Mieke

Part 12

Chapter 123,854 wordsPublic domain

Zij vertelde ook van ’t mooie dorp, van de groote boerderij van Wije, van het voorjaar en de wijde luchten, waarover ze vroeger nooit zoo gedacht had, over de ruime vlakten, waarvan ze nooit zóó onbegrensd had genoten als nu, tusschen de hooge huizen in de overvolle straten. En toch, nu zij hier eenmaal was, nu ze het leven van zoo een geheel anderen kant leerde bekijken, kwam er ook hier veel wat haar trok. Indien ze hier weg zou moeten, zou ze gaan met opoffering van veel... Ze sprak over haar bekenden daarginds, die ze nu zoo anders zag dan vroeger. Ze zag ze soms nobeler dan de menschen hier, meer waar en oprecht,—maar ook wist zij, dat zij ze toch nooit weer kon beschouwen als eens, tenminste de meerderheid niet, omdat ze nu wist wat ze, bij hun grootere natuurlijkheid, ook weer misten, en wat ze toch wel gaarne met die grootere ongekunsteldheid vereenigd zou hebben gezien. Niet juffrouw Wije, of dominee Rensen, of Geert,—zij hadden altijd begrepen, wat Mieke nu pas léérde begrijpen, maar Mieke meende de dorpelingen, de meisjes uit de plaats, met wie ze schoolging, en zooveel anderen. Maar dat alles kwam, omdat zijzèlf zoo veranderd was. Zij was zoo half geworden: geen buitenmensch meer en daarentegen toch ook totaal geen stedeling...

Hoe kwam het, dat zij zoo sprak tot deze dametjes? Zelfs met Loes had ze hierover nooit gesproken.

Maar juffrouw Roosje begreep haar heel goed. Juffrouw Roosje beter dan juffrouw Hermance, die maar zoo’n beetje sentimenteel zat te kijken.

„Dat komt allemaal wel terecht,” zei de eerste, „als je maar door deze moeilijke periode heen bent gegroeid. Er komen in ’t leven nu eenmaal vóór en na van die gedeelten, die je worstelend moet overwinnen, zoo goed en zoo kwaad het gaat, vooral ook onmin met jezelf. Maar je moet nooit wanhopen, al begrijp je ook niet waarvoor al die strijd noodig is,—tót je nu-en-dan stilstaat en terugblikt op den afgeloopen weg van een hoogte, die je bereikte. Dan pas overzie je duidelijk wat je geleerd hebt, en je bent blij met wat je verwierf. Je hebt leed gekend en strijd, maar je bent grooter geworden in begrijpen en gevoelen; je zoudt toch niet weer terugwillen. Je zoudt niet alles wat je leven breeder maakte en rijper willen missen, zoo je het maar gemakkelijker hadt gehad. Je bent gegroeid: als mensch.”

Juffrouw Hermance zat maar vriendelijk te knikken. En juffrouw Roosje vervolgde na een poos van stilte: „Als je maar eerst zoover bent, dat je onafhankelijk kunt doen en laten wat je wilt. Je vertelde me zooeven, dat je oom je kapitaaltje beheert. Nu, zoodra ik een plaats als onderwijzeres gevonden had en meerderjarig was, zou ik zelf willen doen; ik zou heelemaal vrij willen staan, en dan den weg volgen, dien ik meende, dat ik volgen móést. Maar voorloopig moet je niet anders doen dan trachten te houden van alles wat in je omgeving daarnaar vraagt. Je bent nu in Amsterdam en nu moet je ook van Amsterdam houden.”

„Ja,” sprak juffrouw Hermance, „dat zeg ik ook.”

„Wij,” vervolgde juffrouw Roosje op haar zachten, zekeren toon en op haar vriendelijke, doch zeer gedecideerde manier, „wij, Mance en ik, zijn hier vastgegroeid, geboren en getogen, maar toch zijn we daarom niet bevooroordeeld voor deze stad. We hebben er niet alleen gewoond, maar ook geleefd: genoten en geleden. En overal waar je dat gedaan hebt is de omgeving je dierbaar. Zoo moet jij het ook leeren beschouwen. Dat is moeilijk als je jong bent, heel moeilijk, maar je moet ’t toch probeeren.”

„Ja,” zei Mieke, schuchter instemmend, „het is heel moeilijk.”

„Liefje,” vervolgde juffrouw Roosje, haar mager, gelig handje op Mieke’s blank, roze pootje leggend en dat drukkend, „je moet niet slechts zien, maar ook bewaren. Als wij van ons huisbezoek in de achterbuurten thuis kwamen heeft al het moois, wat we daarna zagen, ons dikwijls zóó versterkt, dat we wel eens tot elkander zeiden: „Goddank, dat het zien van zooveel schoons ons lust en moed geeft tegen het leelijke te blijven strijden.”

„O, dikwijls heeft ons dat versterkt,” beaamde Hermance met een ernstig mondje.

Mieke herinnerde zich heur blijde avondwandeling, en het werd zéér licht in haar.

„Zooals jij houdt van je dorp, zoo houden wij van onze stad, omdat wij haar kennen zooals jij je dorp kent, kind. Niet om de groote modepaleizen of de restaurants, niet om de prachtige gebouwen of breede verkeerswegen houden wij van haar, maar we houden van alles erin, van de groote en kleine grachten, waarlangs wij al liepen met onzen goeden grootvader, van alles en alles in deze stad houden wij, omdat we ermee zijn samengegroeid.” Juffrouw Roosje raakte in vuur. „Ik houd ook van de achterbuurten,” ging zij voort, „omdat ik houd van de menschen, die daar werken en lijden, en die ik maar zelden zoo’n héél klein beetje helpen kan.”

„Wij zijn Menist,” sprak Mance verduidelijkend. „Hoofdzakelijk is ons huisbezoek bij Menisten, maar ook toch wel bij anderen.”

Roosje maakte een afwerend gebaar. „Wat doet het ertoe wat we zijn, als we maar doen wat we kunnen, misschien verkeerd, misschien goed. Wie kan ’t zeggen?... Maar wáár je bent, leef daar met je hart, en overal zal ’t dan goed wezen, voor jezelf en anderen.”

De drie zwegen weer eenigen tijd. Mieke vond „haar eigen dametje” toch zoo best! Zij kwam Mieke voor de meest verstandige te zijn van beiden, de leidster. Juffrouw Hermance leek meer passief, minder levendig ook... „Och,” zei juffrouw Roosje zacht, toen haar zuster even buiten ’t bereik was, „zij heeft ook zooveel geleden, Hermance.” Juffrouw Roosje sprak zéér teeder over de ander nu, wier klein gezichtje inzonk bij ’t luider ophalen der verdrietige herinneringen. Toch liet juffrouw Roosje haar het verhaal doen van haar leven, wat Mance gaarne scheen te willen... Mieke wist nog niet dat dit het eenige verhaal was, dat juffrouw Mance ooit vertelde. Zij wist nog niet, hoe juffrouw Roosje steeds elkeen trachtte te bemoedigen met een opsomming van ’t schoone van ’t heden, terwijl juffrouw Mance als tegenstelling gaf het lieve van ’t voorbijgegane.

Zij was de bruid, juffrouw Mance—heur schor stemmetje leek nog meer omfloersd dan anders—en juffrouw Mance was een-en-twintig jaar, toen haar liefste stierf en zij de bruid blééf... Arme juffrouw Mance! Benijdenswaardige ziel, die vier-en-vijftig jaren lang het ideaal bleef behouden, dat ze thans de gelukkigste vrouw ter wereld zou zijn geweest, zoo niet de wreede dood die hoop had vernietigd... Want niets gebeurde er in haar leven sindsdien. Zij teerde nóg op dat geluk, teerde nóg op dat verdriet, het eenig ingrijpende in haar leven.—Jaren en jaren was het nu reeds verteerd, juffrouw Mance kon zich bijwijlen niet eens goed meer een voorstelling maken van den dierbaren afgestorvene, maar ze zei dit nooit. Het zou haar heiligschennis geleken hebben. Z’n portret was verbleekt, z’n stem uit haar geheugen, de pijn om z’n gemis weg uit haar hart,—maar toch, zij treurde, koesterende haar vergaan ideaal met uitgedoofd verlangen. Roosje hielp haar, treurde mede op dagen van herdenken, luisterde altijd weer opnieuw met even groot geduld... En om de beide oude vrouwtjes spon de tijd een lieflijk waas van zachte romantiek.—

Juffrouw Roosje meende nu Mieke ook wat te moeten opvroolijken. Wel foei, den heelen avond moraal en treurige geschiedenissen ging niet aan! Dan zou Mieke wellicht nooit terugkomen!—En nu kwam er een ander bedrijf uit beider jeugd... Pas naderhand ervaarde Mieke, hoe ook dit verhaal een wederkeerend was,—doch het deerde haar niet.

Toen zij verteld had van dominee Rensen, sprak ook juffrouw Roosje van haar godsdienstonderwijs. Hoe jong reeds leerde zij heele Bijbelhoofdstukken en teksten, psalmen en gezangen op haar grootvaders uitdrukkelijk verlangen uit het hoofd. Nergens stelde de oude heer zóóveel belang in als in deze lessen betreffende de grondbeginselen des Christendoms bij z’n kleinkinderen. Des Zondags moesten juffrouw Mance en juffrouw Roosje haar wijsheid bij hem komen luchten om beloond te worden met gaven in den spaarpot, waar, zooals juffrouw Roosje zei, heur hart als braaf kind, niet naar uitging... Heel heur gezichtje zag guitig en kwam vol oolijke rimpeltjes onder ’t grappig vertellen uit haar kindsche jaren... Ja, zij was heusch een zóét kind geweest, èn zich dit bewust. Ze had niet voor niets Van Alphen’s versjes van buiten geleerd, en voelde zich diep doordrongen van: „Geen geld bekore ons jong gemoed, maar heiligheid en deugd...” Ach, tóén werd men misschien dikwerf wat met deugdzaamheid overladen, nu mist men ’t streven ernaar wel eens noode!... Maar enfin... Juffrouw Roosje zei dan, dat ze werkelijk een braaf meisje was geweest en niet dàcht aan grapjes, wanneer ze bij grootvader haar wekelijksche proeve aflegde van kinderlijke stichting. Maar, zooals kinderen vaak op den klank nazeggen wat zij hooren, zonder zich rekenschap van den zin te geven, had ook zij met de mede-leerlingen op school den meester nagesproken het godsdienstig gezang, ’twelk die week aan de orde was... Daar stond zij op zekeren Zondagmorgen voor grootvader, de kleine meid, in het korte jurkje, waaruit het lange, gesteven pijpenbroekje met het fijne borduurseltje getuigen aflegde van moeders keurigheid; helder witte kousjes had zij aan en zeer, zéér glimmend gepoetste knooplaarsjes. Daar stond zij, het gezichtje opgeheven, de handjes op den rug, en na diep te hebben adem gehaald begon zij ernstig:

„Rijksdaalder met een bol gezicht, De zondvloed tijdig neder...”

En de arme, brave Roosje werd in den hoek gezet om zóóveel goddeloosheid! Wel foei, zùlk een scherts!

Nóg lachte het oude dametje. Ook juffrouw Hermance lachte, maar van juffrouw Roosje’s kleine gezichtje was niet één centimetertje zonder rimpeltjes of deukjes, en traantjes drupten op haar pensée japonnetje. Ach, haar godvruchtig zieltje had niets dan zoet-zijn en leerzaamheid gewild, en het gezang:

„Reeds daalt met een omwolkt gezicht De zon vroegtijdig neder...”

had toch waarlijk ook in den uitspraak van den rijksdaalder met het bolle gezicht en den tijdigen zondvloed haar plechtig en verheven in de ooren geklonken.

Mieke schaterde. In lang had zij zoo hartelijk niet gelachen. „O,” vroeg zij, „zou Loes ook eens mogen meekomen en wilde de juffrouw het haar dan ook eens vertellen?”

De dametjes-zelf genoten niet het minst van dit succes. Welk een dankbaar gehoor! Zoo weinigen hadden tegenwoordig tijd om naar oude menschen te luisteren; iedereen had zoo’n haast... Ze vonden het een kostelijken avond.

Toen Mieke naar huis ging was ze voldaan en héél blij. Ze zou dolgraag terugkomen... Zou ze niet blij zijn? Ze wist nu zeker, dat ze twee vriendinnen rijker was geworden en al waren dit nu een paar heel oude, ouderwetsche dametjes, wat hinderde dat?

Loes vond ’t éénig ook eens mede te mogen.

„Wat hebben zulke kinderen nu bij mogelijkheid dáár!” riep Olga minachtend. „Eéns ben ik per ongeluk bij de Totebelletjes boven geweest, maar ik hield ’t er geen vijf minuten uit. Je besterft het van verveling.”

Mieke antwoordde niet. Zij dacht erover hoe eigenaardig die kennismaking tot stand kwam, door hindernissen en onaangenaamheden. En dikwijls, heel dikwijls nog zocht ze de vriendschap der dametjes, vond ze bij haar evenwicht en raad. Maar over dien raad later.

HOOFDSTUK XII.

ASSCHEPOESTERTJE.

Begin Januari werd Mieke achttien jaar. De verjaardag ging in alle stilte voorbij, en behalve door eenige cadeautjes en brieven, welke ze kreeg, was er weinig verschil merkbaar tusschen dezen dag en andere. Toch verheugde zij zich om enkele dingen. Loes had haar verrast met een aardig boekenstandaardje, en oom Egbert met „Armoede” van Ina Boudier, iets wat tante Sophie erg duur en overdreven vond. Mieke had van haar toch al zes zakdoekjes! Zoo’n boek er nog bij was heusch onnoodig, vond ze. Maar ze bedacht, dat Mieke tijdens en na haar ziekte eigenlijk heelemaal geen aardigheidje van haar gekregen had—ofschoon Mieke een feitelijke belooning indertijd min-of-meer verspeelde dien avond van haar „redding van drenkelingen”, zooals Olga haar hulp aan juffrouw Roosje spottenderwijs betitelde—dus maakte mevrouw Sophie haar man maar geen al te groot verwijt van die „maltentigheid”, die ze bij hem voor het nichtje waarnam de laatste dagen. Met dat al hinderde het haar toch eenigszins te gelooven, dat hij Mieke bijwijlen eenigszins scheen te willen voortrekken. Hij kon soms zoo bespottelijk belangstellend naar haar oordeel luisteren en later, op ongelegen oogenblikken, terugkomen op wat zij gezegd had... Enfin, daar maar niet te veel notitie van nemen was het beste. Mevrouw, van haar kant, was blij met Januari het driemaandelijksch kostgeld van Mieke te ontvangen bij het gewone huishoudgeld, nu ze met Olga’s verloving zulke groote onkosten had, die ze daarmee wel nog lang niet heelemaal kon bestrijden, maar dat haar toch heel aardig hielp bij de allerdringendste uitgaven. Vandaar dan ook haar toegevendheid op den verjaardag bij vaders lichtelijk verwennen van Mieke.

Juffrouw Wije schreef haar ex-buurvrouwtje een hartelijken brief over alles wat haar belang kon inboezemen. Haar korte zinnen waren duidelijk en welsprekend, zooals geheel haar persoon. En Mieke frischte op van dien brief als van een blijden voorjaarsdag.

Haar lessen waren nu ook weer begonnen en haar dagen zouden weer hun gewonen gang van vóór tantes ziekte zijn gegaan, wanneer niet langzamerhand haar hulp in velerlei thuis weer dienstig werd bevonden. Boodschapjes in allerhande richtingen werden noodzakelijk naarmate de groote dag naderde van Olga’s receptie; massa’s kleinigheden, die tijd en vaardigheid vereischten, moesten worden afgedaan, en in heel wat van deze tegemoetkomingen bleek Mieke, gewend als men geraakt was aan haar vlugheid van begrip en handigheid, niet te vervangen. Dus keerde, na eenige weken van betrekkelijk gemak, de drukte weer voor haar terug.

De receptiedag werd een ontzettend ingespannen. Mieke vroeg zich af waarom men zichzelf eigenlijk die penetentie oplegde van uren achtereen te staan en te glimlachen, terwijl ieder, die tot de familie behoorde, toch onomwonden verklaarde het afschuwelijk te vinden. Allen te samen vormden een schitterenden stoet van fraai gekleede menschen met Olga als brillant middelpunt, en elkeen leek zich, niettegenstaande zijn eigen tegenspraak, zeer verheugd en prettig te gevoelen... Mieke begreep dat weer niet... Zij stond nevens allen, on-thuis, verlangend naar het einde, moe van het langstrekken dier vele bekende en onbekende gezichten, met hoofdpijn van de zoete geuren in de met bloemen overladen suite.

Olga in heur soepel wit zijden japonnetje, op heur gezichtje een trekje van hooghartige minzaamheid en zegevierenden trots, was sprookjesmooi naast Bogaerts, den in stille verrukking haar bewonderenden prins, z’n knap, wat onbeduidend gelaat in stereotiep welwillenden glimlach naar de gelukwenschenden gekeerd. De pa’s spraken gemeenzaam doch uiterst correkt en met beschermend handgebaar van bezadigde mannen tot de gaanden en komenden. De ma’s, meer gereserveerd, meer-of-minder innemend hoofdneigende onderhielden zich met de diverse bezoekers naar hun aanzien of rang op eveneens meer-of-minder vriendelijken toon. De gasten zeiden lieve en vleiende dingen en bewonderden om strijd de prachtige bloemen, en algemeen vernam men ’t oordeel, dat het „een magnifique dag” was, hoewel met een zucht van verlichting hunnerzijds de huisdeur zich achter hen sloot.

En des avonds volgde een diner.

Mama had dit, ook al op uitdrukkelijk verlangen harer oudste dochter, buitenshuis gewild, en vader stond voor een fait-accompli toen hij hieromtrent bezwaren maakte. Bijna ontstond daarover een zóó groot meeningsverschil tusschen meneer en mevrouw als de kinderen nog nooit hadden meegemaakt. Oom Egbert toonde zich nog zelden zóó ontstemd omdat er nu niets meer aan te veranderen viel... Was een partijtje aan huis niet goed genoeg? Waarom zulk handen vol geld weggegooid voor noodeloos vertoon? De tegenwoordige tijd was er waarlijk niet naar om zulke uitgaven, reeds bij een verloving, klein te achten. Wat dàn als Olga trouwde?

Doch tante Sophie bepleitte haar goed recht met niet onverdienstelijke scherpheden. En Olga liet mama dezen keer maar alleen de kastanjes uit ’t vuur halen. Zij had haar zin. Waar diende ’t voor zich nog verder te verontrusten?

Mama betoogde, dat dit dinertje heusch zooveel kostbaarder niet was dan een partijtje thuis. Slechts petit-comité inviteerde men... Loes, als zusje, kon niet gemist, maar op Mieke bij voorbeeld had men niet gerekend... En méér zoo... Zag Egbert nu niet in, dat men op die manier op stellig de helft minder uitnoodigingen kwam?

Maar oom Egbert scheen hardleersch, dien keer. Hij ontstak in toorn. Tante Sophie, gewend aan z’n goedige lijdzaamheid en zijn afkeer voor onaangenaamheden en gekibbel, stond eenige oogenblikken verslagen.

„Dus eigen moet wijken voor vreemde snoeshanen?” viel hij uit, tante Sophie herinnerend door dien uitval aan de dagen in het begin van haar huwelijk, toen Egbert nog zoo weinig gepolijst was en zoo dwars tegen den man in kon gaan. Zij ergerde zich onzegbaar. Foei, hoe ruw en grof!

„Vreemde snoeshanen?” en in haar toon lag Olga’s korte ironie.

„Dat kind,” ging hij voort, „dat zooveel gemak in huis geeft en ons zooveel diensten bewijst en dat toch ook betáált...”

„Cht! Cht! Wat ik je verzoeken mag,” sprak mevrouw Van der Hoeve met krachtig afwerend handgebaar. „Ik begrijp heusch niet wat je mankeert opeens, Egbert. Ik heb heel goed bemerkt, dat je den laatsten tijd wat zenuwachtig bent, maar nu kan ik dat toch werkelijk niet langer tot een excuus aanvoeren, als je zóó begint... Het zou wat moois zijn als wij eens niets dan last hadden van Mieke. Waar ze genoeg bezit zou het wel méér dan dwaas wezen haar rente op rente te laten leggen en haar niet haar eigen onkosten te laten dekken. Blijft haar daarna niet nog genoeg over om hier te waardeeren? Of houdt dat eenig verband met haar presentie op ’t diner?... Ik geloof zelfs niet, dat je er haar een dienst mee doet zoo voor haar in de bres te springen op zoo’n allerongelukkigst moment. Ze wil niets liever dan thuisblijven. Vráág het haar!... En dan: onderhield ze bij je moeder niet het heele huisje? Ze doet gráág wat in de huishouding.”

Oom Egbert zag reeds heel spoedig na tante Sophie’s beginnen het nuttelooze in van zijn tegenwerpingen... Was het waar, dat hij Mieke geen dienst bewees met zoo te spreken?... Mevrouws positieve woorden verrasten als altijd zijn immer dralende beweegredenen en verdreven die weder successievelijk naar den achtergrond, hoewel niet zoo vlug en gemakkelijk als gewoonlijk. Het ging hem aan ’t hart het kind te moeten achteraf-zetten, waar hij kort tevoren zoo een overgrooten dienst van haar ondervond,—zij het er dan ook één door haarzelve en door anderen ongeweten... Had een deel van haar kapitaaltje, door hem beheerd, hem onlangs niet uit een hoogst penible geldverlegenheid gered, nadat hij eenige dagen met de handen in het haar gezeten en over een veilige oplossing afmattend had zitten piekeren? Maar dat kon hij natuurlijk aan niemand vertellen, dat behóéfde hij ook niet aan iemand te vertellen, want de zaak was al lang weer in orde: hij had het geld onmiddellijk weer aangezuiverd, toen de slimme dagen voorbij waren... Doch dat men dit kind, dat hen allen—onbewust, maar nochtans—eigenlijk gered had, dat men haar niet alle vergoeding gaf, welke haar daarvoor toekwam, het begon hem te steken, te verwijten, het vergrootte ook zijn angstgevoel voor een niet onwaarschijnlijke herhaling van een nieuw tekort, dat wederom dreigde. Moest Mieke’s onvoorwaardelijk vertrouwen dan wederom den tol betalen voor hen, voor hen-allen? Ach, als eerst Olga maar goed-en-wel getrouwd was en Erik afgestudeerd dan zouden z’n uitgaven zeker tot de helft verminderen, maar den laatsten tijd leek het alsof men dacht, dat hij het geld maar van een boompje schudde, terwijl men toch eens begrijpen moest hoe moeilijk het zaken-doen werd tegenwoordig.

Z’n hoofd vol bezwaren op allerlei gebied, werd hij inmiddels gecomplimenteerd door allen, die prijs stelden op Olga’s gunst. De Bogaertsen muntten uit in voorkomendheid, wat zéér diende te worden geapprecieerd. Olga pakte allen dan ook onweerstaanbaar.

En op het diner, te midden harer aanstaande familie, harer vrienden en vriendinnen, zwaaide Olga gracieus heur tooverstaf. Zoo geestig en opgewekt, zulk een buitengewoon begaafd gelukskind kreeg men zelden te vereeren. Wèl vond Tilly Mertens haar wat medelijdende neerbuigendheid ongewoon en eenigszins pijnlijk toen ze vroeg, „of het werkelijk waar was, dat ze plan had haar studie op te geven om de kinderen van haar gestorven zuster op te voeden?”

Tilly’s leelijk gezichtje straalde toen ze deze vraag bevestigend beantwoordde en zei ’t heerlijk te vinden een doel te krijgen om voor te leven.

„Je lijkt Mieke wel,” lachte Olga een weinig spotachtig. „Wel zielig voor je om er je studie voor te moeten laten varen.”

„Zielig, o neen,” weersprak Tilly blijmoedig.

„’t Is toch zonde van je knappe werk. Je hadt al zooveel bereikt.”

„Beklaag me maar niet,” verdedigde de ander vroolijk haar voornemen; Olga’s manier-van-spreken drukte haar even, maar opgewekt herstelde zij zich. „Wie weet bereik ik nu niet veel méér dan een doktoraal.”

Olga gaf haar een tikje op den arm, echter op minder amikale wijze dan toen Tilly gold voor „de meest eminente” onder de vriendinnen. Dégradeerde Tilly zichzelve niet tot een doodgewoon sloofje?... Jammer. Niets in Olga’s geest. Ze hield nu eenmaal niet van menschen, die beneden een zeker niveau, wat haar niet aanstond, leefden of terugvielen. Als zij het vooruit geweten had zou ze Tilly maar liever in plaats van op dit diner op het onder-onsje thuis hebben geïnviteerd.

Tilly informeerde belangstellend naar Mieke. Zelf nu van gansch andere gedachten vervuld dan tijdens haar vroegere bezoeken bij de Van der Hoeve’s, voelde zij zich bij het noemen van Mieke’s naam deze plotseling naderkomen.

„Zij bleef liever thuis,” zei Olga met afdoende beslistheid. „Ze houdt niet van festiviteiten als deze.”

Loes, die wat achteraf stond, ze was knorrig en had het land ondanks de grapjes van Bogaerts’ jongsten broer, dien ze „een mispunt” vond, Loes schamperde ertusschen: „Ze is ook niet gevráágd. Ze is immers onze Asschepoester.” Haar oogen toornden. Toen werd ze heftig even. „Maar als er ooit,” flapte ze uit, „een glazen muiltje verloren is, zal ’t háár passen. Háár voet is de kleinste,—ze is de beste van allemaal!”

De heer Van der Hoeve, die in de nabijheid het gesprek onwillens verstond, keerde zich wat gejaagd en met een korte wrevelbeweging af... Hij was wat bleek geworden... Was het Asschepoestertje in zijn oogen niet reeds verheven boven den schoonen schijn van dit feest? Wist hij het niet allang, dat het muiltje haar paste?... Wat haperde er toch in hem?... Waarom was hij niet even verheugd als Sophie, als iedereen?... Was Olga dan z’n trots niet meer, zijn bewonderde oogappel?... Behoefde hij zich nog om gepasseerde kleinigheden ongerust te maken? De kleine som, die hij van Mieke’s kapitaaltje leende, stond immers reeds weer voor haar vast? Alles was nu toch weer in orde, goed, deugdelijk in orde?... Nu dan! Wat behoefde hij dan zoo te malen over glazen muiltjes en Asschepoestertjes?... Buitendien, ’t kind zei toch zelf niet eens graag te willen naar het diner.

Hij keek rond en zag hoe allen zich sterk voelden en hoog, vol eigendunk en trots, en hijzelf ook deed mede, trotsch en vroolijk en eigendunkelijk. En mama knikte hem van verre toe, omdat hij toch wel een goede, beste man was, als ’t erop aankwam, en vreeselijk inschikkelijk... Maar met dat al bleven Loes’ woorden dreinen in zijn hoofd, ondanks toosten en gelach.