Moeder en kind

Part 7

Chapter 73,822 wordsPublic domain

Gedurende dien tijd namen de weeën in kracht en pijnlijkheid toe. Na het breken der vliezen treedt gewoonlijk een tijdperk van wat langere rust, soms ¼—½ uur, in en geeft het wegloopen van het vruchtwater der vrouw een gevoel van verlichting en ontspanning. Dan begint de weeënwerkzaamheid opnieuw, de pijnen komen wederom opzetten, doch niet zoo onaangenaam snijdend en knijpend als te voren. Soms echter worden de weeën onmiddellijk in aansluiting aan het breken van het water sterker, langer aanhoudende en sneller terugkeerende. Door die weeën wordt nu het hoofd van het kind in de baarmoederopening geperst. Wanneer de vrouw de pijnen nog niet in lenden en dijen gevoeld mocht hebben, is dat nu zeker wel het geval en van dat oogenblik verdwijnen die niet meer. Dan kan men aannemen, dat het hoofd in de scheede is gekomen. Iedere opvolgende wee brengt dat deel van het kind iets verder in de scheede, naar de uitwendige opening toe. Daarbij krijgt de vrouw een gevoel alsof alle spieren van buik en lenden zich samentrekken, zij voelt heftige drukking in de scheede, met behoefte om zich, door inspanning van de buikspieren, door persen, daarvan te bevrijden. Somtijds wordt zij daarbij geplaagd door pijnlijke krampen in kuiten en dijen. Bij iedere nieuwe wee trilt zij, houdt den adem in, zoekt steun voor handen en voeten, perst onwillekeurig met alle macht naar beneden, waarbij de weeënpijn dragelijker wordt, het gelaat wordt rood en opgezet, zij begint te zweeten, wil schreeuwen als om daardoor te ontkomen aan den machtigen drang, doch wordt onwillekeurig tot verwerking der weeën gedrongen, d.i. den adem in te houden, den buikwand saâm te trekken en naar beneden te persen, waarbij langzamerhand de wil komt om hetzelfde te doen, daar zij begint te bespeuren, dat daardoor het kind wordt voortbewogen. Als de wee voorbij is, haalt zij diep adem en verlangt te drinken, daar de mond droog is. Daar komt de pijn opnieuw opzetten, drukking en drang nemen toe, het is alsof er ontlasting komen moet en er in de schaamspleet iets te voelen komt, dat naar buiten wil. Dan verschijnt inderdaad een gedeelte van het hoofd in die opening. Telkens schijnt het terug te willen. De veerkracht der weefsels dringt het werkelijk gedurende de weeën-pauze terug, maar de opvolgende wee doet ras het verlorene herwinnen en brengt het hoofd verder voorwaarts, de weefsels worden tot scheurens toe gespannen, de aarsopening wordt opengerekt, hevig drukkende pijnen dwingen haar steeds tot persen, het geheele lichaam schudt, het gevoel van pijn en angst bereikt zijn hoogsten graad, ’t is of alles wil breken, alles uit elkaar zal spatten, alles één opening wordt waardoor de druk zich ontlast, alles wat haar benauwt haar ontschiet en.... het hoofd is geboren. Daarmede is letterlijk en overdrachtelijk de hoofdzaak geschied. Zij haalt ruimer adem, het ergste is achter den rug. Na een kortstondige rust nog één wee. Nog éénmaal voelt zij den onweerstaanbaren drang, zij perst en daar is ’t of alles, in een onnoemlijk gevoel van verlichting, haar ontvloeit. Haar kind is geboren en begroet het levenslicht met een kreet, welke de moeder in zalige verrukking brengt. Het uitdrijvingstijdperk, zooals men dit tweede gedeelte der baring, na het breken der vliezen, noemt, is voorbij.

De navelstreng wordt door den geneesheer op twee plaatsen, op eenigen afstand van elkander, met een bandje afgebonden, dan daartusschen doorgeknipt, hij heft het kind omhoog en vertoont het aan de moeder. Alle pijn is verdwenen, alle smart vergeten. Vermoeid, doch gelukkig en dankbaar, ligt zij daar, genietende de rust welke zoo onverwacht haar deel werd. Nu, warm toegedekt, ligt zij rustig op den rug. Wel voelt zij een min of meer brandende pijn aan de uitwendige geslachtsdeelen, die te wijten is aan de rekking van den scheedeingang, welke heeft plaats gevonden, en aan onvermijdelijke scheurtjes, doch dat deert haar niet. Het zwaarste is geleden.

De buik is saâmgevallen, de buikwand slap en geplooid. Daardoorheen is de samengetrokken verkleinde baarmoeder als een min of meer harden ronden bal, ter grootte van een hoofd, te voelen. Door die samentrekking komt de bloeding, welke gedurende den doortocht van het kind kan zijn opgetreden, tot staan.

Bijna altijd overvalt der pas verloste vrouw nu een huiveren en beven, als terugslag op den arbeid dien zij verricht heeft. Daarom moet zij rustig liggende, goed en warm toegedekt, zich overgeven aan de ingetreden kalmte.

Na 10—15 minuten van korte doch weldadige rust voelt zij weder pijnen in den onderbuik, dikwijls gepaard gaande met geringe bloedvloeiing. Dat zijn de nageboorteweeën, samentrekkingen van de baarmoeder, waardoor de nageboorte, moederkoek en eivliezen, van den baarmoederwand wordt losgemaakt. Zoo pijnlijk als de voorgaande zijn deze weeën niet, ook volgen zij elkander niet zoo snel op. Eindelijk wordt de nageboorte, vergezeld van vloeibaar en gestold bloed, onder een gevoel van dringen, uitgestooten. Meestal echter weet de geneesheer dien tijd te bekorten. Hij heeft reeds eenige malen, door den buikwand heen, de baarmoeder betast om zich te vergewissen van den regelmatigen en ongestoorden gang van dit gedeelte der baring en neemt, na verloop van een half uur of langer, een gunstig oogenblik waar om, door een krachtigen druk op de saâmgetrokken baarmoeder, de uitdrijving der nageboorte te doen plaats hebben.

Nu is inderdaad de „verlossing” afgeloopen en maakt de geneesheer zich gereed de moeder van bloed, vruchtwater en allerlei, waarmede zij bevuild werd, te reinigen. Daarna wordt ook het bed gereinigd of de kraamvrouw in een ander, schoon bed overgebracht. Tevens bekijkt de geneesheer de schaamspleet, om te zien of misschien, bij het rekken gedurende den doortocht van het kind, eene scheuring van het weefsel is ontstaan. Is dat het geval, en vaak is dat niet te verhoeden, dan hecht hij de ontstane wonde, opdat de opening weder als voorheen gesloten worde. Is alles afgeloopen, dan legt men de kraamvrouw een verband voor de uitwendige geslachtsdeelen, om het nog uitvloeiende bloed op te vangen, omwikkelt haar den buik, tot steun, met een sluitlaken en geeft haar over aan de zoo noodige rust.

Aldus, in korte trekken, de gebeurtenis welke men bevalling noemt. Hierbij zijn eenige opmerkingen nuttig en noodig.

Reeds gedurende de zwangerschap zal de geneesheer zich door onderzoek overtuigd hebben van de ligging van het kind en van den inwendigen bouw der vrouw, met de bedoeling zich van te voren eene voorstelling te maken van de wijze waarop de bevalling zal geschieden. Dat onderzoek heeft zoowel plaats door uitwendig onderzoek, d.w.z. door betasting van den inhoud van den buik en van den inhoud der baarmoeder, door den buikwand heen, als door inwendig onderzoek, d.i. door het invoeren van den vinger in de geslachtsdeelen. Dergelijk onderzoek wordt later herhaald, zoowel om uit te maken of de baring begonnen is, als om, in den aanvang der baring, zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van alles, wat hij weten moet, om moeder en kind zijne goede zorgen te kunnen wijden.

Niet altijd volgen de gebeurtenissen gedurende de baring in dezelfde volgorde elkander op of hebben zij op dezelfde wijze, in dezelfde mate, in dezelfde regelmaat plaats. Meermalen wordt de zwangere vrouw verrast door afvloeien van vruchtwater vóór zij nog eenige pijn gevoeld heeft, nog vóór zij eenig teeken waarnam, waaruit zij kan opmaken, dat de baring beginnen zal. Zij zal dan goed doen te bed te gaan of te blijven liggen, en den geneesheer te laten komen, die dan een onderzoek instelt en haar raad zal geven, hoe zij zich te gedragen heeft.

Gedurende het ontsluitingstijdperk kan ook het breken van de vochtblaas vroeger of later geschieden. Meestal is men van meening, dat de baring, na vroeg breken van de vochtblaas, moeilijker en langduriger zijn zal, en hoort men spreken van „drogen arbeid”. Dit schrikbeeld behoeft evenwel geen enkele zwangere of barende te kwellen. Nooit toch vloeit al het vruchtwater weg en de ervaring heeft geleerd, dat—in het algemeen genomen—de duur der baring daardoor niet verlengd, vaak zelfs verkort wordt. Het laat breken der vliezen kan omgekeerd den duur der baring verlengen, waarom dan ook de geneesheer dikwijls zelf de blaas opent, om den duur te bekorten. Of na het afvloeien van het vruchtwater de vrouw het bed moet houden, dan wel nog in de kamer mag rondgaan, late men aan zijne beslissing over.

Het is volstrekt niet ongewoon te vernemen, dat de vrouw is „ingescheurd” ten gevolge van minder goede zorg van den geneesheer. Hieromtrent dient opgemerkt, dat het hem, zelfs bij de uiterste inspanning, niet alleen niet altijd, maar zelfs in zeer vele gevallen in het geheel niet gelukken zal het scheuren der weefsels te voorkomen. Allerlei invloeden spelen hierbij eene rol. Zoo zal een groot hoofd van het kind niet zonder scheuren door een nauwe schaamspleet kunnen geboren worden en zal de geneesheer zelfs genoodzaakt kunnen zijn, om erger te voorkomen, de opening door eene insnijding te vergrooten; zoo zal eene vrouw, die op ouderen leeftijd voor ’t eerst baart, grootere kans op inscheuring hebben, omdat bij haar de weefsels niet zoo gemakkelijk en niet zoo volledig meer rekken als bij jonge eerstbarenden; zoo zal een hoofd, dat niet de gunstigste houding bij het doortreden door de opening heeft, allicht de rekbaarheid op te groote proef stellen, waaraan deze niet vermag te voldoen en zoo zal de vrouw, die gedurende de geboorte van het hoofd zich plotseling aan de steunende hand van den verloskundige onttrekt en met alle kracht en snelheid het hoofd door de opening perst, eene inscheuring krijgen, welke bij meerdere kalmte ware te voorkomen geweest, om van andere mogelijkheden niet te reppen. Ook de geneesheer stelt er prijs op zulke onaangename verrassingen te ontgaan en doet dus alle mogelijke moeite die te voorkomen.

In het algemeen zij de vrouw indachtig, dat de bevalling, hoewel met pijn gepaard, eene noodzakelijkheid is, waaraan zij niet ontgaan kan. Zij late zich dus niet door vrees beheerschen, doch neme zich voor, ook dien arbeid met wilskracht en moed te verrichten. De belooning toch is groot, het einde brengt wat zij zoo lang verwacht heeft. Onstuimig woelen, gebrek aan geduld en kalmte, aan bedaardheid en zelfbeheersching werken nadeelig; kalmte en berusting zullen haar velerlei onaangenaamheden besparen. De weeën zijn dan regelmatiger, de duur van de baring daardoor korter en de voldoening te grooter. Laat de gedachte, dat de geneesheer noodig is bij deze heuglijke gebeurtenis, haar niet doen vreezen voor allerlei gevaren. De natuurkrachten leiden in bijna alle gevallen tot een goed einde. Alles is over ’t algemeen van nature voor die gebeurtenis zoo goed ingericht, dat—naar de ervaring leert—95 van de 100 gevallen, geheel zonder hulp, gelukkig afloopen.

De tegenwoordigheid van den verloskundige zij haar integendeel tot troost. Hij is daar om elke afwijking, welke zich zou kunnen voordoen, te herstellen. Waar hij kalm is, behoeft zij niet te vreezen, zij vertrouwe op hem. Zijne kalmte mag haar niet voorkomen als zou hij gebrek aan menschelijk gevoel hebben. Hij overziet den toestand en weet waaraan hij zich te houden heeft, wat goed voor haar is. Zijne kalmte spruit voort uit het besef, dat alles goed zal gaan en zijn handelen is dat van den man, die weet wat er geschiedt. Daarom is hij niet hardvochtig, als hij niet voldoet aan alle wenschen van de barende of van hare omgeving. Integendeel, menige baring zou slecht afloopen, indien hij zich niet wist te beheerschen en weerstand te bieden aan begrijpelijke, doch ondoordachte verlangens en beden. Wie hem vertrouwt zal zelve de noodige kalmte behouden en te beter het einde bereiken.

De duur der baring is zeer verschillend. In het algemeen wordt aangenomen, dat eene eerste baring 20–22 uren, volgende baringen omstreeks 15 uren duren. Toch eindigt de eerste baring in de helft der gevallen tusschen het 10e–18e uur, terwijl volgende baringen binnen 9 uren afloopen. Volgens gemaakte berekeningen zou het voorbereidings- of ontsluitingstijdperk bij de eerste baring 12–20 uren, bij volgende 6–12 uren, het uitdrijvingstijdperk bij de eerste baring 1½–7½ uren, bij volgenden ¼–1½ uur duren, en zou de nageboorte 2–2½ uur na de geboorte van het kind worden uitgedreven, indien, zooals boven gezegd, de geneesheer daaraan niet eerder een einde maakte. Velerlei omstandigheden kunnen op den duur van invloed zijn, zonder dat men daarom van afwijkingen behoeft te spreken.

Wanneer de vliezige zak, waarin het kind besloten is, sterk is, zal hij minder gemakkelijk scheuren, en daardoor den voortgang der baring belemmeren. De geneesheer kan dan den duur verkorten door den zak te openen.

Niet steeds volgt op het breken der vliezen een lange rustpooze. Vooral bij volgende bevallingen komt het niet zelden voor, dat dadelijk na het breken der vliezen en het afloopen van vruchtwater, ja, tegelijkertijd, dus met dezelfde wee, het kind geboren wordt.

De duur der baring kan verder langer zijn door onrustigheid en angst der barende, alsook door het voortdurend te bed liggen gedurende het voorbereidings- of ontsluitingstijdperk. Dat weten vrouwen, die reeds meermalen baarden, dan ook wel. Zij blijven zoolang mogelijk op de been, gedurende eene wee steun zoekende waar zij dien toevallig vinden, om na afloop daarvan weder rond te gaan.

De spieren van de baarmoeder zijn niet altijd even krachtig. Zij verrichten dan slechts korten tijd den noodigen arbeid, om daarna een langeren tijd van rust te nemen voor zij dien weder opvatten. Anderszins komt het voor, dat er eene wanverhouding bestaat tusschen grootte van het kind en ruimte van den weg, waardoor het moet worden voortbewogen, of dat geringe rekbaarheid dier deelen de uiterste inspanning van den kant der baarmoeder vergt, zoodat haar kracht eerder uitgeput raakt, waarop dan eveneens een langer tijdperk van rust volgt. Somtijds is die krachtsinspanning van de baarmoeder, vooral bij wanverhouding, zoo groot, dat de weeën bijzonder snel op elkander volgen, als ’t ware onafgebroken bezig zijn, zonder dat het gevolg noemenswaard is. Dan vooral, eveneens in andere gevallen waarin stoornissen in het verloop der baring zich mochten voordoen, vertrouwe de barende op den geneesheer, op zijn kennen en kunnen en op de wonderbare krachten der natuur. De geneesheer weet, door ervaring geleerd, den rechten weg te kiezen en, als het noodig blijkt, zal hij, op het juiste oogenblik, zijn kunst aanwenden om te helpen. Moed, geduld en vertrouwen zijn de eigenschappen, welke de barende van noode heeft.

Dat eene goede zwangerschap ook eene gelukkige baring laat verwachten, en omgekeerd, is een geloof, dat, algemeen verbreid, op geen goede gronden rust. Men geloove ook niet aan den invloed van allerlei middelen, welke gezegd worden de baring gemakkelijk te maken. Dat geldt eveneens voor de bewering, dat het veelvuldig nemen van warme baden, tegen het einde der zwangerschap, een bijzonder gunstigen invloed zou uitoefenen.

Opmerkelijk is het, dat in 55 % der gevallen de geboorte tusschen 8 uur ’s avonds en 8 uur ’s morgens plaats heeft, meestal tusschen 12 en 3 uur ’s nachts, het zeldzaamst tusschen 9 en 12 uur ’s avonds. Het begin valt meestal tusschen 9 en 12 ’s avonds, het zeldzaamst tusschen 12 en 3 uur ’s middags.

Oudtijds was men van meening, en ook nu is zij niet geheel verdwenen, dat de weeën het gevolg waren van de pogingen welke het kind aanwendt om uit de baarmoeder te komen. Daarbij zou, zoo meende men, het kind de voeten tegen den baarmoederbodem steunen en zich met de armen een weg banen. De weeënpauze zou dan de uiting zijn van het uitrusten van het kind. Van daar dat men nog wel eens hoort, wanneer een kind dood geboren wordt, dat de baring zoo lang geduurd heeft, omdat het kind zichzelf den weg niet banen kon en de moeder het dus moest uitpersen. Dat is geheel onjuist. De langdurige baring kan de oorzaak geweest zijn, dat het kind stierf. Het kind doet niets, de samentrekkingen van de baarmoeder, waarbij zich later het persen der barende, het gebruik van de buikpers, zooals men dat noemt, voegt, is de oorzaak dat het kind wordt voortbewogen. Dat is nu begrijpelijk voor haar, die kennis nam van hetgeen gezegd werd omtrent den bouw der baarmoeder en de werkzaamheid van haren spierwand.

Wanneer na het breken van de vliezen een groot gedeelte daarvan zich over het hoofd van het kind legt, wordt dat deel hooger op van het andere deel afgescheurd en zal het, na de geboorte, het hoofd bedekken. Men zegt dan, dat het kind met den helm geboren wordt.

Somtijds komt het voor, dat in de laatste weken van de zwangerschap, al of niet gepaard met of voorafgegaan door pijnen, bloeding uit de geslachtsdeelen optreedt, welke bloeding zeer belangrijk zijn kan. Het is dan noodig den geneesheer zonder verwijl daarvan in kennis te stellen, opdat hij daarvan niet onkundig blijve. Middelerwijl houde de vrouw de grootste rust in bed.

Het gebeurt niet zelden dat de navelstreng een of meermalen, als een lus, om den hals van het kind gevonden wordt. Men noemt dat omstrengeling. De geneesheer houdt ook daarop zijne aandacht gevestigd, om noodlottige gevolgen voor het kind zoo mogelijk te voorkomen.

Bijzondere vrees wordt veelal gekoesterd voor het zoogenaamde vastgegroeid zijn van de moederkoek of nageboorte. Eigenlijk moet men zeggen, dat er eene afwijking bestaat in dien zin, dat de vasthechting aan den baarmoederwand zoo stevig is, dat de samentrekkingen van de baarmoeder niet in staat zijn haar op te heffen. Al is deze afwijking allerminst van belang ontbloot, onjuist is het te meenen, dat zij zoo vaak voorkomt als wel eens beweerd wordt. Zij komt integendeel betrekkelijk zeldzaam voor. De meening dat de moederkoek, of het kind, zooals ook wel eens beweerd wordt, aan het hart is vastgegroeid, is bijna te dwaas om er hier over te spreken. De beschrijving van de onderlinge ligging van baarmoeder, darmen, maag en hart, zooals wij die in den aanvang in ’t kort gegeven hebben, zal iedere vrouw, die dat gelezen heeft, wel doen inzien, dat eene dergelijke vergroeiing tot de onmogelijkheden behoort.

De meeste barenden hebben gaarne, dat men haar met de vlakke hand in de lenden of iets lager steun geeft. Dat zal het gemakkelijkste gebeuren wanneer zij op de zijde ligt, eene ligging welke hier te lande de meest gebruikelijke is.

Gedurende de baring is de eetlust verminderd. Men trachte dus niet de barende tegen haren wil iets op te dringen. Veelal wordt het genotene uitgebraakt, wat haar zeker eenige onaangename oogenblikken bezorgt. Drinken is haar daarentegen zeer welkom en daaraan mag met gerustheid worden tegemoet gekomen. De angst, dat frisch koud water zoogenaamde krampweeën zou opwekken, is onjuist. Men vermijde evenwel alcoholica. Hierbij moet er op gewezen worden, dat de barende vaak geen aandrang tot urine-loozing voelt of, omgekeerd, herhaaldelijk dien drang ondervindt, terwijl slechts geringe hoeveelheden urine te voorschijn komen. In beide gevallen kan het gebeuren, dat de urine-blaas overvuld raakt. Daarop dient in het bijzonder gelet te worden, omdat de overvulde blaas de werkzaamheid der weeën vermindert, zelfs geheel kan doen ophouden, waarbij dan aanhoudend pijnen in den onderbuik en afwijkende ligging van het kinderhoofd, ten opzichte van het baringskanaal, kunnen ontstaan. Het is dus van belang, met het oog op den regelmatigen gang der weeën, er op te letten, dat de urine-loozing gedurende de baring geregeld plaats vindt.

De gevoeligheid voor de weeënpijnen en de uiting, welke daaraan door de barenden gegeven wordt, is zeer verschillend. Flinke vrouwen, zelfs eerstbarenden, laten somtijds geen enkelen kreet hooren, anderen geven op de allerkrachtigste wijze uiting aan hare gevoelens van pijn en onbehagen. Al is het te begrijpen, dat hevige pijn onwillekeurig aanleiding geeft tot eene kernachtige uiting van smartgevoel, zoo is het ook in deze van belang, dat de barende zich zooveel mogelijk beheerscht.

Ondanks alle voorzorgen komt het voor, dat het kind schijndood of ook wel dood geboren wordt. Somtijds sterft het reeds gedurende de zwangerschap. De oorzaken voor dit laatste zijn meestal gelegen in ziekten van vader of moeder, of ook in ziekten van het ei of ziekten en misvormingen der vrucht, ofschoon misvormde vruchten dikwijls levend geboren worden, doch gelukkig niet lang in leven blijven. De oorzaken, dat een normaal kind gedurende de baring sterft, kunnen vele en verschillende zijn. Bij de eerste baring loopt het kind, bij goede ligging, meer gevaar dan bij latere baringen. Vooral is dit het geval bij vrouwen, die na het 30ste jaar voor het eerst baren. In het algemeen komt het percent-cijfer ten nadeele van de jongens, door de, in verhouding, grooteren omvang van den schedel. In hooge mate van belang is de ligging van het kind bij de geboorte en de kunsthulp welke alsdan moet worden aangewend. In dit verband gedacht, loopt het kind dat dwars in de baarmoeder gelegen is het meeste gevaar, daarop volgt de ligging met de stuit of de beenen vooruit, vervolgens die met het aangezicht vooruit en ten slotte die met het achterhoofd vooruit, op andere wijze dan in normale houding. Niet zelden komt het leven van het kind in gevaar door omstrengeling van den hals, veel zeldzamer door buitengewone kortheid van de navelstreng.

Van schijndood geboren kinderen moeten helaas ook nog een aantal het leven laten. Schijndood komt het meest voor na eene moeilijke bevalling. De kleur van het kind kan dan zijn donker blauw of wit. De ledematen zijn slap, de ademhaling ontbreekt.

Het schijnt ons hier de geschiktste plaats te trachten aan te geven, hoe men te handelen heeft, wanneer het kind geboren wordt, zonder dat geneeskundige hulp aanwezig is. Wanneer dan het kind geboren is, legt men de moeder, als zij op zijde lag, op den rug en het kind tusschen de beenen, zoo, dat het de ruimte heeft en neus en mond onbedekt zijn. Mocht het gelaat door een gedeelte der eivliezen bedekt zijn, het kind dus „met den helm geboren zijn”, zóó, dat het vlies de openingen van mond en neus afsluit, dan vatte men het vlies, het best met een drogen doek, omdat het zeer glibberig is en zich niet gemakkelijk laat vasthouden, en verwijdere het. Het kind kan dan ademhalen en schreeuwen. Zoo kan het blijven liggen tot de geneesheer komt. Tevens lette men op de baarmoeder; deze moet zich, na de geboorte van het kind, flink samen trekken. Men kan zich daarvan overtuigen, door de hand op den onderbuik der vrouw te leggen. Trekt de baarmoeder zich goed te zamen, dan voelt men daar een min of meer harden bol. Trekt zij zich onvoldoende samen, dan bestaat er meestal bloeding en voelt men niets of slechts zeer onbepaald een weekachtig gezwel. Door flink wrijven van dat gezwel zal het zich samentrekken en de bloeding tot staan komen. Voortdurend wrijven voorkomt het slapper worden, er moet dus voortdurend gewreven worden.

Indien het kind schijndood mocht zijn, dus de bovengenoemde verkleuring vertoont, niet schreeuwt en niet ademhaalt, dan wordt allereerst de navelstreng doorgeknipt. Dit geschiedt zoo, dat op twee plaatsen, op eenigen afstand van elkander, een stukje veterband flink om de streng wordt gesnoerd en geknoopt. Daarna knipt men de streng, met een schoone schaar, tusschen de beide plaatsen door. Het kind kan dan worden opgenomen.