Part 6
De kamer behoort frisch te zijn. De frischheid wordt bevorderd door luchtverversching, welke behoort te geschieden zonder tocht te veroorzaken. Warme, vooral vochtige, lichaamsdeelen worden door tocht te sterk afgekoeld, wat het lichaam ziek kan maken. Het best zorgt men voor luchtverversching door openingen boven in de ramen, die naar believen kunnen gesloten worden. Waar dat niet mogelijk is, worde het raam opgeschoven en de open ruimte afgesloten met een hor van muskietengaas, waardoor insekten worden geweerd. Op die wijze kan ook des nachts geventileerd worden. Vooral in groote steden is de lucht ’s nachts zuiverder dan overdag. In den winter heeft men dan zorg te dragen voor verwarming van de kamer door middel van een open haard of een kachel, waardoor de ventilatie nog bevorderd wordt. De meerdere kosten voor verwarming mogen geen gewicht in de schaal leggen waar het de gezondheid geldt. Wanneer het bed te dicht bij de ramen mocht staan, of men om andere reden vreest dat de frissche lucht van buiten hinderlijk of gevaarlijk zou kunnen zijn, opene men het raam of de ramen in een aangrenzend vertrek, dat met de slaapkamer in ruime gemeenschap staat, desnoods den doorgang gedeeltelijk afsluitende met een tochtscherm. Petroleumkachels en gaskachels, zonder afvoer naar buiten, zijn uit den booze. Zelfs de beste, de zoogenaamde reukelooze, bederven de lucht in hooge mate. De temperatuur in de kamer schommele hoogstens tusschen 17° en 19° C. (13°–15° R., ± 62°–65° Fahrenheit), doch zij zoo gelijkmatig mogelijk. Voor kinderen, vooral dus daar waar een pasgeborene verblijf houdt, mag de temperatuur iets hooger zijn.
Ook reinheid is een zaak van groot gewicht. Tapijten, zware overgordijnen, portières, stoelen met stoffen bekleeding en franjes, allerhande versieringen, welke stof houden, mogen geen plaats vinden in de kamer, omdat met het stof allerlei ziektekiemen in het lichaam kunnen binnendringen. Dus ook geen overtollige vloerkleedjes. De beste vloerbedekking is linoleum. Het reinigen daarvan behoort zoo te geschieden, dat het eerst wordt afgenomen met een vochtigen doek, opdat het stof niet in de lucht verspreid worde, en daarna gedweild. Stofdoeken, kussens, enz., worden buiten de kamer, niet door het geopende venster, uitgeklopt. Als behangselpapier zij gezondheidspapier, dat met water kan worden gereinigd, aanbevolen.
Ook rustig en aangenaam moet de kraamkamer zijn. Men gebruike haar dus niet als ontvang- of huiskamer. Klepperende ramen kunnen worden vastgezet met houten wiggetjes; scharnieren en sloten van deuren zullen niet knarsen en piepen, wanneer zij zorgvuldig gesmeerd worden.
Zoo zijn er velerlei kleinigheden, welke rust geven en het verblijf aangenaam maken voor haar, die geruimen tijd het slaapvertrek gebruiken moet als verblijfplaats. Tot die kleinigheden behoort ook de keuze van het behang. Geen onrustige patronen daarin, geen schrille kleuren. Het turen daarop werkt op den duur onaangenaam. Daarentegen zullen platen aan den wand, muurborden en dergelijke eene aangename breking geven. Herhaaldelijk viel het mij op, dat juist uurwerken in de slaap-kraamkamer niet loopen of den tijd al heel zonderling aanwijzen. Men bedenke dat ook de kraamvrouw gaarne wil weten hoe laat het is.
De meubileering zij voldoende en eenvoudig. Liefst twee ledikanten, een waschtafel met dubbel waschstel, nachttafeltjes, eenige stoelen, een tafel met zeil bedekt, waaroverheen een schoon servet. Verkiezelijk is ook een zoogenoemde gemakstoel of stilletje en een eet-, lees- of bedtafeltje.
Het ledikant moet zoo geplaatst worden, dat het gemakkelijk van twee kanten toegankelijk is, met het hoofdeinde naar den muur, en wel een zijmuur, gekeerd, midden in de kamer en niet te dicht bij de kachel. Te hooge ledikanten vindt men niet veel, te lage tegenwoordig des te meer. Het beste ledikant is een van ijzer, waarin een spiraalveeren onderstel, gedekt met een matras met paardenhaar gevuld, dus niet te zacht. Veeren bedden zijn te warm, terwijl de kraamvrouw er te diep inzakt. Als bedekking gebruike men een laken en wollen dekens, geen gewatteerde, die te zwaar zijn, en de verdamping van het zweet beletten.
Voor de bevalling dient het bed in orde gemaakt te worden. Op het onderlaken komt een onderlaag van molton te liggen, daarop een stuk hospitaaldoek, aan beide zijden van gummi voorzien, minstens een vierkante meter groot, en daarop, dwars over het bed, een zoogenaamd steeklaken, d.i. een laken overlangs en overdwars dubbel gevouwen, met veiligheidsspelden aan de matras vastgestoken om het verschuiven te beletten. Aanbeveling verdient het een soort matrasje, eveneens ongeveer een vierkante meter groot, van houtwolwatten en gaas vervaardigd en niet te dik, waarin allerlei vocht, dat bij de baring te voorschijn komt, wordt opgevangen en dat, na afloop, wordt weggeworpen, op het steeklaken te leggen.
Daar vaak reeds eenigen tijd voor het berekende einde van de zwangerschap, zonder eenige voorafgaande pijn, het water breekt, d.w.z. de blaas, waarin het kind zich bevindt, scheurt en het vruchtwater zich naar buiten ontlast, is het een verstandige voorzorgsmaatregel, om, ten einde het bed voor onverwacht nat worden te behoeden, reeds eenige weken voor den tijd het hospitaaldoek, b.v. onder het onderlaken, op de matras te leggen.
Zoolang het hospitaaldoek nog ongebruikt blijft, beware men het opgerold op een ronden stok, niet gevouwen. In de vouwen toch breekt het gummi-bekleedsel, laat daar schilfertjes los en verleent het doorgang aan alle vocht, zoodat later blijkt dat de onderliggende laag allerminst beschermd was.
Met deze opmerkingen hebben wij reeds een begin gemaakt met de vermelding van datgene, wat voor de bevalling noodig is. Wij sluiten hierbij een lijst aan van al het andere dat daartoe verder behoort:
GROOTE EN KLEINE VEILIGHEIDSSPELDEN. OUD LINNEN OF MOLTON VOOR ONDERLAGEN. STOP- OF BANDDOEKEN, of kussentjes van watten, in hydrophiel gaas, vervaardigd, om de afscheiding na de bevalling, de zoogenaamde kraamzuivering, op te vangen. SLUITLAKENS, zacht en zoo hoog, dat zij van de ribboog tot over de heupen reiken. Verschillende modellen worden daarvoor aangegeven. EEN ONDERSTEEK VAN EMAIL OF AARDEWERK, zoogenaamd slof-model. WARMWATER-KRUIKEN. VERBANDWATTEN, ZEEP. TWEE FLINKE HANDENBORSTELS. Deze moeten van te voren worden uitgekookt en bewaard worden in een glazen wijdmondsstopflesch gevuld met eene desinfectie-vloeistof, of in een schoonen doek. EEN OF ANDER DESINFECTIE-MIDDEL. Het aangenaamste lijkt mij Lysoform. EEN BAD-THERMOMETER. EEN MAXIMAAL KOORTS-THERMOMETER. EEN GLAZEN HEVELBAK OF IRRIGATOR, met 1½ meter goede slang en twee glazen canules, één voor scheedeuitspoeling en één voor het zetten van lavementen. VETERBAND, niet te breed, rein. FLINKE HOEVEELHEDEN HEET EN KOUD WATER.
Voor het Kind:
EEN BADKUIP. Daarvoor kan ook een groote zinken teil dienst doen. EEN TAFEL, waarop het kind geholpen wordt. EEN BEDJE, waarin een matras van paardenhaar of zeegras, een hoofdkussen gemaakt van paardenhaar, zeegras of varen, niet te groot, niet te dik, niet te zacht; lakentjes en één of twee wollen dekentjes. MOLTON ONDERLAGEN, 30–40 cM2. lang en breed. HOSPITAALDOEK, 50 cM. groot. NAVELBANDEN. Het beste lijkt mij een tricot-windsel ter breedte van 8–10 cM. LUIERS, het best uit badhanddoekengoed. Zij moeten van te voren gewasschen zijn. ZUIVERE OLIJFOLIE, SLAOLIE, VASELINE of eenig ander zuiver vet. TALKPOEDER, witte pijpaarde, vasenol-strooipoeder of alsol-strooipoeder. EEN POEDERBUS. OVERVETTE ZEEP. ZACHTE, KLEINE, GOED UITGEKLOPTE SPONZEN. WARMWATER-KRUIKEN. EENIGE KOMMETJES VAN AARDEWERK. VERKIEZELIJK IS OOK EEN KINDERWEEGSCHAAL. KLEEDEREN.
Omtrent de kleederen zou velerlei kunnen worden opgemerkt. Ik laat dat echter achterwege. Het „pak”, zooals dat oudtijds voor den pasgeborene gebruikt werd, is gelukkig in onbruik geraakt, daar men heeft ingezien, dat lichte, zachte, warme en losse bekleeding, welke gemakkelijk kan worden aan- en uitgetrokken en het kind zooveel mogelijk vrijheid laat voor beweging van armen en beenen, de doelmatigste is.
VOORBEREIDING VOOR DE BEVALLING.
Een zaak van het hoogste belang is reinheid. Daarop kan niet genoeg nadruk gelegd worden. Reinheid is een van de grondslagen waarop de verloskunde van den tegenwoordigen tijd rust, waaraan zij de groote triomfen dankt, welke zij behaald heeft op een van de verschrikkelijkste ziekten, die duizenden moeders ten grave sleepte, de kraamvrouwenkoorts.
Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat tallooze vrouwen, zoowel gedurende de baring als daarna, vrij regelmatig koorts kregen, dikwijls in die mate, dat het kraambed tevens het sterfbed werd van haar, die, jong en levenslustig, in blijde hoop het tijdstip hadden zien naderen, waarop zij moeder zouden worden. Talrijk waren de mogelijkheden welke bedacht en overwogen werden, allerlei maatregelen werden, doch steeds zonder gevolg, toegepast, totdat omstreeks het midden der voorgaande eeuw een geneesheer te Pest, Ignaz Phil. Semmelweis, de eerste schrede deed op den weg, die nu door alle geneesheeren tot heil der barenden bewandeld wordt. Toen hij, gedurende den tijd dat hij assistent was in eene kraaminrichting te Weenen, zoovele vrouwen aan kraamvrouwenkoorts zag sterven en, na eenigen tijd afwezig te zijn geweest, vernam dat een zijner leermeesters, bij het doen van eene lijkopening, gewond en besmet was geworden met lijkengif, waaraan deze onder dezelfde verschijnselen overleed als die welke Semmelweis bij de kraamvrouwen had waargenomen, rees bij hem de gedachte, dat de oorzaak der kraamvrouwenkoorts in hoofdzaak moest gezocht worden in infectie of besmetting der barende, door stoffen, welke van buiten af in de wonden, die noodzakelijkerwijze gedurende de baring ontstaan, binnendringen. Hij overwoog, dat zij, die de barende hulp verleenen, daarbij eene groote rol konden spelen. Zij toch, geneesheeren als andere hulpverleenenden, vooral in ziekenhuizen en kraaminrichtingen, kwamen in aanraking met vuile wonden, etterende lichaamsdeelen en lijken, en konden gemakkelijk de schadelijke stoffen aan handen en kleederen met zich voeren. Wanneer, zoo dacht hij, de oorzaak, zij het ook slechts ten deele, daarin te zoeken is, zal verbetering moeten zijn waar te nemen, wanneer die personen, door het aanwenden van ontsmettende middelen, de mogelijkheid tot het overbrengen dier stoffen op de barenden tot de kleinste afmeting terugbrengen. En deze gedachte, door hem toegepast, bleek juist te zijn; er werd verbetering waargenomen. Men meene evenwel niet, dat zijne belangrijke ontdekking oogenblikkelijk ingang vond. Ook nu leert de geschiedenis weder dat het nieuwe, het vreemde, moeite heeft zich een plaats te veroveren. Slechts enkele zijner ambtgenooten begrepen, dat er waarheid school in zijne waarnemingen, welke hij in 1849 voor ’t eerst publiek maakte. Zelfs 15 jaren later was de toestand nog weinig verbeterd. In Augustus 1865 stierf de man, dien nu allen als weldoener der barenden eeren, in het krankzinnigengesticht te Weenen, aan bloedvergiftiging, zonder dat hij heeft mogen beleven, dat de wetenschappelijke mannen van zijn tijd, uitgezonderd een enkele, zijne belangrijke ontdekking aanvaardden. Langzamerhand echter kwam men tot het besef dat Semmelweis de waarheid op het spoor was, en de laatste tientallen van jaren hebben, dank zij den ijverigen arbeid van vele wetenschappelijke mannen, het bewijs gebracht, dat zijne ontdekking duizenden moeders het leven heeft gered. Door hunnen arbeid werd het steeds duidelijker, dat niet alleen de zoo gevreesde kraamvrouwenkoorts, maar nog vele andere ziekten veroorzaakt worden door infectie, dat de kraamvrouwenkoorts te beschouwen is als een wondkoorts, de kraamvrouw als eene gewonde. En nu aanvaardt ieder geneesheer datgene, waarvoor de ontdekker jarenlang, onder groote miskenning, heeft gestreden. Zoo ergens dan is het hier van pas een woord van dankbare hulde te brengen aan de nagedachtenis van den man, wiens naam met eerbied dient genoemd te worden door alle moeders.
Kleine levende wezens, zoo klein dat zij slechts met behulp van het mikroskoop zijn waar te nemen, bleken de vijanden te zijn, die, overal aanwezig, steeds den mensch belagen. Bacteriën noemt men ze met een algemeenen naam, en hun schadelijken invloed oefenen zij uit, zoodra zij, in het lichaam binnengedrongen, daar een geschikten bodem vinden voor ontwikkeling en vermenigvuldiging. Zij scheiden daarbij stoffen af, die, in de weefsels van het lichaam overgaande, niet alleen plaatselijk allerlei veranderingen kunnen teweegbrengen, maar ook het geheele lichaam zoo ziek maken, dat het leven er mede gemoeid is.
Toen men eenmaal zoo ver gekomen was, zocht men, zooals voor de hand ligt, naar middelen ter bestrijding. Het zou ons te ver voeren, hier ook maar in ’t kort mede te deelen, hoe ver men daarmede tegenwoordig reeds gevorderd is. Het zij genoeg te vermelden, dat eensdeels duidelijk bleek, dat zorg voor een gezond lichaam een belangrijk hulpmiddel in den strijd tegen de werking dezer kleine organismen is, dat anderdeels reinheid en ontsmetting in staat zijn den vijand met goed gevolg te bestrijden.
Onmiddellijk, om te beginnen dus, zorg voor een gezond lichaam. Overal zijn bacteriën aanwezig, ook in ons lichaam. Gelukkig echter bezit het lichaam middelen om zich te verdedigen, zoodat de vijand onophoudelijk onschadelijk gemaakt wordt of zoodanig verzwakt, dat hij geen vat op ons heeft. En het ligt in de rede, dat het gezonde lichaam de beste weerkracht kan ontwikkelen.
Zoodra echter van buitenaf die organismen in het lichaam binnendringen, wordt de strijd moeilijker en hangt het van velerlei omstandigheden af, wie den strijd wint. Elke verwonding vormt een zwakke plek, van elke verwonding kan de van buiten gekomen vijand den strijd beginnen. Daarom is het noodig ons zooveel mogelijk te beschutten tegen het indringen van bacteriën in ons lichaam.
Hoe beschutten wij ons dan het best daartegen? Door reinheid! Door reinheid op woning, kleeding, voedsel en lichaam. En waar reinheid in de gewone dagelijksche beteekenis ons niet voldoende lijkt, verscherpen wij haar door ontsmetting, door het gebruik maken van ontsmettende of desinfecteerende middelen, welke worden aangewend om de bacteriën te dooden of, zoo dat niet mogelijk zijn mocht, ze zoodanig te verzwakken, dat hun schadelijke invloed zoo gering mogelijk wordt.
Passen wij deze beschouwing toe op de baring, dan blijkt hoe de kraamkamer zoo rein mogelijk moet zijn, hoe alles wat stof herbergt en stof kan afgeven, zooveel mogelijk moet geweerd worden. Wij begrijpen dan den eisch van den verloskundige, dat alles wat de barende aan en om zich hebben zal, dat alles wat gedurende de baring gebruikt zal worden, rein zij. Allereerst de barende zelf. Vóór de baring reinige zij zich, in een bad als ’t kan, en anders door wassching van het geheele lichaam met warm water, waarin men een stukje soda ter grootte van een noot kan oplossen, en zeep. Vooral de geslachtsdeelen moeten op die wijze gereinigd, lange haren daar ter plaatse kort geknipt worden, omdat deze allerlei vocht, vuil en bloed vasthouden. Zij trekke daarna schoone kleederen aan. Het best worden die, om verontreiniging gedurende de baring tegen te gaan, van onderen op tot het middel omgevouwen en vastgespeld, en het onderlijf bedekt met een schoonen witten onderrok, welke gemakkelijk, als hij bevuild is, door een andere kan vervangen worden. Ook is het aan te bevelen kort voor de baring, maar ook als die begonnen is, den darm door een glycerine-lavement te ontledigen, om zooveel mogelijk verontreiniging te voorkomen. Na de ontlasting moet de vrouw weder met warm water en zeep gereinigd worden. Voor de reiniging gebruike men nooit een spons, doch verbandwatten. De spons toch is niet behoorlijk meer te reinigen en blijft allerlei vuil vasthouden, terwijl vuile watten worden weggeworpen. Het hoofdhaar worde gekamd en gevlochten.
Het bed worde bedekt met schoon linnen. Geen beslapen lakens dus, zooals nog dikwijls worden gebruikt. Beslapen lakens zijn vuile lakens. Het hospitaaldoek moet, voor het gebruikt wordt, met warm water en zeep goed afgewasschen en met een schoonen doek afgedroogd worden.
De watten, welke door den verloskundige en de verpleegster gebruikt zullen worden, verdeele men in twee helften. De eene helft kan weder in de verpakking worden weggeborgen, de andere helft wordt, in strooken verdeeld, bewaard in een schoongemaakte glazen wijdmondsstopflesch of in een schoonen handdoek en voor het gebruik gereed gehouden. Gewoonlijk bezorgt de verpleegster al deze dingen.
De handenborstels, uitgekookt en bewaard in een glazen wijdmondsstopflesch, gevuld met een ontsmettingsvloeistof, of in een schoonen handdoek, worden gereed gehouden.
De waschkommen moeten schoon zijn, zooals alles wat aan kommen of kommetjes zal gebruikt worden, dus ook het ondersteek.
Steeds moet eene voldoende hoeveelheid heet en koud water aanwezig zijn.
Zoodra de verloskundige geroepen is, zorge men voor heet water. Ook hij toch, evenals de verpleegster die hem ter zijde zal staan en menige handreiking te doen heeft, zal zich behoorlijk reinigen voor hij tot een onderzoek of eenige andere handeling overgaat. Immers geldt vooral voor die beiden het voorschrift van nauwkeurige reiniging en ontsmetting. Op en in de huid, vooral van de hand, zijn vele bacteriën aanwezig en die moeten, door langen tijd borstelen der handen met heet water en zeep en daarna met eene ontsmettingsvloeistof, verwijderd of onschadelijk gemaakt worden.
Zóó is het den verloskundige mogelijk geworden de gevaren te bestrijden, welke de barende bedreigen; zóó heeft de verloskunde, afgezien van hare ontwikkeling in andere richting, de triomfen kunnen vieren, waartoe Semmelweis haar eens den weg wees.
Nu kan men begrijpen, waarom de verloskundige steeds moet aandringen op reinheid, altijd en overal, maar vooral vóór, gedurende en ook na de baring.
DE BEVALLING OF BARING.
Bevalling of baring noemt men de gebeurtenis, waarbij de baarmoeder haren inhoud, en wel in ’t bijzonder aan het einde der zwangerschap, uitdrijft. Dat geschiedt door samentrekkingen van haren wand, welke, zooals wij weten, in hoofdzaak uit een weefsel van spieren is opgebouwd. Die samentrekkingen, met pijnen gepaard, waarom zij den naam van weeën dragen, volgen niet onmiddellijk op elkander, doch zijn door korte of langere tijdsruimten gescheiden, in welke de spieren als ’t ware uitrusten. Elke samentrekking begint met geringe pijn. Beide bereiken, in sterkte toenemende, een hoogtepunt, om daarna geleidelijk minder te worden en op te houden. De samentrekkingen kan men, door de op den buik gelegde hand, tastend waarnemen. Elke spier die zich samentrekt wordt vaster en duidelijker te voelen. Zoo wordt ook de zich samentrekkende baarmoeder vast en hard op aanvoelen, terwijl elke betasting van haren inhoud, zooals dat in de zwangerschap en in de rusttijden tusschen de samentrekkingen kan geschieden, onmogelijk is.
Regelmatige afwisseling van samentrekkingen en rusttijden is een gunstig verschijnsel. De gemiddelde duur eener wee is ½–1 minuut, in het begin der baring gewoonlijk iets korter; de duur der rusttijden schommelt tusschen 5, 10 en 15 minuten. Tegen het einde der baring duren de weeën gewoonlijk langer en volgen elkander in ’t algemeen niet zoo snel op. Kleine en groote verschillen kunnen evenwel met betrekking tot beide worden waargenomen.
Reeds gedurende de tweede helft der zwangerschap trekt de baarmoeder zich nu en dan samen. Die samentrekkingen worden echter niet of slechts nu en dan, vooral door gevoelige zwangeren, gevoeld. In de laatste maand treden zij vaker op. Men noemt ze valsche pijnen, ook voorweeën, omdat zij het begin van de baring nog niet aangeven. Zij worden meestal in den buik waargenomen, als lichte en meer trekkende pijnen, welke ’s nachts niet zelden verdwijnen; zij treden onregelmatig op en gelijken op de pijnen, welke men als kramp voelt bij winden of diarrhee. Niet zelden is de gevoeligheid te wijten aan slechte ontlasting, waarom het dan ook, vooral in dien tijd, noodig is voor voldoenden stoelgang zorg te dragen. Bij twijfel omtrent den aard dier pijnen is het voorzichtig den geneesheer te waarschuwen.
De ware of echte baringsweeën zijn in regelmatige tusschenpoozen terugkeerende samentrekkingen, waarbij de pijnen niet alleen of hoofdzakelijk in den buik, doch ook in de lendenstreek en zelfs in de dijen uitstralende, gevoeld worden. Dit laatste is evenwel geen algemeen geldende regel, zoodat wij het best doen met te zeggen, dat die weeën als echte, het begin der baring aankondigende, zijn op te vatten, waarbij de pijnen, zij het ook alleen in den buik, met regelmatige tusschenpoozen opkomen, allengs heviger worden en sneller op elkander volgen.
Die samentrekkingen nu hebben allereerst tot gevolg, dat de opening der baarmoeder langzamerhand wijder en wijder wordt. Een teeken dat, zooals men het noemt, de baarmoeder zich opent, is in vele gevallen het volgende. Door den druk der weeën gevoelt de vrouw aandrang tot urine-loozing. Wanneer zij aan die behoefte voldaan heeft en de geloosde urine beziet, bemerkt zij daarin een klein of grooter rood streepje. Dat is bloed, hetwelk bij het openen der baarmoeder te voorschijn en tot in de schaamspleet kwam, waaruit het door de urine werd weggespoeld. Wanneer de vrouw niet urineert, doch met een doek of watten de schaamspleet uitveegt, neemt zij wat bloederig gekleurd slijmachtig vocht waar. Men zegt dan: „De vrouw teekent” of ook wel: „Er is ontsluiting”. Den tijd gedurende welke de opening in grootte toeneemt, noemt men het ontsluitingstijdperk.
Daar de zich samentrekkende baarmoeder haren inhoud vaster omsluit, wordt die inhoud steeds meer naar en in de opening gedreven. Gewoonlijk komt het daarbij tot braken. In den beginne geschiedt de verwijding of ontsluiting met medewerking van den druk, waaronder het vruchtwater staat, dat in den eivlieszak is opgesloten. Het onderste gedeelte van dien eivlieszak legt zich bij iedere samentrekking tegen den rand van de opening aan en wordt, naarmate die opening in grootte toeneemt, daardoor heen gedrukt, zóó lang tot er een oogenblik komt, dat dit gedeelte van dien zak den druk van het vruchtwater niet kan weerstaan en op het hoogtepunt der wee scheurt. Dikwijls voelt de vrouw dat bersten. Dadelijk daarop bespeurt zij, dat er eene hoeveelheid vocht, het vruchtwater, al of niet met bloed gemengd, door de geslachtsdeelen naar buiten vloeit. Men zegt dan, dat „het water gebroken is.”