Part 19
In het reeds genoemde Boeck van de Vroet-wijfs staat: „De Vrouwen die een Sone dragen, zijn veel dunder, ende aen de rechter kaecke wel geverwet, ende niet soo bleeck.” Nog wordt daar gemeld: „Als nu een Vrouwe een knechten draeght, soo is de rechterooge van snelder beweging, ende van levender ende beter verwe dan de slinckerooge. De rechter borst wordt ook harder ende grooter, en die verwe van de Tepel van dese verandert eer dan van de slincker borst.”
Dit is ontleend aan Hippocrates. Volgens hem is de borst aan de zijde waar het kind ligt grooter, het oog tusschen de oogleden grooter en helderder.
„De vrouwe krijget oock veel eer melck, ende als men dat in een glaesken stelt in de heete Sonne, soo looptet t’ samen gelijck een rondt Bolleken of Klootken, ende gelijck een schoon deurschijnigh Peerlken. Als men sulcken melck doet in de Pisse van deselfde Vrouwe, vallet terstont te gronde; als men sout daerbij doet soo en schey dat hem niet.”
Of deze en dergelijke proeven heden ten dage nog genomen worden, weet ik niet, maar als wij lezen van eene vrouw, die van een jongen zwanger is: „Den Buyck is voren spitsachtigh tegen de Navel” en „Maer sonderlinge staet te verwonderen, dat eene Vrouwe die een Sone draeget, altijdts in ’t gaen den rechtervoet voor settet, ende als sij wil opstaan soo stiert sij haar veel meer met de rechter, dan metter slincker handt,” dan moeten wij erkennen, dat ook nu nog dezelfde teekens worden genoemd, als zekere, ter bepaling van het geslacht der ongeboren vrucht. Niet alleen in Hongarije, doch ook hier te lande, wordt de volgende proef aangegeven, om uit te maken, welk geslacht het kind heeft. Men laat de vrouw op den grond zitten. Als zij zich, bij het opstaan, met de rechterhand steunt, krijgt zij een jongen, met de linkerhand een meisje.
In 1833 werd nog door Dr. Mac Donald, in Liverpool, beweerd, dat een puntbuik de geboorte van een jongen, een breede buik de geboorte van een meisje voorspelt.
Behalve dat de jongens gerekend worden zich eerder te bewegen (zie alweer Hippocrates), is ook de meening, dat de dracht van een jongen veertien dagen korter duurt dan die van een meisje, vrij algemeen.
In Hongarije heerscht, in sommige streken, de volgende gewoonte. Als de vrouw niet zeker weet of zij zwanger is, steekt zij een naainaald in een Mariabeeld en laat die 9 dagen daarin zitten. Is de naald na afloop van dien tijd nog zuiver, dan houdt zij zich voor niet zwanger; is de naald roestig, dan duidt het op zwangerschap. En aan de geboorte van een jongen wordt geloofd als de punt, aan de geboorte van een meisje als het oog van de naald roestig is. Daar heerscht ook dezelfde meening omtrent de gelaatskleur. Uit kiespijn wordt het besluit getrokken, dat zij een jongen zal baren, terwijl gezwollen beenen op een meisje wijzen. Zij zal ook een meisje het leven schenken, als zij bij den bijslaap luid gelachen heeft. Volbracht zij dien echtelijken plicht zonder lachen, dan wordt een jongen geboren, want „ernst is het sieraad van den man”. Zooals Plinius zegt, wees lichte zwelling van het onderbeen en van de liesstreek, bij Grieken en Romeinen, op een meisje, en de schrijver van het Boeck van de Vroet-wijfs is het met hem eens: „Sulke Vrouwen dragen swaerlijck, en met geswel van de beenen en de gemachte.”
Niet alleen in ouden, maar ook in den nieuweren tijd hebben de geleerden zich bezig gehouden met physiologische gronden te zoeken, waaruit de ontwikkeling van het geslacht eene redelijke verklaring zou vinden. Het zou ons te ver voeren, hier alles mede te deelen, wat daaromtrent geschreven is. Alleen stip ik aan, wat men meermalen hooren kan, dat uit de schijngestalten der maan kan uitgemaakt worden, welk geslacht het kind hebben zal. In 1873 deelde een Italiaan, Paolo Lioy, mede, dat iemand te Robia had gevonden, dat, wanneer eene vrouw bij volle maan een zoon of bij nieuwe maan een dochter baarde, men er zeker op rekenen kan, dat het geslacht van het volgende kind niet verandert. Deze regel zou zich telkens ook over den geheelen duur van dat kwartier uitstrekken.
De geleerde Berthon werkte deze opmerking uit, en verklaarde, dat de gestalten der maan geheel alleen op het ontstaan der geslachten invloed uitoefenen, en dat, evenals die schijngestalten voortdurend en gelijkmatig wisselen, ook de mannelijke en vrouwelijke individuen op aarde in steeds gelijkblijvende verhoudingsgetallen, als uitvloeisel eener kosmetische wet, afwisselend geschapen worden.
Dit laatste komt veel overeen met de oud-Duitsche overlevering, dat bij wassende maan, of wanneer gedurende den bijslaap droog weder heerscht, zich een jongens-conceptie ontwikkelen zou.
De bekende verloskundige Kilian zegt, met betrekking tot de kosmetische invloeden, in zijn boek: „Die Geburtslehre von Seiten der Wissenschaft und Kunst dargestellt” (1847), bl. 155: „Dat kosmetische verhoudingen op de ontvangenis een grooten invloed uitoefenen, is zeker, maar weinig bekend is het specieele. Intusschen kan toch het volgende gezegd worden:
1) In ’t algemeen worden meer jongens bij nieuwe en wassende maan, meer meisjes bij volle en afnemende maan geconcipieerd, en
2) de meeste concepties vallen in het einde van de lente en het begin van den zomer, minder aan het einde van den zomer en in het begin van den herfst.”
Hoe trouwens volksgeloof en wetenschappelijke opvattingen samengaan, blijkt uit menige mededeeling. Als voorbeeld noem ik alleen het volgende. Dr. Mattei zegt, in de Clinique Obstétricale, Gazette Obstétr. 5 Mai 1874, dat eene met kinderen rijk gezegende vrouw hem mededeelde, dat zij, telkens als zij van een jongen zwanger ging, veel braakte, wat nooit gebeurde als zij zwanger was van een meisje. Toevallig is in enkele streken van Hongarije de volksmeening juist tegenovergesteld.
En om hiermede te eindigen: De fransche onderzoeker Dupuy deelde in de Séances de la Société de Biologie de Paris, Octr. 1888 en Févr. 1889, het volgende mede: „Om het geslacht van de toekomstige kinderen te bepalen, moet men allereerst het geslacht van het eerste kind weten. Is dit een zoon en geeft men aan de tusschenruimte tusschen twee menstruaties, waarin de conceptie van het eerste kind plaats greep, het getal 1, dan zal het eerstvolgende kind hetzelfde geslacht hebben, als het in een even maand, dus in de 12e, 14e, 16e maand daarna geconcipieerd werd, en omgekeerd een meisje, als het in een oneven maand, dus 13e, 15e, 17e maand daarna ontvangen werd. Indien dus een man, die een zoon heeft, eene dochter hebben wil, moet hij de maand-perioden tellen, die verloopen zijn sedert de bevalling zijner vrouw, en moet daarna de vrouw in een oneven maand bevrucht worden. Wil hij weder eene dochter hebben, dan moet zij in een even maand bevrucht worden enz. Alleen tweelingen met twee moederkoeken, en de gevallen, waarin het kind van een anderen vader afstamt, maken eene uitzondering.”
De diagnose op tweelingzwangerschap werd bij de oude Indiërs gemaakt, als het lichaam in het midden diep is en op een ovaal watervat gelijkt. In Siphra en Pua lezen wij: „Wanneer het lichaam van eene bezwangerde vrouw in het midden plat-achtig, maar op de zijde verheven, en in het geheel zeer opgezet is, en een donkere streep over hetzelfde nederwaards gaat, zoo wil men hier uit besluiten, dat ’er tweelingen zijn. Doch deze kenteekens zijn bedriegelijk, en men kan ’r zich in ’t geheel niet op verlaten.”
Met de baring is het al niet anders dan met de zwangerschap. Ook hier zocht men hulp bij goden en godinnen, vreesde men de inwerking van booze geesten en trachtte men die voor zich te winnen, of wel ze door verschrikkingen te verjagen. Tevens werden—en ’t gebeurt nog—middelen inwendig en uitwendig toegediend, zoowel reeds gedurende de zwangerschap als tijdens de baring, om de krachten der vrouw te schragen en pijnen weg te nemen, sympathetische middelen aangewend, met de bedoeling om de baring gemakkelijker te doen plaats hebben, kortom van allerlei gedaan, om de vrouw in haar lijden te gemoet te komen.
Als middelaars tusschen goden en godinnen vinden wij priesters en priesteressen. Somtijds moet een oprechte biecht van alle zonden, welke betrekking hebben op de baring, afgelegd worden, zoowel door de vrouw als door den man. Helpt dan de godheid niet, d.w.z. eindigt de baring noodlottig, dan was de biecht onvolledig en onoprecht. In Zwaben roept de barende de heilige Margaretha met den draak aan. Men neemt daar een band of een zakdoek, bindt die der barende om de heupen, onder het noemen der drie Godsnamen, en laat haar, onder aanroepen der heilige Margaretha, persen.
In hoog aanzien staat de „Gewisse und wahrhafte Länge unseres lieben Herrn Jesu Christi”, welke men der barende om borst en hoofd legt. Dit is een gebed, op een 150 c.M. lange papierstrook gedrukt, welke—zooals men zegt—de ware lengte aangeeft van onzen Heer Jezus Christus, zooals hij op aarde en aan het heilige kruis geweest is. [10] Ook legt men nog andere gewijde zaken onder het hoofdkussen, laat de vrouw Johannis-water (dat op 27 December gewijd is) drinken, of plakt haar heilige beelden op het lichaam, geeft haar een gebedenboek in de hand, enz. Bij Inlandsche en Chineesche vrouwen zag ik op Java wel kruisen, met een witte kalksoort op handen en voeten geteekend.
Met booze geesten en andere vijandelijke wezens wordt anders omgesprongen. Wel is waar worden ook gebeden en offers opgedragen, doch werkzamer acht men tooverspreuken en amuletten. Somtijds wordt het huis gesloten om hun den toegang onmogelijk te maken, of wel worden zij geweerd door een gespannen touw of door een krijtstreep. Geschreeuw, gehuil en schieten dient tot afschrikking. Dit baantje wordt aan den echtgenoot en zijne vrienden opgedragen.
Als vrij algemeen in zwang zijnde middelen, om eene gemakkelijke en voorspoedige bevalling te erlangen, somde ten Houte de Lange op: het gebruik (’s avonds) van een paar koppen sterk aftreksel van roomsche kamillen met steranijs, van een paar vijgen op de nuchtere maag gedurende de laatste zes weken, eene aderlating op de helft van de dracht, een glaasje kraam-anijs bij het begin der pijnen, een kop sterke koffie met brandewijn, een paar lepels Genua-olie met suiker, drie, vier koppen thee met veel saffraan. Ook nu hoort men nog dergelijke middelen aanbevelen.
Bij tragen arbeid meent men, dat de verbeterende veranderingen juist invallen met de klok van 3, 6, 9 of 12 uur.
De roos van Jericho kwam ook al bij de baring te pas. Het drinken van wijn of water, waarin zij gelegd was, om af te trekken en zich te ontsluiten, had bij de barende hetzelfde gevolg. Indien zij zich namelijk spoedig ontsloot, volgde ook snel ontsluiting bij de barende. Ten Houte de Lange zegt: „Dit is mij eens voorgekomen bij eene Friesche turfschippersvrouw, die mij bij langdurigen arbeid vroeg of ik „die roos van Jericho” niet had om er gebruik van te maken, en bij eene boerin. Geen van beiden wist mij echter te zeggen, hoe die roos er uit zag, of waar die te bekomen was.” Ik was gelukkiger. Vroeger bezat ik zulk een roos van Jericho, maar.... aangewend heb ik haar nooit. In de Palz kent men het geloof aan deze roos, daar „Weinachtsrose” geheeten, eveneens. Zij verdrijft daar, in water gedoopt en aan de vrouw gegeven om er aan te ruiken, de pijnen.
Het toedienen van brandewijn is zeer sterk verbreid. Op de Kanarische eilanden ontvangt de vrouw, zoodra de baring begonnen is, een glas vol. Volgens Mac Gregor nemen de vroedvrouwen en vriendinnen daarvan tevens haar deel. Ook in Hongarije wordt meestal brandewijn toegediend, en dikwijls drinken de vrouwen zoolang, tot zij dronken zijn. Waarschijnlijk staan alcoholische dranken in zoo’n goed blaadje, omdat zij bedwelmend of opwekkend, z.g.n. versterkend, werken.
Wij weten allen hoe moederkoorn, als vlaagpoeders, werd aangewend. Men vindt ook van allerlei aftreksels gewag gemaakt, als peperdranken, kaneelwater, theeën van verschillende wortels en kruiden.
In Amerika is de medicijn bij de inboorlingen een afkooksel van den staart eener ratelslang, dat aan de barende gegeven wordt, omdat men gelooft dat het kind, wanneer dit het vreeselijke geluid van de slang hoort, zich haast om naar buiten te komen. In Griekenland wordt de baring bevorderd, door het gebruik van 2 onsen amandel-olie en het doen van eene aderlating aan de ader van den grooten teen, welke moederader genoemd wordt. In Denemarken heet Basilicum „Herba parturientium (kruid der barenden)”. Behalve dit worden ook lavendel, witte leliën, barnsteenolie en de gedroogde lever van alen gegeven. In Engeland, evenals bij ons, gedroogde vijgen. Dit laatste middel wordt hier te lande ook aangeraden om het vastgroeien van de nageboorte te voorkomen. Een middel in 1816 in Duitschland nog in gebruik, was het drinken van een kop urine van den man. Niet veel smakelijker lijkt mij het in Zwaben gebruikelijke middeltje, duivenmest in melk gekookt. Het heet daar, dat ook vrouwenmelk, indien slechts buiten haar weten aan de barende toegediend, de bevalling gemakkelijker maakt.
Middelen welke den mensch misselijk en draaierig maken of braken verwekken, spelen bij zeer vele volken eene groote rol. De bij het braken tot stand komende samentrekkingen van middenrif en buikspieren zouden de uitdrijving bevorderen. Daartoe werden ook niesmiddelen aangewend. In Nederlandsch Indië laat de doekoen, volgens v. d. Burg, de oudste bij de geboorte aanwezige vrouw hare voeten in koud water wasschen en geeft zij dit of nog andere vieze vloeistoffen, b.v. urine, aan de barende te drinken. In het „Boeck van de Vroet-wijfs” lezen wij: „Ende soo haest als deselfde (d.i. de vroedvrouw) siet, dat hem ’t Kint in de geboorte wil verachteren ende schorten (al is ’t dattet natuerlijck, ende metten hoofdeken hem vertoont) deur de nauwigheydt ende engte van ’t Voor-lijf oft Lidt van de geboorte, soo mach ’t Vroetwijf haer blasen in de Neusgaten een Niespoeyer, of Peper, ende de Vrouwe doen den aessem inhouden en niesende maken, daer deur dat den aessem met sijn gewelt geoorsaeckt nederwaerts te trecken, dewelcke geweldigh sterck drijvet, ende den arbeyt of geboorte voordert.”
Uitwendige middelen werden aangewend in den vorm van berookingen, inwrijvingen met zalven enz. Warme baden en inwrijvingen met warme olie behooren tot de oudste hulpmiddelen bij de baring.
Bijzondere middelen zijn wel de volgende. In Boven-Egypte steekt men bij weeënzwakte een klein stukje opium in het geslachtskanaal der vrouw. In Engeland legde men vroeger fijngestooten laurierbladen, met olie gemengd, op den navel der barende of stak men haar een stukje knoflook in de aarsopening.
Gunstigen invloed zou de barende ook ondervinden, door het drinken van water uit den Willebrordusput, en het leggen van een daarmede natgemaakte doek tegen de schaamdeelen. Hetzelfde bewerkt het teeken des kruises over den buik der zwangere gemaakt.
Uit dit alles blijkt alweder, hoe het bijgeloof aan vele dingen krachten toeschrijft, welke zij niet bezitten. Doch wat te denken van een bijgeloof als nog voor omstreeks 5 eeuwen onder geneesheeren bestond? In Zwitserland werd de eerste lijkopening (sectio cadaveris) in 1671, de tweede in 1676, door Dr. Muralt, in Zürich gedaan. Hij liet de huid van het lijk, welke afgepraepareerd was, looien, omdat hij bijzondere geneeskracht toeschreef aan het bedekken van aangedane deelen met menschenvel, nadat het eerst bij wassende maan met zalf ingewreven was. Voornamelijk hielp het echter bij zware bevalling, als het als gordel gedragen werd.
Hier hebben wij den overgang tot sympathetische middelen. Zooeven noemde ik reeds omtrent sympathie het een en ander, toen ik sprak van het verbod van knoopen, weven, enz. Niets mag bij de baring gesloten wezen, anders opent de baarmoeder zich niet. Daarom mag ook de barende de handen niet vouwen; zij moet den gordel—als zij dien draagt—afleggen. Alle sloten en deksels, soms ook alle deuren, enz. moeten geopend worden. Dr. G. F. Most schrijft 1844 in „De sympathetische middelen en geneeswijzen”: „De voor eenige jaren alhier (’s-Hertogenbosch) gestorven vroedmeester Dr. D...... plag, volgens de methode der oude vroedvrouwen, wanneer eene barende zijne hulp inriep, terstond bij zijn intreden in de kamer, te vragen, of wel alle koffers, kisten, kasten, enz. in het huis openstonden; was dit niet het geval, dan moest het oogenblikkelijk geschieden.” Most zelf zegt, dat hij dit middel, om psychisch af te leiden en om contractiones uteri, waarmede hij wel kramp van de baarmoederspier zal bedoelen, te doen verdwijnen, dikwijls met goed gevolg heeft aangewend.
Dit middel is No. 85 van de recepten, welke bij zware verlossingen werden aangegeven. No. 83 en 84 luiden aldus. No. 83: „Neemt twee schijven van witten leliewortel en geef dezelve aan de barende te eten; dit drijft de vrucht benevens de nageboorte ongeschonden af.” N°. 84: „Neemt 2 hoendereyeren, laat dezelve op de gewone wijze koken en geeft de vrouw eenige lepels van het water waarin de eyeren gekookt zijn, in; dit drijft de vrucht af, zelfs al ware de vrouw reeds in acht dagen in barensnood geweest, en het kind gestorven of reeds tot verrotting overgegaan.”
Hij voegt daaraan het volgende toe. „De eyeren zijn reeds geboorte, en deelen derhalve aan het water waarin zij gekookt zijn, en daardoor van hunne kracht tot verdere ontwikkeling beroofd worden, deze vis et efficacitas mede om zelfs de levende of doode vrucht des menschen uit te drijven. Het spreekt van zelf, dat dergelijke onschuldige middelen, als het eyerwater, slechts in ligte gevallen, waar door geene mechanische hinderpalen de geboorte vertraagd wordt, mogen worden aangewend; ofschoon dezelve dan ook slechts psychisch door het vaste geloof aan dezelve krampstillend werken; in zware gevallen echter mag men zich volstrekt niet op dezelve verlaten, maar zoo spoedig mogelijk een goeden vroedmeester tot hulp roepen.”
Gelukkig dat hij dit laatste er bijgevoegd heeft.
Tot deze groep van middelen behoort ook het doen eten, door een dier of mensch, uit den schoot der vrouw, opdat het kind even gemakkelijk te voorschijn kome, als het voedsel van daar wordt weggenomen. Eveneens is hiertoe te rekenen het medeklagen van vrouwen en andere middelen, die op den geest werken, zooals muziek, gezang, het verschrikken der vrouw, en nog vele andere.
Met de bedoeling onmiddellijk invloed op het kind uit te oefenen, laat men b.v. geldstukken klinken, om het kind te lokken, of iets of iemand dansen, opdat het kind eveneens beginne te dansen en uit het moederlijke lichaam danst. Somtijds moet ook de vader dicht bij den schoot der barende komen en dan vlug wegloopen, dan zal het kind trachten hem te volgen. Als lokmiddel voor het kind dient ook het aankleeden van een pop, met de kleederen van den echtgenoot.
Hieruit blijkt, dat de meening heerscht, en zeker is dit eene welke nog dikwijls wordt uitgesproken, dat het kind, zoo niet geheel, dan toch voor een groot gedeelte, medewerkt om geboren te worden. Wij kunnen dan ook herhaaldelijk opmerken, dat een langdurige en moeilijke arbeid, wanneer daarbij een dood kind ter wereld komt, als zeer natuurlijk beschouwd wordt, omdat „het doode kind niet kon medewerken”.
Ook deze meening grondt zich op de leer van Hippocrates. Deze leer bestaat in de opvatting, dat het op tijd intreden der geboorte zijn oorzaak vindt in gebrek aan Voedsel voor het kind, omdat het moederlijke organisme niet meer aan de behoefte van het kind voldoen kan.
De uittreding van het kind is dus actief. Wanneer de baring op til is, begint het kind te bewegen, met handen en voeten te trappelen en een der inwendige vliezen te verbreken. Daarop scheuren de andere, welke zwakker zijn; het kind is van zijne boeien ontslagen en treedt in heftige beweging naar buiten. Geen macht houdt het meer vast, als de vliezen bezwijken; ook de baarmoeder kan het niet meer tegenhouden.
Voor de school van Hippocrates was dus de spierkracht van het kind alles, of liever bijna alles, wat natuurlijk moeilijkheden gaf bij de verklaring van het uitdrijven van doode vruchten en miskraam. Toch werd ook aan de werkzaamheid van de baarmoeder gedacht. Men trachtte toch, bij staking der baring, de pijnen in de baarmoeder, dus de weeënwerkzaamheid, aan te zetten, hetzij door het bestrijken van den baarmoedermond met eene zalf, hetzij door het toedienen van bepaalde spijzen en dranken. Ook de buikpers was niet onbekend en de kracht daarvan trachtte men door niesmiddelen te versterken. Duidelijker en met bewustheid heeft Galenus zoowel de werkzaamheid der baarmoeder als de buikpers beschreven. Hij zegt, dat, als de baarmoedermond geheel ontsloten is, de barende moet opgewekt worden het kind uit te drukken.
De pijnen bij de baring worden toegeschreven aan de drukking, welke het kind op de moederlijke deelen uitoefent, en aan de rekking, die deze laatste ondergaan, doordien het kind zich door eigen kracht een weg baant.
Vinden wij dus eene verklaring van de zooeven genoemde tegenwoordige leekenopvatting, dat het kind zelf den arbeid verricht, in de oude geneeskundige opvatting, hetzelfde geldt omtrent eene andere meening, betrekking hebbende op de levensvatbaarheid der kinderen in zevende of achtste maand geboren. Doch daarover straks.
Algemeen is nog het denkbeeld verbreid, dat de moederkoek tot stoel dient voor het kind. Mij ten minste kwam het menigmaal voor, niet dat het als waar verteld werd, maar dat mij—en wel door ontwikkelde personen—gevraagd werd, òf het waar is. Daarbij neemt men dan aan, dat het kind op de moederkoek zit, de armen over de borst gekruisd en de handen onder de kin, om het hoofd te steunen. Hiermede hangt dan samen de meening, dat op een bepaald tijdstip van de zwangerschap het kind zich omdraait of buitelt (de Culbute), zoodat het hoofd naar beneden komt te liggen. Het zakken van den baarmoederbodem wordt dan als bewijs genomen, dat de buiteling heeft plaats gevonden.
Hiermede komen wij van zelf tot de straks even aangeroerde meening, dat een zevenmaandsch kind veel beter in leven blijft dan een achtmaandsch, omdat de zevenmaandsche dracht natuurlijker is dan de achtmaandsche.
De ligging van het kind, volgens Hippocrates, geeft ook hier weder licht. Zijne opvatting was, dat alle kinderen zich, in overeenstemming met den groei der planten, met het hoofd naar boven ontwikkelen. In de ligging met het bekkenuiteinde vóór worden de kinderen eerst bevestigd door de vliezen, welke van den navel uitgaan, totdat zij in de 7e maand deze bevestigingsmiddelen verbreken en de vliezen rondom verscheuren. Daarop verandert het kind van plaats, d.w.z. komt het met het hoofd naar beneden te liggen. Dit omdraaien van het nu van zijn bevestigingsmiddelen bevrijde kind, wordt toegeschreven aan de werking der zwaartekracht. De boven den navel van het kind gelegen deelen zijn de zwaarste en de hoofdligging komt tot stand, doordien de werking van de zwaartekracht op het hoofd overweegt.
„Ofschoon onjuist”, zegt Fassbender, „bleef deze leer van de ombuiteling of zelfkeering van het kind gedurende een tweeduizend tal jaren in de verloskunde van alle kultuurvolkeren bestaan.”
Dat deze keering juist in de 7e maand werd geacht tot stand te komen, hangt eensdeels samen met het heilige getal zeven, dat op alle gebeurtenissen in het leven grooten invloed had, anderdeels met waarnemingen, dat bij de, voor dien tijd optredende, vroeggeboorten veelal de stuit vóórkomt. Maar ook met de waarneembare veranderingen aan den buik der zwangeren in den laatsten tijd harer dracht en de daarmede voor haar gepaard gaande verschijnselen.