár het streng godsdienstige ophoudt en het bijgeloof begint, is dikwijls moeilijk uit te maken. De beoordeeling daarvan hangt samen met het standpunt dat de beoordeelaar op godsdienstig gebied inneemt, waardoor de grens, welke tusschen geloof en bijgeloof getrokken wordt, aanmerkelijk verschilt.

In elkander overgaande beschouw ik wat b.v. op Java, ten minste in enkele streken, geschiedt. Het volksgeloof zegt, dat eene vrouw, in de zevende maand harer dracht, onderhevig is aan kwellingen van booze geesten. Daarom wordt bij het intreden daarvan ’s nachts door oudere vrouwen bij haar gewaakt. Zij zelf moet trachten de behoefte aan slaap te onderdrukken, want de booze geesten durven wakende personen niet te naderen. Na dien doorwaakten nacht wordt zij ’s morgens in een daarvoor opgerichte tent gewasschen. In die tent staan aarden potten met water, bloemen en twee jonge, gele kokosnoten. Op een der kokosnoten heeft men het afbeeldsel van een man, op de andere dat eener vrouw gemaakt, de personen Pandjie en Tjondro-Kirono voorstellende. Pandjie was vorst van Djenggolo en Tjondro-Kirono, zijne vrouw, dochter van een vorst te Kedirie. Zij waren de schoonste menschen van hunnen tijd. Het afbeelden dezer personen beoogt hetzelfde, als wij reeds boven bespraken. Men verwacht van den aanblik daarvan de geboorte van een kind, even schoon als die twee menschen geweest zijn. Na het wasschen wordt de vrouw een smal, zonder naad geweven kleedje als buikband omgeslagen. Daarna wordt de man, als bruidegom gekleed, met een paar vrienden binnen gelaten. De buikband wordt losgemaakt, twee vrouwen houden dien aan weerskanten vast en de man snijdt met zijn kris den buikband geheel door, waarna hij, met zijne begeleiders, de tent verlaat en naar huis terugkeert. Dit lossnijden beteekent een weg voor het kind te banen. Vervolgens neemt men de twee jonge kokosnoten en laat die door het kleedje van de zwangere vrouw vallen. Dit beteekent eene gelukkige verlossing, even spoedig als het nedervallen der kokosnoten. Daarna wordt de vrouw naar huis gebracht en volgen feestelijkheden.

Dit gebeurt bij de eerste zwangerschap. In de volgende maanden worden dan nog elke maand offeranden gebracht, waarmede wordt voortgegaan, tot het kind ter wereld gekomen is.

Het geloof aan den invloed op zwangere vrouwen door de zintuigelijke waarneming, waaraan hier uiting gegeven wordt door de afbeelding op de kokosnoten, is dus overal te vinden. Daaraan hechtten ook de vrouwen in Lacedemonië. Zij hadden in hare slaapkamers de portretten hangen van door hunne schoonheid beroemde mannen, b.v. van Endymion, Narcissus, Adonis, uit den heldentijd en van schoone personen uit hun eigen tijd.

Baron Larrey zegt, dat Napoleon voorbeschikt was tot zijn grooten levensloop, van de schoot zijner moeder af, die hem gedurende de revolutionnaire crisis in Corsica en gedurende den vrijheidsoorlog droeg. Zulk een invloed, zegt hij, moest wel zijn stempel drukken op het karakter en de voorbeschikking van den man, die geroepen was om eene wereldomwenteling te maken.

Maar genoeg hiervan.

Als bij de Alfoeren op Celebes door den priester een kip geslacht wordt, terwijl hij den goden bidt den wensch der aanstaande jonge moeder naar een zoon of dochter te vervullen, kan men slechts aan eene godsdienstige handeling denken. Voelt eene vrouw op de Seranglao- en Gorang-eilanden zich zwanger, dan moet zij een stuk gember naar den priester brengen, dat door hem gewijd en voortdurend door haar gedragen wordt, om booze invloeden af te weren. De wijding geschiedt door er driemaal op te blazen en de 112e Sure van den Koran te bidden, welke luidt: „In naam van den albarmhartigen God! God is de eenige en eeuwige God. Hij teelt niet en is niet geteeld, en geen wezen is aan Hem gelijk.”

Godsdienstige opvatting vinden wij ook in het gebruik van wijwater en het branden van gewijde kaarsen bij de baring hier te lande. Hetzelfde moet men aannemen, als wij lezen dat in Oostenrijk, in eene kapel aan den Falkenstein, waar men zegt dat de heilige Wolfgang zich verborgen hield, de zwangere vrouwen door een daar aanwezigen steen kruipen, om zich eene gelukkige bevalling te verzekeren. Eveneens bij het vernemen dat zij in Zwaben bedevaarten doen naar de heilige Margaretha met den draak (b.v. naar Maria Schrei bij Pfullendorf) of naar den heiligen Christophorus (b.v. naar Laiz bij Sigmaringen) of naar St. Rochus, in wiens kapellen gewijde ijzeren schildpadden, als symbool der baarmoeder, hangen.

Maar diezelfde godsdienstige drang beweegt de Japansche vrouwen om, kort voor de baring, een stukje papier in te slikken, waarop de schutspatroon der barende is afgebeeld, in de hoop daardoor eene gemakkelijke bevalling te verkrijgen.

Dwaas komt het ons voor, dat in Griekenland, in de buurt van Athene, de zwangere vrouwen aan de noordzijde van den z.g.n. nymphen-heuvel afglijden, eveneens met de bedoeling eene gelukkige baring door te maken; dat in Ierland en Scandinavië, tot voor korten tijd, zwangere vrouwen in den Johannisnacht, bij het Baalsfeest of het Balderfeest, met hetzelfde doel door een vuur liepen.

Bij de Heidensche Magyaren was Nagyboldogasszony de schutsgodin der teeling en baring. Na de invoering van het Christendom kwam daarvoor in de plaats de heilige Anna, de moeder der heilige Marie (de schutsgodin van het kraambed). Te harer eere vasten nu nog de zwangere vrouwen in den omtrek van Szeged, b.v. in Szőregh, gedurende zeven dagen.

De Széklerin gaat bij volle maan naar buiten, spuwt driemaal in de richting van de maan, en zegt:

„Heilige moeder Gods, Sta mij bij in den nood; Bescherm de vrucht mijns lichaams, Opdat zij groeie als de maan.”

Overeenkomstig met het wijwater, en de aanwending daarvan, is het gebruik, dat sommige negerstammen maken van eene fijne, witte leemsoort, Pemba geheeten, waarmede de zwangere vrouwen zich dikwijls het gelaat besmeren.

Om booze geesten of demonen af te schrikken of te verzoenen, maken alle volken gebruik van amuletten, bezweringen, machtspreuken en sympathetische middelen.

Als nuttige middelen gedurende de zwangerschap vindt men vele dingen aanbevolen. Zoo mag b.v. in Noord-Celebes de vrouw het hoofdhaar niet zoo dragen, dat het heen en weder fladdert; mag zij ’s avonds, als het regenachtig is, het huis niet verlaten, opdat de vrucht niet door den Walao-lati, of door op donkere plaatsen aanwezige duivels, wordt opgeschrikt of mishandeld. In Nederland mag zij in den laatsten tijd der dracht het haar niet laten knippen, omdat anders het kind borstelig haar zou krijgen, dat ruw en kort, nooit kan krullen. In Hongarije zal het kind, als de moeder zich in het bed de haren kamt, slechts korten tijd leven.

Bij vele volksstammen moeten de vrouwen, als zij bij dag het huis verlaten, een stuk ijzer of een mes bij zich dragen, opdat de booze geesten de vrucht niet kwellen.

In Rusland is het geloof aan den „boozen blik” zeer verbreid. Maar vooral wordt die door de zwangere vrouw gevreesd, daar zij, door het booze oog getroffen, met groote pijnen baren moet.

Een amulet of talisman is veelal de meest werkdadige beschutting. Daarvoor dragen de negerinnen kleine kalabassen, gevuld met aardnoten- of palmolie, ook tooverteekens en tooverbanden om handen en knieën, korfjes gevuld met bladeren, plantenwortels, stukjes hout en slakkenhuisjes, papiertjes met een koranspreuk, enz.

Welke handelingen worden er niet verricht, welke nagelaten, om niet storend in te werken op zwangerschap en baring, op de ontwikkeling en ligging van het kind?

Het knoopen en binden veroorzaakt, zegt men, sluiting en moet dus door zwangeren worden nagelaten, indien zij niet zelf zullen gesloten worden, d.w.z. eene moeilijke baring doormaken. Daarom mogen op vele plaatsen, ook in Europa, in beschaafde landen, de vrouwen niet weven of matten vlechten. Zij mag geen garen of band dragen, opdat de navelstreng niet om den hals van het kind kome te liggen (omstrengeling). Datzelfde gevaar heeft de zwangere vrouw bij ons te lande te duchten, als zij bij het naaien een streng garen om den hals legt of de handen in de hoogte brengt, om iets van hooggelegen plaats te krijgen. Ook zou het kruipen aanleiding geven tot omstrengeling. Moet de de Hollandsche vrouw dan lachen, als zij hoort, dat de vrouw in de Palz, om dezelfde reden, niet onder eene waschlijn doorloopt, niet spint of haspelt?

In sommige streken van Hongarije wordt aan het doorloopen onder een gespannen touw de vrees verbonden, dat er evenveel knoopen in de navelstreng zullen komen, als het touw draden bevat. De baring zou daardoor moeilijker worden. In Nederland mag de zwangere vrouw den halsketting niet knellend dragen, omdat dan gevaar voor stikking van het kind bestaat.

In Pruisen meent men, dat het kind een waterhoofd zal krijgen, als de moeder aan den waterkant werkt; in Hongarije dat hetzelfde zal geschieden, als zij op een watervat gaat zitten. Welk verschil bestaat er tusschen de vrouw in onzen Indischen archipel, die niet door de openingen, door de takken van een boom gevormd, door een sleutelgat, door een bamboe of in een flesch mag zien, en de Servische vrouw, die niet over een hooivork mag heen stappen, alles om te voorkomen dat het kind, dat zij baren zal, het gevaar loopt scheel te zijn?

In Hannover en in het Spreewoud mag de moeder, als zij iets stinkends ruikt, de oogen niet dicht houden, omdat anders het kind een stinkenden adem krijgt. Bij de Slowaken zou dat gebeuren, als de zwangere geurende bloemen of bladeren bij zich draagt. En natte handen mag zij niet aan haren rok afdrogen, anders zal het kind er leelijk uitzien. In Hannover en in het Spreewoud wordt het kind bedpisser, als de zwangere in de nabijheid eener druppende dakgoot watert.

In Servië is het der zwangere vrouw verboden het kruis te kussen, wegens het daaraan verbonden gevaar, dat het kind epilepsie (vallende ziekte) krijgt. Zij mag zich geen zieken tand laten trekken, omdat het kind daardoor kan sterven, en geen vreemd kind kussen, daar dat tot superfoetatie (overzwangering) aanleiding geven kan.

Van invloed op de samenleving is wel hetgeen in Hongarije of Servië in gebruik is. Eene zwangere vrouw mag geen eed afleggen, niet als getuige optreden en aan geen begrafenis deelnemen, omdat zij anders een dood kind baren zal. Ook mag zij over dag niet slapen, opdat het kind niet sterve, noch in een grafkuil kijken, anders wordt het kind bloedarm. Heeft zij dit toch gedaan, dan moet zij een handvol aarde in het graf werpen. Met het oog op eene gelukkige baring mag zij geen oven stoken, geen linnen bleeken, geen hout hakken.

Bekend is het, dat, ook in ons land, de meening heerscht, dat eene vrouw gedurende de menstruatie niets mag inmaken, omdat anders bederf bij de ingemaakte eetwaren, als vleesch, slacht, boter enz., zou optreden. Hetzelfde geldt in Servië ook voor de zwangerschap en het kraambed, omdat de vrouw ook in dien tijd voor onrein gehouden wordt.

Hier te lande is nog de meening te vinden, dat, als de zwangere vrouw staande drinkt, zijzelf of het kind gezwollen voeten zal bekomen, ook wel gezwollen teeldeelen of balzakwaterbreuk, als het een jongen is. Iets dergelijks vreest de inlandsche vrouw in onzen Indischen archipel, als zij zware of lichte voorwerpen voor het lijf draagt.

Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een gedeelte van de Zuidkust van Ceram mag de zwangere vrouw niet tegen de huisdeur zitten, omdat zij anders met moeite baren zal. Zij mag geen vruchten eten, waaraan de vogels gepikt hebben, omdat anders het kind als een vogel schreeuwen zal. Zij mag geen aangebrand eten gebruiken, daar dit de nageboorte met moeite doet afkomen. Vrees voor vastgroeien van de moederkoek verbiedt den vrouwen in de provincie Albany (Hongarije), met den buik tegen kachel of fornuis te leunen.

Kromme beenen zou het kind der Nederlandsche vrouw krijgen, als zij gedurende de zwangerschap met de beenen kruiselings over elkander zit, en zij mag de voetnagels niet knippen, daar die bij de kinderen òf zouden ontbreken òf wanstaltig zijn. In Hongarije mag de zwangere vrouw de nagels wel knippen. Zij mag die niet wegwerpen, maar moet ze verbranden, anders zal het kind zachte beenderen krijgen.

Het geloof dat men kiespijn kan voorkomen, door slechts op Vrijdag de vingernagels te knippen, is zelfs in hoogeren stand niet vreemd. En een probaat middel tegen kiespijn, dat de Stadsheel- en Vroedmeester ten Houte de Lange in de kraamkamer hoorde aanbevelen, was, het vuil en voetzweet van tusschen de teenen, tot een plakje gekneed, achter de ooren te leggen. „Raad uit hoogen stand!” voegt hij hieraan toe. Behalve dat deze raad uitermate vies is, bewijst hij, dat in zijn tijd, dus omstreeks het jaar 1852, de patiënten niet al te zeer door reinheid geplaagd werden en met recht „vuil” genoemd kunnen worden.

De kiespijn staat ook al in verband met booze geesten, b.v. in Indië met den pontianak, een spook dat zich in boomen ophoudt en zeer gebeten is op vrouwen, vooral op zwangeren. In Multatuli’s Max Havelaar vinden wij, dat Saïdjah, zoekende naar den boom waar hij Adinda zou weerzien, vele stammen van het djati-bosch betastte en weldra eene bekende oneffenheid aan de zuidzijde van een boom vond. „Hij legde zijn vinger in een gleuf die Si-Panteh daarin gehakt had met zijn parang, om den pontianak te bezweren, die schuld had aan de tandpijn van Panteh’s moeder, kort voor de geboorte van zijn broertje.”

Deze bezwering van een demon, door den ingeborene van Java, staat niet zoo ver af van een der oudste voorschriften, omtrent het insnijden van teekens in boomen, voor geneeskundige doeleinden. Zegt niet Brunhilde (Siegtraut of Sigrdrifa) in het eerste Lied van Brunhilde (Heldensagen in de Edda) tot Siegfried:

„Um Wunden warten und heilen zu wissen Durch ärztliche Kur, musst du Astrunen kennen. In die Borke der Bäume, in ostwärts gebogner Ruten Rinde lerne sie ritsen”,

wanneer zij hem, op zijn verzoek, in wijsheid onderricht?

De zoogenaamde lusten der vrouwen, de Pica, worden ook in de Yajur-Veda bedacht, en den geneesheer aangeraden daarmede rekening te houden, omdat anders de kinderen met lichaamsgebreken zouden geboren worden. Deze worden geweten aan de omstandigheid, dat de vrouw, met de ontwikkeling van het kind, twee harten in zich draagt. In een leerboek over verloskunde en vrouwenziekten van Aetius van Amida, uit het midden der 6e eeuw na Christus, vinden wij daaromtrent gezegd, dat ongeveer in de tweede maand bij zwangeren eene ziekte optreedt, die men Kissa of Pica noemt, zich uitende in ziekelijke lusten, want de zwangeren zijn begeerig naar verschillende wonderbaarlijke spijzen. Die ziekte zou ontstaan door overmaat van bloed, omdat de gewone maandelijksche uitscheiding van bloed, door de vaten der baarmoeder, door de vrucht onderdrukt wordt, naar boven stijgt en op de maag drukt, die zeer prikkelbaar is.

Volgens Halban (in de Real-Encyclopaedie der gesammten Heilkunde) berusten de lusten op veranderingen in den bloedsomloop, van de spijsvertering en voeding van het zenuwstelsel. Daardoor treedt zoowel weerzin tegen vele spijzen, als lust naar zure spijzen en allerlei vreemde zaken op, b.v. naar krijt, zand, stroo, hout, enz. Het sterkst uit zich dit wel in begeerte naar menschenvleesch, welke zeker eene ernstige verandering in den geestestoestand der zwangere bewijst. Doch ook het verlangen naar kostbare zaken, vooral naar versierselen, komt voor en heeft wel tot diefstal aanleiding gegeven. Maar hiermede zouden wij het gebied der gerechtelijke geneeskunde gaan betreden, wat onze bedoeling niet is.

In het Boeck van de Vroet-Wijfs worden eenige verhalen gegeven van den lust om menschenvleesch te eten of althans in het menschelijke lichaam te bijten. De schrijver voegt daarbij: „Het is een zeer gemeyne saecke, dat sommige lust hebben om t’ eten Colen, Crijt, Vlas, Sop van lijnen garen, Wage-smeer, ende diergelycke vuyle dingen, ende dat ook de vrucht, als sij dien lust niet en mogen volbrengen, daer deur hinder aen ’t lichaam krijget.”

Ik herinner mij uit mijne praktijk eene dame, die gedurende hare zwangerschap een zoo onweerstaanbaren lust in zout had, dat zij daarvan dagelijks handen vol gebruikte. Joh. van Beverwijck (1664), zou het haar ten strengste verboden hebben. Immers zegt hij in zijne Wercken der Genees-konste: „Geheele zoute dingen dienen (mede) van een swangere vrouw geschout te werden. Want, gelijk Aristoteles seydt in ’t sevende boeck van de Historye der Dieren op ’t vijfde Capittel, als de selvige te veel zout gebruyckt, soo wert het kind sonder nagelen geboren.”

Het geloof aan den invloed van spijzen en dranken vindt men ook elders. Zoo meent de zwangere in Hongarije, dat zij een wit en dik kind ter wereld brengt, als zij veel brandewijn drinkt en uien eet. Daar vindt men ook eene onbewuste aanwending van de Prochownick’sche dieet-kuur. Vele zwangeren eten weinig, opdat het kind zich niet te sterk ontwikkele, of zij voeden zich, om dezelfde reden, met ooft, of gebruiken slechts ongezouten magere spijzen.

Samenhangende met het verlangen om te weten welk geslacht het kind, waarvan de vrouw zwanger is, zal vertoonen, werden en worden nog allerlei mededeelingen gedaan, die meer het kenmerk dragen het gevolg van waarnemingen te zijn.

Bij de oude Indiërs was een frissche gelaatskleur der vrouw het teeken, dat zij een jongen zou baren. Hippocrates meende, dat de zwangeren, die vlekken in ’t gelaat hebben, een meisje, die eene goede gelaatskleur behouden meestal een jongen zouden ter wereld brengen. Andere kenteekenen van het geslacht waren de volgende. De jongen beweegt zich eerder dan het meisje, dus wordt ook eerder leven gevoeld. (Dit staat in verband met zijne leer omtrent den duur van het ontstaan van jongen of meisje, na het vast worden van het zaadmengsel). Bij de dracht van een jongen zijn de borsttepels naar boven gericht, bij die van een meisje juist andersom.

Onder de proeven om het geslacht van het kind te weten te komen, was o.a. de volgende. Het zog der zwangere vrouw werd op bladeren uitgegoten. Stolt het zog, dan zal een jongen geboren worden, als het wegvloeit een meisje.

Uit de Aphorismen van Hippocrates blijkt de meening, dat de jongens zich ontwikkelen in de rechterzijde van de baarmoeder, de meisjes (menigvuldiger) in de linkerzijde.

Galenus deelde die meening. Volgens hem ontwikkelden zich de knapen rechts in de baarmoeder, waar het warmer en droger is, zooals de geheele rechterhelft van het lichaam. Hiermede in verband staan de pogingen, om, reeds gedurende den bijslaap, invloed uit te oefenen op het geslacht van het kind. Uitgaande van de vooronderstelling, dat de rechterbal de weg is, waardoor het zaad van den man, dat uit het geheele lichaam komt, zijn uitweg vindt, moest de man, die een meisje wilde verwekken, bij den bijslaap de rechterbal zooveel mogelijk afsnoeren of in de hoogte houden.

In het algemeen werd aangenomen, dat, wanneer gedurende het intreden der manbaarheid de rechterbal dieper staat of sterker ontwikkeld is dan de linker, dit grooter kans gaf op het teelen van jongens, in het tegenovergestelde geval van meisjes.

Daarom legt in vele streken van Hongarije de vrouw, als zij een jongen verlangt, zich na den bijslaap op de rechterzijde (in andere streken op de linkerzijde) of wel ligt de vrouw, gedurende den bijslaap, op linker- of rechterzijde. Hieruit blijkt evenwel, dat de Hippocratische opvatting niet zuiver is overgebracht geworden. Immers in de eene streek wordt voor de jongens de rechterzijde-ligging, in de andere juist de linkerzijde-ligging genomen.

Aan Hippocrates wordt ten onrechte de meening toegeschreven, dat de jongens uit den rechter eierstok, de meisjes uit den linker ontstaan zouden. Dat kan niet zijn, omdat hem en zijnen volgelingen de eierstokken onbekend waren. Het eerst spreekt Herophilus (± 300 j. v. Chr.) van de Alexandrijnsche school, over de eierstokken als vrouwelijke testikels.

In een boekje getiteld Siphra en Pua of onderwijzing in de vroedkunde enz., uit het Duitsch vertaald door Gerard ten Haaff, heelmeester in Rotterdam mitsgaders Operateur van den Steen, te Delft, van het jaar 1753 lezen wij: „Wanneer een Vrouwspersoon een roode blozende koleur, en roode vlakken in het aangezigt heeft, en ’er dus ontstoken uitziet, vroolijk is, en bestendig zoo blijft, wil men er uit besluiten, dat zij van een’ zoon bezwangerd is; daarentegen als zij ’er bleek uitziet, vadzig en verdrietig is, wil men dat zij van eene dochter zwanger gaat.”