Part 11
Nauwelijks zat Mieke, of zij ondervond, hoe de inspanning van den zwaren tocht de hooge trap op, de kroon zette op de vermoeienissen, die zich dagen achtereen voor haar hadden opgehoopt, en nu juffrouw Hermance haar gedwongen had nog even te blijven, voelde zij, ook al wist zij nu zeker te laat te zullen thuiskomen, de rust van het oude-dametjes intérieur als een langzame weldaad over zich heenkomen. Zóó plotseling werd zij daarstraks door juffrouw Roosje’s val, door te moeten handelen, uit haar vorigen gedachtengang gerukt, dat ze met geen benadering besef had hoe lang dit ongeval nu wel precies geduurd had. Daarbij—al wilde zij ’t zichzelve verheelen—was zij lichamelijk werkelijk àf, vandaar dat, tóén ze eenmaal zat, de rust haar pakte zonder op haar weerstand acht te slaan. Zij kreeg een gewaarwording van innige behaaglijkheid, doch ook van plotse slapte, doch Mieke vond dit eenige oogenblikken heerlijk. Heel de sfeer, nu die twee dametjes zoo stil en gedempt spraken en gaandeweg weer tot kalmte kwamen, heel de sfeer ademde die vredige bezonkenheid, welke jonge menschen zoovaak weldadig aandoet bij ouderen, zoo de jongeren die verworven rust tenminste niet als saai en bekrompen laken. Zoo’n gevoel van veiligheid heeft men bijwijlen in ’t milieu van bejaarde, vriendelijke menschen, die hun strijd óók eenmaal te strijden hadden, doch hem thans uitgevochten hebben, die welgemoed zich leerden tevreden stellen met het passieve geluk geen ongeluk meer te verwachten in stede van nog idealen te koesteren. Ook is daar, bij zulke oude menschen, een waas van stille wijsheid door die vertrouwende berusting... Was straks een dissonant getreden in de kalme harmonie binnen dit ouderwetsche huisvertrek, thans naderde daar weer de zachte, lieve stemming van allen dag, want mijn kleine dametjes waren lief en zachtzinnig en hadden een atmosfeer om zich als van een mooi, oud poortje op een mooi, oud grachtje bij ondergaande najaarszon... Heb ik onlangs niet gezegd, dat Mieke zooveel hield van hofjes?... Zou ze dan nu niet komen onder de lieve bekoring dezer beide antiquiteitjes?
Bijna vergat Mieke geheel den tijd!
Maar kleinigheden waarschuwen somtijds groote dingen.
Poes stond op, rekte zich.
Mieke lachte èven om h’r hoogen rug.
Juffrouw Hermance zei, zichzelve verwijtend: „’t Stomme dier. Bijna zou ik haar vergeten door al die consternatie.”
„Heeft ze nóg geen melk gehad?” vroeg juffrouw Roosje op matten toon, waaraan je toch hooren kon dat ze nog niet gehéél de oude was. „Hoe laat is het?”
En daar sloeg met een melodieuzen ping de dikke cherubijn met een stokje op een trommeltje,—dat was ’t slagwerk der oude pendule.
Mieke keek op.
„Half negen!?” riep ze, geen moeheid meer voelende, geen behaaglijkheid, geen rust, geen invloed van antiquiteitjes. „Half negen!?”
„Maar kind? Maar kind!” schrok juffrouw Hermance van Mieke’s schrik. „Wat is er?”
„Ik moet weg! Ik moet weg! Mijn koekjes!”
De dametjes werden weer ontzettend zenuwachtig. Het najaarszonnetje op ’t oude poortje ging schuil achter een dreigend donker wolkje.
„Koekjes?”
„Het zakje! Mijn zakje?”
Juffrouw Roosje begreep haar, beduidde haar zuster welk pakje Mieke waarschijnlijk bedoelde. Juffrouw Hermance, die de bagage naar boven gedragen had, begreep het nu ook, reikte Mieke het zakje over.
Tegelijkertijd werd er gescheld: Guurtje met den dokter... Nu raakten de dametjes weer in de war... En Mieke, bezweet van zenuwachtigheid, vuurrood van ontsteltenis, nam haastig afscheid.
Juffrouw Roosje hield haar handje vast, stijf vast. Mieke popelde om weg te komen.
„We zien je terug, nietwaar?” drong ze aan, het dametje. „En gauw? Je komt ons opzoeken, beloof je het?”
„Ja, ja,” beloofde Mieke, zich probeerende vrij te maken.
„Hartelijk, hartelijk bedankt.” Nu kwamen er waterlanders.
„’t Was niets, volstrekt niets,” weerde Mieke af.
„Wanneer kom je?” bleef juffrouw Roosje aandringen.
„Zoodra ik kan. Toe, laat me nu,” Mieke bad erom.
„God zegene je, kind,” en èven legde het dametje heur rimpelig wangetje tegen ’t warme handje van ’t meisje; toen liet ze het met een drukje los.
Ook juffrouw Hermance, die den dokter ontvangen had, wilde Mieke bedanken, maar zij was deze ditmaal te vlug af.
„Ik kom gauw weer,” beloofde ze nogmaals, naar boven roepend, terwijl ze de trap al afvloog, de deur uit, naar de woning ernaast.
Betje, om door een ringetje te halen, deed open. Ze trok onheilspellende, verstandhoudende gezichten.
„Ze zijn er al,” fluisterde ze, niet bemoedigend. „Johanna heeft koekjes in de buurt moeten halen; mevrouw weet niet waar u blijft.”
In allerijl hing Mieke haar hoed aan den kapstok, trok den ouden mantel uit. Heur haar ordende ze maar zoowat. Heur gezichtje zag rood, evenals heur handen, van warmte en agitatie.
Wat zou ze doen? Zóó binnengaan of zich eerst verkleeden?... Maar dan bleef ze nóg langer weg...
„Wie zijn er?” vroeg ze gejaagd aan het dienstmeisje.
„Twee heeren Bogaerts, de jonge heer, die hier altijd komt, met z’n papa. Ze hebben een confarentie in ’t salon.”
Mieke lette niet op Betje’s Fransche uitspraak; ze herinnerde zich alleen bij ’t woord „salon” de gesloten suite-deuren.
„Waren de heeren dus in de voorkamer? De tusschendeuren dicht?”
„Zooeven; ja, juffrouw.”
„En mevrouw en juffrouw Olga zaten achter?”
„Jawel, met jongejuffrouw Loes.”
„Dan zal ik ze toch eerst even gaan vertellen, hoe ’t komt dat ik zoo laat...” en Mieke, in haar zenuwachtigheid, opende met een ruk de kamerdeur.
Rijk straalden de lichten van de kristallen prismakroon in het salon. De tusschendeuren stonden wagenwijd open; de heele suite leek in feeststemming. Middenin het helle schijnsel stond Mieke in heur simpele kleedij, bezweet, verwaaid, met bemodderde schoenen en vuilen rokrand. Wat ze tante Sophie had willen zeggen ontschoot haar totaal... Niets wist ze meer... Ze zag Olga, schitterend en mooi, als in een aureool van zelfbewuste pracht, in de hand, achteloos, een bouquet van witte seringen. Hoog opgericht stond ze, als een overwinnares op het toppunt van haar triomf. En naast haar Bogaerts, correkt, glimlachend, met een glans van geluk op z’n bleek, knap gezicht, wat hem zeer sympathiek maakte. Zij waren het middelpunt. Men sprak en gesticuleerde druk. Oom Egbert deed zoo deftig-gewichtig en daarbij zóó bijzonder vroolijk als Mieke nog nooit in die mate van hem gezien had, en tante Sophie scheen een-en-al liefelijke minzaamheid tegen den ouderen, vormelijken heer, dien Mieke dadelijk als Bogaerts’ vader thuisbracht, en louter moederlijke teederheid tegen het jonge paar.
Erik schudde z’n vriend herhaaldelijk de hand, en oom Egbert riep: „Zulke deugnieten! Niets wist ik ervan! Niets! U overrompelde mij, meneer Bogaerts, (tot den vader.) U overrompelde mij met dat aanzoek.”
Toen tolde het in Mieke’s hoofd, ofschoon zij nu alles begreep... Dit was dus de verrassing, dit was dus de oplossing van al die geheimzinnigheid: Olga verloofd met Bogaerts!... Dáár vandaan dus die ongebreidelde vreugde, die zelfs haar, Mieke, een oogenblik uitsloot van ironie en hoogmoed!... Ja, stralende geleek Olga een betooverde prinses, hautaine en onvergelijkelijk mooi,—maar Mieke voelde, bij een ademlooze bewondering, hoe in haar langzaam-aan een pijn ging schrijnen: was dit geluk? God, hoe anders leefde op den bodem van haar ziel het verlangen naar dien zegen. Niet één zachte, teedere blik ging van oog tot oog; alleen Bogaerts’ gelaat had een uitdrukking als van innerlijke verrukking... Heel de atmosfeer in ’t kwistig salon baadde in rijkdom van schoone uiterlijkheden en van overmoedige zegeviering, maar niet van zaligheid... „Waarom,” doorflitste het Mieke, „waarom zegt oom nu, dat hij overrompeld werd?” Begreep niet iedereen in huis reeds wat er gaande was behalve zij en behalve Loes, die, niet nieuwsgierig genoeg om te visschen, zich alleen maar aan die fluisteringen ergerde?... Hoe kon oom dat nu dan zeggen, jokken, nu iedereen zoo vreeselijk blij moest zijn en iedereen ook zoo vreeselijk blij scheen,—en... en nu zij maar niet blij kon wezen...
Ze stond daar ontroerd, als vastgenageld tusschen de porte-brisée, het zakje kapotte koekjes in de hand. Niemand lette op haar... zelfs Loes niet, die toch zooeven nog telkens onrustig naar de deur had gekeken, nadat ze had hooren bellen. Loes hield zich wat achteraf; ze was perplex. Ze wist zelf niet wat haar beheerschte. Ze vond het heel prettig voor Olga, dat ze met Henri verloofd was—Bogaerts had haar een zoen gegeven, wat ze afschuwelijk vond, en gezegd nu in ’t vervolg hem „Henri” te noemen—o, ze vond ’t héérlijk voor Olga, maar ook zij was niet verheugd, niet verrukt, zooals de anderen, evenmin als Mieke.
Mieke! Weer keek zij, Loes, naar de deur, zich harer herinnerend... Hevig schrok zij.
Olga zàg dien schrik en volgde Loes’ blik... Ook zij verschoot... Moest zóó het nichtje haar nieuwe familie voorgesteld worden?... Fel straalden haar oogen een nijdigen, waarschuwenden blik naar het eenzame, onooglijke figuurtje, zoo in desordre, zoo onpresentabel als ooit... En die oogen dwongen Mieke haar wil te volgen, de kamer te verlaten.
Mieke begreep.
Ze legde het verfomfaaide zakje, vet doorplekt, op de tafel in de huiskamer en sloop op de teenen de kamer uit, de deur behoedzaam en geruischloos achter zich sluitend.
En boven, in haar afgelegen heiligdom, viel ze neer op een stoel, opnieuw overmand door moeheid, niet wetende wat te doen: zich te kleeden en naar beneden gaan of boven blijven. Zij verweet zich haar domheden,—en ook weer had ze geen oogenblik spijt gehandeld te hebben als ze deed tegenover de dametjes. Zij had niet anders gekund... Maar wat hielp dit? Ze had ’t verbruid... Zij sloot de oogen en Olga’s blik pijnde door haar herinnering... Zóó kon een meisje op het toppunt van haar geluk een ander meisje aanzien?... Arme Olga!... Het nijpte zéér in Mieke’s gevoelig zieltje... Neen, de slagboomen scheidden nog immer beider wegen, het bruggetje over de kloof was slechts gezichtsbedrog geweest,—Mieke gaf ’t op! Nu gaf ze’t op: het zou nóóit anders worden tusschen haar en Olga. Het eenige verschil tusschen vroeger en nu was, dat ’t Mieke niet meer schèlen kon elkander nooit te zullen naderen. En die wetenschap deed haar opeens niet meer pijn als ze placht. Zij glimlachte zelfs om de hoop, het enthusiasme, waarmede zij kort geleden zoo gelukkig was geweest; ze vond haar hooge stemming van daarstraks nu bijna mal... En ze dacht aan haar oude, dankbare, zachte dametjes... Eén voordeel kon zij dezen avond toch boeken: zij had nieuwe vriendschap gevonden, die op zou wegen tegen ’tgeen ze thans zeker van anderen kant verloren wist... Maar wat haar door alles heen bleef bezwaren was het komend onderhoud over haar vergrijp van zooeven, en toen Loes, laat nog, naar boven kwam geslopen, Mieke reeds in bed vindend, en zij elkander een omstandig verhaal deden van wederzijdsch gebeuren, kon ze Mieke niet geruststellen. Morgenochtend zou de bom stellig barsten.
HOOFDSTUK XI.
DE BOM SPRINGT NOGAL ZACHTJES.—BIJ DE TOTEBELLETJES.
Met dat al sliep Mieke evenwel niet slecht dien nacht. Jong en gezond en vermoeid zegeviert het lichaam spoedig over den geest, als men op een koud kamertje warmpjes onder de wol ligt en het geweten niet bezwaard is. Door haar verbanning vroeger dan anders in haar mandje gekropen, (want na rijp overleg had ze zich maar niet beneden gewaagd uit vrees weer een flater te begaan) ontwaakte zij dan ook verkwikt na een flinke nachtrust. Doch niet lang zou dat gevoel van welbehagen duren. Met het opklaren van haar geheugen kwamen ook de vele wederwaardigheden van den vorigen dag haar herinneren wat haar vermoedelijk te wachten stond, en met looden schoenen daalde ze de trappen af om beneden voor ’t ontbijt te zorgen. Loes had haar gisteravond ook gauw nog eventjes om een hoekje verteld, dat de heele familie den eersten Kerstdag tijdig bij de hand wilde zijn, omdat de heeren Bogaerts met de koffie en met ’t middagmaal verwacht werden; bovendien rekende men op veel visite. Dus haastte Mieke zich zooveel mogelijk om de familie van tegemoetkoming te dienen, in de hoop ook daardoor wat clementie te verwerven bij de te verwachte veroordeeling. Die dan ook niet uitbleef, n.l. de veroordeeling.
Was de Kerststemming bij Mieke dezen morgen nog steeds niet de ware, zij verloor geheel haar karakter bij ’t binnenkomen van Olga. Met enkele vinnige woorden slechts teekende deze het voorval van gisteravond.
Mieke zweeg. Zij dacht aan den blik, die haar de kamer had uitgekeken met zoo onweerstaanbare macht. Zij verdroeg al ’tgeen Olga haar nu kort toevoegde als een opmerking, doch scherp als een mes. Zij verweerde zich niet, Mieke, omdat de woorden haar nog niet over de lippen wilden, omdat zij te overbluft nog was. Zij kón het zich niet begrijpen hoe iemand over zóó iets kleins kon spreken, terwijl toch zooveel machtigers haar wezen vervullen moest.
Nu verscheen ook tante Sophie. Zij had slecht geslapen, vertelde ze, na al de emoties van gisteren; zij leek fanée en kribberig, en Mieke ziende, luchtte zij haar prikkelbaarheid in een positief standje over al de schandelijkheden van den vorigen avond... Met welk een ongeduld wachtte men op de boodschappen!—Mieke kwam maar niet!... Om acht uur nóg geen Tenback! Zoodat Johanna er weer op uit moest worden gestuurd... De heeren waren er stellig reeds een half uur, toen men eindelijk wat presenteeren kon, want de helft had Mieke op de theetafel vergeten... En natuurlijk waren er geen koekjes, die Johanna óók nog moest halen... Het was meer dan erg... Daarenboven, zwart lint ook had Mieke mee moeten brengen, nietwaar? Tante wachtte en wachtte. Ze móést ’t hebben voor haar zwarte japon... Ten laatste had ze haar groene aan moeten doen; het duurde te lang voor Mieke verscheen!—Verwijt op verwijt werd ’t meisje naar ’t hoofd geslingerd. Maar tante’s verontwaardiging bereikte haar toppunt bij het spreken over Mieke’s binnenkomst, waarvan Olga haar verteld had... Zóó’n verschijning! Zóó een nichtje te moeten presenteeren aan iemand als Henri’s vader, aan menschen, aan wie je geparenteerd zult raken! Zij zouden een fraai idee krijgen van de familie, een héél fraai idee... Ze hàd al weinig meegevends, Mieke, maar als ze zóó voor den dag kwam...!
Mieke boog ’t hoofd. Zacht verontschuldigde ze zich, deed een kort verhaal over de dametjes.
Olga keek haar verwonderd aan.
„Bij de Totebelletjes?” riep ze. „Ben je bij de Totebelletjes geweest?”
„Bij de dames Ravenhorst,” zei Mieke verbeterend.
„Ik noem ze de Totebelletjes.”
„Ze zijn heelemaal geen totebelletjes.”
„Haha, bij die karikatuurtjes! En om zóóiets liet je ons wachten? ’t Is meer dan erg... Had andere menschen voor haar laten zorgen. Waarom moest jij je juist opwerpen als beschermster?”
„Ik kon de arme juffrouw toch niet in de modder laten liggen,” weersprak Mieke, zich warm voelende worden.
„Komen er bij zoo’n gelegenheid niet dadelijk dienstvaardigen genoeg? Die barmhartige samaritanigheid van jou! Hoort dat ook soms bij je roeping of zooiets? Ons kan je wel zonder gewetensbezwaar in verlegenheid laten.”
Mieke, tot-nu-toe beheerscht, joeg met snelle drang weer de drift naar ’t hoofd. Dus had ze juffrouw Roosje maar in de modder met pijnlijken voet hulpeloos op straat moeten laten liggen, om vooral niet later thuis te komen met die onnoozele boodschappen, of om ’t melkkannetje op de theetafel te vullen? want dat was ’t eenige, wat ze vergeten kon hebben... Deelde Olga dan niets, niets aan anderen mede van haar geluk, zelfs geen medelijden, zelfs geen uurtje tijd aan degenen, die toch voor haar vlogen?—’t Kookte in Mieke als op dien eersten middag, toen zij meende, dat Olga zich voor haar schaamde. Toen echter was ze verontwaardigd, nu leed ze; niet om eigen vernedering, maar omdat ze de ander zoo innig graag wat geven wilde van het rijke liefdegevoel, dat in haar leefde, maar dat de ander afwees als iets minderwaardigs. De tranen schoten Mieke in de oogen bij Olga’s koele woorden over het kleine dametje.
„O!” riep ze in vervoering, „hoe kàn je zoo spreken, als je zelf pas alles gekregen hebt wat je hoopte, zóóveel geluk!” Een snik ontsnapte haar.
„Verbeeld je,” lachte Olga spottend. „Zou ik soms in tranen moeten baden om een totebelletje? Je bent wèl veeleischend, zeg.”
„Geen dispuut asjeblieft,” bitste tante Sophie tot Mieke, ziende hoe deze naar woorden zocht tot bescheid. „Zóó is ’t welletjes voor ’t Kerstfeest. Het ligt anders niet in de lijn hiervan, deze manier van doen van jou.—En is dit ook je felicitatie?”
Toen werd Mieke stil, heel stil. Heur handen trokken samen met klemmende vingers, heur oogen sloeg ze neer; heur mondje, op ’t punt van schreien, vertrok bevende... Kerstfeest!—En Olga’s verloving!... Zij had nog geen woord van verblijding gezegd... In drommen omsingelden ze haar weer, de zelfverwijten. Ze had gefaald; en in plaats van dit te bekennen verweerde zij zich in het wilde met de ongebonden drift, welke haar sedert haar verblijf hier zoovaak nu reeds overmeesterde... Beschaamd en bedroefd stond ze daar weer tegenover zichzelve... Zij schreide vanbinnen. Haar drift brak.
Ze stak Olga langzaam, aarzelend, de hand toe.
„Heel veel geluk,” zei ze zacht, bijna ootmoedig... O, àltijd won Olga den kamp, altijd moest zij, Mieke, zich weer overgeven. Zou ze dan nooit leeren boven zichzelf uit te komen? Nooit een àf mensch worden, wetende wat ze wilde en zeide, en willende, zeggende slechts datgene wat ze zeker wist? Wànneer kende zij nu eindelijk zichzelve? Ze was toch geen klein kind meer, dezer dagen toch reeds achttien. Nog één jaar en ze zou al onderwijzeres zijn, zelfstandig... En nóg beheerschte zij zichzelve niet... O, Mieke had het zoo moeilijk bij ’t innerlijk vechten.
„Ik hoop,” vervolgde ze mat, overwonnen, „dat je nog heel veel goeds wacht.”
„Dank je,” nam Olga de toegestoken hand met een flauw drukje.
Ook tante feliciteerde ze, en oom Egbert, die verstrooid scheen.
Loes stoof lawaaierig binnen, monsterde eens de gezichten en kwam tot de juiste conclusie dat afleiden niets meer baten zou, want dat de bom al gebarsten was vóór zij, langslaapster, arriveerde. In vredesnaam dan maar verder zooveel mogelijk de gevolgen der botsing bemantelen. „Wanneer ging Olga nu naar Henri’s familie? Wanneer zou er receptie zijn?” vroeg ze belangstellend en met zeer veel geanimeerdheid.
Olga antwoordde buitengewoon omstandig. Er ontstonden uitgebreide beraadslagingen over kaarten, visites, de verlovingspartij... En Olga’s jonge, sterke schoonheid ontplooide weer ten volle haar overbluffenden glans met groote onweerstaanbaarheid. De koude, dwingende blik, snerpend als een najaarswind, was gansch-en-al opgelost in trotsche satisfaktie, heur koele, zelfbewuste houding in buigzame lieftalligheid.
Na de onaangenaamheden, dien eersten Kerstmorgen, werd de nasleep hiervan niet zoo groot als Mieke eerst wel vreesde. Elkeen had het te druk met zichzelf of de jong verloofden om zich nu lang bezig te houden met een onbeteekenend persoontje als zij. Men had wel wat anders aan ’t hoofd.
Er kwam veel visite, van wie de meesten zoo’n beetje en sommigen een heeleboel begrepen van de belangwekkende familiegebeurtenis. De fluistergesprekken op mevrouw Van der Hoeve’s ziekenkamer hadden hun uitwerking niet gemist en het publiek geheim veroorzaakte allerhande zijdelingsche grapjes en quasi-vergissingen, zeer tot genoegen der betrokkenen. Ook bij ontstentenis van bezoekers bleef echter nog die roezemoezigheid in huis. Honderderlei dingen moesten bedisseld worden, over niets anders werd gesproken dan over receptie, logé’s, verlovingsfeest, waarover Loes vijf-en-twintig maal achtereen zuchtte.
„Als ik ooit een vrijer krijg,” riep ze één keer uit, toen ’t haar te machtig werd, „als ik ooit een vrijer krijg, laat ik hem aan niemand kijken, een partij geef ik nooit, kaartjes krijgen ze niet en naar een receptie laat ik iedereen fluiten!”
Mama vond Loes ontzettend onbehoorlijk, en Olga ergerde zich méér dàn aan dat „vrijer”—Henri, een vrijer!—doch Loes bereikte niets, want noch mama noch Olga stoorden zich aan de jongste, die nu eenmaal niet in tel was. Mama dacht wel eens zoo bij zichzelf, ’t leek soms of Loes geen kind van haar was, zoo vreeselijk als zij verschilde met de twee anderen, zoo totaal zij al haar moeders lessen in den wind sloeg;—vreemd.
De voorbereidingen schenen eindeloos,—doch hoezeer men den laatsten tijd ook Mieke’s hulp bij alles produktief maakte, thans bleek men van deze niet gediend. Weerde men haar diensten eenigszins om vrijer te kunnen handelen? Heimelijk beschouwde tante Sophie Mieke altijd min-of-meer als een pottenkijkster... Mama kende ook de licht geuite verbazing van dergelijke meisjes. Op een onverwacht moment verspraken zulke kinderen zich en bedierven de zaak. En Egbert keek toch al zoo verschrikkelijk zuinig, den laatsten tijd, alsof hij op ’t punt stond raad te geven om wat te menageeren. Natuurlijk zou je hem wel onmiddellijk van je praktisch overleg kunnen overtuigen, maar kleingeestig gehaspel hierover kon ze nu wel het allerminst gebruiken. Onbekrompen moest men de familie Bogaerts tegemoet treden. Egbert diende te begrijpen hoe heel Olga’s toekomst nauw aansloot bij den eersten indruk, welken de Bogaertsen zouden ontvangen. Olga moest in geen enkel opzicht behoeven onder te doen, voor niemand. Dat had zij nooit gedaan... En mevrouw, met koortsachtige haast en interesse, bereidde den glorieusen tijd, den tijd, waarop ook zij vieren zou den triomf van haar streven. Olga, haar mooiste, haar trots, zou rijk worden en zeer aanzienlijk; ook háár eerzucht en ijdelheid vonden voor eenige oogenblikken hierin volkomen bevrediging... Daarom geen dwarsdrijverij! Het was vrij wat beter, dat Mieke van het fijne van den grootschen opzet niet alles afwist, dan kon zij zich meteen niet vergissen, en behoefden papa of Loes—welke laatste men er ook maar buiten hield met haar geflapuit en haar gezeur soms, „dat vader maar voor de lasten opdraaide”—zich niet noodeloos ongerust te maken.
Mieke werd intusschen dus meer aan zichzelf overgelaten, en als ze zich niet met haar jongste nicht verpoosde op een wandelingetje of in een lees- of babbeluurtje, daardoor weer geheel gerakend in haar levensmanier van vóór tante’s ongesteldheid en „de” merkwaardige gebeurtenis, maakte zij haar vacantiewerk.
En ééns ook, op een avond—de dames Ravenhorst hadden een boodschap gestuurd om haar te inviteeren—was zij bij de dametjes geweest.
Juffrouw Roosje, met geheel genezen voet, die slechts verstuikt bleek te zijn geweest, liep gelijk van ouds als een vlug, trippelend poppetje. Zij kuste Mieke en gaf haar het beste plaatsje aan den haard. Hoe’n kwiek, aardig vrouwtje was zij nu, nu geestig en vroolijk haar oogen twinkelden, vol vreugde het meisje weer te zien. Bij de ergste pijn had ze geschertst, thans, dankbaar voor haar herstel, kwam ze Mieke voor als de levende blijmoedigheid.
Had reeds dien malaise-avond de intimiteit van de omgeving haar invloed op Mieke niet gemist, nu ze zonder onrust van deze genieten kon, was het haar bijna of ze hier hoorde. Zij zei het, en de oude dametjes vonden het heerlijk.
Mieke vertelde haar van thuis, van grootmoeder, en met stroomen ging heur sympathie naar de beide bedaagde vrouwen, die luisterden met warme belangstelling... Zoo blij voelde Mieke zich, als eens, in den goeden tijd, zoo vrij en onbevangen. Van geen enkel woord behoefde zij den klank te bedenken, geen zinsbouw werd bekritiseerd, en—eigenaardig—heur handen beziende, bemerkte zij, dat die volstrekt niet rood waren als op de avondjes bij tante.