Moeder en kind

Part 5

Chapter 53,556 wordsPublic domain

Wie lust heeft gedurende den maaltijd te drinken, behoeft dat niet na te laten, uit vrees daardoor de spijsvertering te storen. Ook hier geldt het voorschrift van maathouden, en wie maat houdt stoort de spijsvertering daardoor niet, kan haar integendeel bevorderen.

Het zij hier nog eens aangestipt, dat dit alles, in het algemeen, geldt voor de gezonden. Wie ziek is, wende zich tot den geneesheer en volge diens voorschrift, ook waar het betreft het gebruik van spijzen en dranken.

In ieder geval hoede men zich voor het gebruik van sterk gekruide, gepeperde en gezouten spijzen, ook voor die welke opblazen of verstoppend werken. Het gebruik van zoogenaamde genotmiddelen beperke men tot een minimum. Van belang is deze opmerking vooral voor het dikwerf zoo geliefde kopje koffie, dat—als het werkelijk goed is—de spijsvertering benadeelt en het optreden van hoofdpijnen, duizeligheid, hartklopping, slapeloosheid kan bevorderen.

Zoo is ook het gebruik van zoetigheden af te keuren. De tegenwoordig aangeprezen smakelijke chocolades en suikerwerken, in zoodanigen vorm en verpakking, dat ze gemakkelijk en gaarne als geschenk gegeven en aanvaard worden, hebben het groote nadeel, dat daarmede al te veel zoetigheid in het lichaam gebracht wordt. Veel beter is het gebruik van vruchten, waarmede men menig dokters-recept buiten de deur houdt.

Van groot gewicht is eene voldoende en regelmatige uitscheiding van afgewerkte stoffen. In dat opzicht wordt het allermeest geleden aan slechte ontlasting. Door dagelijks voldoende ontlasting worden velerlei bezwaren verminderd of opgeheven.

In de allereerste plaats is de gewoonte, om steeds op een bepaald uur van den dag daarvoor zorg te dragen, aan te bevelen; in de tweede plaats het vermijden van een euvel, waaraan zoo goed als alle vrouwen mank gaan. Dat is, dat zij zich daartoe niet den behoorlijken tijd gunnen.

Tot de eenvoudige middelen om ontlasting te bevorderen, behooren, behalve het nemen van beweging, het gebruiken van een glas frisch water op de nuchtere maag, soms ook ’s avonds, ook van een glas suikerwater, eenige vijgen op de nuchtere maag, vruchten, zoowel gestoofd als versch, vooral druiven, karnemelkspap met stroop, het drinken van koolzuurhoudende wateren met vruchten-limonade, karnemelk, enz. Bij verstopping vermijde men rooden wijn en cacao. Moet men tot eenig geneesmiddel overgaan, dan kan men afwisselend inwendige middelen en lavementen te baat nemen. Van de inwendige middelen die welke zacht werken, zooals magnesia, rhabarber, groene poeder, tamarinde, cascara in tabletjes of vloeibaar (bitter), vijgenstroop, nu en dan een glas bitterwater of wat wonderolie, doch niet te lang achtereen. Lavementen van ½–1 liter lauwwarm of koud water, al of niet met bijvoeging van 1–1½ lepel wonderolie of glycerine, ook van zeepwater of van zoutwater (9 gram zout op 1 liter water), somtijds ook enkel glycerine, met een zoogenaamd glycerinespuitje in te brengen. Wanneer dergelijke, meerendeels eenvoudige, middelen niet helpen, vrage men liever den geneesheer om raad, dan gebruik te maken van allerlei in de dagbladen aangeprezen middelen, waarvan het gebruik niet altijd zoo onschuldig is als de aanprijzingen zouden doen denken. Men vergete bij dergelijke met veel ophef aangeraden middelen nooit, dat zij ten doel hebben de beurs van het publiek te ontlasten en die van den verkooper te vullen.

Bij vele vrouwen wisselt verstopping af met diarrhee. Wanneer deze laatste van korten duur is, is het niet steeds noodig daartegen eenig middel aan te wenden; toch doet men in ieder geval het verstandigst den geneesheer te raadplegen.

Goede en gemakkelijke ontlasting is ook een van de beste middelen om aambeien (haemorrhoïden) en scheurtjes in de aarsopening, welke beide veel pijn kunnen veroorzaken, te voorkomen. Die scheurtjes zijn veelal te wijten aan het dóórpersen van harde ontlasting en vereischen meestal een bijzondere behandeling ter genezing.

In het einde der zwangerschap geeft ophooping van de ontlastingsstoffen vaak weeënachtige pijnen, zoogenaamde valsche pijnen of valsche weeën. Ook daartegen is dus goede ontlasting een voorbehoedmiddel. Daar uit al het voorgaande reeds genoegzaam blijkt, van hoe groot belang geregelde en voldoende stoelgang gedurende de zwangerschap is, meenen wij met het genoemde te kunnen volstaan.

Wat de kleeding betreft houden wij ons eveneens aan enkele algemeene opmerkingen, zonder partij te kiezen voor een of andere richting. Men drage zorg dat voeten en onderlijf steeds warm gehouden worden, pantalons gesloten zijn. Zwangere vrouwen zijn gevoeliger voor de invloeden van het weder, voor koude, tocht en vochtigheid. Daarmede moet bij de keuze der kleeding worden rekening gehouden, zonder dat van verweekelijking sprake is. Veel hangt echter van gewoonte af. De kleeding zij ruim, geenerlei druk mag daardoor op onderlijf of borsten worden uitgeoefend. Het corset, mits voor de draagster vervaardigd, behoeft niet te worden afgelegd, doch vermijde men elke snoering. Naarmate de zwangerschap vordert is het dragen van een oud corset, dat gemakkelijk medegeeft of een voor de zwangerschap vervaardigd corset aan te bevelen voor haar, die toch een steun wil hebben, waaraan zij gewoon geraakt is. Wie het corset aflegt, kan lijfjes of borstophouders dragen. Het dragen van kousebanden is, om vroeger reeds genoemde redenen, beslist af te keuren. Een buikband of buikgordel, welke gemakkelijk rekt en toch goed draagt, kan vele ongemakken der zwangerschap, zooals pijnen in den buik en in de lendenstreek, urine-drang, moeilijk gaan in het einde der zwangerschap, vooral bij zwangeren met sterk uitgezetten of hangbuik, doen verdwijnen of verminderen, en kan reeds van de 5e of 6e maand af gedragen worden.

Niet alleen de houding van de vrouw wordt daardoor verbeterd, maar ook de ligging van het kind in de baarmoeder, ten opzichte van het bekken, ondervindt daarvan een gunstigen invloed.

De schoenen mogen niet nauw zijn, en niet voorzien van hooge hakken.

Gelukkig neemt tegenwoordig het verlangen der moeders, om zooveel en zoolang mogelijk haar kind te zoogen, weder toe. Daarom wordt ook, nog meer dan geruimen tijd het geval geweest is, meer de aandacht gevestigd op de behandeling der borsten.

Vooreerst drage de zwangere vrouw zorg, dat de borsten op geenerlei wijze gedrukt worden, tweedens zorge zij voor reinheid, waarbij alle overmaat van wasschingen of afwrijvingen moet vermeden worden. Gewoonlijk wordt aangeraden de tepels, om ze te harden, zooals ’t heet, dagelijks te wasschen met brandewijn, rum, verdunden cognac, rooden wijn, enz., enz., in ’t algemeen met een verdunden alcohol. Als het noodig mocht zijn, behoeft men daarmede niet reeds in den aanvang der zwangerschap te beginnen en kan men zich daarmede in de laatste maanden bezighouden. Het komt mij voor, dat wasschen met frisch en zuiver water evenveel, of evenweinig, het ontstaan van wondjes of kloven in de tepels gedurende het zoogen voorkomen zal, als alle andere tot dat doel aanbevolen middelen. Heeft men zulke middelen aangewend en komen er geen wondjes of kloven in de tepels, dan heet de behandeling van nut te zijn geweest, ontstaan zij wèl dan heet het dat de behandeling niet goed of niet lang of niet flink genoeg is toegepast geworden, treden zij zonder voorafgegane behandeling op, dan kan men het verwijt hooren, dat de tepels niet behandeld waren zooals was aangeraden, komen ze in dat geval niet, dan.... wordt er niet over gesproken. Wanneer er korsten op de tepels aanwezig zijn, doet men goed die week te maken door de tepels in te smeren met zuivere olijfolie, slaolie, vaseline of eenig ander vet, en, na verweeking, den tepel af te wasschen met water en zeep. Het dagelijksch wasschen van de geheele borst, met lauw warm of koel water, heet voor hare ontwikkeling bevorderlijk te zijn.

De pogingen om zoogenaamde vlakke of holle tepels, door het dagelijksch uittrekken of door het dragen van ringen en dergelijke werktuigjes, te verbeteren, heeft nooit het gewenschte gevolg, omdat de oorzaak gelegen is in slechte ontwikkeling van den tepel. Men kwelt daarmede zich zelf en loopt gevaar van infectie.

MEERVOUDIGE ZWANGERSCHAP.

Bij het bespreken van de bevruchting vermeldden wij, hoe eene zaad-cel met een eitje te zamen komende, daarmede versmelt tot één ontwikkelingskiem, waaruit een kind zich ontwikkelen kan. De vrouw zal dan één kind baren. Het is echter bekend, dat eene vrouw niet alleen aan tweelingen, doch zelfs aan drielingen het leven schenken kan. De hoogst enkele mededeelingen, waarin van een nog grooter aantal gewag gemaakt wordt, zullen wij niet in beschouwing nemen.

Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe dat komt. Ontstaan uit één bevrucht ei b.v. twee kinderen of komen zij voort uit twee bevruchte eieren? Het antwoord op die vraag luidt, dat beide mogelijkheden voorkomen, waarbij wij op bijzonderheden niet ingaan.

Het ligt voor de hand, dat, wanneer de vrouw zwanger is van meer dan één kind, die kinderen niet alleen meer ruimte vergen, maar die meerdere ruimte zich zal kenbaar maken door snellere toeneming van den omvang van den buik. Dat is vooral waar te nemen van de 5e maand af, zoodat ongewoon groote omvang van het onderlijf moet doen denken aan de mogelijkheid, dat, laat ons maar zeggen, tweelingen aanwezig zijn. De buik ontwikkelt zich daarbij opvallend in de hoogte en in de breedte. De baarmoeder bereikt in de achtste maand reeds de hoogte, welke anders aan het einde der zwangerschap wordt waargenomen. Omstreeks dien tijd, dikwerf ook vroeger, begint dan ook het vermoeden op meervoudige zwangerschap op te komen en wordt dat den geneesheer kenbaar gemaakt met de vraag, of hij daaromtrent eenige zekerheid kan geven. In het algemeen kan, ter geruststelling, wel gezegd worden, dat, wanneer de omvang van den buik aan het einde van de zwangerschap niet meer dan 100 c.M. bedraagt, aan tweelingen niet te denken valt.

De ongemakken gedurende de zwangerschap zijn meestal grooter. Braken, bemoeilijking van urine-loozing en ontlasting zijn sterker, aderspatten treden vroeger op, zoo ook de lastige zwelling der beenen, welke zich eerder uitbreidt over de uitwendige geslachtsdeelen en den buik, zelfs over armen, handen en het gelaat. De ademhaling is bemoeilijkt, de beweging eveneens.

Dikwijls treedt de baring voor het berekende einde der zwangerschap in, gemiddeld in drie vierden der gevallen. De kinderen zijn over ’t algemeen minder ontwikkeld in dien zin, dat het gemiddelde gewicht, zelfs als de zwangerschap haar einde bereikt, beneden dat van het kind bij enkelvoudige zwangerschap blijft, terwijl de lengte van het kind geen afwijking behoeft te vertoonen. Dit geldt voor tweelingen. Bij drielingen betreft de mindere ontwikkeling zoowel lengte als gewicht, waarbij nog komt, dat de zwangerschap, in de helft of meer dan de helft der gevallen, het normale einde niet bereikt. Daarom zijn de levenskansen bij drielingskinderen geringer.

Betrekkelijk zelden hebben tweelingskinderen hetzelfde gewicht, terwijl bij verschillend geslacht de jongen zwaarder is.

Volgens berekening, uit een groot aantal geboorten opgemaakt, komt op 80–89 geboorten een tweeling, op 7500–7900 geboorten een drieling voor.

De neiging tot tweelingsgeboorten is erfelijk. Volgens sommige schrijvers schijnt die erfelijkheid bijna uitsluitend bij tweeëiige tweelingen voor te komen en hebben erfelijke tweelingen menigvuldig verschillend geslacht, omdat zij van twee eieren afkomstig zijn. Ook meent men te hebben opgemerkt, dat, voor het verwekken van tweelingen, de vruchtbaarheid en de ouderdom der ouders in aanmerking komen. De gemiddelde ouderdom is voor den vader 37,5, voor de moeder 33,5 jaar. Terwijl bij éénlingsgeboorten de vruchtbaarheid tot het 25e jaar toeneemt om dan te dalen, is voor de tweelingsgeboorten de verhouding juist omgekeerd, waaruit te verklaren is, dat tweelingmoeders vaak meerbarenden zijn van hoogeren ouderdom. De eigenlijke tweelingsvruchtbaarheid valt tusschen het 30e en 40e jaar.

Het geslacht der tweelingen zou van den betrekkelijken ouderdom der ouders zóó afhangen, dat, als de vader ouder is dan de moeder, gelijkslachtige mannelijke, in het omgekeerde geval vrouwelijke, bij ongeveer gelijken leeftijd ongelijkslachtige tweelingen ontstaan.

Drielingen worden het vaakst geboren uit meerbarenden, vooral in de zesde zwangerschap en latere; eerstbarenden die drielingen ter wereld brengen, zijn meestal oudere vrouwen.

Gewoonlijk zal de geneesheer wel met eenige mate van zekerheid kunnen uitmaken of de vrouw van tweelingen zwanger gaat, en vrage zij, die daar vrees voor koestert, hem liever daarnaar een onderzoek te doen, dan zich aan vaak onnutte angst en bekommering over te geven.

Behalve door aanwezigheid van meer dan één kind, kan de omvang van den buik grooter zijn, dan gewoonlijk beantwoordt aan het tijdstip van de zwangerschap, door eene overmatige hoeveelheid vruchtwater. De sterke uitzetting van den buik gaat dan gepaard met pijn in den buik, in de lendenstreek en in de liezen, met bemoeilijkte ademhaling en trage ontlasting. De buikwand vertoont een matten glans, gewoonlijk wordt urine in geringere hoeveelheid geloosd, braakt de vrouw dikwijls en zijn de beenen en de buikwand zuchtig gezwollen. Juist bij tweelingzwangerschap kan zich dit voordoen.

Algemeen gesproken kan de oorzaak voor eene overmatige hoeveelheid vruchtwater gelegen zijn in het ei en bij de zwangere vrouw, voornamelijk in hart- of nierziekten der laatste.

Wat in dergelijke gevallen te laten of te doen valt, zal de geneesheer te beoordeelen hebben.

MISKRAAM.

Wanneer de zwangerschap voor het einde van de zevende maand wordt afgebroken, spreekt men van miskraam. Zij komt vooral veelvuldig voor in de eerste en in het begin van de tweede maand.

Gewoonlijk gaat het in zoo vroegen tijd der zwangerschap als volgt. Nadat de menstruatie niet op den verwachten tijd is ingetreden, neemt de vrouw aan, dat zij zwanger is. Dan komt het eenigen tijd later tot bloeding, meestal sterker dan gewoonlijk, met wat bloedstolsels vermengd, vergezeld van wat lendenpijn en .... zij meent zich vergist te hebben en dat de „opgestopte” menstruatie te voorschijn is gekomen. De vrouw, die tegen eene zwangerschap opzag, is gerust gesteld en dankbaar dat zij „niet zwanger was”; zij, die in blijde verwachting verkeerde omdat het eindelijk zoover gekomen was, meent dat zij ten onrechte geloofde zwanger te zijn en is bedrukt. Geen van beiden evenwel heeft gelijk, beiden waren zwanger, bij beiden is het bevruchte eitje onbemerkt met de bloeding uitgestooten, beiden hadden een miskraam.

Afgezien van deze gevallen komt miskraam wel het meest voor in de tweede en derde maand, het menigvuldigst in de derde maand. Een groot aantal valt samen met den tijd, waarop de menstruatie had moeten verschijnen, indien geen zwangerschap bestaan had. Vrouwen, die gedurende het zoogen niet menstrueerden en in dat tijdsverloop zwanger werden, vatten gewoonlijk het eerste teeken van de dreigende miskraam, de bloeding, op als de eerste menstruatie welke weder verschijnt.

Het hoofdverschijnsel is, zooals uit het voorgaande blijkt, bloeding, meer of minder sterk, aanhoudend, al of niet in hoeveelheid toenemende, of ook afwisselende met zeer geringe, alleen vlekken gevende bloeding, zelfs eenigen tijd geheel ophoudende. Ten slotte komt dan, ten minste in de tweede en in het begin van de derde maand, het ei gewoonlijk in zijn geheel, vergezeld van krampachtige pijnen in den onderbuik en pijnen in de lenden, te voorschijn. In de latere maanden wordt gewoonlijk de vrucht, die reeds betrekkelijk groot is, onder bloeding en pijnen, die het karakter van weeën dragen, uitgestooten. Dan treedt, wat de pijnen betreft, een korter of langer tijdperk van rust in, doch de bloeding houdt aan en weldra wordt de rest van het ei, als nageboorte, uitgedreven. Naarmate de zwangerschap verder gevorderd was, gelijkt de miskraam dus reeds meer op de baring, waarbij het verschil voornamelijk bestaat in de grootte van vrucht en nageboorte.

Van belang is vooral de bloeding. Zij kan zeer hevig zijn, waarom het in ieder geval aan te raden is den geneesheer te ontbieden. Dat zal te meer noodig zijn, wanneer de miskraam niet zoo geleidelijk gaat als zooeven beschreven werd. Stoornissen toch worden juist hierbij vaak waargenomen, voornamelijk wat de nageboorte, hoe klein die ook wezen moge, betreft. Niet zelden wordt zij niet, òf niet spoedig genoeg, òf niet geheel en al uitgedreven. Dan houdt de bloeding aan en kunnen de in de baarmoeder gelegen overblijfselen van het ei, in rotting overgaande, tot infectie aanleiding geven, met al de gevaren daaraan verbonden. Tijdige behandeling door den geneesheer kan die gevaren voorkomen.

Na elke miskraam is bedrust, als na eene gewone bevalling, noodig.

De oorzaken voor het optreden van miskraam zijn velerlei. Wij zullen die niet alle opnoemen. Behalve ziekelijke aandoening van de vrucht en hare omhulsels, kan men in ’t algemeen zeggen, dat acute ziekten, welke met belangrijke en langdurige temperatuurs-verhooging, dus koorts, gepaard gaan, veelal de zwangerschap afbreken. Onder de chronische ziekten zijn het wel voor het meerendeel hart- en nierziekten, vergevorderde tuberculose en syphilis, welke daartoe leiden, en, onder de plaatselijke ziekten, de infectie met druipergif en de aandoeningen, welke tegenwoordig alom bekend zijn onder den naam van blinde-darmontsteking.

Een groot aantal miskramen is verder te wijten aan ziekte van het slijmvlies der baarmoeder. Het is vooral deze oorzaak, welke veelal miskend wordt, wanneer men miskraam ziet optreden na invloeden, welke van buiten af op het lichaam der zwangere vrouw hebben ingewerkt, zooals belangrijke lichamelijke vermoeienis en inspanning, vallen, stooten, enz., waarover reeds vroeger het een en ander gezegd werd. Ofschoon niet ontkend mag worden, dat daarin wel eens de oorzaak gelegen is, moeten zij toch meestal opgevat worden als de laatste aanleiding, waardoor een miskraam, die anders wat later zou zijn opgetreden, verhaast werd. Dezelfde beschouwing kan worden toegepast op zoogenoemde psychische invloeden, werkingen van het zenuwstelsel, voornamelijk van de hersenen, uitgaande zooals angst, wanhoop, schrik, overspanning, enz. Als oorzaak mag ook gelden veelvuldige en al te hartstochtelijk uitgeoefende geslachtsgemeenschap, b.v. kort nadat het huwelijk gesloten werd.

De middelen ter voorkoming zijn eigenlijk reeds uit deze algemeene opsomming van oorzaken af te leiden. In het algemeen bestaan zij in het volgen van de leefregelen voor de zwangerschap aangegeven. Meer in ’t bijzonder kan van het pogen om een miskraam te voorkomen eigenlijk alleen gesproken worden in gevallen, waarin zwangerschap al een- of meermaal op die wijze afgebroken werd. Behalve dat vooral dan de leefregelen streng moeten gevolgd worden, vermijde de vrouw alle overdaad, iederen overmatigen prikkel, overspanning, vermoeienis, reizen en rijden, onthoude zij zich van het gebruik maken van koude baden of warme zitbaden, van geslachtelijke gemeenschap, drage zij zorg voor doelmatige kleeding, vooral in den winter, voor warme voeten, lette zij zorgvuldig op de voeding en op gemakkelijke, geregelde ontlasting en vrage zij den geneesheer om raad in alles, ook al moge het haar soms minder gewichtig toeschijnen. Of het al dan niet noodig is rust te houden, hoe lang, op welke tijdstippen van den dag of van de zwangerschap, zal hij te beoordeelen hebben.

Ten slotte geven wij dezen raad. Wat ook met de bloeding moge te voorschijn gekomen zijn, alles moet bewaard en den geneesheer getoond worden, omdat hij daaruit steeds een oordeel kan vellen omtrent hetgeen er vóór zijn komst gebeurd is. Maar al te vaak moet deze, op zijn vraag om te mogen zien wat er voor den dag gekomen is, vernemen: „Het is weggeworpen”, met welk antwoord hem, in de meeste gevallen, een uitstekend middel ter beoordeeling van den toestand en van het al of niet noodzakelijke eener ingrijping onthouden wordt. Menige onaangenaamheid zal der vrouw bespaard worden, wanneer zij deze raadgeving ter harte neemt.

De vrucht is bij een miskraam steeds verloren. Zelfs indien zij levend uitgedreven wordt, heeft zij geen levensvatbaarheid, afgezien misschien van eene hoogst enkele uitzondering, bij vergevorderde ontwikkeling, welke voor eene algemeene beschouwing geen waarde heeft.

Anders wordt het, wanneer de zwangerschap na de zevende maand wordt afgebroken. Dan spreekt men van vroeggeboorte en levensvatbaarheid der vrucht. Naarmate de zwangerschap verder gevorderd is, gelijkt de vroegtijdige baring meer op de baring aan het einde der zwangerschap. Dat een te vroeg geboren kind meer zorg vereischt dan een voldragen, is zonder meer duidelijk.

Een verschijnsel dat allicht eenige angst verwekt, is het volgende. Vooral na de zesde maand, doch soms ook wel in de eerste weken der zwangerschap, kan het gebeuren, dat plotseling eene betrekkelijke groote hoeveelheid geel- of rose-gekleurd vocht uit de geslachtsdeelen te voorschijn komt, dat zich nog wel eens op dezelfde wijze herhaalt of eenigen tijd, als druppelsgewijs vochtverlies, blijft aanhouden, terwijl de zwangere zich dan eenigszins onlekker gevoelt. In het algemeen heeft het niets te beteekenen, doch daar het toch niet onmogelijk is, dat de zwangerschap daarna een einde neemt, is het van belang den geneesheer daarvan in kennis te stellen, te meer omdat er eene vergissing in het spel kan zijn en blijken kan, dat het weggeloopen vocht slechts urine was.

DE KRAAMKAMER EN DE BENOODIGDHEDEN VOOR DE BEVALLING.

De eischen, welke aan de kraamkamer gesteld moeten worden, zullen in vele opzichten ongeveer dezelfde zijn als die, welke voor iedere slaapkamer gelden en waaraan, helaas, in vele gevallen nog te weinig de aandacht geschonken wordt. Onbegrijpelijk mag het genoemd worden, dat in vele woningen nog steeds eene ruime, op straat uitziende, kamer wordt ingericht tot salon of zoogenaamde „goeie kamer”, waarin de bewoners hoogst zelden vertoeven en waar allerlei „mooie” meubels worden neergezet, terwijl voor slaapkamer, waarin zij zooal niet den langsten tijd, dan toch een groot deel, van hun leven doorbrengen, een klein vertrek, dat vaak uitziet op eene donkere binnenplaats, in gebruik genomen wordt. Juist het omgekeerde behoort het geval te zijn. Beter geen mooie kamer en eene goede slaapkamer, dan een salon als bergplaats van allerlei moois en eene bedompte slaapgelegenheid. De ruimste en droogste kamer, met uitzicht op het Zuiden of het Zuid-Oosten, waarin de zonnestralen kunnen binnendringen, moet tot slaapkamer worden ingericht. Licht en frissche lucht bevorderen de gezondheid en behooren tot de beste hulpmiddelen om haar te herstellen; duisternis en bedorven lucht benadeelen haar, werken schadelijk op het zenuwstelsel. Waar zon en frissche lucht binnenkomen, is de geneesheer minder noodig.

Dit alles geldt vooral voor de kraamkamer, waarin moeder en kind ook overdag verblijven moeten.