Part 13
En Asschepoestertje zat welbehaaglijk bij haar oude tooverkolletjes, met doodgewone, waterdichte laarzen aan en ze dàcht niet aan glazen muiltjes, die haar konden passen en de eerekroon konden doen verwerven. Zij luisterde weer naar het verhaal van den rijksdaalder met het bolle gezicht en den tijdigen zondvloed, en naar nog eenige dergelijke jeugdvertelsels, en ze bekeek portretten uit de oude doos, van dames met crinolines en meisjes met tournures, ze amuseerde zich best en voelde zich tevreden en veilig en heelemaal bijkomen na den vermoeienden receptiemiddag. Haar linkeroor gloeide niet eens, zoodat ze zelfs geen flauw vermoeden had, dat men zoo gedurig over haar nadacht als oom Egbert deed, dien avond. Zij had er niet het minste idee van hoe hij met herhaaldelijke zelfkwelling zich haar eenzaamheid herinnerde, niets vermoedend van haar tevredenheid.
Pas bemerkte zij dat ze niet vergeten was, toen ze, reeds in bed liggend en half in dommel, gewekt werd door Loes, nog in partijjurk, zittend op den rand van haar ledikant. Zij had het licht aangestoken en spreidde nu op de deken alles uit wat ze meebracht.
„Hier, voor jou; allemaal voor jou. Ik heb zooveel gekaapt als ik kon van ’t dessert, chocolaadjes en bonbons,” zei ze.
„Loes, táárt?”
„Ja, natuurlijk, taart ook. Gevraagd aan den kellner, een piekfijne met een kuitenbroek, geloof ik. Hij heeft het zelf voor me in een papiertje gedaan, toen ik zei, dat ’t voor een vriendin van me was. Zoo’n lieve man! Voor niets nog al. Ik had niet eens een fooitje.”
„Maar Loes!”
„Eet nou op. Alles... Lekker?”
„Ja, fijne dingetjes.”
„Was ’t aardig bij de Totebelletjes?”
„Ja... En bij jullie?”
„Ze vonden ’t allemaal dol.”
„En jij? Was ’t heerlijk?”
„Och... heerlijk? Neen... niet heerlijk.—Is vader niet ongedurig, Mieke?” ze vroeg het angstig opeens.
Mieke schrok van Loes’ plotse onrust.
„’k Heb niet gemerkt,” zei ze, even ontsteld. „Hoe zoo?”
„Ik weet niet...”
„Niet tobben, Loes. Je hebt je wat druk gemaakt vandaag.”
„Dat zal ’t zijn,” bevestigde Loes, hangerig. „Dat iemand zooveel inspanning nu noodig vindt bij de liefde, hè?” Ze gaapte, en Mieke gooide een chocolaadje in den geopenden mond.
Toen lachten ze allebei.
„Als wij es gaan trouwen moeten we niets van dien rompslomp hebben, is ’t wel?” vervolgde ze, alweer monterder, grappig gesticuleerend, opstaande van den bedrand met het restje van haar lust.
„Ik denk van niet,” stemde Mieke in. „Als... àls... misschien nooit.”
„’t Wordt kritiek, ’t onderwerp. Laten we maar gauw ’t licht uitdoen, anders gaan we nog blozen... Hèb je je neus al in ’t kussen, Miek?... Nu dan, wel te rusten, lief Asschepoesje.”
„Waarom Asschepoesje?” Mieke draaide ’t hoofd naar ’t uitploffend gas.
Loes kwam nog even met een vaartje naar haar toe en een zoen verdwaalde op Mieke’s haar.
„Daarom,” zei ze,—en ze ging.
HOOFDSTUK XIII.
MIEKE ONTVANGT BEZOEK.
Na de schitterende verlovingspartij braken er voor Olga en Bogaerts drukke weken en dagen aan van logeeren en visites, maar voor de familie Van der Hoeve ging het gewone leven toch weer z’n oude gangetje. Dus ook voor Mieke.
Olga was den eersten tijd na het publiek worden van haar engagement veel van huis geweest, zoodat haar groote schare kennissen zich minder ten huize der familie vertoonde. Wel kwam hierin eenige verandering toen zij de colleges weer regelmatig volgde, omdat zij van den zomer nog haar candidaatsexamen wenschte te doen, maar het leek toch alsof zij niet meer zóó’n belangwekkend middelpunt was van haar kring als vroeger. Trouwens zij verlangde dit ook niet meer te zijn; haar wenschen gingen nu meer-en-meer in een andere richting.
Het was daarom na de groote gebeurtenis van het engagement veel saaier geworden bij Van der Hoeve, want ook Erik kwam slechts sporadisch opdagen, zeer tot z’n moeders grief om zooveel onachtzaamheid. Maar hij verontschuldigde zich om drukke studie.
Mieke betreurde die kalmer entourage niet, daar de bereddering van den aanloop grootendeels op haar neerkwam, en ook al omdat ze nu minder dan voorheen, door Olga’s vake afwezigheid, haar opmerkingen te verwerken kreeg. En Loes betreurde het evenmin.
Tante Sophie evenwel klaagde steen en been te zullen doodgaan van verveling nu haar eigen kinderen haar zoo aan haar lot overlieten en nu Egbert altijd zoo gejaagd weer òf naar kantoor moest òf op z’n kamer ging zitten pennen als hing z’n leven af van al de mogelijke en onmogelijke brieven, welke hij zat te schrijven of niet te schrijven. Want van dat „werken” van Egbert geloofde tante Sophie niet veel. Als zij hem onverwachts verraste deed hij dikwijls niets... Hij werd ook zóó zeurig tegenwoordig, óúd... Tante Sophie vond het een naren, vervelenden boel in huis, en ze had nog al juist zooveel meerder gezelschapsleven verwacht. Maar neen, ieder ging tegenwoordig z’n eigen kant uit, en wat kostte dit handenvol geld! Zelfs mama zou, als het zóó voortging, maar blij wezen als Olga goed-en-wel de studie had vaarwel gezegd en nog een poosje rustig thuis kwam om dan aan de inrichting van haar huis te beginnen... Egbert had er laatst eens heel ernstig met haar over gesproken en after all moest ze hem nu eigenlijk gelijk geven... Zeker, (mama keek hoogst serieus), ze waren nu eenmaal geen menschen van groot kapitaal zooals de Bogaertsen. Het kantoor ging uitstekend, dat zei Egbert uitdrukkelijk, ofschoon natuurlijk soms wel eens iets minder, doch dat kwam door omstandigheden, die zich wel weer herstelden mettertijd. Maar overleg moest er zijn!... Dit beaamde mevrouw volkomen, te meer nu ook haar kas leemten vertoonde, die nog nooit zóó groot waren geweest als thans... En zij zegde Egbert beslist meerdere zuinigheid toe, tevens beloften om ook Olga terecht te wijzen met het oog op de aanstaande enorme onkosten bij haar huwelijk. Want dit moest toch de kroon zetten op alles! Dat was dan ook het laatste... Niettemin het maakte mevrouw Sophie wel zéér nerveus, al dit gezeur... Ze hield maar weer eens voor een poosje wat langer ’s morgens haar kamer, nam een rustkuur.
Er kwam na den neerval, die volgde op den zoo glorieusen tijd, echter eenige opleving toen Olga slaagde voor haar candidaats en toen Bogaerts promoveerde, wat weer ettelijke dinertjes tengevolge had. Tante Sophie werd die dagen weer geheel de oude... Loes’ overgang naar de vierde van de H. B. S., evenals Mieke’s bevordering naar een hoogere klasse, raakten op den achtergrond bij deze veel beduidender gebeurtenissen.
Mieke-zelf en Loes verblijdden zich echter zeer, en ook oom Egbert toonde zich hoogelijk tevreden. Mieke schreef een verheugden brief naar juffrouw Wije, zich verwonderend, dat ze daarop maar geen antwoord van de boerin kreeg. Tot het haar op een goeden morgen in ’t begin van September gebracht werd.
Betje had „een meneer voor juffrouw Mieke” in het salon gelaten.
Met kloppend hart meende het meisje dominee Rensen te zullen ontmoeten, maar diep blozend stond ze tegenover de groote gestalte van Geert Wije, die in de stad moest wezen en nu zijn moeders groeten en gelukwenschen kwam overbrengen.
„Je bent groot geworden, Mieke, slanker en langer,” vond Geert, haar monsterend, en z’n zware stem klonk vreemd sonoor in het volgepropte salon, evenals zijn gestalte er wat eigenaardig aandeed. Hij keek eens rond met een vroolijk: „En leef jij nu hier, in zooveel deftigheid en pracht? Ben je nou niet héél erg de lucht in gegaan, meisje? Wil je je eenvoudige buren nog wel aankijken, zeg?”
„O, meneer Geert,” riep Mieke met tranen van vreugde in de oogen, „dat moet je niet zeggen. Ik ben toch zoo blij weer eens iemand van thuis te treffen,” geheel sprekend in den trant van vroeger. Zij voelde zich weer heelemaal kind naast Geert, niet de jonge dame, die men in haar had willen doen ontwaken,—die ook ontwaakt wàs, successievelijk.
„Zoo, zoo,” zei Geert, veel bedaarder opeens en langzaam, niets spottend meer, „nou, dat is dan best. Ik ben er wel eens bang voor geweest, moet ik je eerlijk zeggen, dat we niet goed genoeg meer voor je zouden zijn als je zoo schreef van al die deftige menschen.”
Zij mat hem eens: z’n hooge gestalte in ’t donkerblauwe pak, ’t bruin verbrande, open gezicht met de klare, blauwe oogen, die haar zoo vriendelijk, doch ook wel wat wantrouwend aanzagen,—en ze stak hem spontaan heur hand toe, ontroerd.
„Jullie hoeft nooit bang voor me te wezen,” zei ze. „Ik heb geleerd van veel hier te houden, maar ik blijf een buitenmensch, altijd.”
„’t Is waar,” zei Geert, „zoo ging ’t ook mij. Ik ben en blijf een boer, ik kan er niks aan doen.” Het leek alsof er een verontschuldiging in die woorden klonk. Ze troffen Mieke niet aangenaam.
„Maar,” vervolgde hij, „ik praat over mezelf. Ik zal je vertellen van moeder en mevrouw Bos.”
Mieke’s gezichtje glunderde van interesse. Nu kwam ze eerst geheel op dreef, zoo echt op dreef als in geen jaar... Was Jans nog op de boerderij en Trijn?... Allebei nog?... En oude Thijs?... Ook?
Maar nu vroeg Geert naar háár leven... Wat moest Mieke daarvan zeggen? Het was heel gewoon: elkeen was goed voor haar, zei ze... En ze kwam ook nog bij twee aardige, oude dametjes, met wie ze vriendschap had gesloten...
Ja, dat wist Geert allemaal... En wat dacht ze te gaan doen als ze het volgend jaar door haar examen kwam? Bleef ze dan in de stad?
„Dat zal afhangen van ’tgeen oom Egbert vindt. Tante wil mij voorloopig wel graag hier houden, denk ik.”
„Voorloopig? Wat is voorloopig?” vroeg hij.
„Tot ik meerderjarig ben en doen en laten kan wat me zelf ’t beste lijkt.”
„En dan? Daarna? Wat begin je dan?”
„Dan...? Dan wil ik eerstens oom vragen mijzelf het beheer over mijn geld te geven.”
„Natuurlijk. Je krijgt daarvan zeker nu nog geen verantwoording, is ’t wel?” hij vroeg het onderzoekend.
„Neen,” antwoordde zij, eenigszins verwonderd over de wijze, waarop hij de vraag stelde. „Dat hoeft nu natuurlijk nog niet. Maar zoodra ik een-en-twintig ben wil ik heelemaal onafhankelijk zijn om mij te vestigen, en zóó te vestigen als ik mij dat voorstel. Ik zou het liefst buiten in een mooie streek een school zoeken en me daar aardig een kamer inrichten bij vriendelijke, eenvoudige menschen. Ik zou dan Loes bij me te logeeren vragen en de kleine dametjes, en dan echt willen meeleven met de kinderen.”
„Zoo,” zei Geert, belangstellend luisterend. Hij knikte haar glimlachend toe, zooals een verstandige, oudere broer een jonger zusje toeknikt, dat hij tot-nog-toe volstrekt niet als volwassen beschouwde en dat hem nu opeens komt herinneren, hoe de tijd voortgaat en ook zij haar plaats in het leven verlangt te gaan innemen. Hij stond bij die plotse ontdekking er een oogenblik wel wat vreemd tegenover, maar toen gaf hij zichzelf toe een beetje onnadenkend hieromtrent te zijn geweest. „Nou zie ik toch,” ging hij voort met een glimpje meerder respekt en wat minder gemeenzaamheid, „nou zie ik toch, dat je wel erg gegroeid bent, Mieke. Je bent anders geworden dan toen ik je in de tilbury naar het station bracht.”
„Anders?” vroeg ze verschrikt. Zij kleurde.
„Zelfstandiger en met zulke grootsche wenschen!”
„Vindt u?” ze trok wat terug, een beetje bekoeld door zijn nuchtere, spottend klinkende opmerking. Vond hij haar overdreven? „Grootsche wenschen!”... Zij kon het niet helpen, dat zij naar haar zelfstandigheid verlangde met geheel haar hart.
Het gesprek begon eenigszins te hokken, en toen even daarna tante Sophie binnenkwam, die „dien Geert Wije toch ook eens wilde zien,” verliep het heelemaal. Ondanks het weinig conversabele van ’t onderhoud, dat zoowel Mieke als den bezoeker drukte, viel hij tante Sophie toch bijzonder mee, naar ze later beweerde. „Hij was volstrekt niet lomp,” prees zij „en lang niet zoo ongelikt als ze zich een boer voorstelde. Wel den echten buitenman zag je aan hem, maar niettemin iemand met tamelijk goede manieren en niets verlegen in haar salon.” En èven moest Mieke nu fijntjes glimlachen om tante Sophie’s aanmatiging. Zij dacht aan de prachtige modelboerderij en aan juffrouw Wije’s porcelein, dat ze vergeleek bij tante’s verscheidenheid van modernen smaak en wansmaak in „haar” salon.
Loes, die juist bij het afscheid Wije nog trof, verheugde zich hartelijk eens een van Mieke’s oude vrienden te ontmoeten.
En toen Geert vertrokken was stond Mieke alleen in de gang met zeer gemengde gevoelens: blijdschap om het weerzien, maar ook kwam er in haar ontevredenheid met zichzelf, omdat Geert zeide haar „anders” te vinden dan vroeger... Zouden àllen daarginds iets in haar verloren hebben zooals hij? Dat vond ze akelig, bedroevend. Uiterlijk mocht ze dan al eenigermate verschillen bij een jaar geleden, zij drukte zich thans misschien wat minder ongekunsteld en onduidelijker uit dan toen, haar wil toonde zich misschien sterker geworden en heel haar persoon verried waarschijnlijk de meerdere ondervinding sedert ze vertrok van het dorp,—maar ànders? neen anders was zij niet geworden, dat wist ze héél zeker! Het leek haar, alsof ze met die uitspraak wederom iets verloor van ’t lieve van vroeger, dat weer niet door het tegenwoordige te vergoeden was... Het bezoek had haar niet die onverdeelde vreugde gegeven, welke zij er wel eens van had verwacht, al verheugde ’t haar Geert gesproken te hebben, alleen al om de onvoorwaardelijke goedkeuring waarmede hij met haar plan instemde, om na haar meerderjarigheid geheel onafhankelijk haar weg te gaan.—
Hoe meer zij hierover nadacht en hoe meer deze wensch vasten vorm ging aannemen, hoe sterker zij naar die onafhankelijkheid en dien tijd van zelfstandigheid ging verlangen. Doch ook begon zij duidelijker en duidelijker in te zien welk een menigte bezwaren haar in de naaste toekomst zouden verhinderen ongestoord haar vleugels uit te slaan en de wereld in te vliegen. Een jaar geleden nog voor een groot deel der familie min-of-meer een hinderpaal, was zij de afgeloopen maanden voor het gezin en vooral voor tante Sophie een steun geworden, dien deze niet graag zou willen missen. Men sprak er reeds nu-en-dan en nog losjesweg over zich na Olga’s huwelijk slechts met één dienstmeisje te vergenoegen en Mieke de bepaalde functie te geven van hulp-in-de-huishouding, desnoods met een kleine toelaag, die dan verrekend kon worden met het kostgeld. Vooral gedurende tante’s veelvuldiger voorkomende ongesteldheden, nu ze weer vaker last kreeg van haar oude kwaal, zouden allen met een dergelijke regeling zeer gebaat zijn. Ook kon die wellicht leiden tot eenige bezuiniging,—maar van deze laatste beweegreden hoorde Mieke niet. Wèl van opkomende plannen omtrent haar toekomst. En hoewel ze nog een jaar ongeveer voor den boeg had vóór ze haar onderwijzeres-akte kon halen, toch zag ze in nog een harden dobber te zullen hebben om haar rechten te verwerven, haar recht op vrijheid bovenal. Doch des te moeilijker zou ze dit verkrijgen, nu men haar somtijds merken liet erop gesteld te zijn, dat ze blijven zou, ook later... Had zij tegenwoordig nog te klagen?... Neen immers... Men vitte zelden meer op haar: Mieke was Mieke, blééf Mieke desnoods. Men nam haar in zekeren zin zooals ze was, zelfs Olga, die tegenwoordig zulke ontzettend gewichtige dingen aan ’t hoofd had, dat ze Mieke nauwelijks meer zág. Dat de zachte kracht eener warme liefde in dit gezin ontbrak, een kracht, die Mieke steeds nog noode miste, daarover mocht ze niet morren: alle huisgenooten konden het blijkbaar zonder deze stellen, of legden zich bij het gemis ervan neer. Waarom zij dus niet?... Zij had bovendien nog Loes en de dametjes en een paar sympathieke schoolkennisjes, èn oom Egbert’s tersluiksche genegenheid, die haar toch nu-en-dan eens herinnerde in hem een familielid te hebben.
Van oom Egbert echter, ondanks die genegenheid, voorzag ze nochtans evenveel tegenkanting als van tante Sophie zoodra de tijd dáár zou zijn dat ze vrij het leven in wilde gaan om te trachten te bereiken wat ze zoo vurig hoopte. Hij zei het haar laatst duidelijk genoeg: „Wij kunnen je niet meer missen, Mieke. Je moet in ’t vervolg maar altijd bij ons blijven, zooals nu,” en gadeslaande haar stille bedrijvigheid, streek hij haar over ’t haar, zich dan in gepeins afkeerend.
Dit alles verontrustte Mieke menigmalen met betrekking tot haar vooruitzichten. Maar veelal dwong zij zich geen zorgen voor tijd te scheppen. Het duurde nog een jaar ongeveer vóór ze onderwijzeres kon zijn en nog ruim twee vóór ze meerderjarig was.
Doch heelemaal geruststellen kon ze zichzelve niet.
Zoo verliep er nog een jaar en vierde Mieke voor den tweeden keer haar geboortedag onder oom Egbert’s dak.
HOOFDSTUK XIV.
TOEKOMSTPLANNEN.—OOM EGBERT IS EEN EERLIJK MAN.
En weer was het zomer geworden.
Mieke’s examen kostte menig uurtje harden arbeid en nachtrust, maar in weerwil van het tweeledige van haar bezigheden—ik doel nu ook op haar huiselijke plichten, die van lieverlede der familie onontbeerlijk waren geworden—had zij zich staande gehouden, ondanks de weinige medewerking, die zij van den kant van verreweg de meeste harer huisgenooten ondervond, want men maakte het haar niet gemakkelijk.
Heimelijk zou het tante Sophie niets gespeten hebben, wanneer Mieke maar gezakt was. Wanneer de werkzaamheden nog een jaartje op denzelfden voet moesten voortgaan zou zij zich niet beklagen. Nu had je kans, dat Mieke een geheel andere dagverdeeling zou krijgen, wanneer ze eens een plaats aan de een-of-andere school verwierf, en dit stond tante Sophie, voor ’t oogenblik althans, allerminst aan.
Mieke’s helder verstand en sterk geheugen bij haar doorzettingsvermogen wonnen het evenwel, ondanks de vele inconveniënten. Zij slaagde. Overgelukkig bracht zij, kort na haar verworven diploma’s voor gymnastiek en handwerken, ook dat van onderwijzeres aan oom Egbert. Oom Egbert toonde zich heel tevreden en zei, dat Mieke nu vooreerst maar eens niets anders moest doen dan een beetje rust nemen, want ze zag er allesbehalve florissant uit. Geen woord sprak hij over de mogelijkheid voor haar zich nu een functie bij het onderwijs te verwerven.
Tante Sophie repte hiervan ook geen syllabe en meende, evenals oom, dat het ’t beste voor Mieke zou wezen nu eens een poosje niets te doen, dat-is-te zeggen thuis te blijven, ofschoon zij geloofde, dat Mieke er wel gauw weer wat beter zou gaan uitzien. Ze was sterk en gezond, alleen misschien een beetje overwerkt en wat zenuwachtig door de vrees te zullen zakken. Daarom ging zij, mevrouw, ook liever niet in op het verzoek van juffrouw Wije het meisje een poosje bij haar te laten logeeren.
Met hoeveel blijdschap Mieke de uitnoodiging ook ontvangen had, hoe dolgraag zij eraan gevolg zou hebben gegeven, tante bleef erbij, dat ze Mieke niet missen kon, nu allerminst. Want Olga’s huwelijk naderde met rasse schreden en er viel nog zóó ontzettend veel te doen, „dat Mieke zich in vredesnaam dit ééne keertje maar eens een beetje moest opofferen,” naar ze zei.
Zeer, zeer teleurgesteld vernam het meisje tante’s besluit. Reikhalzend had ze dikwijls uitgezien naar een dergelijk verzoek van juffrouw Wije; innig verlangde zij, vooral nu na haar geblok en na de eentonige jaren van gestadigen, vreugdeloozen arbeid in dit huis, naar buiten, naar haar eigen, lief, vertrouwd dorp, naar de wijdte van de vlakke velden, waar ze zou kunnen ademhalen als van ouds, waar ze zich vermeien kon in onbelemmerd zonlicht en in den schaduw van de boomgaarden, waar de stilte sprak en de wind antwoordde, waar de zwaluwen onder je dak nestelden en men nog eens andere vogels zag dan musschen of de papegaai van de mevrouw aan den overkant. Hoe snàkte zij den laatsten tijd naar enkele weekjes van vrij bewegen; hoe verheugde zij zich bij het denkbeeld weer als vanouds juffrouw Wije’s kippen te voederen, te helpen karnen den boter voor ’t eigen gebruik, de boontjes mede te plukken, en te helpen kneden het zelf te bakken brood. Juffrouw Wije had er haar tijdens den moeilijken examentijd op voorbereid tante Sophie te zullen vragen haar nichtje eens een poosje ontspanning toe te staan, wat Mieke’s werklust en ijver zéér te stade was gekomen en versterkte. Nu plofte ze néér: tante kon haar niet missen!
„Als ik-zelf niet voor mijn gezondheid veertien dagen naar buiten moest, zou ik heusch zèlf thuis blijven,” beweerde zij. „Maar nu Olga bij de Bogaertsen logeert, Loes bij m’n zuster in Apeldoorn is, en Erik in Den Haag, wie zou er dan bij de dienstmeisjes blijven? Het is heel vervelend, maar ze willen geen van beiden met kostgeld, omdat ze geen ouders hebben en ze niet weten waarheen te gaan. Mij is het natuurlijk ook goedkooper ze hier te houden, maar ik had er graag de grootere onkosten voor over gehad ze weg te sturen om jou de gelegenheid te geven naar je oude vrienden te gaan. Nu is ’t onmogelijk. ’t Spijt me werkelijk. Er moet nu iemand bij de meisjes blijven; alleen vertrouw ik ze absoluut niet; je hoort zulke gekke dingen tegenwoordig... Het volgend jaar, dan moeten we er vooraf op rekenen, dan moet je stellig eens een poosje naar die boerenmenschen gaan,” besloot tante met groote welwillendheid. En zij gaf Mieke een tikje op de wang, dat van goedkeuring en vriendelijke gezindheid getuigde.
Oom Egbert probeerde zijdelings nog een slap aanvalletje.
„Zouden we ’t heelemaal niet kunnen schikken, dat ze, als is ’t maar een weekje, gaat?” stelde hij tamelijk krachteloos voor.
„Aan een weekje heeft ze niets,” zei tante met beslistheid, ietwat ongeduldig.
„Zij heeft zoo haar best gedaan,” prees oom weifelend.
„Nu moet je niet weer zoo’n sentimenteel gezicht zetten, man,” kwam mevrouw terechtwijzend. „Ik apprecieer Mieke’s plichtgevoel inderdaad. Ze mag dan ook met plezier eens een dagje van me met Loes naar Zandvoort en eens naar de Totebelletjes in dat pension in Bussum, maar uit logeeren gaan is heusch van ’t jaar onmogelijk. Als je ziet hoeveel linnengoed er nog gerolzoomd en geborduurd moet worden,—ach neen, heusch ’t kan niet. En dadelijk als wij, jij en ik, terugkomen, krijgen we al die omslachtigheid van de voorbereiding voor Olga’s huwelijk... Ik weet er alles van! ’t Volgend jaar, hoor, Mieke, ’t volgend jaar, dan...”
Gedurende tante’s ononderbroken relaas kwam bij Mieke’s schrijnende teleurstelling ook verbazing en schrik.
„Maar,” zei ze, toen ze kans zag tante Sophie met goed fatsoen te kunnen antwoorden, „maar als ik nu wat opgeknapt ben, binnenkort, ga ik toch immers solliciteeren? En als ik dan eens een plaats krijg als kweekeling of zoo...”
„Ja, ja, ja,” weerde tante kort en haastig af, „met dat solliciteeren zou ik nu vooreerst nog maar even wachten. Dat komt later. Daar spreken we nog wel eens over. Voorloopig blijf je nog maar eerst een paar maandjes thuis, tot je er weer wat sterker uitziet.”
De vacantietijd verstreek.
Voor Mieke was het dit jaar geen vacantie geweest, want niet als anders volgde na den geëindigden schooltijd een nieuw leertijdvak. Zij zag er wel weer beter uit dan na haar examendagen, maar toch voelde zij zich down, gedrukt. Nu wàs ze geslaagd, onderwijzeres, had ze een deel bereikt van wat ze als het begin eener vrijer, blijder toekomst beschouwde, en nu bleek dat toch weer niets te zijn!... Het begon te gisten in haar... Moest dit nu zoo haar heele leven voortgaan? vroeg ze zich af. Toen ze in den beginne de schimpscheuten van Olga te verdragen kreeg, haar ironische hatelijkheden en spottende geringschatting, toen Olga’s aanmatiging haar vernederde en haar trots zich boog voor de noodzakelijkheid dit alles te moeten dulden omdat er nu eenmaal op ’t oogenblik niets aan te veranderen was, ja, toen schikte zij zich, schoon met harden strijd en tranen, in het onvermijdelijke. Nóg trof Olga’s totaal veronachtzamen van heel haar doen en laten Mieke menigmaal pijnlijk, doch het benadeelde haar niet persoonlijk, al deed het haar leed. Tante’s eigenmachtigheid ging thans veel verder. Zij verlangde Mieke’s diensten ten koste van Mieke’s belang. Het meisje werd niet eens gevraagd of ’t haar wel beliefde!