Moeder en kind

Part 4

Chapter 43,762 wordsPublic domain

In andere oogenblikken kunnen de bewegingen onafgebroken en zoo sterk gevoeld worden, dat het verschijnsel inderdaad hinderlijk is. Dat is dikwijls afhankelijk van sterke gemoedsbewegingen der vrouw.

Het rijzen van de baarmoeder gaat geleidelijk voort tot het einde van de achtste maand. Dan staat de bovengrens ter hoogte van den maagkuil. Daarna begint eene daling, nu eens vroeger, dan weder later, afhankelijk van verschillende oorzaken. Met die daling wordt de spanning in het bovengedeelte van den buik geringer, voelt de vrouw zich verlicht van de tot nu toe toegenomen beklemming. Eerstzwangeren kunnen daaruit de berekening maken, dat ongeveer 3 à 4 weken daarna de bevalling zal plaats vinden. Doch ook hieraan hechte men niet te veel gewicht. De daling is voornamelijk het gevolg van eene verplaatsing van het kind naar de bekkenholte toe, waarin het hoofd met een kleiner of grooter gedeelte wordt opgenomen. Een andere reden is het uitrekken van den buikwand, waardoor het mogelijk is dat de baarmoeder meer naar voren overhelt. Aan de verminderde hoogte beantwoordt dan een grooter worden van den buikomvang. De eenige ondersteuning van de zwangere baarmoeder wordt, in staande houding, gegeven door den voorsten buikwand en zij valt zoover naar voren als de rekbaarheid van den buikwand toelaat. Als bij herhaalde zwangerschap de daling wordt waargenomen, is zij hoofdzakelijk aan de laatste oorzaak toe te schrijven, aangezien alsdan het kinderhoofd gewoonlijk eerst hij het begin van of zelfs eerst gedurende de baring in de bekkenholte wordt geperst. Hieruit volgt reeds de belangrijke invloed van den buikwand op de ligging van het kind.

Bij eerstzwangeren is de omvang van den buik aan het einde van de laatste maand, gemeten wanneer de vrouw plat op den rug ligt, ongeveer 91 c.M., gemeten in staande houding ongeveer 98 c.M. Veel waarde is aan die cijfers niet te hechten, tenzij de omvang veel grooter mocht blijken.

Die toename in omvang van buik en baarmoeder is niet alleen toe te schrijven aan den groei van het kind.

Het maakt, vooral in de laatste maanden, den indruk alsof de gedaante van den buik veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van een eenigszins in de lengte uitgerekten bol. In dien bolvormigen zak, de baarmoeder, is het kind gelegen in de eivliezen of den vruchtzak, een dunne, gladde, doorschijnende, overal gesloten blaas, welke gevuld is met een vocht, dat zich gedurende den groei van het kind daarin ophoopt en den naam van vruchtwater draagt. Daarin ligt het kind met gebogen rug en nek, het hoofd met de kin op de borst, de bovenarmen tegen het lichaam, de onderarmen naar elkander gericht voor de borst, de beenen opgetrokken met de knieën op de borst, zoodat het gemakkelijk plaats vindt in de bolvormige holte van de baarmoeder. De overblijvende ruimte wordt door het vruchtwater ingenomen. Meestal ligt het kind, tenminste in de laatste maanden van de zwangerschap, met het hoofd naar beneden gericht, somtijds met den stuit, zeldzamer met het aangezicht of het voorhoofd het laagst, of geheel dwars in de baarmoederholte.

De eivliezen bekleeden de binnenvlakte van de baarmoeder, ongeveer als de voering van een gevoerden zak, losjes, doch op een enkele plaats zijn zij vaster verbonden. Daar ligt de moederkoek, welke, als een sponsachtig geweven, vleezige platte koek, met eene oppervlakte ter grootte van omstreeks twee handen en een dikte van een paar centimeters, innig verbonden is met den baarmoederwand, ongeveer op de plaats waar het eitje zich, na de intrede in de baarmoeder, als het ware ingeplant had.

Zooals wij weten ontwikkelden zich, spoedig nadat het eitje in de baarmoeder was opgenomen, aan zijne oppervlakte bloedvaatjes, welke in verbinding traden met de moederlijke bloedvaten in den wand der baarmoeder, waardoor het mogelijk was dat het eitje gevoed werd. Die verbinding breidde zich, gelijken tred houdende met de ontwikkeling van het eitje, over eene grootere oppervlakte uit en nam geleidelijk in dikte toe. Die dikkere verbinding, niet alleen uit bloedvaten bestaande, doch tevens uit een weefsel, gevormd door het optreden van cellen, welke met elkander in samenhang bleven en zoowel de aanhechting steviger maakten als de bloedvaten tot steun en onderlaag dienden, is de moederkoek.

Naarmate zich het kind in het eitje aanlegde, werd daarin ook het vruchtwater gevormd, dat, daar het ei zich langzamerhand in een blaasje veranderde, waarin het kind ruimte kreeg ter ontwikkeling, dat blaasje vulde. Met toenemende ontwikkeling van eiholte en kind puilt het ei in de holte van de baarmoeder, welke door haren groei meer ruimte aanbiedt, uit, zoodat de dunner wordende wand van het eitje, later de eivliezen genoemd, ten slotte overal de binnenvlakte van de baarmoederholte aanraakt en er losjes mede vergroeit, terwijl de verbinding ter plaatse waar de moederkoek ligt veel inniger is.

Met die uitpuiling gaat toeneming in omvang en binnenruimte van het ei gepaard, waarin het kind dus ruimte vindt en zich meer en meer van de plaats verwijdert waar de moederkoek ligt. Doch met die moederkoek blijft het kind verbonden, ter wille van de voeding, welke het verkrijgt uit de bloedvaten der moeder. Die verbinding bestaat ten slotte uit eene ongeveer ½ meter lange, dunne, licht gedraaide streng, de navelstreng genoemd, welke van de moederkoek uitloopende zich bij het kind iets beneden het midden tusschen hoofd en voeten inplant. Door die streng heen loopen drie bloedvaten, welke eenerzijds, door bemiddeling van de moederkoek, in verbinding staan met den bloedsomloop der moeder, anderzijds met den bloedsomloop van het kind. Langs dien weg ontvangt het kind van de moeder alles wat het noodig heeft. En wat heeft het kind noodig? Allereerst voedsel, ter ontwikkeling. Doch ook zuurstof, een gasvormig bestanddeel van de lucht, dat voor het leven van den mensch even onontbeerlijk is. De geboren mensch verkrijgt dat bestanddeel uit de lucht door de ademhaling. De zuurstof wordt door de longen uit de lucht in het bloed opgenomen en door het lichaam gebruikt. Een ander gas, ontstaan bij de processen welke zich in het menschelijke lichaam afspelen, doch dat schadelijk is als het in het lichaam zou blijven, wordt bij de ademhaling, door de longen, uit het lichaam verwijderd. Dat moet dus ook bij den ongeboren mensch geschieden. Ook het kind moet de zuurstof, welke het noodig heeft, ontvangen en het andere, schadelijke, gas, het koolzuurgas, kunnen verwijderen. Doch daar het kind in eene holte ligt, welke geen gemeenschap met de buitenlucht heeft en daarenboven met vocht gevuld is, waarin het onmogelijk is adem te halen, wordt in de gaswisseling op andere wijze voorzien. Dat gebeurt door middel van de bloedvaten, welke door de navelstreng loopen. Door een van de drie bloedvaten vloeit het bloed van de moederkoek naar het kind toe en brengt het de noodige voedingsstoffen en de zuurstof in opgelosten toestand, door de twee andere bloedvaten vloeit het bloed van het kind naar de moederkoek toe, met zich voerende de stoffen welke het kind niet gebruiken kan, dus ook het schadelijke koolzuurgas, ten einde die daar af te geven aan het moederlijke bloed. Door middel van den bloedsomloop in de moederkoek en hare verbinding met het kind langs de navelstreng, voorziet dus de moeder, door eigen ademhaling en spijsvertering, haar kind van alles wat het noodig heeft en bevrijdt zij het van schadelijke en onbruikbare stoffen. De moederkoek blijkt dus een zeer belangrijk orgaan, als de eenige onmiddellijke verbinding tusschen moeder en kind, waarin alle wisselwerking tusschen beiden plaats grijpt.

Moederkoek en eivliezen vormen te zamen de nageboorte, welke eenigen tijd na de geboorte van het kind, wanneer het die hulp van de moeder niet meer behoeft, wordt uitgedreven.

Dit alles bedenkende, namelijk den groei van een tot ontwikkeling komend levend wezen in het lichaam der aanstaande moeder, waar binnen het ruimte vergt, met terzijde schuiving van wat de toeneming in omvang van zijn schuilplaats zou kunnen belemmeren, van een organisme dat zijn voedsel ontvangt uit de bloedsbestanddeelen der vrouw, dat, in grootte toenemende, in dien groei het moederlijk lichaam op vele en velerlei wijzen betrekt, is het te begrijpen, dat onaangename verschijnselen zich bij de aanstaande moeder kunnen voordoen.

Wij weten echter uit ervaring dat, van nature alles geleidelijk geschiedende, de gezonde vrouw over het algemeen die onaangenaamheden slechts in betrekkelijk geringe mate ondervindt en zij kan nu eenigermate begrijpen, hoe zij, door zorg voor eigen welzijn, ook en vooral gedurende dezen belangrijken tijd, veel tot den gunstigen toestand van haar zelve en van haar kind kan bijdragen.

Eenige algemeene en bijzondere beschouwingen in die richting willen wij hier geven.

Heel in ’t algemeen kan men zeggen, dat alles wat de gezondheid bewaart of der gezondheid bevorderlijk is, ook van toepassing is op de zwangere vrouw. Zij heeft te begrijpen, dat zoowel het zwanger worden als het zwanger zijn en het baren, natuurlijk is, dat van nature—dus natuurlijk—alles geschiedt zooals het geschiedt en zelfs afwijkingen natuurlijke afwijkingen zijn. Dat sluit evenwel niet in zich, dat men afwijkingen als zoodanig maar moet laten doorwerken of bestaan. Integendeel, het is even natuurlijk dat de mensch, die de natuur tracht te beheerschen, ook hier dat doel najaagt en tracht afwijkingen te niet te doen of te verkleinen. Zoo begrepen is elk geneesheer natuurgeneesheer, een woord dat gewoonlijk niet op hem wordt toegepast. Het moet begrepen worden, ook door de zwangere vrouw, dat men in oogenblikken van onbehaaglijke gevoelens, hoe en wanneer zich die ook voordoen, of men slechts van onaangename gevoelens dan wel van ziekte spreekt, zich met vertrouwen alleen kan en mag wenden tot die menschen, die, door studie en ervaring in de praktijk, meer en beter weten wat er in het menschelijke lichaam gebeurt dan alle anderen, die—zonder dat—beweren beter op de hoogte te zijn. Deze waarschuwing is te meer noodig, en kan niet dikwijls genoeg herhaald worden, omdat iedere vrouw die kinderen gebaard heeft, maar ook zij die dat niet gedaan heeft, doch bij dergelijke gebeurtenissen tegenwoordig geweest is, meent de aanstaande moeder, vooral in de eerste zwangerschap, van raad te moeten dienen, een euvel dat nog steeds bestaande en waartoe, wij ontkennen het niet, aanleiding bestaat, omdat het voortspruit uit den onwillekeurigen drang om anderen te helpen, in niet geringe mate nadeelig op de zwangere vrouw kan inwerken. Het feit dat gewoonlijk geen enkele dier raadgeefsters ook maar de geringste kennis heeft van den bouw van het menschelijke lichaam, van de verrichtingen der organen, van de invloeden, zoowel die van buitenaf als die van binnen uit op bouw en verrichtingen inwerken kunnen, moest de denkende vrouw reeds van te voren doen begrijpen, dat zij van die zijde geen juiste inlichtingen bekomen kan.

In het algemeen behoeft de mensch, om gezond te blijven, afwisseling tusschen arbeid en rust, heeft hij zorg te dragen voor zijn lichaam, d.w.z. voor behoorlijke samenwerking van alle organen, die, hoewel ontleedkundig te scheiden, toch—en vooral in hunne werkingen—verband houden. Geen lichaam kan gezond heeten, waar een of meer organen afwijkingen vertoonen. Wie begrijpt dat het levende lichaam voortdurend slijt en voortdurend zich herstelt, begrijpt ook, dat de mensch heeft zorg te dragen, dat slijtage en herstel zoo regelmatig mogelijk plaats hebbe, omdat elke onregelmatigheid daarin zich voordoet als ziekte. Niet ten onrechte spreekt men van ziekte en herstel, al wordt niet bedacht, dat men met het woord ziekte zich eenzijdig beperkt tot het noemen van verschijnselen, die eene tijdelijke versterking of opeenhooping aan het licht brengen van de verschillen, welke altijd geldig, in den regelmatigen gang van het levensproces niet tot bewustzijn komen.

Het lichaam heeft behoefte aan arbeid, frissche lucht, voeding, reinheid, uitscheiding van afgewerkte stoffen, in regelmatigen gang en afwisseling, en de mensch, die gezond wil zijn, behoort daarop te letten, met inachtneming van de verschillen welke elk individu, in verhouding tot anderen, openbaart. Hieruit volgt, dat regelen, daarvoor aan te geven, niet anders kunnen zijn dan algemeene regelen.

Hetzelfde geldt voor de zwangere vrouw. Zij zorge dus voor regelmatige beweging in de frissche buitenlucht. In de steden zoeke zij daarvoor de plaatsen op, waar zij die frissche lucht zooveel mogelijk kan genieten. Reeds daardoor kan zij gunstigen invloed uitoefenen op gemoedsstemming, op slaap, op goede werking van zenuwstelsel, bloedsomloop en spijsverteringsorganen. Het weder mag daarop in zooverre van invloed zijn, dat zij zorg drage voor eene kleeding, waarbij rekening gehouden is met de weersgesteldheid. Kan zij zich moeilijk bewegen of wordt zij spoedig moe, dan is het rijden in de frissche buitenlucht toch altijd beter dan een voortdurend verblijf binnenshuis. Ook binnenshuis zorge zij dat frissche lucht en zonnelicht onbeperkt kunnen binnentreden, de eerste ook des nachts. Als van zelf sluit zich daarbij de raad aan, om alle ruimten te vermijden, waarin, door aanwezigheid van veel menschen, de lucht te warm en bedorven wordt, te meer omdat zwangere vrouwen gemakkelijk aan duizeligheid of onmacht ten prooi zijn. Zelfs sterke behoefte aan rust, zooals dat nog al eens voorkomt in de eerste en laatste maanden der zwangerschap, vooral wanneer de slaap te wenschen overlaat of allerlei ongemakken bestaan, mag niet leiden tot verwaarloozing van beweging in de reine frissche buitenlucht. Er blijft nog genoeg tijd over om rust te nemen. Voortdurend rusten wordt geacht nadeelig te werken o.a. in dien zin, dat het gewicht van het kind toeneemt en het tijdstip der bevalling wordt verschoven.

Is arbeid goed, te inspannende arbeid en bewegingen, welke het lichaam aan sterk schokken kunnen blootstellen, zooals springen, dansen, sport, ook paardrijden en het rijden in wagens over hobbelige wegen, zijn te vermijden, evenals het tillen en dragen van zware lasten, het langdurig arbeiden met de naaimachine en dergelijke. Het wielrijden als zoodanig zou geen bezwaar zijn, indien, afgezien van eenige begrijpelijke moeilijkheid bij toenemenden omvang van den buik, het gevaar niet bestond van vallen, zoo niet door eigen toedoen dan toch door toedoen van anderen. Hetzelfde geldt voor het schaatsenrijden. Automobielrijden kan geen kwaad, doch niet te lang achtereen en niet te snel, wegens gevaar van stooten en snelle schokken.

Het reizen behoeft niet te worden nagelaten, als de ontwikkeling van de zwangerschap en die van vorige zwangerschappen regelmatig geweest is. Als dat laatste niet het geval was, mag de reis slechts indien onvermijdelijk ondernomen worden. Men hoort gewoonlijk beweren, dat door het reizen miskraam, d.i. afbreken der zwangerschap in de eerste maanden, kan voorkomen. Die bewering wordt niet geheel ten onrechte geuit, doch men bedenke daarbij, dat door de reis de miskraam, bij daartoe bestaanden aanleg, vroeger tot stand komt dan het geval zou geweest zijn, als de reis niet ondernomen was. Wij bedoelen hiermede te zeggen, dat een gezond ei, in eene gezonde baarmoeder, niet of hoogst zelden door een reis, vermoeienis, schok of gemoedsbeweging zal worden uitgestooten, in het algemeen dus de reis en de andere invloeden de uitstooting van een ziek ei verhaast hebben. Korte reizen kunnen zelfs weldadig werken, doordien zij lichaam en geest verfrisschen, de gemoedsstemming verbeteren. Lange reizen zijn evenwel te vermijden, alsmede het reizen in den tijd dat de menstruatie had moeten intreden, en vooral omstreeks het einde van de derde maand en tegen het einde der zwangerschap. Kan een lange reis niet vermeden worden, dan is het gewenscht daarin langere of kortere tijden van rust op te nemen. De beste tijd voor reizen is dan tusschen de vierde en achtste maand. Wordt eene vrouw op de huwelijksreis zwanger, dan vermijde zij alle inspannende toeren te voet en het bestijgen van bergen, en verblijve zij zoo lang mogelijk rustig op dezelfde kalme plaats.

Ook de geslachtsgemeenschap behoeft niet te worden nagelaten, doch behoort die met mate en omzichtigheid te geschieden. Voorzichtigheid is vooral aan te raden gedurende den tijd dat de menstruatie had moeten intreden. Men vermijde haar wanneer de vrouw er tegenzin in heeft of de onaangenaamheden der zwangerschap er door versterkt worden. Anderszins moet, wanneer de vrouw vermeerderden lust daartoe vertoont, door den echtgenoot daaraan worden tegemoet gekomen, terwijl de man zijne lusten, waar dat der vrouw hinderlijk is, moet weten in te binden.

Door zelfbeheersching kan hij in dit en andere opzichten veel bijdragen tot den goeden toestand der vrouw gedurende hare zwangerschap. Dan toch is hare gemoedsstemming, zooals wij reeds opmerkten, dikwerf zeer wisselend, is zij vaak prikkelbaar, zoodat alle gebeurtenissen sterker op haar inwerken. Dan heeft de man de schoone taak, door geduld en liefdevolle toewijding, door het aanbrengen van afleiding en afwisseling, door vermijding van driftige toespraak of prikkelende handelingen, tot steun te zijn; door behoedzame mededeeling zoowel van zeer aangename als van treurige tijding het zijne bij te dragen tot een zoo rustig mogelijk voorbijgaan van dien voor vrouw en kind zoo belangrijken tijd. Vooral zal dat noodig zijn bij de vrouw van zwakken wil. Wanneer er aanleg toe bestaat, kan de zwangerschap ontijdig worden afgebroken door angst, hevigen schrik en groote vreugde. De vrouw met sterken wil, met sterk verlangen naar het moederschap, zal de onaangenaamheden der zwangerschap gewilliger en gemakkelijker dragen en te boven komen. In de zwangerschap, als in alle ernstige gebeurtenissen des levens, blijkt vooral van hoe grooten invloed de opvoeding, ook in geestelijk opzicht, is.

Een rustige slaap werkt gunstig en weldadig op het zenuwleven. Hij wordt, behalve door het bovengenoemde, bevorderd door vermijding van langdurige avondgezelschappen tot laat in den nacht en van het uitgaan, waarbij de zenuwen geprikkeld worden. In het algemeen geldt, dat, wie ’s nachts goed geslapen heeft, overdag niet behoeft te rusten. De slaapkamer zij ruim, hoog, goed gelucht, zonnig, gemakkelijk te reinigen en, voor wie ’t behoeft, ’s winters matig verwarmd, het bed niet te zacht, de bedekking niet te zwaar en te warm.

Van groot belang is reinheid van het geheele lichaam en reinheid op lijf- en beddegoed. Het gebruik van lauwwarme baden, (33°–36° C., 27°–29° R.) in den winter, ’s zomers wat kouder, gedurende de geheele zwangerschap is aan te bevelen. Men moet zich goed met zeep afwasschen, zich goed afdrogen en na het bad schoon goed aantrekken. De meening, dat zulke baden een bijzonder gunstigen invloed op het verloop der baring zouden uitoefenen mist, als daarmede een rechtstreekschen invloed bedoeld wordt, allen grond. Bij prikkelbaarheid van het zenuwstelsel en slechten slaap kan een dergelijk bad, dagelijks genomen, gunstig werken, doch men raadplege daaromtrent den geneesheer. In het algemeen geldt de regel, dat men niet minder, doch ook niet meer moet baden, dan men voor de zwangerschap gewoon was. Voetbaden, water van 33°–41° C., (27°–33° R.), kunnen genomen worden, doch beter is het, als de vrouw het zelf niet doen kan, de voeten door eene hulp te laten wasschen. Zee- of koude rivierbaden behoeven door haar, die er aan gewend zijn, niet altijd te worden nagelaten, tenzij de temperatuur van het water beneden 19° C. (15° R.) daalt. Ook mag het bad niet lang duren. Vooral bij zeebaden lette men er op, dat de golfslag niet te sterk mag zijn en beperke men den tijd tot eenige minuten. Ook zwemmen kan worden toegestaan, waarbij men evenwel te bedenken heeft, vooral bij het zwemmen in diep water, dat de zwangere vrouw gemakkelijk onderhevig is aan duizeligheid en flauwten.

De geslachtsdeelen moeten dagelijks, een of tweemalen, met schoon lauwwarm water en zeep gereinigd en daarna goed afgedroogd worden. Te lange haren daar ter plaatse knippe men af. Nooit wassche men met een spons, doch met de hand of met zuivere ontvette verbandwatten, ook kan men een zachten doek gebruiken die dan telkens, het best door uitkoken, gezuiverd moet worden. Bij neiging tot opengaan van de huid aan de binnenvlakten der dijen en in de omgeving der geslachtsdeelen, in de plooi van den buik boven den Venusheuvel en onder de borsten, bepoedere men deze deelen na reiniging en zorgvuldig afdrogen, met een of ander strooipoeder, b.v. talkpoeder, witte pijpaarde of alsol-strooipoeder.

Als scheedespoelingen noodig zijn, verrichte men die als op bl. 30 is aangegeven. Bij sterke afscheiding (witten vloed) verdient het aanbeveling, nadat de geslachtsdeelen voor het naar bed gaan gereinigd zijn, een propje verbandwatten in de schaamspleet te leggen, waarin, gedurende den nacht, het uit de scheede komende vocht wordt opgevangen.

Ook lauwwarme zitbaden gedurende 5 à 10 minuten, niet langer, zijn aangenaam en reinigend en bevorderen vaak gemakkelijke ontlastingen; de temperatuur van het water ongeveer 40° C., (32° R.). Men houde een ketel met heet water naast zich gereed, om nu en dan wat heet water bij te gieten, teneinde het water op temperatuur te houden en te sterke afkoeling te voorkomen. De geschiktste tijd daarvoor is onmiddellijk voor het naar bed gaan.

Deze reinigingen kunnen vaak veel bijdragen tot het bestrijden van jeuk aan de uitwendige geslachtsdeelen.

De voeding zij zooveel mogelijk de gewone, met inachtneming van de gevoeligheid der spijsverterings-organen; de hoeveelheid voedsel in ’t algemeen noch te klein noch te groot. Meestal is in het begin van de zwangerschap de eetlust verminderd, na de vierde maand dikwijls vermeerderd. Men trede daartegen niet op met de opmerking, dat, wat het eerste verschijnsel betreft, de zwangere vrouw voor twee moet eten; wat het tweede betreft, dat hongeren en vasten den buikomvang zouden verminderen, het kind klein zou blijven en de baring dus gemakkelijker gaan zou. Als vermindering van den eetlust gepaard gaat met stoornissen in de spijsvertering heeft men daarop bij de voeding te letten. In ’t algemeen is matigheid in het stillen van honger en dorst te betrachten, dus geen maagoverlading. De laatste maaltijd worde, met het oog op een gerusten slaap, niet later dan twee of drie uren voor het naar bed gaan genomen. Doch ook hierbij hangt veel af van gewoonte, vele vrouwen slapen juist geruster als zij kort van te voren iets nuttigen.

De beste drank is frisch, koud water. Geringe bijvoeging van wijn alsook licht bier zal geen nadeel brengen, doch alle dranken, welke veel alcohol bevatten, zooals dessert-wijnen, likeuren, zwaar bier, zijn af te keuren. Zij werken zenuwprikkelend en slaapstorend.

Met kracht moet worden opgetreden tegen het aanprijzen van zoogenaamde versterkende middelen, voornamelijk tegen het gebruik van groote hoeveelheden melk. Wanneer het noodig is, zal de geneesheer ook hier den weg wijzen. Vóór alles dient gezorgd, dat alle voedsel behoorlijk gekauwd wordt, waartoe een goed gebit een hoofdvereischte is. Daarmede wordt het voedsel niet alleen behoorlijk verkleind en met speeksel vermengd, doch wordt het ook geschikter voor verwerking in de spijsverteringsorganen, zoodat het lichaam er het grootst mogelijke nut van trekt. Bovendien zal zij die daarop let—en dit geldt ook buiten de zwangerschap—niet alleen minder last hebben van stoornissen, als zuuroprispen, abnormale gisting en rotting in de ingewanden, met de gevolgen daarvan, als opgezetten buik door gasophooping in de darmen, hoofdpijnen en allerlei andere onaangenaamheden, maar inderdaad in vele opzichten haar weerstandsvermogen tegen ziekten verhoogen. Behalve goed kauwen van het voedsel, is eenzijdigheid in de voeding te vermijden.