Moeder en kind

Part 20

Chapter 203,995 wordsPublic domain

Wanneer, zoo is de leer, het kind in de 7e maand, na de verscheuring der banden, van ligging veranderd is, ontstaan bij de moeder, door trekken aan de navelstreng en door de spanning der vliezen, pijnen; alle zwangeren krijgen, ten gevolge daarvan, korten tijd koorts en eenige gaan met het kind te gronde. Is die tijd voorbij, dan verdwijnt de ontsteking, zoodat het lijf week wordt en de zwelling zich naar de laagte verplaatst. Van dien tijd af dragen de vrouwen met minder last, omdat het ’t kind gelukt is, zich in eene voor de geboorte gunstiger ligging te keeren.

De 7e maand brengt het kind in het begin der volledige vorming. De zevenmaandelijksche vrucht zou, naar de tijdrekening welke Hippocrates volgde, in de orde der rekening vallen, en dus in het leven blijven.

Johan van Beverwijck bespreekt deze meening in de volgende bewoordingen:

„Een kint van acht maanden en blijft niet te lijf, segt Hippocrates, omdat het twee stooten korts op malkanderen niet en kan verdragen. Want dewijl het kind op de sevende maent gearbeyt heeft om uyt te komen, en daerover vermoeyt is, so kan het den arbeyt, daer terstont wederom op volgende, niet wederstaen: maer om zulx wel te kennen uitstaen, soo was van nooden, dat het de achtste maent noch beslooten bleve, om middelertijdt sijn krachten te verhalen.

Het schijnt (oock) datter naeulicx een bondige reden bij te brengen is, waerom een kint op de achtste maent niet volkomen en voldragen zou zijn, en wel geboren sijnde niet op en soude komen, en over-sulcx voor onwettig ofte een misdracht zoude gerekent worden. Want hetgene dat men seyt, van de beweginge op de sevende maent, heeft grootelicx sijn bedencken, of het vastgaet, dat alle kinderen nootsakelick op de sevende maent haer roeren om uyt te komen. Want alhoewel de kinderen op de sevende maent, haer eerste volkomenheyt krijgen, soo en zijnse nochtans allegader niet soo volkomen, dat ze poogen geboren te worden.”

Verder: „Het en gaet niet seker, dat de bevruchte vrouwe stercker beweginge voelen op de sevende maent, als op de andere. En indien het kint aan die beweginge so seer verswackt op de sevende maent, dat het in geen geheele maent sijn krachten verscheppen, en daarom op de achtste maent gekomen zijnde niet te lijf en kan blijven, veel minder soude het ’t leven konnen behouden, als het in de eygen maent geboren werdt. Daer-neffens en komt met de ervarentheyt niet wel overeen, dat de vrouwe meest op de achtste maent qualicker te pas zijn, als op de sevende, ofte negende. Schijnt derhalven datter uyt de nature van de vrucht en van de moeder naeulicx bondige redenen konnen gegeven werden, om te betoonen, dat een kint van acht maenden niet en zoude kunnen in ’t leven blijven.”

Dat aan de navelstreng te zien is, hoeveel kinderen eene vrouw nog baren zal, werd mij kort geleden nog verteld. Dat zou worden aangegeven door de knoopen, d.w.z. de valsche. Evenzoo zouden vele draaiingen in de streng een teeken zijn, dat het kind vele wederwaardigheden in het leven te wachten heeft.

Het begraven van de nageboorte is vrij algemeen in zwang. Menige baker wenscht dat nog te doen, en liefst zeer diep, opdat geen dier die opgrave en ete. De bedoeling scheen (schijnt?) op zeedorpen te zijn, om daardoor te voorkomen dat het kind, later zeevarende, door haaien zal opgevreten worden. Andere bakers en vrouwen weder stelden er prijs op, dat de nageboorte in de aschpot gestopt werd. Oudtijds geschiedde dat in de kolk onder de asch. Daarboven moest dan gedurende 9 dagen en nachten gestookt worden en de asch mocht niet geroerd worden. Niemand, maar vooral de vader niet, mocht aan dat vuur zijn pijp opsteken, daar onrust en stuipen van het kind het gevolg daarvan zouden zijn (ten Houte de Lange).

Bij eenige Indianenstammen in Amerika wordt de nageboorte eveneens begraven en wel op eene geheime plek. Hetzelfde doen de negers der Loangokusten. In Oldenburg worden daarbij spreuken opgezegd.

Op Java wordt de navelstreng afgebeten, omdat men gelooft dat het kind onkwetsbaar wordt. Ook wordt zij afgesneden met een bamboe-mes op een stukje koenit (curcuma). De nageboorte wordt, met het stukje curcuma en het bamboe-mes, in een dop van kokos met deksel (Batah Booloe genaamd) geborgen, met het Javaansche of Arabische alphabet op een stuk papier geschreven, opdat het kind, tot rijpe jaren gekomen, kundigheden verkrijge. De dop wordt begraven of in een aarden pot in huis opgehangen. Daarbij of daaronder wordt licht gebrand, tot de rest van de navelstreng is afgevallen. Het kind is, vóór het afvallen van de navelstreng, onderhevig aan allerlei plagen van booze geesten, en de brandende lamp dient om hunnen kwaden invloed op het kind te voorkomen.

In Noorwegen wordt de nageboorte, door de jonge kraamvrouw zelf, met een mes doorstoken en dan door de vroedvrouw verbrand. Gebeurt dat niet, dan ontstaat daaruit de booze geest Utbor, die zich klein en groot, ook zichtbaar en onzichtbaar maken kan, die vreeselijk schreeuwt en het erop voorzien heeft zijne moeder het leven te benemen. Zijne moeder. Moet men hier denken aan eene beschouwing als die der inboorlingen in onze Indische bezittingen, die de nageboorte soedarah noemen, d.w.z. (de) broeder van het kind?

Eene eigenaardige betrekking tusschen nageboorte en boomen bestaat bij vele volken. In Mecklenburg b.v. wordt zij begraven bij de wortels van een jongen boom, dan groeit het kind met den boom. Dikwijls wordt eerst de nageboorte gewasschen en daarna, met asch gemengd, onder een bepaalde boomsoort begraven. In andere streken wordt zij, in een korfje gepakt, aan een boomtak opgehangen. Bij de Laoten in Siam wordt zij steeds begraven aan den voet van de trap, die tot de huisdeur leidt.

Hier en daar gaat dat alles met bijzondere feestelijkheden en offeranden gepaard.

In het water vindt de nageboorte ook haar plaats. In Kartoem (Afrika) b.v. wordt zij, in een pot gepakt, in den Nijl geworpen en ieder voorbijganger moet haar een steen nagooien. Blijft de nageboorte drijven, dan is dat bij enkele volksstammen een bewijs, dat de vrouw in den echt ontrouw geweest is. Volgens v. d. Burg—en ik zelf heb het menigmaal gezien—legt men in Ned.-Indië de nageboorte op een klein bamboevlot, dat, met bloemen en vruchten getooid en door kaarsen verlicht, de rivier afdrijft. Het is een offer aan de kaaimannen, welke de zielen der voorvaders herbergen. In de buurt van Jena wordt zij in stroomend water geworpen.

Ook dient de nageboorte als toovermiddel en als geneesmiddel. De Javaansche vrouwen gelooven, dat zij, inwendig gebruikt, vruchtbaarheid geeft. In Orenburg (Rusland) wordt zij begraven. Wenschen de ouders een kind van ander geslacht, dan graaft de vroedvrouw haar op en keert haar om. Hetzelfde geschiedt om betoovering te bezweren.

In Stiermarken geldt van oudsher het bloed van de versche moederkoek en van de navelstreng als middel tegen moedervlekken, het poeder van de gedroogde en fijn gestampte moederkoek als middel bij epilepsie en St. Vitus-dans. Voor eenige jaren, schrijft Engelmann, heeft in Saksen eene vrouw, onder het schavot van een misdadiger, in ’t geheim eene versche moederkoek verorberd, om daardoor van epilepsie genezen te worden.

Eene groote moederkoek wijst in vele streken van Duitschland erop, dat de kraamvrouw veel zog zal hebben, eene kleine op het tegendeel

Ook de eivliezen moeten genoemd worden. Wanneer zij niet scheuren en het kind in de vliezen geboren wordt, of, als zij wel scheuren, maar het kind toch in de vliezen gehuld te voorschijn komt, spreekt men van: „het kind is met den helm geboren”. Dit geldt in ’t algemeen in Europa als een gelukkig teeken voor den pasgeborene. Hij zou aan den bezitter de gave van vooruitzien verschaffen, en vooral daarom voor veel geld aan zeevarenden te slijten zijn. In vreemde handen geraakt, zou hij aan het kind, dat er mede geboren wordt, ongeluk bezorgen. Van daar dat hij door de ouders moet begraven of verbrand worden. Doch ook het bewaren is nuttig. Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een gedeelte van de Zuidkust van Ceram zegt men, dat het kind met den helm (Sarong of Karpoes) geboren, ouder geworden, helder ziende wordt; dat het dingen ziet, welke voor het gezicht van anderen verborgen zijn, als kwade geesten, duivels, enz.

In vele streken wordt die helm als amulet voortdurend om den hals gedragen en stilletjes bij het kind gelegd, als dat gedoopt wordt, waardoor hij dan meêgedoopt wordt. Omdat de werkzame kracht ook op anderen overgedragen wordt, gebeurt het niet zelden, dat vroedvrouwen den helm stelen en aan hare eigene kinderen geven. Dit laatste komt voor rekening van ten Houte de Lange.

Zelfs werd er vroeger, vooral in Engeland, handel in gedreven. In 1779 betaalde men er 20 guinea’s voor, in 1848 nog maar 6. Vooral voor advocaten was zoo’n ding veel waard, daar hij hen tot redenaars maakte.

Bij de zuidelijke Slaven is hij voor de meisjes, die er mede geboren zijn, een middel om den jongeling, dien zij liefhebben, tot waanzins toe verliefd op haar te maken. Het is daarvoor slechts noodig hem op een bloot gedeelte van het lichaam met het gedroogde „Glückshemdchen” aan te raken.

Behalve hetgeen ik reeds besproken heb omtrent eenige opvattingen, welke met betrekking tot het kraambed heerschen, bestaan er nog vele andere. Ik zou echter te uitvoerig worden met ook die alle op te noemen. In ’t kort dus nog het volgende.

Dat op den negenden dag het lichaam der kraamvrouw zich sluit, is eene ook nu nog veel verbreide meening. Men verbindt aan dien negenden dag vele gevaren, zoodat zelfs de vrouw, die vóór den negenden dag het bed verliet, dien dag daarin doorbrengt. Het getal negen zagen wij in den beginne reeds van invloed. Ook het getal 3 schijnt niet van belang ontbloot. Immers deelt de vroedmeester ten Houte de Lange mede, dat in zijn tijd de kraamvrouw gedurende den 3en en 9en dag de handen goed onder het dek moest houden, omdat zij anders een zweerend uitslag daarop krijgen zou.

Of hier en daar nog dezelfde vrees voor lavementen bestaat, weet ik niet. In ouden tijd meende men, als de kraamvrouw „op een lavement gezet moest worden”, dat de toestand zoo gevaarlijk was, dat wel eerst het testament gemaakt mocht worden.

Het toedienen van den witten drank (amandeldrank) wordt verschillend opgevat. In Alkmaar b.v. noemde men dien drank de „witte doodendrank der kraamvrouwen”. Ten Houte de Lange verhaalt, dat, toen hij dien drank eens voor eene boerin had laten gereed maken, hij dien op den derden dag nog onaangeroerd had gevonden en hem verweten werd, dien gevaarlijken drank te hebben voorgeschreven. De kraamvrouw had zich aan het gebruik niet gewaagd. In Amsterdam was, ten minste vele jaren geleden, menige kraamvrouw niet tevreden, als zij geen „witte drank” gekregen had. „Die versterkte”.

Bij benauwdheid der kraamvrouw een smal gevouwen doek om den buik aan te halen, maar vooral met een knoop in de linkerzijde vast te maken, belette de „moer” het opstijgen. De angst daarvoor spruit voort uit de Hippocratische leer, welke aan het ronddolen der baarmoeder door het lichaam allerlei ziekten toeschreef, o.a. vallende ziekte en hysterie.

Tegen kraambeenen werd de „gulden pleister” aangewend, d.w.z. een pap uit eigen faecaliën. Om zogklonters te voorkomen en het zog op te drogen werd, als zeker werkend middel, aanbevolen het door doodzweet vochtige hemdje van het gestorven kind op de borsten te leggen.

Mag men het den onontwikkelden kwalijk nemen, dat zij dergelijke middelen toepassen, als wij weten dat de „seer vermaerde Jacob Ruffen” onder de middelen tegen het opstijgen van de baarmoeder aangeeft, een drank bereid uit paardendrek (te weten van paarden die met enkel haver gevoerd worden) gekookt in sterken wijn, welke warm moet gedronken worden?

Hiermede versegel ick dese mijn verhandelingh: In de welcke soo ick u luyder verwachtingh bedrogen heb, of niet ten vollen vernoeght; wilt nochtans daerom mijn dienst-vaerdigheyt, U luy op-geoffert, niet smadelijck verwerpen.

AANHANGSEL I.

Mijne opvatting omtrent de voeding van den zuigeling, om aan hem, althans in den beginne, over te laten wanneer hij zijn voedsel zal nemen en hoeveel, is in strijd met het tegenwoordig in Nederland vrij algemeen toegepaste stelsel, om de kinderen op bepaald aangegeven tijdstippen te voeden. Hetzelfde geldt voor het voeden in den nacht.

Tot mijne opvatting ben ik gekomen aan de hand van het feit, dat ik, na afscheid te hebben genomen van moeder en kind als de tijd, gedurende welken de verloskundige gewoonlijk voor beiden zorgt, verstreken was, menigmaal bespeurde, dat zoovele van die kinderen na eenigen tijd aan voedingsstoornissen lijdende waren, ondanks het nauwgezet opvolgen der voorschriften, om het kind op door den geneesheer bepaalde tijdstippen op te nemen en te voeden. Door ernstig nadenken kwam ik tot de slotsom, dat de zuigeling te veel verstelseld wordt.

In de jaren 1915 en 1916 heb ik, in het Medisch Weekblad, getracht aan te toonen, waarom ik het gewenscht acht den zuigeling meer vrijheid te gunnen, dan hem gemeenlijk wordt toegestaan. Toen heb ik met instemming de woorden aangehaald van Prof. W. Preyer (‘Die Seele des Kindes’, 7te Auflage 1908): „Die Kunst, das kleine Kind werden zu lassen, ist viel schwerer als die, es vorzeitig zu dressiren” en „Zuerst Natur ohne Dressur, dann Kultur” en ik doe dat nu opnieuw.

De ondervinding heeft mij geleerd, dat ik niet voorzichtig genoeg zijn kan met het mededeelen van eene opvatting, welke afwijkt van de voor het oogenblik algemeen geldende. De omstandigheid, dat eene van de algemeen geldende leer afwijkende opvatting verkondigd wordt, schijnt er steeds onmiddellijk toe te moeten leiden zulk eene opvatting als volstrekt verkeerd, en dus uit den booze, te brandmerken, en tot verzet aanleiding te geven.

Daarom heb ik de vrijheid genomen in dit boek eenige aanhalingen, betreffende de voedingswijzen van zuigelingen, van verschillende schrijvers op te nemen, waaruit duidelijk blijkt, dat men niet zoo vast staat met het algemeen aangenomen stelsel als gewoonlijk gedacht wordt.

NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS.

Dr. J. de Bruin en Dr. Cornelia de Lange. ‘De voeding van het kind in het eerste levensjaar’. 1905.

Bl. 93. „Den eersten dag na de geboorte moet het kind 2 à 3 maal in de 24 uren worden aangelegd, den 2en dag 5 à 6 keer, van den 3en dag af 6 à 7 maal per etmaal.”

„Zoowel de practische ervaring, opgedaan bij normaal gedijende borstkinderen, als de onderzoekingen van Leo en Van Puteren.... hebben ons geleerd, dat de pauze tusschen twee opeenvolgende maaltijden van den zuigeling minstens 3 uur moet bedragen. Is de voeding van het kind goed geregeld, dan wordt het ook gewoonlijk tegen dien tijd wakker. Slaapt het een beetje langer, dan kan men het rustig nog een poosje laten slapen, met dien verstande echter, dat de pauzen bij dag nooit langer dan ruim 4 uren duren.... ’s Nachts moeten de pauzen minstens 4 uur duren, men trachte echter het kind zoo spoedig mogelijk het zuigen bij nacht af te wennen.

Over het algemeen geve men dus in de eerste 4 à 5 levensmaanden 7 maaltijden, van de 5e tot de 9e à 10e maand 6 en daarna 5 maaltijden in de 24 uren. In de eerste maanden make men ’s nachts pauzen van minstens 4 uur, iets ouderen zuigelingen geve men hoogstens 1 maal ’s nachts de borst en spoedig in het geheel niet meer.”

Bl. 117. „Het resultaat, dat men bij de zuigeling met een bepaalde wijze van voeding kan bereiken, is van te voren maar al te dikwijls volkomen onberekenbaar.”

Bl. 179. „Het spreekt van zelf, dat de natuurlijke voeding, dus de voeding met vrouwenmelk, als basis en model moet dienen voor de kunstmatige voeding. Het is ons reeds gebleken, dat bij de voeding aan de borst niet alle kinderen van denzelfden leeftijd even groote quantiteiten drinken; wij weten bovendien, dat eenzelfde borstkind bij den eenen maaltijd soms het dubbele tot het drievoudige van een voorafgaanden of volgenden maaltijd tot zich neemt. Daarom kunnen wij dan ook bij de kunstmatige voeding niet voor iederen zuigeling van bepaalden leeftijd een zekere hoeveelheid voedsel van te voren volgens een vast schema vaststellen, doch moeten wij in hooge mate individualiseeren en ons nooit gebonden achten door een schema, methode of tabel.”

„Volgens hem (bedoeld is Prof. Czerny) mag men een gezond kind nooit uit den slaap wekken, om het te voeden, zelfs niet indien het daardoor een maaltijd zou verzuimen.

Deze raad moge wetenschappelijk zeer juist en in een kliniek ook zeer goed op te volgen zijn, in de gewone praktijk zal men evenwel meestal adviseeren, het kind maar wakker te maken, als het 4 uur heeft geslapen, opdat de goede gang der huishouding geen stoornis ondervindt en de moeder niet veel te laat naar bed of midden in den nacht door een hongerigen zuigeling in hare rust wordt gestoord.”

Bl. 296. „Alles komt ten slotte hierop neer, dat bij de kunstmatige voeding van zuigelingen het eerste en laatste woord niet is aan de theorie, doch aan de praktische ervaring, die ons leert, dat het onmogelijk is, algemeen geldende voorschriften te geven, nog minder, die in toepassing te brengen. Steeds moet men individualiseeren, want wat bij den eenen zuigeling voortreffelijk gelukt, kan bij den anderen treurig mislukken.”

Bl. 297. „Steeds houde men in het oog, dat de methoden zijn gemaakt voor het kind en niet het kind voor de methoden.”

Dr. Cornelia de Lange. ‘De geestelijke en lichamelijke opvoeding van Het Kind, in vrije navolging van Prof. Biedert „Das Kind”’. 1914.

Bl. 55. „Wanneer men dadelijk na de geboorte begint, de kinderen gedurende den nacht, dus ongeveer van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6 uur, geen voedsel te geven, dan schreeuwen zij de eerste twee, drie nachten erbarmelijk, maar dan zijn zij wijzer geworden en houden zich in de daaropvolgende nachten stil. De jonge ouders, die soms heelemaal ontdaan zijn door zulk een wreedheid, hebben daardoor het overtuigend bewijs, dat de opvoeding dadelijk na de geboorte moet beginnen en dat zij zich niet door hun gevoel mogen laten meeslepen. Het is vaak zeer moeilijk bij de opvoeding en het eischt een groote mate van wilskracht, om waar het noodig is, de liefde te laten zwijgen en zich te laten leiden door het verstand en de nuchtere rede, maar ter wille van het kind zelf, moet men steeds het gezag handhaven.”

Bl. 78. „Nog niet lang geleden werd aangeraden, de zuigelingen in de eerste levensweken om de 2 of 2½ uren te laten drinken, maar in de laatste jaren is men er meer en meer toe gekomen, de pauze tusschen twee maaltijden gedurende het eerste halve levensjaar 3 uur en daarna zelfs 4 uur te laten duren” .... „is het duidelijk, dat men de tijdsruimte tusschen twee maaltijden drie uren moet maken en het kind hoogstens 20 minuten mag laten drinken. Slaapt het langer dan 3 uren, dan laat men het rustig slapen, totdat het van zelf wakker wordt; wel is het wenschelijk het kind op een bepaald uur te wekken voor den laatsten maaltijd ’s avonds, opdat het aan dien tijd zal gewennen en niet ’s nachts op een of ander tijdstip zal wakker worden en verlangen te drinken.”

Bl. 79. „Tusschen 10 en 11 uur ’s avonds en 6 uur ’s morgens behoeft het kind niet gevoed te worden; dit is zoowel in het belang van de moeder, die haar ongestoorde nachtrust noodig heeft, als van het kind, welks spijsverteringsorganen evenzeer rust behoeven en dat dan tevens leert, dat de nacht er is om te slapen. Van dit régime moet men zich, zoolang het kind gezond is, niet laten afbrengen. Het kind krijgt dus 6 maaltijden; dat dit aantal voldoende is blijkt daaruit, dat ook kinderen, die van den beginne af slechts 5 maaltijden daags kregen, prachtig zijn gedijd.”

Dr. E. Gorter. ‘De voeding van gezonde en zieke zuigelingen.’ 1914.

In de voorrede schrijft Czerny: „Auch das Lehrbuch von Gorter bedeutet einen Fortschritt .... Die Erkenntnis von den groszen individuellen Unterschieden der Säuglinge und von den angeborenen krankhaften Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der Ernährungslehre des Säuglings zu verdringen.”

Bl. 17. „Vanaf den 2den levensdag zal men het kind aan de borst leggen. Men doet goed zich in den beginne nog maar door het kind te laten leiden en het als het schreeuwt aan de borst te leggen, met deze beperking evenwel, dat de tusschenpoozen niet korter dan 2 uur, en niet langer dan 4 uur worden en dat het ’s nachts 1–2 maal wordt aangelegd. Heel spoedig zal dan regelmaat worden ingesteld, zoodat het kind als het een week oud is al op vaste tijden, aanvankelijk alle 3 uur, wakker wordt om te drinken.

Bl. 25. „Men zal al heel gauw—na 2–6 weken—het kind kunnen wennen, om van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6 of 7 uur door te slapen, zoodat het dan nog slechts 5 maaltijden in de 24 uur krijgt .... Het is evenwel niet noodig, om het kind precies als het tijd is, wakker te maken voor zijn maaltijd. Maar voor een moeder, die nog andere bezigheden heeft, is het meestal wel erg prettig om precies te weten, wanneer het weer tijd is om haar kind te voeden .... Hoewel nu in de praktijk in de meerderheid der gevallen de resultaten van dit geringe aantal maaltijden voortreffelijk zijn, moet er toch op gewezen worden, dat men een enkele maal goed doet een uitzondering te maken en b.v. 6–7 maaltijden in 24 uur voor te schrijven. Soms groeien de kinderen bij 5 maaltijden onvoldoende en komen aanstonds bij voeding om de 3 uur weer flink aan.”

Dr. I. H. G. Carstens. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1912.

Deel I, bl. 611. Sprekende over gemengde voeding, zegt hij: „Individualiseeren is ook hier noodig, omdat de maximale zogproductie bij de eene vrouw bereikt wordt door een veelvuldig aanleggen van het kind, bij de andere door een minder veelvuldig zoogen.”

Dr. L. de Jager. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1914.

Deel III. Bl. 437. „Omtrent de voeding van den gezonden zuigeling heerscht in de verste verte geen overeenstemming van meening.”

Bl. 442. „Als een kind aan de borst is, gaat alles gewoonlijk goed, onverschillig of het kind volgens het boekje gevoed wordt, of geheel volgens het eigen inzicht van de moeder.”

Bl. 443. „Er is kentering; men begint ook in Duitschland in te zien, dat de pauze van 4 uur misschien te lang is; het staat vast, dat deze officieele pauze tot 3 uur zal worden teruggebracht en nu ben ik overtuigd, dat, nu er reactie komt, iemand zal opstaan en aan zijn kliniek de pauze nog meer zal inkorten, zoodat we vermoedelijk binnen niet al te langen tijd zullen vernemen, dat een zuigeling alle 2 uur behoort te worden gevoed .... maar wat in het algemeen het beste is, weet ik niet, en ik meen te durven beweren, dat een ander het ook niet weet.”

Prof. G. C. Nijhoff. ‘Het boek voor jonge moeders.’ 1912.

Bl. 130. „Het is volstrekt noodzakelijk dat het kind op regelmatige tijden gezoogd wordt, met tusschenruimten van minstens 2, liefst 2½ à 3 uur, en dat het, zoo mogelijk, ’s nachts doorslaapt .... In de eerste dagen na de geboorte mag het kind worden aangelegd zoodra het schreeuwt, onverschillig of het dag of nacht is. Lang mag dit tijdperk van ongeregeldheid echter niet duren. Reeds in de tweede week moet het kind overdag opgenomen en aan de borst gelegd worden, wanneer het ruim 2 uur geslapen heeft. Wordt het in dezen tijd ’s nachts wakker, dan moet door de verpleegster worden nagezien of het kind iets hindert. Wordt het na het verdrogen niet rustig dan mag het een of twee theelepeltjes water hebben, maar met het geven van de borst wordt telkens iets langer gewacht. Op deze wijze kan elk kind binnen den tijd dat de kraamverpleegster in huis is, zóó worden gewend dat het ’s nachts 6–7 uur slaapt en overdag 6–7 maal de borst krijgt.

Prof. H. Treub. ‘Leerboek der verloskunde.’ 1913.