Moeder en kind

Part 21

Chapter 213,788 wordsPublic domain

Bl. 366. „Ten slotte de voeding. Onverschillig of het kind het natuurlijke voedsel, de moedermelk, dan wel eenigerlei kunstmatig voedsel krijgt, zijn er algemeene regels te geven, waaraan men zich hierbij zal hebben te houden. En wel vooreerst wat betreft de frequentie der maaltijden. In de eerste 1½ à 2 weken geeft men het kind voedsel als het er om vraagt, d.w.z. schreeuwt. Daarna gewent men het kind aan regelmaat, door het, onverschillig of het schreeuwt of niet, overdag om de twee uren op te nemen en te voeden, terwijl het ’s nachts alleen voedsel krijgt, als het schreeuwt. Langzamerhand, als het kind meer kan gaan drinken, maakt men de tusschenpoozen wat grooter, zoodat in de vierde à vijfde week het kind slechts om de 3 uur gevoed wordt.”

Prof. G. Scheltema. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1914.

Deel III. Bl. 613. „Misschien wordt het schema dikwijls te veel over de zuigelingen losgelaten en verdient het aanbeveling om hunne lust- en onlust-uitingen in zake voedselbehoefte meer te volgen. Bij natuurlijk gevoede kinderen kan men dit in elk geval gewoonlijk ongestraft doen; voor de onnatuurlijk gevoede zal men toch wel eenige paal en perk moeten stellen aan de avontuurlijke handelingen van hen, die men dan zonder leiding maar op de bevrediging van zoogenaamde voedselbehoefte van het kind, dat identiek wordt geacht met elk schreien, loslaat.”

Arts Tijdens. ‘Kraamverpleging en voeding van het kind in het eerste levensjaar.’ Tweede druk. 1917.

Bl. 73. „Na het zoogen wordt het kind telkens dadelijk weggelegd, en dan mag het, gelijk in het vorig hoofdstuk gezegd, den 1en en den 2en dag zoolang slapen, als het verkiest; wordt het wakker, zoo krijgt het (niet binnen 3 uur!) telkens de andere borst (eerst ’t kind droogleggen!), en mag daarna weer rustig doorslapen. Den 3en dag—gelijk ook reeds gezegd—begint de reiniging en voeding op geregelde tijden: als regel stelle men, dat het gezonde borstkind overdag alle 3 à 4 uren opgenomen, drooggelegd en aan de borst gevoed wordt,—dat is dus: hoogstens 5 keer per dag,—en dat het in den eersten tijd nog één keer ’s avonds laat en één keer ’s nachts de borst krijgt,—in ’t geheel dus hoogstens 7 keer per 24 uur. Spoedig echter is het wenschelijk de voeding ’s nachts tot één keer te beperken. Het is van groot belang zich aan dezen regel te houden, zoowel voor de kraamvrouw als voor het kind.”

Bl. 75. „Ook in de volgende dagen, weken, maanden ga men met de reiniging en de voeding van het kind op dezelfde regelmatige wijze voort, gelijk boven voor de eerste dagen is aangegeven, en wel: Van af de 2e tot de 5e of 6e maand: hoogstens 5 maal per dag, en één maal ’s avonds laat. Voor de rust van de moeder en van het kind is het wenschelijk, gelijk ook reeds gezegd, om het voeden bij nacht spoedig achterwege te laten. Verder voede men: vanaf de 5e of 6e maand: hoogstens 5 × per 24 uur.”

Bl. 76. „De kinderen vertoonen zóó groote individueele verschillen, zoowel wat hunne behoefte aan voedsel als aan rust aangaat, alsook in alle overige eigenschappen,—dat men elk kind afzonderlijk nauwgezet moet waarnemen, en men nauwkeurig op zijne bijzondere behoeften en eigenaardigheden moet letten, om daaruit eene aanwijzing te putten voor den, voor elk kind vast te stellen leefregel.

Geleid door een drang tot schematisme zijn wij vaak geneigd van het kind enkel plichten te eischen, zonder hem rechten toe te staan. Het kind is een geboren egoïst, en kent slechts rechten, geen plichten.

Reeds in de eerste levensdagen beproeft het door schreeuwen zijn wil door te zetten. Is hem dit één keer gelukt, dan laat hij zich daar niet gemakkelijk weer af brengen, maar eigent zich steeds meer rechten toe; behalve om eten, schreeuwt het spoedig om opgenomen en op den arm rondgedragen te worden of om de aandacht te trekken, en om tallooze dingen meer: hij wordt een kleine tiran, die de geheele huishouding regeert.

Onze taak is het, hierin het kind te leiden, en het binnen de perken te houden naar de gebleken individueele eigenaardigheden en behoeften.

Men zal dan, om eenig resultaat te bereiken,—afgezien van het schreeuwuurtje, dat men het kind zal laten,—een zekere regelmaat in alles moeten invoeren, teneinde het kind plichten te leeren—en zelf niet de slaaf van den zuigeling te worden.

Eene verstandige moeder zal in het gegeven schema den juisten weg weten te vinden.”

Dr. N. Knapper Czn. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde’. 1915.

Deel IV. Bl. 468. „Telkens weer dringt de vraag naar voren: worden de persoonlijke eigenaardigheden van het kind wel voldoende in acht genomen, wordt niet te veel en telkens getracht om aan stelsels en tabellen te onderwerpen, wat toch even dikwijls weer van nature ongenegen blijkt om zich hieraan te houden? Juist het groote aantal steeds wisselende opvattingen—die maar al te weinig overeenkomen, dikwijls zelfs met elkaar in lijnrechte tegenspraak zijn—dwingt telkens weer de eisch op den voorgrond om te individualiseeren, om vóór alles na te gaan hoe een bepaald kind uit zich zelf zich gedraagt ten opzichte van de wijze van voedselopname, de hoeveelheden, de voedingstijden enz. Rietschel zegt niet ten onrechte: „de methode voor voeding aan de borst gedurende de eerste weken moet eene individueele zijn; feitelijk moet het kind zelf ons den weg wijzen, in dien zin, dat wij hem—d.w.z. iederen zuigeling afzonderlijk—bestudeeren, om allereerst van hem gewaar te worden, bij hem waar te nemen, wat hij verlangt, wat hij krachtens zijne constitutie voor zijne harmonische ontwikkeling behoeft.”

Dr. Knapper begint zijn artikel: ‘Over zogvoeding en individualiteit’ met de volgende zinsneden: „Al zijn er nog geen verschijnselen die er op wijzen, dat men in ’t algemeen weer gaat afwijken van het sinds lang aangenomene en door de goede resultaten gesanctioneerde voorschrift: Regel de voeding van het kind naar maat, gewicht en tijd, met regelmaat en orde, toch begint zoo hier en daar de ondervinding zich uit te spreken dat bij deze dressuur toch vooral het persoonlijke niet te sterk op den achtergrond behoort te worden geschoven. Ik herinner slechts aan het belangwekkende artikel over Moderne Zuigelingendiethetik van Halberstadt in het Monatschrift für Kinderheilkunde, door collega de Jager in dit tijdschrift aangehaald, en aan de reeks artikelen „Over het voeden van zuigelingen” in ’t Medisch Weekblad, van de hand van Dr. C. N. van de Poll, den vrouwenarts, die op grond van jarenlange waarneming van zoogende moeders en zuigende kinderen zich over de dressuur van den zuigeling eene persoonlijke meening heeft trachten te vormen.”

Op bl. 476 spreekt hij over „de wenschelijkheid, de eisch bijna, om vooral bij de borstvoeding toch niet te veel te willen maatregelen, omdat de natuur zelve—om ’t zoo uit te drukken—„wel weet wat zij doet.” Men kan een en ander gerust op zijn beloop laten—tot zekere grenzen natuurlijk—al valt het soms geheel anders uit dan men „volgens ’t boekje” verwachten zou.”

Omtrent de cijfers, welke ‘een gemiddelde’ aangeven, voor de hoeveelheid voedsel welke een borstkind, volgens officieele voorschriften, hebben mag, zegt hij (bl. 477): „Al hebben zij eene zekere waarde als leidraad, speciaal bij de onnatuurlijke voeding, bij de natuurlijke voeding behoort liefst de eigen persoonlijkheid van den zuigeling te gaan boven de leer.”

Dr. C. N. van de Poll. ‘Medisch Weekblad’. 1915.

„Het pasgeboren kind, en gedurende eenigen tijd ook de zuigeling, is nog niet als mensch te beschouwen, doch als een jong dier, waarbij wij niet uit het oog hebben te verliezen, dat het als zoodanig in bijzonder ongunstige omstandigheden verkeert, omdat het niet zelf de moederborst kan gaan opzoeken, zooals pasgeboren dieren dat reeds spoedig doen. Het menschelijk dier geeft door schreeuwen te kennen, dat het behoefte aan voedsel heeft, en daarop heeft de moeder te letten niet alleen, maar heeft zich, in vele opzichten, opofferingen voor haar hulpbehoevend kind te getroosten.

Zal men nu, waar allerwege erkend wordt, dat er zoovele en vaak groote individueele verschillen zijn, daarmede rekening hebben te houden of niet? Wie de citaten, door mij gegeven, oplettend nagaat, ziet dat, ofschoon vrij wel alle schrijvers trachten een voor alle kinderen geldenden regel te geven, telkens gewag gemaakt wordt van uitzonderingen, omdat nu eenmaal de kinderen zich niet schikken naar de schemata, die, ondanks de bewering van Czerny: „Die Erkenntnis von den grossen individuellen Unterschieden der Säuglinge und von den angeborenen krankhaften Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der Ernährungslehre des Säuglings zu verdrängen”, toch onophoudelijk worden opgesteld. Ik begrijp, dat regels en voorschriften voor voeding, voedingstijden en hoeveelheden per maaltijd noodzakelijk zijn in weeshuizen, kazernes enz., waar een groot aantal personen moet gevoed worden. Het is niet doenlijk, daar toe te geven aan individueele verlangens, maar voor pasgeborenen en zuigelingen is het anders. Juist voor die hulpelooze schepseltjes is het noodig rekening te houden met allerlei omstandigheden, zoo van lichamelijken als van geestelijken aard, zooals dat ook noodig is bij het opvoeden van kinderen. Alle ouders kunnen weten, hoe het bij de opvoeding van het hoogste belang is, te letten op karakter-eigenschappen, om in verband daarmede b.v. goed- en afkeuringen, belooningen en bestraffingen in te richten. Van niet minder gewicht acht ik het, reeds van den beginne af, ook voor de voeding op te letten, wat voor ieder kind noodig en nuttig blijken kan, in verband met zijn eigen aard, met zijne eigenaardigheden, en dat zonder geleerdheid of wat daarvoor moet doorgaan. Uit de citaten is wel op te maken, dat het met algemeene regels maar niet lukken wil.”

.... „Naar mijne meening is het zeer goed mogelijk, met inachtnemen van aanwijzingen, door de natuur gegeven, eene betrekkelijke regelmaat bij de voeding van den zuigeling te verkrijgen, zonder dat men in de fout van eenzijdige stelselmatigheid vervalt.... Eene ‘betrekkelijke’ regelmaat, want verder zal men het nooit brengen. Wanneer in den beginne de verpleegster, of welken titel de helpster moge dragen, in overleg met de moeder, vooral waar het haar eerste kind betreft, later de moeder alleen, den zuigeling oplettend gadeslaat in al zijne verrichtingen, zal het—ook al weder betrekkelijk—gemakkelijk zijn te bespeuren, wanneer het kind voedsel verlangt. Juist zij, die dagelijks met den kleine verkeeren, en zeker het meest de moeder, weten reeds spoedig te vertellen van kleinigheden die zij opmerkten, en, in aansluiting daaraan, aan te geven, in welke richting de zuigeling zijne eigenaardigheden vertoont. Laat men nu het kind, met betrekking tot zijn hongergevoel, volkomen vrijheid, dan zal blijken, dat het eene kind, zooals ook de literatuur doet zien, meer of minder groote verschillen openbaart met het andere, maar ook, dat het gewoonlijk zijn buikje vol drinkt, daarna, althans in den aanvang, in slaap valt, eenigen tijd daarna wakker wordt, en weder om voedsel vraagt, iets dat zich met meer of minder regelmaat herhaalt”.

.... Sedert geruimen tijd heb ik, waar mij de gelegenheid daartoe gegeven werd, in dezen geest (de zaak aan het kind zelf over te laten) gehandeld, en tot mijn genoegen mogen ondervinden, dat de kinderen prachtig groeiden, geen of onbelangrijke stoornissen vertoonden, en, op verschillende tijdstippen, tot eene regelmaat kwamen, waarvan de moeder in hare huiselijke ordeningen geen hinder ondervond. Wel is waar moest in de eerste weken de moeder doen, waarop ik boven doelde, namelijk zich opofferingen voor haar kind getroosten, maar de belooning bleef dan ook niet uit. In overleg met de moeder handelende, werden de gunstigste resultaten verkregen. Wat kan men meer verlangen?”

G. Oosterbaan, arts. ‘Lichamelijke opvoeding’. 1920.

Bl. 47. „Nooit mag afgeweken worden van den regel, dat tusschen twee maaltijden minstens ongeveer drie uren verloopen moeten.

Wordt het kind binnen drie uren nadat het gevoed is wakker en is het dan lastig, schreit het pijnlijk, dan is, tenzij de hoeveelheid opgenomen voedsel onvoldoende was, honger niet de oorzaak. Naar de aanleiding van het schreien moet dan gezocht worden (zie bl. 37); in geen geval mag men het kind, ten einde het stil te krijgen, de borst reiken. Was deze regel reeds vroeger niet stipt opgevolgd, dan bestaat er groote kans, dat reeds een begin van gestoorde spijsvertering aanwezig is, en dat juist daarin de oorzaak van het schreien is gelegen. Dan zal men door het geven van nieuw voedsel slechts de kwaal verergeren, de aanleiding tot het schreien sterker maken in plaats van haar weg te nemen.

Evenmin mag men het kind, al zijn drie uren na de laatste voedselopname verloopen, wakker maken om het te voeden. Blijft het doorslapen, dan bewijst dat, dat het nog geen behoefte aan voedsel heeft. Zoodra die behoefte komt, wordt het wakker en zal het gaan schreien.

Het aantal maaltijden, dat een kind moet hebben, bedraagt gedurende het geheele eerste levensjaar gemiddeld zes per 24 uur. In de eerste weken zal het elke 3 à 3½ uur zijn voedsel opvragen (met uitzondering van de eerste dagen, waarin het dikwijls veel langer achtereen slaapt), zonder onderscheid te maken tusschen dag en nacht. Later verlangt het des nachts minder vaak, spoedig in het geheel geen voedsel. Het is van groot belang voor het kind zoover te komen, omdat dan de maag gedurende de nachturen haar noodige rust krijgt.

Is het kind ongeveer drie weken oud, dan moet de regelmaat bij de voeding reeds verkregen zijn. Het krijgt dan des morgens tusschen 6 en 7 uur zijn eersten maaltijd; verder alle 3 uren, zoodat het des avonds tusschen 6 en 7 uur zijn 5den maaltijd geniet. Dan begint voor het kind de nacht, die ongeveer 12 uren duurt. Gedurende dien tijd kan het eerst tweemaal, gemiddeld van het begin der vierde maand af éénmaal worden gevoed. Het beste is dien eenen nachtmaaltijd des avonds tusschen 10 en 11 uur te geven, waardoor voor moeder en kind een voldoende tijd voor de nachtrust overblijft.

De praktijk eischt hier afwijking van den regel, dat men het kind niet uit zijn slaap mag wekken ten einde het te voeden. Het groote belang, dat er in gelegen is om een voldoenden rusttijd te krijgen, weegt zwaarder dan die fout; vooral omdat dan toch de sedert de laatste voedselopname verloopen tijd groot genoeg is, om zeker te zijn dat het kind zonder schade weer opnieuw kan gezoogd worden.

In het algemeen gaan bij te vroeg geboren kinderen de hier gegeven regels niet op. Zij moeten telkens, wanneer ze drie uur geslapen hebben, gewekt en gezoogd worden.

Tracht men zoo stipt mogelijk de regelmaat bij de voeding in acht te nemen, dan zal het kind spoedig aan dien regel gewennen en zal het wakker worden, wanneer de tijd voor de voeding gekomen is. Ook zal het spoedig elken avond omstreeks 10 à 11 uur onrustig worden of geheel ontwaken, wanneer het steeds op dien tijd zijn voedsel ontvangt.

Wordt zulk een kind wakker vóór de noodige tijd sedert den laatsten maaltijd verstreken is, dan zal het zoet blijven liggen en niet gaan schreien, zooals het geval is met niet aan regelmaat gewende en verwende kinderen. Mocht het in het begin soms voorkomen, dat het kind schreit vóór het gevoed worden mag, dan late men het schreien tot zijn tijd gekomen is en toone in geen geval misplaatst medelijden, doch blijve standvastig weigeren het kind voedsel te geven, een schijnbare wreedheid, die echter slechts kan strekken tot heil van moeder en zuigeling.”

FRANSCHE SCHRIJVERS.

Dr. P. Lassablière. ‘Hygiène du premier âge’. 1913.

Bl. 109. „Dès les premiers jours, il convient d’habituer l’enfant à une grande régularité dans ses repas. Ni ses cris ni les supplications de l’entourage ne doivent faire fléchir cette règle absolue.

Le premier mois, l’enfant devra être mis au sein, à partir de cinq heures du matin, toutes les deux heures et demie; il recevra ainsi neuf tétées en vingt-quatre heures. Le deuxième mois, on supprimera une tétée. À partir du sixième mois, il prendra sept tétées en vingt-quatre heures, une tétée toutes les trois heures. Il faut, le plus tôt possible, éviter à la mère la tétée de la nuit qui est pour elle l’interruption d’un repos bien gagné et souvent une fatigue; l’intérêt de l’enfant commande ce repos d’ou dépend la bonne qualité. Le nombre et l’intervalle des tétées peuvent être modifiés cependant, par le médecin suivant le cas.

La durée des tétées dépend de l’appétit de l’enfant et de la valeur de la mère comme nourrice. En moyen, les tétées doivent être d’un quart d’heure. Il y a intérêt à laisser reposer un peu l’enfant au milieu d’une tétée. Si l’enfant est glouton, on suspendra la tétée au bout de trois à cinq minutes.

La quantité de lait que doit prendre un enfant dépend également de sa vigueur physique et de la richesse nutritive du lait maternel; il n’y a donc pas de règle absolue pour fixer la quantité exacte de lait que doit absorber un enfant.”

Bl. 194. „Allaitement artificiel. Le tableau suivant donne les quantités de lait par biberon et par vingt-quatre heures. Là, plus qu’ailleurs, il n’y a pas de règle absolue. C’est au médecin d’apprécier.”

P. Nobécourt. ‘Conférences pratiques sur l’alimentation des nourrissons.’ 2e Edition. 1914.

Bl. 33. „Allaitement naturel. Si on ouvre les ouvrages qui traitent de l’allaitement, on est frappé par les divergences qui existent entre les auteurs sur le nombre des tétées et sur les quantités de lait qu’il convient d’autoriser. Elles se rencontrent non seulement dans des livres d’époques différentes, mais encore dans ceux qui sont contemporains. Comme, sans aucun doute, chaque auteur préconise les règles, qui, dans sa pratique, lui ont donné de bons résultats pour l’élevage des nourrissons, on serait tenté d’en conclure à l’absence de toute règle véritable. Ce serait évidemment exagéré. Il existe des données générales qui doivent guider le médecin; mais ces données n’ont rien d’absolu et nous verrons, chemin faisant, les tempéraments qu’il convient de leur apporter.”

Bl. 41. „Il ne faut donc pas s’attacher à fixer avec une trop grande minutie la ration alimentaire d’un nourisson au sein; on aurait ainsi bien des déconvenues. Il faut dire que l’enfant doit ingérer approximativement telle quantité de lait; mais, prenant la ration théorique comme base, procéder par tâtonnement, comme le conseillait Budin, en tenant compte des fonctions digestives, de la croissance et de l’état général. Il faut se garder toutefois d’être trop timoré; si le bébé digère bien et se développe régulièrement, il faut le laisser téter suivant son appétit, se bornant à le modérer, s’il est trop vorace, à le stimuler, s’il prend trop peu. La quantité de lait qu’il prendra sera pour lui, en général, la ration optima.”

Bl. 47. „Quand le bébé est normal et se développe régulièrement, il importe moins de se préoccuper de la ration que de fixer le nombre et les intervalles des tétées.”

Bl. 82. „Comme l’a exposé fort justement le Pr. Maurel, il n’y a pas de rations normales, mais des rations conventionnelles moyennes, appropriées à des sujets donnés dans des conditions convenues; la ration est „toujours personnelle, de plus, même pour une personne, elle ne correspond qu’à une période de temps divisée et quelquefois très courte.” Quand on parle de rations trop fortes ou de laits trop riches, il faut tenir compte des modalités particulières à chaque enfant. Tous n’ont pas la même capacité digestive ni la même activité nutritive, même à conditions égales d’âge, de taille ou de poids. „Chaque organisme, écrit M. A. Lesage, à sa personnalité, son coefficient de fixation. Chaque nourrisson tire un parti différent d’un même aliment. Vouloir identifier tous les enfants est une utopie.”

Bl. 139. „Technique de l’allaitement artificiel. L’allaitement artificiel ne peut en effet réussir que s’il reste sous le contrôle répété du médecin; comme je vous l’ai dit et comme nous allons le voir encore, les quantités de lait nécessaires aux enfants ne sont pas adéquates à les âges, elles doivent varier suivant les indications par l’examen clinique.”

Bl. 141. „La tétée doit durer une dizaine de minutes.”

Bl. 145. „La radioscopie ayant montré à M.M. Leven et Barret que le lait de vache quitte l’estomac, en général, aussi rapidement que le lait de femme, on peut donner autant de biberons que de tétées dans l’allaitement naturel, et aux mêmes intervalles, c’est-à-dire:

De la naissance à 3 mois 8 biberons espacés de 2h. 30. ,, 3 à 6 mois 7 ,, ,, ,, 3,, ,, 6 à 9 ,, 6 ,, ,, ,, 3,,

... il n’y a d’ailleurs pas de règle absolue: M. Marfan conseille 7 biberons jusqu’è cinq mois, 6 ensuite; M. Variot 9 biberons jusqu’à un mois, 7 biberons jusqu’à quatre mois, 5 biberons ensuite.”

Bl. 148. „En présence des faits dissemblables que je viens de vous exposer, la conclusion déjà posée à propos de l’allaitement naturel s’impose: il n’y a pas de règle absolue pour l’alimentation artificielle des nourrissons. Chaque nourrisson a son individualité physiologique et demande une ration qui lui est particulière. Il faut procéder par tâtonnements”.

Dr. J. Andérodias. ‘La pratique des maladies des enfants.’ 1909. I. par A. B. Marfan, J. Andérodias et René Cruchet.

Bl. 244. „Pendant le période qui procède la montée de lait, il n’est pas utile de mettre très souvent l’enfant au sein. La seconde tétée aura lieu trois ou quatre heures après la première, et, jusqu’au troisième jour, on laissera cet intervalle entre les tétées. Lorsque la montée du lait s’effectue, les seins deviennent durs, tendus, et le mamelon diminue de longueur. Dans ces conditions, il ne faut pas laisser un intervalle aussi considérable entre les tétées; les seins seront donc vidés plus souvent, afin que l’enfant n’ait pas de trop grandes difficultés pour prendre le mamelon. On le mettra donc au sein toutes les deux heures d’une façon très régulière. Cet intervalle doit être considéré comme physiologique pendant le premier mois, car la digestion dure un peu moins que ce laps de temps.... A partir du deuxième mois, il sera bon d’espacer les tétées toutes les deux heures et demie, de façon à laisser reposer la mère un peu plus longtemps. Enfin, vers le quatrième mois, l’enfant ne prendra plus que toutes les trois heures.”

Bl. 245. „Dans les premiers temps, certains enfants sont très paresseux et mettent longtemps pour téter, plus d’une demi-heure quelquefois. Dans ces conditions, il est très difficile de leur donner toutes les deux heures: on espacera les tétées toutes les deux heures et demie ou trois heures.”

Bl. 246. „Si on a affaire à un enfant bien portant, qui augmente d’une façon régulière, et si la mère a suffisamment de lait, on peut se dispenser de la réveiller. Si au contraire le nourrisson est petit, tète mal et si la mère est médiocre nourrice, il faut réveiller l’enfant trop dormeur.... Si, en effect, l’enfant dort trop pendant le jour et n’a pas ses tétées réglementaires, la nuit il aura faim, restera éveillé, criera, et l’on verra cette anomalie d’un enfant qui dort une partie de la journée, ne tétant que quatre ou cinq fois, et reste toute la nuit suspendu au sein.”