Mieke

Part 10

Chapter 103,702 wordsPublic domain

Olga zat vreeselijk te drijven aan tafel: men moest zoo vlug mogelijk af-eten om tijd over te houden zich te verkleeden; en ondertusschen ontdekte zij, dat, in de overgroote drukte van gisteren en vandaag, men er niet op had gelet, dat de banketbakker de kersttaart niet had gebracht, die besteld was voor vanavond en morgen, terwijl er ook nog eenige kleinere boodschappen vergeten waren af te doen. Dit werd een chapiter voor nieuwe onrust... Betje kon onmogelijk gemist worden. Zij moest opendoen, bedienen en dergelijks. Johanna, ’t keukenmeisje, mocht niet binnenkomen. Zij was veel te lomp en had roode winterhanden. Bovendien bestelde mevrouw voor den eersten Kerstdag een uitgebreid menue, daar de gasten dien dag ook nog zouden blijven, dus was Johanna’s arbeid zóó noodig in de keuken, dat...

Olga’s doorgaans zoo beheerschte, bijna flegmatische manier van doen sloeg over naar zenuwachtige gejaagdheid en spanning. Mieke echter, hoe moe ook, sprong dadelijk bij. Ze voelde, hoe dit ook van haar verlangd werd.

„Laat mij maar gaan,” onderbrak zij de kijverige bespiegelingen van Olga en tante Sophie, die elkaar verweten, dat zij dit-en-dat konden vergeten. „Zeg maar waar ik naar toe moet en wat ’t wezen zal.”

„’t Is ’t eenige wat erop zit,” oordeelde mevrouw verlicht.

„Maar zóó wil ik Mieke vanavond niet presenteeren,” bleef Olga recalcitrant nog hindernissen speuren.

„Dat begrijp ik wel; dat begrijp ik wel,” viel Mieke haastig bij, uit vrees dat aan dit onderwerp weer uitbreiding zou worden gegeven. „Ik verkleed me, zoodra ik thuiskom, in een wip. En ik zal wel hard loopen.”

„Of laat mij gaan,” stelde Loes, hoe anders ook ’t land hebbende aan boodschappen-doen, gewillig voor, ziende de donkere kringen om Mieke’s oogen.

„Welneen,” weerde Mieke af, wetende, hoe dit niet in tante’s bedoeling lag.

„’t Is beter dat Mieke gaat,” vond tante Sophie dan ook. „Want jij moet nog een ceintuur op je jurk naaien.”

Nu luwde de onrust wat bij die bevredigende oplossing en tante begaf zich naar boven om haar toilet te maken, waar ze gewoonlijk nogal veel tijd voor noodig had en Loes ging naar haar kamertje om zich zuchtende op de visite te prepareeren, want ze had nu eenmaal een gruwelijken hekel aan visite.

Olga draaide intusschen de elektrische kroon op in het salon, en in het sterke, schitterende licht gaf het volle vertrek wederom dien glans van overdadige luxe, welke Mieke zoozeer trof dien eersten dag van haar komst hier in huis. En terwijl zij nog gauw even alles in gereedheid bracht voor de thee, zoodat, als het water kookte, men maar behoefde op te schenken, legde Olga de laatste hand aan het salon door ’t met wat door vader meegebrachte bloemen te verfraaien en vervroolijken, haar nichtje ondertusschen diverse commissies opdragende. In de eerste plaats moest ze dus de koekjes halen, die Tenback vergeten had te bezorgen, en vooràl de juffrouw een standje geven over de taart!... Uitdrukkelijk diende zij te zeggen, dat die vanavond nog bezorgd moest worden. „Verder...” en nu volgden er nog een viertal andere boodschapjes... Zou Mieke die maar niet liever even noteeren?—En Mieke noteerde.

Olga, ten laatste klaar met haar opgaven en het bloemen-schikken, sloot de schuifdeuren, het verlichte salon dus van de huiskamer scheidend, wat Mieke verwonderde... Deed Olga dit per ongeluk? Altijd, als er gasten kwamen, stond de suite open. Ze maakte er haar attent op.

„Het licht brandt nog in de voorkamer,” zei ze.

Doch Olga, geheel bekomen van haar wrevel om de vergeten boodschappen, lachte. Ze lachte overmoedig. „Ja,” riep ze, „de schuifdeuren blijven éérst gesloten.” Er was nu geen ironie in haar manier van doen, niet de minste geringschatting ook. Integendeel zag zij Mieke bijna vroolijk in ’t verwonderde gezicht, en eensklaps klonk daar voor deze, in die schertsend uitgesproken woorden, èven een klankje van gemeenzaamheid; zij voelde zich verward een oogenblik. Maar dan scheen zij de ander nader te komen, zag zij een slagboom opgeheven tusschen haar-beiden, een heel smal bruggetje, dat een kloof overspande. Er ging iets van Olga tot haar uit, dat moment, wat Mieke aandeed als een vriendschappelijk hand-reiken, terwijl tot-nog-toe al Olga’s uitingen haar hadden beroerd als aangezichtslagen. Mieke beefde; zij kreeg een lichten schok... Kon ’t dan tóch misschien ééns zoo worden, dat zij elkander waardeeren zouden als gelijken, elkander niet meer bestrijdend in heimelijke tournooien, maar achtend, zij ’t dan ook niet liefhebbend. Mieke’s zoo door haar gevreesde en bestreden zelf-onderschatting verdween gansch bij deze toenadering, welker grondslag echter waarlijk toch zoo groot niet was als zij meende in het blijde opleven harer verwachting. Want die grondslag werd er op verre na niet één, waarop ooit een gebouw van vriendschap zou kunnen rijzen,—de vermeende toenadering werd gansch verkeerd uitgelegd. Zij hief geen slagboomen op, evenmin als zij kloven overbrugde. Twee elkander geheel vreemde naturen, twee tegenstrijdige sentimenten vinden nergens de slagboomen geheven, vinden nergens een overbrugging om elkander te bereiken. Olga dacht geen seconde aan Mieke. Maar zij vergat haar ditmaal, en wel totaal. Haar eigen verwachtingen deden haar zelfs zichzèlve vergeten, en bij het in spanning tegemoet zien van wat komen zou liet zij, onbewust evenwel, haar laatdunkendheid varen, haar spot- en geringschatting, doch trad daarvoor in plaats een onbeteugelde vreugde om datgene, wat Mieke nog maar niet begreep. Deze vreugde overschaduwde de door Mieke zoo gevreesde eigenschappen en belichtten daarentegen Olga’s onbetwistbare bekoorlijkheden, onder welker invloed zelfs Loes onlangs zwichtte. Laat staan dus Mieke... O, hoe innig hoopte deze steeds op wèrkelijke verbetering in beider verhouding, niet een schijnbare voor welke zij toch steeds op haar hoede moest zijn... Eensklaps meende zij daar nu het begin van te ontdekken! En het verheugde haar. Het verheugde haar buitengewoon... Zij sloeg dadelijk over in een toon van vroolijke verrassing en vroeg, wat het dan toch wel wezen mocht, dat Olga zoo opgewekt maakte? Zij was wel zeer benieuwd naar het geheimzinnige bezoek.

Olga, zeldzaam lief in haar grootere natuurlijkheid, riep, dat ze daar onderweg maar eens goed over denken moest, en dat ze maar gauw terug moest komen om zelf te zien! „De hooge gasten,” en heel Olga’s persoontje tintelde van overmoed, „komen omstreeks half acht. Dan moet je kant en klaar beneden wezen, denk erom. Prakkizeer maar eens heel flink, wie er dan zijn zullen!” Lachende gleed zij de kamer uit.

Mieke zag haar na, onwillekeurig meelachend,—maar toen begon ze te peinzen... Doelde de verrassing misschien op háár?... ’t Bloed vloog haar naar de wangen... Zou Geert soms komen?... of dominee Rensen?... of misschien juffrouw Wije?... Maar neen, dat zou onmogelijk wezen.

HOOFDSTUK X.

HET ARME, KLEINE DAMETJE.

Oom, die juist binnenkwam op ’t tijdstip, dat zij de kamer wilde verlaten—hij zag er in z’n zwart jacquet kostuum uit als moest hij zóó naar een receptie—gaf Mieke een paar tramkaartjes om des te gauwer terug te kunnen zijn. Hij deed dit zenuwachtig, scheurde er eentje bijna door midden.

Mieke monsterde hem eens tersluiks: hij zag er, hoewel zeer gesoigneerd, toch slecht uit, mager en vermoeid. Maar hij trachtte zich een air te geven van losse welgemoedheid, voegzaam ingetoomd evenwel door deftige geposeerdheid, want oom Egbert leek wel zeer in één zijner voorname buien.

Met een „dank u” de kaartjes aannemende, haastte Mieke zich thans om weg te komen, de drie hooge verdiepingen opstijgend om boven uit haar kast heur ouden, langen wintermantel te krijgen, dien ze hier alleen des avonds droeg maar vroeger altijd op de fiets had gebruikt als ze haar rit van ’t dorp naar de school in de kleine provinciestad maakte. Hoog trok zij den kraag tot aan de ooren op en diep drukte zij het kleine mutsje in de oogen, zoodat ze, op straat gekomen, geen koude voelde dan op het onbedekte plekje van haar gezichtje tusschen jaskraag en mutsrand.

Het was venijnig koud, afschuwelijk weer. Een regenachtige mist maakte—het had de vorige dagen en ook des morgens een weinig gevroren—de straten glad en niet-ongevaarlijk begaanbaar. Mieke echter gleed, de handen in de zakken, vast ter been, langs dooiende, maar spiegelgladde baantjes naar de tram en bevond zich zoo tevreden en welgemoed als sedert langen tijd. De vermoeienis van ’t nageloop tijdens tante’s ziekte wilde zij glad vergeten. Het dood-gewone gesprekje met Olga, dat eigenlijk toch niets belangrijks bevatte om zich op te verheugen, deed haar plotseling veel dingen lichter dragen... Aan moe-zijn moest men nooit denken! Eén avondje op ’t scheeve kamertje tezamen met Loes in gezellig nietsdoen, en dat leed was glansrijk geleden. Zij was immers gezond en krachtig; zachts, dat zij bijsprong in moeilijkheden, waar men haar een tehuis verleende! Zij moest zich schamen zich, al deed ze ’t dan ook slechts heimelijk, beklaagd te hebben. Olga was werkelijk alleraardigst voor haar geweest, zóó aardig!

Maar nu pauzeerden haar gedachten, kwam er een terugduwtje... Was het niet slaafsch, daar zoo blijde mee te zijn? Was het niet laf nu maar dadelijk de hand te grijpen, die haar kort geleden nog tik op tik gaf?... Haar stap hield ze in. Zij gleed niet meer langs de baantjes, een sterke windvlaag joeg haar snerpend den hagelregen in ’t gezicht, en ze vond het toch wel èrg guur... maar ze sjorde den mantelkraag hooger, ze drukte het dopje dieper over ’t hoofd, en ze gleed weer!... Kom, nu niet zwaarhoofdig wezen, nu niet herkauwen, alleen maar dankbaar zijn omdat Olga wellicht inzag minder lief te zijn geweest.

Ze negeerde het kleine pessimistje in haar en kwam, na een langen glij met een overmoedigen zwaai, op een reeds in beweging gaande tram terecht, alsof ze van haar wieg af op rijdende trams sprong en nooit anders gewend was dan in een groote stad, terwijl ze met een zekere gemakkelijkheid in de overvolle coupé stapte alsof ook dit haar heele leven dagelijksch werk was. Tot-nu-toe beklemde haar in volle tramwagens, in drukke winkels, in uitgebreid gezelschap steeds toch nog een gevoel van schroom, van blooheid, thans echter voelde zij zich frank en ongedwongen, bijna had ze maling aan de menschen, iets wat ze zich vroeger als een onverschilligheid zou verweten hebben, als een brutaliteit, een lompheid, maar wat, in haar stemming van ’t oogenblik, haar nu de eenig normale verhouding scheen, verstandig, leuk. Ze zat rechtop en zeer vergenoegd te kijken, vindend, dat Olga toch ook wel een beetje gelijk had gehad haar vroeger een onbeholpen provinciaaltje te hebben genoemd. Nu eerst voelde ze hoeveel ze wel gewonnen had aan onbevangenheid.

In deze aangename sensatie reed ze tot de halte mee ’t dichtst bij Tenback, en met een even groote vaardigheid als daarstraks eróp wilde ze nu van den tramwagen àfspringen, iets wat echter minder goed gelukte. De glibberigheid speelde haar parten en ze zou uitgegleden zijn, had niet een jongen, die voorbijging, haar staande gehouden.

Ze ontnuchterde een weinig uit haar blij-soezige stemming. Al de opgedragen boodschappen schoten haar weer te binnen en waarschuwden haar om wat meer op haar qui-vive te zijn. Zij repte zich naar den banketbakker. Juist stond de knecht klaar het gebak te bezorgen en behoefde zij dus de fiolen van tante’s en Olga’s toorn niet over de juffrouw uit te storten;—trouwens, volgens deze was de taart ook pas tegen zevenen besteld. Mieke was hier dus spoedig klaar en met oplettendheid om vooral de meegenomen koekjes niet te breken, vervolgde ze haar boodschappenlijstje, dat voor ’t overige deel meer tijd in beslag nam dan die eerste commissie, en maakte, dat zij zich wat reppen moest naar de tram om tegen zevenen thuis te zijn, wat haar dan ook wel niet zou gelukken, meende ze, en wat haar min-of-meer verontrustte.

Tegenover haar zat een klein, oud dametje met een allerliefst vriendelijk, rimpelig gezichtje. Zij droeg een zwart fluweelen manteltje en een voorwereldlijk kapothoedje, een klein rond handmofje niet grooter dan een rollade en een zijden parapluie met een wit beenen handvat. De menschen van den tegenwoordigen tijd in zwierige, modieuze kleedij, bevracht met bont en wuivende paradies, getooid met kostbare sieraden en zware zilveren tasschen, met handschoenen van wit glacé en laarzen van glanzend lakwerk, dergelijke menschen zien met spottend medelijden zulke kleine dametjes aan,—àls zij ze aanzien. Meestal kijken zij ze over ’t hoofd,—evenals zulke oude dametjes die anderen. Het oude dametje, van wie ik spreek, was ook zoo’n ouderwetschje. Je zag dat al dadelijk aan haar wijze van groeten: de minzame hoofdneiging, vergezeld van een glimlachje, waarmede ze Mieke vereerde, was van een bekoorlijke hoofschheid... Heel beleefd en vriendelijk groette Mieke terug, zich afvragend, wie zij toch wel wezen mocht; zij had haar meer gezien.

Het kleine dametje met het fluweelen manteltje, het voorwereldlijk hoedje, het ronde handmofje en de parapluie met het wit beenen handvat, was een kwiek vrouwtje. Nog vóór de tram halt had gehouden stond zij reeds aan den uitgang. Zij scheen, evenals Mieke, haast te hebben; wellicht ook dreef het onaangename weer haar tot spoed aan naar huis. De tram stond nauwelijks stil of het kleine dametje daalde reeds de treeplank af,—maar of het kwam dat zij te vlug den zijstang der tram losliet, dan wel of ze niet verdacht was op de gladheid der straat, men hoorde een luiden angstkreet en daar lag, heur mofje hier en heur parapluie daar, het oude dametje op den half bevroren, bemodderden weg.

Reeds kwam de condukteur van ’t achterbalkon haar te hulp en sprong ook Mieke haastig af, om haar mede op de been te helpen, maar dit bleek gemakkelijker gedacht dan gedaan, vooral ook omdat Mieke zelve bepakt was. De juffrouw zou weer zijn neergestort indien de condukteur en het meisje haar niet waren blijven steunen; heur voet scheen zóó pijnlijk, dat ’t onmogelijk bleek erop te staan.

Ondertusschen vertraagde de tramloop. De condukteur sprak met een jongmensch achterop den wagen. Zóó kon men de oude dame niet achterlaten, alleen met het meisje; en niemand anders was er aan de verlaten halte. Het jongmensch bood nu verdere hulp aan, de condukteur steeg weer op, belde af,—en voort reed de tram, het dametje, Mieke en het jongmensch achterlatend aan den open windhoek, waar snerpend de hagelregen je in ’t gezicht sloeg.

Men beraadslaagde hoe de juffrouw te transporteeren... Waar moest ze heen?

Ze noemde haar adres, en nu herkende Mieke haar opeens: één der dames Ravenhorst. Hoe dom haar niet onmiddellijk te hebben kunnen thuisbrengen... Zij was één der buurdametjes op het bovenhuis naast-an Van der Hoeve. Nu wist ze vanwaar ze dat aardig, vriendelijk gezichtje kende. Een enkele maal stond er wel eens één der beide dametjes voor ’t raam, en laatst, toen Mieke naar boven keek, werd zij deftigjes-lief teruggegroet.

Nu, bij het herkennen kreeg ze dubbel medelijden met de arme gevallene. Zij probeerde de ergste modder wat van den fluweelen mantel af te wrijven, terwijl het hulpvaardige jongmensch de juffrouw ondersteunen bleef en het handmofje en de parapluie van Mieke overnam, want zóó belast was deze, dat het onmogelijk bleek met zulke volle handen juffrouw Ravenhorst ook loopende te assisteeren. Zij stopte nu wat van haar pakjes in haar zakken voor zoover dit mogelijk werd bevonden, maar de koekjes moest ze toch maar zien in de hand te houden. Wie weet wàren ze niet reeds in de verdrukking geweest... In vredesnaam moest men dat maar voor lief nemen, tante zou het toch ook wel begrijpen; men kon een oud dametje, dat een ongeluk overkwam, toch niet zoo-maar aan haar lot overlaten!... Toch, heelemaal gerust was Mieke niet. Doch die ongerustheid betrof alleen het zakje,—de tijd vergat zij in overloop van medelijden en hulpvaardigheid.

„Kunt u heelemaal niet op uw voet staan?” vroeg Mieke, toen ze zich nu goed geprepareerd had voor den terugtocht.

„Onmogelijk,” de juffrouw probeerde het nog eens, maar ze kon ’t wel uitgillen van de pijn.

„De voet zal ontwricht zijn,” veronderstelde het jongmensch, dat nu niet zoo héél erg met zijn baantje ingenomen scheen, vooral toen van medewerking der oude dame geen sprake kon zijn. Maar hij bleek iemand van praktischen aard. „Wij zullen u ieder onder een arm nemen, mevrouw. Hinkelt u dan op uw linkervoet verder. Dat is de eenige manier.”

„Hinkelen? Komaan!” trachtte juffrouw Ravenhorst te schertsen en kordaat te zijn, ofschoon haar klein, gerimpeld gezichtje spierwit zag en weggetrokken van pijn. „Er zal niet anders opzitten.”

En aldus toog men op weg langs de gladde straat, waar verraderlijker nog dan straks de wind om de hoeken loerde.

Hoe kort ook anders de afstand mocht wezen van de halte naar haar woning, nu de gevaarlijke gladheid ook de helpers tot behoedzaamheid aanspoorde, vorderde men slechts voetje voor voetje en dan met kleine pasjes. Juffrouw Ravenhorst hield zich dapper ondanks de hevige pijn, die ze leed,—maar eindelijk toch kwam men thuis, „bijna goed en wel” bleef zij quasi opgewekt doen.

Zoo sprak echter niet juffrouw Hermance, toen ze haar arme zuster, ontdaan en met nog de zichtbare sporen van den val in de modder aan haar toilet, onderaan de trap zag zitten tusschen de onbekende jongelui, die nat en verwaaid haar flankeerden, en toen het lastig probleem ontstond haar naar boven te krijgen. Niet zoodra hoorde het behulpzame jongmensch van die mogelijke, nieuwe corvée of hij pakte op hoffelijke wijze z’n biezen, zonder zelfs den dank der oude dames in ontvangst te hebben genomen. De twee-en-dertig treden hooge trap lokte hem blijkbaar alles-behalve aan.

Mieke daarentegen kon ’t niet over haar hart verkrijgen de gansch veraltereerde juffrouwtjes nu eveneens in den steek te laten. Guurtje, het dienstmeisje, werd er thans bij te pas gehaald en men besloot ten einde raad maar wederom het hinkeltoertje te baat te nemen. De beide meisjes namen nu tezamen juffrouw Ravenhorst onder den arm, haar telkens met den eenen voet een sprong de trap opsjorrend, iets wat voor alle drie op die vrij smalle ruimte een moeilijke en lang niet ongevaarlijke onderneming was. Wanneer Mieke en Guurtje niet zoo hijgend van inspanning, juffrouw Hermance niet zoo als de dood voor achterover zwikken, en juffrouw Roosje niet bang voor nogmaals bezeeren waren geweest, zouden allen misschien om de dwaze vertooning gelachen hebben, want ’t was een mal gezicht dat gespring en getrek van ’t drietal telkens na een „hup”-signaal, met juffrouw Hermance in de achterhoede, gewapend met de parapluie, het handmofje en Mieke’s pakjes, welke ze had overgenomen.

Ten langen leste kwam men al springende en trekkende boven. Nu nóg een hinkeltoer, die kinderspel werd bij de twee vorige, en juffrouw Roosje liet zich met een hartgrondig: „Goddank” neer op een in allerijl aangeschoven stoel in de huiskamer, nu echter niet meer quasi schertsend maar doodop, bij flauwvallen af.

Juffrouw Hermance, een dergelijk type als haar zuster, even petiterig, met hetzelfde fijne gezichtje als deze, misschien iets gezetter dan de ander, maar onweersprekelijk van een eender soort, getoiletteerd in een grijs-en-zwart japonnetje, het kleine hoofdje omlijst door dun, kroezig, wit haar, de geaderde, oude handjes met korte, zenuwachtige gebaartjes,—juffrouw Hermance, geheel in de war, liep maar van het kastje naar den muur, zonder iets anders uit te richten dan allen nog meer van haar stuk te brengen. Ook Guurtje, ’t dienstmeisje, stond met de handen in ’t haar, en hoewel Mieke popelde om weg te komen, want eensklaps schemerde er door haar brein een begrip van tijd bij de groote alteratie, besloot zij toch maar èventjes te blijven om de anderen op streek te helpen. Zóó kon juffrouw Roosje toch onmogelijk blijven zitten, want steeds heviger werd de pijn aan den voet, de schoen moest worden uitgetrokken, en noch juffrouw Hermance, noch Guurtje waren daartoe in staat.

Het zweet parelde Mieke op ’t voorhoofd, binnenin jachtte ’t steeds meer om weg te komen, en zij kon onmogelijk zoo spoedig voortmaken als zij wenschte, omdat iedere aanraking van den geblesseerden voet het de oude juffrouw deed uitschreeuwen, terwijl de beide anderen om haar heendraaiden en in den weg liepen zéér tot Mieke’s ongerief.

De voet bleek gezwollen te zijn en waarschijnlijk verstuikt, maar wie kon zeggen of ze misschien niet gebroken was?... Juffrouw Hermance, die deze veronderstelling opperde, trilde ervan.

„De dokter moet gehaald! Guurtje, loop onmiddellijk naar den dokter.” Zij schreeuwde het bijna uit, geheel buiten zichzelf, nog veel meer van streek dan het andere dametje, dat nu, achterover leunend in den grooten armstoel, weer wat tot rust kwam.

Guurtje, eindelijk in de gelegenheid ook iets te mogen doen, repte zich weg, maar toen ook Mieke nu gejaagd zei niet langer te kunnen blijven, sméékten beiden haar nog niet heen te gaan vóór het meisje terug was of de dokter gekomen.

„Als... als er nog soms iets gebeurt... als... als mijn zuster héél naar mocht worden...” sidderde juffrouw Hermance, „en ik ben alléén...”

Mieke, niet sterk genoeg om weerstand te bieden en de dametjes in angst en beven achter te laten, liet zich op een stoel zacht neerdrukken. Ook juffrouw Hermance ging nu zitten en ’t werd eenige minuten heel stil in de kamer met de ouderwetsche meubelen, waar men nu in meerdere kalmte de komst van den dokter afwachtte. Een pendule met een dikken cherubijn, een groot, leelijk ding onder een hooge stolp, tikte met klankrijken tik. Een open haard brandde op aangename temperatuur, de poes lag op het haardkleedje ervoor genoeglijk te spinnen. De bruin damasten gordijnen waren gesloten, een sterk getemperd licht hield de donkere kamerhoeken in schaduw; ’t geheel had iets intiems. Over de ronde tafel spreidde een velvet kleed van warm rood, kleurig vlak middenin ’t vertrek, het grootste deel van het licht der laag hangende lamp voor zich concentreerend, slechts weinig ervan mededeelend aan ’t Deventer karpet met z’n verschoten kleuren, maar met z’n onmiskenbaar stempel van edele afkomst. De brons pluchen zittingen der stoelen waren verouderd tot grijzerig beige, maar hun vorm dateerde uit den tijd, toen de meubelmakers nog zelf meubelen maakten en men zich nog niet „installeerde”. Bij de gesloten gordijnen stond een groote bloementafel met welverzorgde planten en afhangende klimopranken; erboven hing in een verguld kooitje een kanarie, die droomend van een liedje vertelde. De hooge boekenkast met de groene gordijnen liet haar inventaris slechts vermoeden; een antieke porceleinkast met vierkante ruitjes verborg haar innerlijk minder schroomvallig en geleek eenigszins op die van juffrouw Wije, al zou zij, wat de inhoud aanging, wel niet met dien der boerin kunnen wedijveren.