Part 8
Bij lichtblauwe verkleuring van huid en zichtbare slijmvliezen, zijn gewoonlijk de spieren van armen en beenen niet geheel slap, doch maakt het kind geene bewegingen, en is de hartslag te zien en te voelen. Brengt men het kind, na het met een om den wijsvinger gelegd zacht doekje de mondholte van slijm gereinigd te hebben, in een warm bad (± 36° C, ± 29° R,) daarin het hoofd met de hand ondersteunende, opdat het niet onder water zakke, dan zal het veelal na eenigen tijd beginnen adem te halen en te schreeuwen. Wanneer de kleur blauwviolet is, alle spieren slap zijn, zoodat ook het hoofd heen en weer bengelt, de hartslag niet te zien is en slechts flauwtjes te voelen, daarbij langzaam en onregelmatig, dan zal het langer duren voor het kind bijkomt. Nadat het dan eenigen tijd in het warme bad gelegen heeft, kan men de huid prikkelen, b.v. door het een paar flinke klappen op de billen te geven, nadat die eerst afgedroogd zijn en, bij jongens, de balzak naar voren, tusschen de dijen, is weggeborgen. Daarna wordt het weder in het warme bad gebracht. Het kan noodig zijn dit eenige malen te herhalen, voordat men de ademhaling, eerst oppervlakkig, langzamerhand dieper wordende, ziet tot stand komen, de blauwe verkleuring in rozerood ziet overgaan, de oogen ziet opengaan en eindelijk het kind hoort schreeuwen. Mocht het niet reageeren op de klappen op de billen, dan neme men het uit het warme bad en dompele het, voor een oogenblik, tot den hals toe in een emmer koud water en brenge het vervolgens dadelijk weder in het warme bad. Zoo afwisselend handelende, zal het kind ten slotte zijn onbehagen over dergelijke behandeling door geschreeuw en allerlei bewegingen van armen en vooral van de beenen kenbaar maken. Dan wordt het afgedroogd en in het warme bed gelegd.
Veel moeilijker zal het zijn een schijndood kind, dat wit en slap is, in het leven terug te roepen. Allereerst beginne men dan, als boven vermeld, met het reinigen van den mond en het brengen in een warm bad, om, als de huid behoorlijk warm geworden is, het kind voor een oogenblik in koud water te dompelen, en dadelijk daarop weder in het warme bad. Doch meestal is dat niet voldoende en zal het noodig zijn de kunstmatige ademhaling toe te passen. Daarvoor is kennis van de wijze waarop dat dient te geschieden en bijzondere handigheid noodig, zoodat gewoonlijk alleen de geneesheer in de mogelijkheid is te trachten alsnog de bijna uitgedoofde levensvonk aan te blazen.
Om dergelijke tegenspoeden zooveel mogelijk te ontgaan, geven wij den raad, steeds den geneesheer te ontbieden, zoodra de vrouw meent, dat de baring begint. Hij kan zich dan bijtijds van den toestand op de hoogte stellen en zijne maatregelen nemen, opdat hij op het juiste oogenblik tegenwoordig zij. Dan kan veel onaangenaams voorkomen worden, onaangenaams zoowel voor moeder en kind als voor den geneesheer.
HET KRAAMBED.
Na de baring wordt de kraamvrouw in den regel overvallen door huiveren en beven. Dat is geen teeken van koude of kou-vatten, doch veeleer op te vatten als een terugslag op den dikwijls zwaren arbeid, welken zij verricht heeft en waaraan eensklaps een einde kwam. Spoedig, in de eerste uren van rust, maakt dat plaats voor zweeten, dat, gedurende den slaap het sterkst, eenige dagen aanhoudt, doch sterk wisselt, naar gelang van kleeding en bedekking, van de buiten-temperatuur, toevoer van vloeistoffen, gemoedsbewegingen, als anderszins. Wanneer zij zelve nu gereinigd en de buik door een buikverband, waarvan verschillende modellen in gebruik zijn, ingesloten is, mag de kraamvrouw zich eindelijk overgeven aan de rust, welke zij, naar lichaam en geest, zoozeer behoeft. Het verlangen naar rust is dan overheerschend, en al leidt die behoefte naar rust niet altijd tot slaap, het kalm liggen in eene rustige kraamkamer, waar een oogenblik te voren nog alles in volle beweging was, is haar reeds een weldaad. Nu en dan wordt zij nog wel gekweld door pijnlijke samentrekkingen van de baarmoeder, naweeën genoemd, doch meestal is die pijn gelukkig niet zoo hevig, dat zij daardoor ten slotte den slaap niet zou kunnen vatten. Vooral zij die meermalen baarden hebben er last van, alsook zij, bij wie de baring een snel verloop had. Dan vooral kunnen de naweeën eenige dagen aanhouden, meestal twee of drie dagen, zelden langer dan tot den vijfden dag, en gedurende het zuigen van het kind in sterkte toenemen. Vaak zijn die naweeën de uiting van pogingen, welke de baarmoeder aanwendt, om zich van bloedstolsels te ontlasten. Andere vrouwen bespeuren er alleen iets van zoo lang het kind aan de borst ligt. Vroeger legde de baker, met het oog op die pijnen, een met brandewijn natgemaakten doek op den onderbuik, aldus onbewust een middel gebruikende, dat in onzen tijd, in den vorm van alcohol-verbanden, wel eens wordt aangewend bij prikkelingstoestanden van het buikvlies. Somtijds is de pijn in den onderbuik te wijten aan sterke overvulling van de blaas door urine. Het middel daartegen ligt voor de hand.
Onder den invloed dezer naweeën wordt de baarmoeder allengs kleiner. Bij zoogende vrouwen geschiedt de terugkeer tot de grootte, zooals die bij de niet zwangere vrouw is, in den regel sneller. Die verkleining geschiedt minstens tot de zesde week, het snelst en het duidelijkst merkbaar, bij onderzoek, binnen de eerste veertien dagen. Daarbij neemt de lengte vlugger af dan de breedte. De grootste verkleining heeft plaats gedurende de eerste drie dagen.
Afgezien van individueele verschillen, met betrekking tot de snelheid der verkleining, hebben het verloop van de baring, haar aantal (het orgaan blijft in verhouding tot het aantal der voorafgegane baringen in al zijne afmetingen iets vergroot) en, naar men meent opgemerkt te hebben, ook de ouderdom der kraamvrouw invloed daarop. Langer duurt de verkleining na buitengewone uitzetting van de baarmoeder, b.v. na overmatige hoeveelheid vruchtwater en na tweelingzwangerschap. De scheede blijft steeds wijder dan voor dien tijd. Na drie of vier weken heeft zij een groot deel van de vroegere veerkracht terug gekregen, doch de voorste scheedewand blijft, vooral na herhaalde baringen, dikwijls eenigszins gedaald.
Gedurende de eerste dagen van het kraambed, het sterkst den dag na de bevalling, gevoelt de kraamvrouw ook spierpijnen, vooral in armen en beenen, als gevolg van den voor haar over ’t algemeen ongewonen spierarbeid bij de baring.
De eetlust is gewoonlijk verminderd, de dorst meestal vermeerderd. Zoo ondervindt zij dus nog eenigen tijd, de een meer de ander minder, de nawerking van de inspanning gedurende eene gebeurtenis, welke met recht „verlossing” mag genoemd worden. Doch ook hierbij doen zich belangrijke verschillen voor. De eene vrouw gevoelt zich door eene gemakkelijke bevalling afgemat en zwaar beproefd, de andere ziet er, zelfs na veel sterkeren baringsarbeid, uitstekend uit en gevoelt zich reeds na eenige uren alsof er niets gebeurd was. Dat hangt af van velerlei omstandigheden en persoonlijke eigenaardigheden, evenals de gemoedstoestand na de baring. Zoo zal de eene vrouw, na afloop, kalm en rustig genieten van het geluk haar deelachtig geworden, de andere, vol van dat geluk, daaraan door druk gepraat en bemoeienis met alles om haar heen uiting geven. Voor beiden is het nuttig en noodig in de kraamkamer zoo spoedig mogelijk alles tot rust te brengen.
De kraamvrouw moet gedurende eenige dagen rust in bed genieten. Zij behoeft daarbij niet voortdurend op den rug te liggen. Die rust is ook van belang voor genezing van wonden, welke, van nature, bij de baring ontstaan. Wij wezen er reeds op, dat de kraamvrouw als eene gewonde te beschouwen is. Die wonden bevinden zich voornamelijk in de inwendige geslachtsdeelen. De binnenvlakte van de baarmoeder vormt één wondvlakte. Eivliezen en moederkoek toch waren min of meer vast met den baarmoederwand verbonden. Nadat zij door de nageboorteweeën losgemaakt en uitgedreven waren, bleef eene wondvlakte over. Wel is waar is die vlakte, nadat alles verwijderd is, door de samentrekking van de baarmoederspieren veel kleiner geworden, doch voorloopig is zij nog groot genoeg. Buitendien zijn in den baarmoedermond scheuren ontstaan, tengevolge van den doortocht van het kind, vertoonen scheede, scheedeingang en vaak ook de bilnaad, kleinere en grootere verwondingen, tengevolge der rekking.
Vooral de wondvlakte in de baarmoeder scheidt vocht af, dat naar buiten vloeit en den naam van kraamzuivering draagt. De hoeveelheid is verschillend. Na sterk bloedverlies, gedurende en na de baring, is de afscheiding gewoonlijk sterker; sterk zweeten, diarrhee en het intreden der zogafscheiding doen haar tijdelijk verminderen. De duur is twee tot zes, zeldzamer acht weken, meestal echter houdt zij na de vierde week op. In de eerste dagen, gewoonlijk tot den vierden dag, dikwijls langer, verschijnt er bloed. Daarna wordt de afscheiding wateriger, ongeveer als vleeschnat, totdat van den zesden of tienden dag af een roomachtig of melkachtig etterig, dikwijls meer slijmig glazig, vocht te voorschijn komt. Vaak echter duurt de bloedige afscheiding zelfs drie weken of langer. Wanneer de bloedige afscheiding vroeger is opgehouden, komt het, bij het eerste opstaan, gewoonlijk weer tot bloedige bijmenging. De afscheiding kenmerkt zich, te beginnen na eenige dagen, door een eigenaardig zoetig flauwen geur.
Om dat vocht op te vangen wordt voor de uitwendige geslachtsdeelen een verband gelegd. Meestal bestaat dat verband uit een laag verbandwatten, al of niet omgeven door hydrophiel gaas, zooals de maandverbanden zijn ingericht, vastgehouden door een stop- of banddoek.
Het wondvocht vloeit over de wonden, doch deert die niet. Gedurende de eerste dagen toch bestaat het uit bloed; later, wanneer het veranderd is en schadelijke stoffen als ook bacteriën bevat, zijn de wonden van nature zoodanig tegen de inwerking daarvan beschut, dat daaruit geen gevaar ontstaat. Daarom is ook kunstmatige reiniging der inwendige geslachtsdeelen niet alleen onnoodig, doch zelfs niet aan te bevelen, omdat het inbrengen van de daartoe noodige instrumenten, b.v. de canule van den irrigator, waarmede eene uitspoeling zou moeten verricht worden, allicht de wonden, welke bezig zijn te genezen, zou openen, zoodat er nieuwe wonden ontstaan, die van de natuurlijke beschuttende bedekking ontdaan, kunnen geïnfecteerd worden. De geneesheer gaat dan ook niet anders dan in hooge noodzakelijkheid tot zoo iets over.
De uitwendige geslachtsdeelen behooren evenwel van tijd tot tijd gereinigd te worden en zal de verpleegster daarvoor hebben zorg te dragen, steeds omzichtig en met eene ontsmettingsvloeistof of met volkomen zuiver water, omzichtig, om wonden, welke daar aanwezig zijn, voor hernieuwd opengaan te vrijwaren.
Kleine en groote inscheuringen en ontvellingen komen daar voor, en iedere wond kan door intredend vuil verontreinigd worden. De smetstoffen, welke ergens binnendringen, kunnen niet alleen daar ter plaatse ontsteking verwekken, maar ook in andere deelen van het lichaam, van de ingangsplaats verwijderd. Het best geschiedt de reiniging door afspoelen van bovenaf, terwijl de kraamvrouw op het ondersteek ligt, hetzij door schenken uit een kan, door eene canule met eene centrale opening of door het uitknijpen van een flinke natte dot verbandwatten. Eene zelfde reiniging behoort te geschieden na urineloozing en ontlasting. Tevens wordt dan het vuile verband door een schoon vervangen en alles wat vuil en onrein is, zoowel verband als beddegoed en dergelijke, uit de kamer verwijderd.
De aard van de kraamzuivering, een wondvocht dat velerlei schadelijkheden bevat, maakt het noodig zorg te dragen, dat het steeds verre gehouden wordt van andere wonden, omdat daarin gemakkelijk ontsteking optreden kan. Daarom moet ieder, die met zulk vocht in aanraking geweest is, de handen niet alleen zorgvuldig wasschen maar ook ontsmetten, vooral dus de verpleegster die de navelwonde van het kind heeft te behandelen en zijne oogen verzorgt, want ook daarin geraakt, kan het vocht onheil brengen.
Het is dan ook aan te raden het kind te verzorgen, te baden en te kleeden, vóór de moeder geholpen wordt. Daarom ook moet elke moeder, die haar kind de borst zal geven, zorg dragen dat hare handen rein zijn, omdat er anders gevaar bestaat, dat wondvocht, waarmede zij onwillekeurig en zonder het te bespeuren in aanraking gekomen is, in wondjes van den tepel—zooals die wel eens voorkomen—geraakt, waarvan ontsteking der borst het gevolg kan zijn.
Ook in het kraambed is reinheid dus een hoofdvereischte. Waar de uiterste reinheid betracht wordt, is het gevaar voor ziekelijke afwijkingen in het kraambed zoo goed als niet aanwezig.
Het buikverband of het sluitlaken, dat, na de baring, een handbreed boven den navel en van onder zoover dat het voor een deel over de dijen reikt, wordt aangelegd, dient wel in hoofdzaak om den slappen buikwand steun te geven. De vraag of het in staat is om den buikwand de vroegere vastheid en veerkracht terug te geven of niet, is eene, die op zeer verschillende wijze beantwoord wordt. Sommigen verwachten daarvan in dit opzicht te veel, anderen te weinig, maar zeker is het onjuist als eene vrouw, die na de bevalling een slappen buikwand mocht behouden, daaraan de gedachte verbindt, dat dit euvel zou te wijten zijn aan de verpleegster, als zou deze, gedurende het kraambed, het verband niet zorgvuldig genoeg hebben aangelegd. De toestand van den buikwand is aan vele wisselingen onderhevig. Bij vrouwen die herhaaldelijk baarden kan hij stevig en bij vrouwen, die nooit baarden, slap en uitgerekt zijn. Zelfs buikbreuk kan voorkomen, zonder dat ooit eene baring voorafging.
Gewoonlijk zijn de verrichtingen van urine-blaas en darmen in de eerste dagen verminderd, en komt de noodzakelijkheid tot ontlediging niet tot bewustzijn. Beide organen kunnen daardoor gemakkelijk overvuld raken. Wat de urine-loozing betreft is het aan te raden, als er binnen 12 uren na de bevalling geen aandrang bestaat, te trachten de blaas te ontledigen. Overvulling komt vooral dikwijls voor na de eerste baring en na moeilijke bevallingen. De urine-loozing geschiedt dan gewoonlijk op het ondersteek, welke, vooraf verwarmd, door de verpleegster onder de kraamvrouw geschoven wordt. Niet altijd komt de urine dadelijk te voorschijn. Dikwijls is hieraan te gemoet te komen, door de kraamvrouw alleen te laten, wat warm water in het ondersteek te gieten of haar een warmen doek op den onderbuik, op de blaasstreek, te leggen.
Niet alleen geeft de overvulde blaas een pijnlijk spannend gevoel in den buik, doch zij kan ook oorzaak zijn van meerder bloedverlies, omdat de samentrekkingen van de baarmoeder, die de wondvlakte verkleinen en de bloedvaten sluiten moeten, door eene overvulde blaas niet voldoende sterk zijn. Het is dan ook wenschelijk, dat de kraamvrouw, al heeft zij geen aandrang, op geregelde tijden b.v. om de 6 uren urineert. Bestaat er binnen dien tijd aandrang, dan zal zij natuurlijk aan die behoefte voldoen.
Doorgaans bestaat er geen aanleiding op dezelfde wijze te handelen met betrekking tot de ontlediging der darmen. Behalve dat vóór de baring reeds voor goede ontlasting gezorgd werd, geeft de voeding, gedeeltelijk omdat de eetlust geringer is, gedeeltelijk omdat licht verteerbaar voedsel gebruikt wordt, in de eerste dagen van het kraambed geen overvulling van den darm. Men wacht dan gewoonlijk tot den morgen van den derden dag, voor men daarvan werk maakt. Eenvoudige middelen worden dan in de eerste plaats ingegeven, zooals wonderolie, rhamnusbastafkooksel, bitterwater en dergelijke, of wel een lavement gezet, hetzij van water, zeepwater, water met glycerine of glycerine alleen, door middel van een glycerinespuitje. Bij groote haemorrhoïden (aambeien), neiging tot uitzakking van den endeldarm of uitgebreide verwonding in de scheede of aan den bilnaad worden lavementen liever nagelaten.
Bij de voeding, welke in de eerste dagen het best bestaat uit licht verteerbare kost, doch daarom nog geen schraal dieet, vermijde men meer dan ooit onregelmatigheid en overdaad. Vooral de laatste waarschuwing is noodig, omdat somtijds de eetlust zeer sterk is, maar ook, omdat vele vrouwen van meening zijn, dat het gebruik van veel voedsel de zogafscheiding verhoogt. Juist het tegendeel kan daarvan het gevolg zijn.
Als drank is aan te bevelen frisch koud water, melk, chocolade. Ook thee, koffie, licht bier en wijn, mits in geringe hoeveelheid, behoeven niet vermeden te worden.
Voor een deel is de trage werking der darmen te wijten aan de rustige ligging der kraamvrouw in bed. Algemeen wordt, ten minste in ons land, de duur van die bedrust vastgesteld op negen dagen. Waarom juist negen dagen is onbekend. Omtrent den tijdsduur en de houding der kraamvrouw in het bed onthouden wij ons van het geven van voorschriften, omdat het ons voorkomt, dat die, in ieder geval afzonderlijk, door den geneesheer moeten worden gegeven. Hij alleen kan de omstandigheden beoordeelen, welke van invloed zijn en kunnen zijn. Voor een groot deel is de gezondheidstoestand der kraamvrouw, welke o.a. uitdrukking vindt in de verhouding der lichaams-temperatuur, van groot belang, maar er komen zoovele andere factoren in aanmerking, dat een algemeene regel niet te geven is.
In de kraamkamer behoort orde en rust te heerschen. De verpleegster heeft zorg te dragen, dat vuile verbanden en alles wat onzuiver is zoo spoedig mogelijk uit de kamer verwijderd wordt, dat niets blijft slingeren, kortom dat het noodzakelijke op tijd geschiedt en de kraamkamer zoo behaaglijk mogelijk voor de kraamvrouw is.
Omtrent het toelaten van bezoek zal de geneesheer zijne voorschriften hebben te geven. Naar onze meening kan een kalm bezoek eene aangename afleiding geven. Vaak echter wordt daartegen gezondigd en wanneer de kraamvrouw den moed mist, dengeen die haar bezoekt, te kennen te geven dat zij vermoeid wordt, zal zij daarvan allicht nadeelige gevolgen ondervinden. Ware belangstelling uit zich niet in urenlang druk gepraat. Een enkel woord, een handdruk, een even-binnen-wippen om een bloempje of iets anders te geven, is meer waard dan allerlei beuzelpraat. De kraamvrouw is zeer gevoelig voor indrukken, elke gemoedsbeweging kan nadeelig zijn. Daarmede zal hare omgeving dus vooral rekening hebben te houden en alles hebben te vermijden, wat aanleiding kan geven tot boos-worden, schrik, verdriet, zelfs ook aangename verrassingen, welke sterken indruk maken.
HET KIND.
Het voldragen kind is gemiddeld 50 cM. lang en heeft een gewicht, dat schommelt tusschen 3000 en 3600 grammen. Een lager gewicht beteekent volstrekt niet altijd, dat het kind te vroeg geboren of zwak is, terwijl een hooger gewicht geen bewijs is van krachtige ontwikkeling.
Men heeft opgemerkt, dat beiden, onder meer, onder den invloed staan van den ouderdom der moeder en van het aantal der baringen. Volgens de statistiek neemt het gewicht toe met den ouderdom der moeder tot het 29e jaar, de lengte tot het 44e jaar, en valt de gunstigste ontwikkeling van het kind in zwangerschappen gedurende den middelbaren leeftijd der vrouw. Gewicht en lengte nemen toe met het aantal der baringen, zoodat gemeenlijk elk voldragen kind het voorgaande in beide richtingen overtreft, waarbij korte tusschenruimten, tusschen de opvolgende baringen, een ongunstigen invloed uitoefenen. De eerste kinderen van vrouwen, bij wie de eerste menstruatie laat optrad, zijn lichter dan die van andere vrouwen, vooral van haar, die vroegtijdig den geslachtsrijpen leeftijd bereikten. Bij wisseling van het geslacht der kinderen eener zelfde moeder is, bij opvolgende zwangerschappen, de gewichtstoename der meisjes geringer dan die der jongens.
Wat het geslacht der kinderen betreft, kan men zeggen, dat de vrouw meer jongens dan meisjes ter wereld brengt. Op 100 meisjes komen ongeveer 103,6–105,2–108,3 jongens voor. Daarbij meent men te hebben kunnen vaststellen, dat het getal der jongens grooter wordt hoe jonger de vader, hoe ouder de moeder is, of in het algemeen, dat de oudste der echtelieden de meeste kansen heeft het andere geslacht te doen ontstaan.
Het pasgeboren voldragen kind vertoont ronde vormen aan gelaat, romp en ledematen, het schreeuwt met luide stem, beweegt armen en beenen flink en ontledigt, vaak onmiddellijk na de geboorte, urine en ontlasting, welke laatste bestaat uit eene groenzwarte, soms bruinachtige, taaie, sterk klevende, dikke brijachtige stof, zonder reuk, kindspek of meconium genoemd. Het opent de oogen, dikwijls niest het, waardoor slijm en vruchtwater, in neus- en keelholte aanwezig, worden uitgedreven. Daar dit niet altijd volledig geschiedt, gaat de ademhaling wel eens gepaard met een min of meer reutelend geruisch. Bij dikke kinderen, met sterk ontwikkelde vetlaag, zijn de oogleden vaak wat gezwollen, zoodat zij de oogen niet gemakkelijk kunnen openen. De moeder behoeft niet bezorgd te zijn, als zulk een kind dan ook in den beginne de oogen slechts bij tusschenpoozen opent. Die zwelling verdwijnt spoedig. Ook handen en voeten zijn in de eerste dagen na de geboorte, vooral bij eenigszins te vroeg geboren kinderen, wel eens gezwollen en blijven in den regel wat langer blauwrood gekleurd dan de overige deelen van het lichaam. Deze zwelling verdwijnt eveneens spoedig.
De omvang van den schedel is gemiddeld 34 cM., die van de borst, over de tepels gemeten, ± 31 cM. De schedelbeenderen zijn tamelijk hard en nog niet onbeweeglijk met elkander verbonden, maar door naden gescheiden, terwijl daar waar drie of vier schedelbeenderen te zamen komen, grootere, door een vlies gesloten, ruimten bestaan, welke den naam van fontanellen dragen. De zoogenaamde groote fontanel, waardoor het kloppen van de slagaderen der hersenen zoowel te zien als te voelen is, heeft den vorm van een ruit en ligt boven het midden van het voorhoofd. Langzamerhand sluiten die fontanellen zich, de groote fontanel het laatst, omstreeks de 14e levensmaand, somtijds iets vroeger.
De huid is rozerood en glad, alleen aan de schouders en bovenarmen bedekt met wolharen. Het hoofdhaar is meestal donker, gemiddeld 2–4 cM. lang, soms korter, soms langer. De nagels reiken aan de handen tot aan den top der vingers of steken iets daarboven uit, aan de voeten tot aan den top der teenen. De kleur der oogen, d.w.z. van het regenboogvlies, is min of meer donker staalblauw, zoodat de vraag al spoedig door de moeder gedaan: „Welke kleur van oogen heeft het?” gewoonlijk niet naar wensch kan beantwoord worden. Eerst langzamerhand komt het tot de verschillen, welke wij bij volwassenen waarnemen.
Meestal vertoont het pasgeboren kind een eigenaardig vervormden schedel, veroorzaakt door het zoogenaamde geboortegezwel, dat te grooter is en het hoofd te langer doet schijnen, naarmate de baring en vooral het uitdrijvingstijdperk langer geduurd heeft. De huid in de streek van het voor- of achterhoofd is dan sterk gezwollen en deegachtig op aanvoelen. Na een paar dagen verdwijnt die eigenaardige vervorming van zelf, waarom het volkomen onnoodig is, door allerlei knijpingen te trachten het hoofd een goeden vorm te geven. Somtijds is er ophooping van bloed of bloederig vocht onder de huid, ter plaatse van het geboortegezwel. Dan duurt het langer, zelfs wel vier tot zes weken, voor het hoofd de normale gedaante heeft aangenomen. De neus is dikwijls plat, maar ook dat herstelt zich spoedig.
De huid is bedekt met eene verschillend groote hoeveelheid vettig, kaasachtig smeer, het zoogenaamde huidsmeer, het sterkst op den rug en in de buigvlakten van armen en beenen. Bij meisjes vindt men zelfs een dikke laag in de plooien der geslachtsdeelen. Het bestaat uit een mengsel van huidvet en huidschilfers.
Het pasgeboren kind is niet in staat het hoofd rechtop te houden. Als men het kind rechtop houdt, valt het hoofd naar voren of naar achteren, naar links of naar rechts, zoodat men het met de hand moet steunen, als het kind wordt opgenomen.