Part 9
Bogaerts, die sedert zijn eerste bezoek, den dag van Mieke’s komst, een vaak en gaarne geziene huisvriend werd, gedroeg zich steeds voorkomend tegenover het meisje. Hij behandelde haar altijd uiterst beleefd en welwillend, ofschoon Mieke zich wel eens verbaasd afvroeg hoe ’t kwam, dat een mensch zoo wonderlijk de woorden uitsprak en zich zulke vreemde gebaren had eigen gemaakt—niettemin door de familie om strijd als „hoogst gedistingeerd” geprezen—in niets gelijkend op wat zij kort geleden nog voor natuurlijk en gangbaar had gehouden. Zij stelde z’n voorkomendheid toch zeer op prijs, voelende, dat deze voortkwam uit welgezindheid. Ze mocht hem wel lijden. Liever dan de meeste van tante’s en Olga’s vriendinnen. De eersten vereerden haar gewoonlijk slechts met genadige knikjes en karige woorden, in haar hart Sophie beklagend altijd met zoo’n kind opgescheept te zitten... Olga’s vriendinnen echter waren niet onaardig voor haar, sommige zelfs heel lief, maar allen, zonder onderscheid, behandelden haar min-of-meer als iemand, die niet meetelde. Mieke voelde duidelijk hoe zij, een aanstaand onderwijzeresje, een onbeteekenend buitenmeisje, nu eenmaal door den „intellektueelen kring” van Olga’s kennissen (’t woord was van Olga) niet voor vol werd aangezien. Men gaf zich hier geen rekenschap van, volstrekt niet, men dàcht er zelfs niet over, omdat het de natuurlijkste zaak ter wereld was. Men bemerkte immers onmiddellijk hoe Mieke geheel naast aller levenswijze, studiebelangen, kunstbeoordeelingen en idealen stond. Wat zou zij daar ook van begrijpen?... Zij kende niet eens de bekendste namen, de meest vooraanstaande personen, om wie alles draaide in die sfeer; geen proffen, schrijvers, noch filosofen of artisten,—niet de „chic” en de „flirts” onder de jongelui. Neen, hóógstens kon je een praatje met haar aanknoopen over onbenulligheden als haar lessen en het huishouden, over ’t weer of ’s zomers buiten,—en dat geschiedde dan steeds op den toon van nederbuigende vriendelijkheid met een supérieur airtje van luisteren als van een goedig groot mensch, dat zich een beetje verveelt, naar een klein kind. Mieke kende deze manier, en haar trotsch hartje verfoeide die in stilte. Zij antwoordde daarom meestal schaars, en men vond haar na zoo’n gewoonlijk slecht vlottend discours niet zoo bijster aardig en bewonderde Olga’s takt om met een zoo weinig toeschietelijk, spaarzaam sprekend meisje om te kunnen gaan.
En onopgemerkt vergleden voor Mieke de dagen, veel tijd voor haarzelve schoot er niet over, want menigmaal ook werden haar vrije oogenblikken door tante Sophie geëxploiteerd om haar te laten mazen en stoppen, iets waarin ze heel bedreven was, en waarvoor tante haar onlangs uit overloop van tevredenheid, toen ze een berg kousen en jaegergoed in orde had gebracht, een paar handschoenen cadeau maakte.
De uurtjes met Loes doorgebracht werden de grootste lichtpunten voor Mieke, doch deze waren niet zoovele als de meisjes graag hadden gewild. Beider schooltijden liepen vrijwel uiteen, zoodat er maar slechts enkele uren tot samenwerken overschoten. Maar vooral op de Zondagmiddagen hoopten zij. Eenige malen hadden ze bij goed weer een wandelingetje gemaakt langs den zelfkant der stad, waar voor Mieke de herinnering opleefde aan thuis en ’t dorp. Loes meende haar daarmee een plezier te doen, maar ’t stemde Mieke nameloos weemoedig. Ze had zóó wel weg willen loopen, ver weg van de uitgestrekte huizenmassa, die den ganschen horizon afsloot! Torens, schoorsteenen, huizen, muren, een groot, onmetelijk groot gevaarte, die stad, die haar den gezichtskring afsloot en waar zij moest leven haar bestaan van plicht en gehoorzaamheid. Hoe benauwde haar de gedachte hier straks weer in te moeten terugkeeren, tusschen het tjingelen der trams en het gejacht der menschen. Altijd, àltijd voelde zij er zich alleen, zelfs ondanks de liefderijke voorkomendheid van Loes, die haar gevoelens in deze toch nooit geheel zou kunnen begrijpen en tot wie ze hierover dan ook maar liever niet eens sprak. Zij was er zeker van, Mieke, dat ze, indien ze er met grootmoeder, met dominee Rensen, met de Wije’s ware, zich wèl zou hebben thuis gevoeld, omdat ze dan geweten had te midden van hen iets eigens te vinden. Met het vooruitzicht evenwel straks weer naar de familie te moeten, werd haar zulk een wandeling een marteling op den terugweg. En zij verzocht haar nichtje maar liever met haar door ’t park of langs de havens of in de stad te gaan, en Loes, in de verbeelding dat dit Mieke meer interesseerde dan buiten, wat goed beschouwd eigenlijk geen buiten was, sleepte haar mee door de Jodenbuurt, voorbij de entrepots, langs nauwe, oude straatjes en grachtjes, naar stille, antieke hofjes, of wel naar de musea, wat Mieke allemaal bijzonder veel belangstelling inboezemde, wat ze prachtig vond en overweldigend, maar veelal ook ontzettend vermoeiend,—behalve dan de hofjes, waar ze de voorkeur aan gaf, evenals Loes, die daar rijkelijk heur fantasie liet weiden in grijze jaren, Mieke meetrekkend in haar romantische bespiegelingen.
Dit alles bezorgde Mieke langzamerhand ook een zekere gemakkelijkheid van bewegen. Zij verbaasde zich niet meer zoo spoedig en over allerlei als in ’t begin. Zij gewende aan bijzonderheden, al trof haar van veel wat ze zag de schoonheid méér dan Loes, die erbij was opgegroeid. Mieke had hiervoor een open oog en oom Egbert, die plezier kreeg in beider genoegens, gaf routes aan en raadgevingen om nu dit dan dat te gaan bekijken en zou gaarne de meisjes vergezeld hebben als tante Sophie en Olga zoo’n uitsloverij niet dwaas zouden hebben gevonden.
Zoo zwierven ze dan op Zondagmiddagen van het eene stadsgedeelte naar het andere en Mieke’s voor indrukken nog zoo vatbaar gemoed werd hiermede overstelpt.
Soms was het haar alsof zij twee levens leefde, het ééne nog dat van vroeger, van de eenvoudige Mieke uit het mooie, vredige dorp, de Mieke met de rustige, regelmatige geaardheid, de kalme, blijde wenschen voor de toekomst, strevend naar zelfverloochening en rechtschapenheid, tevreden met haar lot en dankbaar voor het vele goede—en dan weer zag zij zich reppen om klaar te komen in ’t deftige huis met de vele visite, of ze zag zich dwalen door de onbekende stad in geheel veranderde kleeding, voelde daarbij de gejaagdheid in heel heur wezen. Haar vroeger zoo onbewuste natuur verdiepte zich opnieuw in zelfbeschouwingen, en ze zag zich achterhoudend, gehoorzamend maar uit nood, heur eigen aard verloochenend en niet strevend naar recht, slechts zwijgend om niet in botsing te komen, smachtend naar vrijheid van bewegen voor ziel en lichaam, opgesloten in een groot, mooi huis, waar geen enkele dier fraaie vertrekken haar toebehoorde, in een stad, die haar nog niets zei, omdat ze er nog niets in liefhad. Zij streden met elkaar deze beide Miekes, en ze maakten haar leven onwezenlijk en tweeledig.
Overdag had ’t meisje het te druk om hierover na te denken, ondervond ze deze sensatie slechts, afmattend soms. Maar wanneer allen des avonds ter ruste waren gegaan, kon zij vaak nog urenlang wakker liggen en peinzen met een vreemd, zwaar gevoel in haar hoofd, alsof alle geregelde gedachten ’t hadden verlaten... Hoe wàs ze nu eigenlijk?... Wat wilde zij?... Wat hoopte ze?... Alles lag verward dooreen... Vroeger had ze nooit nagedacht over idealen, maar nu hoorde ze hierover zooveel spreken, dat ook zij over de hare ging nadenken, en tegelijk datgene, wat wellicht onbewust een innig ideaal was geweest, totaal voor haar verloren ging door er zich één te willen scheppen... Maar wàt voor een?... Ze wist het niet... Had Olga idealen?... Had Erik ze?... Bij dozijnen, geloofde Mieke... Loes niet, maar wat Loes gaarne wilde vond Mieke ietwat gelijken op haar eigen doodgewone, simpele verlangens van lang vervlogen dagen. En zeker wist zij, dat, zoo men deze aanviel of belachte en ze niet voor werkelijke illusies houden wilde, zij ze tot ’t uiterste zou verdedigen als grootsch en belangwekkend, terwijl zij ze toch nimmer als zoodanig had beschouwd.
Zij was nog absoluut niet opgewassen tegen ’t machtige, dat op haar aandrong met overdonderende veelzijdigheid; zij kon zich nog niet vrij maken uit die bestorming van dat heirleger van duizenderlei aandoeningen; daarvoor was zij nog te onervaren en was haar geloof aan de eerlijkheid van ’tgeen ze hoorde en zag nog te groot, haar vertrouwen op wat ze waarnam nog te sterk. En niettemin wist zij instinktmatig zeker, dat er iets haperde aan dien schoonen schijn, omdat zij ondanks deze zich niet gelukkig gevoelde en onrustig; omdat heur trots herhaaldelijk pijn leed en omdat ze niet zeggen kon noch zeggen mòcht, wat ze vóór dezen nog nimmer had verzwegen: datgene wat ze voelde als liefderijk recht.
Eenige uren evenwel was zij toch voor een korte wijle de Mieke geweest, zichzelve bewust, levend en ademend naar den drang harer jeugd en harer liefdevolle, verlangende ziel: grootmoeders kind.—Dat was op een avond, toen ze thuiskwam van de school. En dien avond, véél meer dan op haar wandelingen met Loes buiten de stad, beving haar het oude, heerlijke gevoel, dat zij kende van vroeger op ’t dorp: de volmaakte tevredenheid-in-het-heden en de onomstootelijke zekerheid eenmaal te zullen omvademen het reine, voortdurende geluk, waarvan elk menschenkind op gezegende momenten de kiem in zich voelt... Heur jonge, sensitieve, groeiende ziel, den laatsten tijd als verbijsterd in opgeschroefden schijn, scheen tot dat uur gansch haar natuurlijke geneigdheid te hebben verloren tot zij, haar vrijheid verwervend als een te lang gevangen vogel, haar vleugels breidde en wegvloog in de richting van haar trouw Tehuis, gedreven door de onfeilbare macht van haar instinkt.
De lessen waren regelmatig verloopen en, zich meestal weinig met haar medeleerlingen bemoeiend, ging zij, evenals anders, alleen langs de stille kade, die ze gewoonlijk des avonds terugliep, huiswaarts.
Het was één dier avonden, welke meestal voorafgaan aan een periode van vorst, een avond met helderen maneschijn. Een opgewekte, wijdingvolle atmosfeer hing roerloos plechtig tusschen de hooge huizen; de kale boomen etsten in fijne graveering langs den kant van ’t kanaal, dat, glashelder, den zilver gestarnden hemel weerkaatste, met trillend een streep manezilver dringend als tot in den bodem der onbewogen gracht. In zuiver-klare omlijsting stonden de groote gebouwen als donker, scherp afgeteekend silhouet tegen de wonder stralende lucht, en rythmisch en klankrijk klonk Mieke’s vlugge voetstap op de droge straat. Het werd haar bij die pracht en dien rijkdom als ontvloden haar de dagelijksche beslommeringen met tooverslag; heur hoofd werd licht en heur hart werd blijde. Heel heur gezichtje werd overtogen met een glans van verrukking, heur oogen glansden van vrome vreugde en waren opgeheven in devotie. Zij veerde en liep met lichten tred, en hoewel gansch alleen in den wijden avond langs den doodstillen weg, voelde zij zich toch zóó verre van verlaten, en wel zóó één met den verrukkelijken avond om zich, dat er een reine weelde in heur ziel kwam, slechts te vergelijken bij de onuitputtelijke weelde van de reine zilverstralen der maan. Menigmalen had zij deze sensatie slechts ondergaan, daarginds op haar dorp, maar nu, na zooveel verdriet, vernedering en eenzaamheid, doorleefde zij het genot van zorgeloos op te gaan in ’tgeen God haar schonk, al ’t wereldsche afschuddend. De tranen stroomden haar uit de oogen van mateloos geluk, om dit beleven na zooveel tijd van smart, van heerlijke blijdschap om ’t licht na zoo langen tijd van duisternis,—en ’t was haar, stilstaande nu in die wijdte van den lichten avond, in den onbezoedelden glans van het zuivere zilver, alsof grootmoeders ziel haar beroerde... En op dat moment schoten haar dominee Rensen’s woorden te binnen: „Want weet, m’n kind, je gaat niet alleen. God is altijd met je, Mieke.”
Zij was vroom genoeg opgevoed om te weten hoe thans de adem Gods haar vertroostte, en zij had het groote, onvergelijkelijke voorrecht genoten te leeren luisteren naar die vertroosting. De zekerheid van God’s nabijheid voelde zij zegenend in de overgave en het vertrouwen van haar moede, zoekensmoede ziel, en zij vond eenige oogenblikken de rust en de kracht, die zij behoefde morgen, straks wellicht reeds, om opnieuw den strijd te kunnen strijden, die noodig was... Alles leek haar nu zoo klein en nietig, zoo gemakkelijk te overwinnen: haar trots bovenal.
Zij kwam zoo tevreden thuis! Heur smaller geworden gezichtje (men vond dat zij langer en schraler werd den laatsten tijd) had een zacht kleurtje. Ze zag er zoo aardig uit, teertjes een beetje en stil-gelukkig.
Tante Sophie zei: „Wat is je overkomen, Mieke?” heel verwonderd en wat bits.
Oom Egbert lachte even, blij verrast. „Wat zie je er goed uit, kind,”—’t deed hem blijkbaar plezier, ofschoon ’t hem eveneens scheen te bevreemden.
Olga monsterde Mieke van ter zijde, ietwat achterdochtig, heur houding niet veranderend dan door een korte opheffing van ’t hoofd. Toen las zij zwijgend verder.
Doch Loes legde zachtjes en streelend heur wang tegen Mieke’s gezichtje en zei: „Wat ben je warm, zeg,” haar pal in de oogen kijkend, vragend, wat beangst.
„’t Is zulk heerlijk weer,” sprak Mieke met een stem, hoog van ontroering en met een blik vol liefde haar arm om Loes’ schouders slaande.
Toen vroeg tante Sophie iets huishoudelijks op onaangenamen toon en was opeens al ’t heerlijke weg,—maar op den bodem van Mieke’s hart lag de onmetelijke schat van dezen schoonen avond, die Mieke helpen zou meer dan eenig mensch vermocht.
HOOFDSTUK IX.
EIGENAARDIGE TOESPELINGEN.
Het liep tegen Kerstmis; de donkere dagen waren donkerder dan ooit, en guurder en triester. Tante Sophie, wat verkouden en influenza-achtig, hield het grootste deel van den dag het bed. Haar ongesteldheid gaf veel drukte, en Mieke, op wie de extra bediening van ziekesoepjes, warme kruiken, heete melk met poedertjes, en drankjes hoofdzakelijk neerkwam, hoopte van harte op de aanstaande kerstvacantie. Mocht tante dan nóg ziek zijn, zoo zou ’t voor Mieke in ieder geval toch gemakkelijker wezen, omdat ze haar dag dan minder behoefde te verdeelen en slechts de veelvuldiger huishoudelijke bezigheden te verrichten had zonder daarbij nog zorgen te hebben voor schoolgaan en lessen-leeren. Nu liep haar hoofd dikwijls om van de massa’s ongelijksoortige beslommeringen, en spreekt het vanzelf, dat Mieke hartgrondig verlangde naar de vacantie, waarin ze tenminste van een gedeelte harer veelzijdige plichten zou bevrijd zijn.
Ondanks de ziekte van mevrouw Van der Hoeve heerschte er in huis echter niet de minste droefgeestigheid. Wel-is-waar waren vele van Olga’s en Erik’s kennissen naar hun familie buiten de stad vertrokken, zoodat er minder gasten kwamen dan vóór de studenten-vacantie, maar daarentegen verschenen tante Sophie’s vriendinnen des te vaker om, naar het heette, de zieke wat op te vroolijken. Zij hadden dan boven op de slaapkamer langdurige en min-of-meer geheimzinnige conferenties, die, wanneer Mieke onverwachts binnenkwam met thee voor de dames en ’t een-of-ander voor de zieke, eensklaps overgingen in voor ’t meisje onbegrijpelijke toespelingen en wonderlijke knipoogjes. Tante Sophie kon soms ook zeer eigenaardige dingen tot Mieke zeggen over „een buitengewoon groote verrassing” en „een groote, op handen zijnde verandering”, waarvan Mieke geen syllabe begreep, iets wat tante dan blijkbaar niet prettig vond, terwijl ze toch niet duidelijker mocht zijn naar haar zeggen, omdat ’tgeen, waarop zij doelde, nog een geheim moest blijven,—het geheim van anderen.
De mevrouwen echter schenen dit geheim toch allen te doorgronden. Zij lachten althans met verstandhouding—sommigen ook wat gedwongen—en stelden allerlei fluisterende vragen aan tante Sophie, die deze weer op raadselachtige wijze beantwoordde en van eigenaardige lachjes deed vergezeld gaan.
Bijwijlen liep Mieke over al die geheimzinnig-doenerij te prakkizeeren, daar ook Olga vreemd deed, zéér tot ongenoegen van Loes.
„Kind, wat praat je toch gekke dingen!” riep zij eens geïrriteerd uit. „Zeg dan wat je bedoelt,” en met verbazing keek Loes haar zuster aan, stil wordend opeens. Want wat haar nog nimmer overkwam: de indruk harer zusters uiterlijke bekoring trof haar eensklaps in hooge mate en onverhoeds. Eigenlijk had zij nooit zoo precies op Olga gelet. Zij hoorde wel haar schoonheid roemen, en bemerkte, hoe velen haar trachtten te imiteeren, maar zij was groot geworden met haar zuster en zag niets buitengewoons aan haar. Het verwonderde haar zelfs menigmalen, dat velen Olga zoo zochten. Waarom?... Zij wist maar al te goed, dat Olga’s vriendschap op-en-neerging met de omstandigheden harer vriendinnen: het waren slechts gefortuneerde, voorname of eminente meisjes, (of jongens) die mochten bogen op Olga’s sympathie. O, zeker, Olga kon charmant en hartelijk zijn tegen hen op wie ze het begrepen had, maar Loes vroeg zich wel eens af, of dan niemand in haar trekken las hoe nukkig, hoe koel en hard zij wezen kon. Of zou dat hen allen niet deren?... Háár deed zij dikwijls pijn en zij adoreerde Olga niet. Ze kon het niet helpen, zij verweet ’t zichzelve soms, maar ze hield niet van haar zuster, niet innig tenminste, zooals haar hart ’t verlangde. Een zekere band van gewoonte en gemeenschappelijke belangen bond haar-beiden, ook vaders liefde voor z’n twee meisjes, die Loes zich verplicht voelde te moeten deelen,—maar tevergeefs zocht de jongere naar een teeder sentiment, een sterk vertrouwen als ze aan de oudere dacht, en zij voelde daarin maar al te vaak gemis, verdriet zelfs somtijds.
Nooit hadden de zoo algemeen geroemde gaven harer zuster dus in die mate indruk op haar gemaakt als op buitenstaanders. Thans evenwel kwam ook zij eenige oogenblikken onder de macht ervan, werd ook zij voor een korte wijle geboeid door Olga’s nog nooit zóó overbluffend uitkomende schoonheid en houding als nu. Voor de eerste maal zag zij haar zooals anderen haar zagen, en Loes’ blik ging één moment in sterke bewondering langs haar zuster. Zij was onthutst. Evenals Mieke gevoelde zij zich nietig worden; maar ook in háár kwam die felle onwil als in Mieke, toen deze nog vocht om haar standpunt van gelijkheid met het bevoorrechte nichtje... Doch dit alles duurde slechts kort. Loes werd spoediger nuchter dan Mieke; zij had zich ook niet voor ’t vervolg te beveiligen, gelijk deze. Zij ging zich afvragen, waaróm Olga haar zoo opeens getroffen had. Hoe kwam het, dat zulk een overweldigende triomf van haar afstraalde?... Loes verdiepte zich in mogelijkheden, meer nog dan Mieke, wier aandacht door honderderlei andere kleine en groote beslommeringen in beslag werd genomen. Loes had een hekel aan die geheimzinnige apartjes van Olga met mama... En papa deed net of hij van den prins geen kwaad wist, maar z’n jongste geloofde daar niets van. Doch hij zag nu niet zoo buitengewoon glorieus, integendeel; door z’n aan de slapen reeds grijzend haar woelden dikwijls, terwijl hij in blijkbaar niet zeer opgewekte gedachten verzonken was, z’n vingers, afglijdend langs z’n voorhoofd om lang de gesloten oogen te bedekken.
Dan deed Loes jolig, aaide eens over z’n hoofd, en zei: „Vertel eens, wat eraan scheelt? Wat mankeert jullie toch allemaal?”
En vader herstelde zich, deed ook jolig, luchtig zelfs. „Ach,” zei hij, afwerend, „je droomt een beetje. Wat zou ons mankeeren?”
Na een ongesteldheid van omstreeks veertien dagen kwam in mevrouw Van der Hoeve’s toestand (als je ’t zoo noemen wilt) schielijk een onverwachtsche beterschap. Het verwonderde Mieke reeds verscheidene dagen, dat tante Sophie nog maar steeds niet naar beneden ging en haar kamer bleef houden, want naar haar meening was de verkoudheid en de lichte influenza-aandoening reeds lang geweken. Zij zag er best uit en at met smaak, maar liet zich nog altijd bedienen en Mieke het vuur uit de sloffen loopen. Tante bleef echter nog wat pruilen van pijntje-hier en pijntje-daar, totdat eensklaps, een week voor Kerstmis ongeveer, zij besloot naar beneden te gaan, welk plotseling besluit Mieke met bevreemding maar ook met een zucht van verlichting vernam, hopende nu eens een paar uurtjes voor zichzelf te zullen krijgen.
Hoeveel inniger en vromer echter ging zij andere jaren het Kerstfeest tegemoet, als in de pastorie of in het vriendelijk kerkje de Kerstboom brandde; hoe hadden haar dan de tranen over de wangen geloopen van vreugde om aller blijdschap. Wat hadden de warme woorden van den ouden predikant haar zulke uren ontroerd en hoe vaak had zij zich—dagen van heel jong kind doemden op in haar herinnering—niet voorgenomen beter te worden dan zij was, zich waardig te toonen, dat ook om háár het groote Licht geboren werd, dat gansch de menschheid het duister zou verhelderen en den weg zou wijzen naar liefde en vrede, zoo men dien weg maar gaan wilde met zelfverloochening, volharding en geestdrift. En hoe menigmalen had Mieke het hart van zulk een geestdrift geklopt! Altijd, àltijd had haar vóór het groote feest die stemming van wijding en vrede beheerscht, kwam haar, vooral de laatste twee jaren, altijd opnieuw het krachtig voornemen doordringen zichzelve te volmaken naar het welbehagen van den Schepper, Die het Licht gezonden had. Thans echter, afgetobd en zonder groote blijdschap, hoopte zij slechts op eenige kalme uurtjes, alleen aan zichzelf te zijn overgelaten, om èven te kunnen nadenken over wat haar andere jaren zoo spontaan en innig verheugde, en wat haar nu wel niet onverschillig, nochtans zonder diepe ontroering liet. Iets van vroeger wilde ze trachten terug te vinden boven, tusschen grootmoeders oude meubeltjes op ’t scheeve kamertje.
Doch, leek het of eenige verpoozing voor haar niet uitgesloten was, spoedig begon die vreemde stemming in huis, welke ze al sedert eenige dagen waarnam, die geheimzinnigheid, over te slaan naar toenemende agitatie.
Tante, gedurende haar ziekte vrij geduldig en niet onvriendelijk voor haar verzorgster, bleek meer-en-meer nerveus te worden, en ook Olga’s hoog gespannen zelfbewustheid scheen te verslappen tot prikkelbaarheid en ongedurigheid. Zij zag er nu moe en kribberig uit, en om een haverklap bitsten er meeningsverschillen tusschen mama en haar.
Tot eindelijk, twee dagen vóór ’t Kerstfeest, de onrust in huis haar toppunt bereikte. De meiden werden gejacht, de suite moest, op Olga’s uitdrukkelijk verlangen, geheel-en-al worden uitgehaald en opgepoetst. Het werd een gestof en gewrijf en gedraaf, waaraan de heele dames-familie, behalve Loes, die met een sierlijken wuif éclipseerde, deelnam. En Mieke merkte geen ziertje van haar inmiddels aangebroken vacantie.
Olga voerde de leiding, totdat bij een tijdelijke viering der strakke teugels de werkpaardjes herademden.
De suite kreeg, onder deze geduchte behandeling, echter een aspekt van weelde en van zeldzamen glans; de zenuwachtigheid der beide dames leek, na deze prestatie van buitengewone netheid, eenigszins bekoeld, verslapt bijna. Ze schenen mat en lusteloos, hoewel toch den volgenden dag beider agitatie weer toenam.
Men zou dien dag zeer vroeg aan tafel gaan. „Er wordt bezoek verwacht,” zei mama, en Loes, die zich door al die vreemde toespelingen in het hoofd had gezet: „Er komt zeker een Kerstboom, dat is de verrassing,” liet teleurgesteld die hoop varen... Bezoek!... Was dat alles?
Mieke zei bij zichzelf, dat ze blij zou wezen als dit zoo onrust-barende bezoek nu maar goed-en-wel achter den rug was, wanneer dit althans ’t einde beteekende van de inspanning der laatste dagen en van dat eigenaardig gefluister, ’twelk haar een gewaarwording gaf van onbehagen, alsof ze heimelijk in ’t ootje werd genomen, wat echter, wist ze, toch volstrekt niet ’t geval was.