Part 14
Toch wilde Mieke tante’s overheersching, tante’s eigengerechtigheid nog verdragen; nog besloot zij te bukken en wilde zij tante over zich laten zegevieren, zooals Olga haar ééns en ook nu nog overwon; zij wilde niet door ondankbaar te schijnen, door allen misschien in ongelegenheid te brengen de vreugde en de plannen van het aanstaand huwelijk, dat weer de gansche huishouding en haar leden in beslag nam, hinderlijk zijn, maar daarnà, besloot ze, zou ze spreken, zou ze het tante Sophie duidelijk maken haar niet langer aan banden te mogen leggen. Ook oom Egbert wilde zij van haar zelfbeschikkingsrecht overtuigen, zich beroepend op grootmoeder, wier streven het immer was geweest haar kleindochter zóó op te voeden, dat ze eenmaal haar eigen brood zou kunnen verdienen... Mieke voelde zich een persoonlijkheid worden, die leven en werken wilde naar eigen aard; op deze manier bleef zij altijd de ondergeschikte pupil. En zij overlegde hoe zij desnoods—het was inmiddels reeds wederom December geworden en haar twintigste verjaardag was aanstaande—tot het volgend jaar, tot zij mondig werd, bij de familie Van der Hoeve zou blijven. Zoodra Olga’s huwelijk en de nasleep daarvan achter den rug was, wilde zij in weerwil van vermoedelijke tegenkanting, toch trachten een tijdelijke aanstelling te krijgen. Ze zou in haar vrije uren tante Sophie dan nog gaarne blijven helpen... Maar dàn, (en ze besloot er allen nu reeds zeer bepaald op voor te bereiden), als ze meerderjarig geworden was, liet zij zich niet meer binden, zou ze gaan waarheen zij wilde en waar ze geloofde, dat haar werk en toekomst lagen,—wilde ze vrij zijn! In Gods naam dan maar beschuldigd van ondankbaarheid! Zij kon niet anders!... Het jonge bloed stroomde warm; haar idealen groeiden; zij wilde dapper vooruit in het leven en in de wereld. Zij omgordde zich reeds de lendenen en had den wandelstaf reeds in de hand... Maar nóg moest zij wachten...
Olga’s huwelijk zou in December plaats vinden, doch door allerlei vertragingen werd het einde Februari vóór het definitief werd vastgesteld. Olga’s tijd werd nu voortdurend verdeeld tusschen haar uitzet en haar nieuwe woning, die ze tot haar spijt niet in Den Haag had kunnen kiezen, daar Bogaerts zich beter in Amsterdam had kunnen associeeren, iets wat mevrouw Van der Hoeve echter wel plezier deed.
De aanstaande bruid, veeleischend als altijd, muntte ook nu niet uit in toegevendheid. Wanneer niet alles liep naar de door haar voorgeschreven volgorde of op de manier, die zij wenschte, werd de omgang met haar wederom geen gemakkelijke. Loes, die na haar eindexamen aan de H. B. S, voor middelbaar Fransch was gaan studeeren, trok zich van het gehol en gedraaf naar Olga’s bevelen niet zooveel aan, maar mama, als steeds aangestoken door haar dochters buitensporige eischen, die maar al te zeer de haren in de kaart speelden, beviel die oude koers beter. De saaie, afgeloopen maanden hadden haar absoluut niet bevredigd; Olga’s lang en veelvuldig afwezig-zijn had haar dikwijls gehinderd, evenals het wel eens over-’t-hoofd-zien van mama, doch nu haar dochter weer van allerlei met haar overleggen ging over aankoop van dit mooie en dat onontbeerlijke, keerde de vroegere verhouding tusschen tante Sophie en haar oudste van kibbelen met elkaar en ten slotte toegeven in gloeiend eens-zijn weer terug, omdat beider ijdelheid en verlangen naar hetzelfde doel streefden.
Loes interesseerde dit alles niet. Zij verweet zichzelve hoe langer hoe meer onhartelijkheid en koelheid tegenover mama en Olga; laatst klaagde ze met tranen in de oogen Mieke haar nood dit niet te kunnen helpen... Was Olga ooit lief voor haar als een zuster?... Liet mama zich half zooveel aan haar gelegen liggen als aan de beide anderen?... Kon zij het helpen, dat ze maar een doodgewoon meisje was en niet hield van al die opschroeverij?... Zij kwam, als Mieke zat te naaien aan het fijne linnengoed of te borduren aan monogrammen, dikwijls bij haar zitten met een studieboek, maar meestal werd dit al gauw ter zijde geschoven, omdat er zich groote gesprekken ontsponnen tusschen de meisjes, die allebei in den grond precies denzelfden kant opgingen... Loes wilde naar Parijs, zoodra ze zoover met haar studie gevorderd was om in het land-zelf de laatste hand aan haar studie te leggen. Ze had breede, prachtige voornemens en hield vurige betoogen,—en Mieke voelde heur eigen hart zwellen bij haar geestdrift, doch aarzelde nog om even openbaar als Loes te toonen wat in haar omging. Doch allengs wierpen ook haar schroom en zelfbedwang de bescheidenheid af en zaten de meisjes menigmaal met gloeiende wangen elkaar te vertellen hoe zij haar leven wilden inrichten op den duur.
Niet alleen tegen Loes sprak Mieke hierover. Nu-en-dan tante Sophie eens voorbereidend, latende doorschemeren wat haar plannen waren, coupeerde mevrouw Van der Hoeve echter altijd een positief gesprek, wanneer Mieke dit onderwerp aanroerde. Een anderen keer weer hield ze zich alsof ze haar nichtje niet begreep of verkeerd verstond, niet kunnende nalaten er toch ietwat ongerust met Olga over te spreken, tegen wie Mieke zich evenwel minder vaak uitte dan tegen tante. Met Olga, vooral na haar huwelijk, had ze, meende Mieke, in dit geval niets te maken en ook bracht Olga’s minder dan tante Sophie’s belang het mee, dat zij bij haar voogd bleef, waar zij wist, dat men haar huishoudelijke hulp niet gaarne miste, ’t geldelijk voordeel, dat haar aanwezigheid daar verschafte en waarover ze eigenlijk nooit precies had nagedacht, vermoedende, dat de verkapte tegenstand aangaande haar mogelijk vertrek alleen voortkwam uit vrees voor minder gemak voor tante en volstrekt niet om ’t beetje, dat ze hier betaalde. Praatte mevrouw dus over de zaak heen, veronachtzaamde zij iedere, nog bescheiden toespeling van Mieke op haar te hernemen vrijheid, scheen zij van oordeel tegen dien tijd wel haar macht op ’t meisje te kunnen toepassen om haar tot blijven over te halen wellicht te pressen, Olga, geïrriteerd door de vele beslommeringen, die haar ’t hoofd deden omloopen, door herhaaldelijke teleurstellingen, door overstelpende drukte, en door het heimelijk verzet, dat ze oprijzen zag in Mieke bij haar nu eens ongeduldige en dan weer achtelooze bevelen, die klonken, alsof datgene wat Mieke voor haar deed een móéten was, Olga, bovendien geërgerd door tante Sophie’s gezeur achter Mieke’s rug over het inconveniënt van haar mogelijk heengaan-op-den-duur, juist nu ze wat aan het kind begon te krijgen, juist nu ze Betje na den bruiloft wilde opzeggen om bezuiniging,—Olga uitte die ergernis over dit alles weder als vanouds in spot en ironische opmerkingen, in geestige hatelijkheden nu en dan. Haar nerveuze en gejaagde gemoedstoestand maakte haar woorden bijwijlen nog scherper dan in den tijd, toen Mieke hiertegenover nog onbeslagen op ’t ijs stond. Nu kende zij de situatie, doch eenigermate ontwend aan het twijfelachtig genoegen van Olga’s interesse, trof haar deze nu weer pijnlijker dan ooit.
Mieke ook voelde, nu Olga zich door het vooruitzicht een plaats te zullen bekleeden in de aanzienlijke familie Bogaerts, minder dan ooit in tel te zijn bij haar nicht. Zij, nog altijd in Olga’s oogen het eenvoudige buitenmeisje, het dood-gewone schooljuffrouwtje, bleef en werd opnieuw, vooral nu ze weer herhaaldelijker en nauwer met haar in aanraking kwam bij het installeeren van haar kostbaar intérieur, bij het afwerken van het luxueuze uitzet, iemand, die haar alleen reeds door haar persoon aan verschillende waarheden herinnerde, welke zij veel liever wilde vergeten. Olga was daarbij menschkundig genoeg om op te merken hoe Mieke haar beoordeelde op den juisten maat, en Olga wènschte niet beoordeeld te worden en zeker niet op den juisten maat. Zij wilde gevleid zijn en gevierd, zij wenschte te regeeren en geen verantwoording te geven van haar doen en denken. Men moest niet vragen—luid of met de oogen—: „Waarom doe je dit?” of „Waarom laat je dat?” Evenmin als men slechts haar zin moest doen omdat zij, Olga, het gebóód, dan wel, omdat men haar, de meeste, de koningin, niet anders dan dienen wilde. En zij besefte héél duidelijk: Mieke diende haar niet, net zoo min als Loes. Zij voelde, hoe er altijd dezelfde strijd bleef tusschen haar en dat kind, dat haar nabij stond en dat ze toch niet nabij duldde... Dit kon Olga natuurlijk wel niemendal schelen, natuurlijk, ze gaf er geen ziertje om, maar wanneer er andere dingen bij kwamen, die haar hinderden, dan herleefde de oude wrevel, en zocht en vond een uitweg in haar gedrag van vroeger. En, sedert Mieke vaster haar toekomstplannen omlijnde en erover sprak, werden dezen het punt van aanval voor Olga’s toenemende prikkelbare stemmingen.
In die dagen bezocht Mieke zelden haar kleine dametjes. De keeren, waarop zij bij ze kwam, vertelde ze echter nooit iets van Olga’s schimpscheuten. Toch, de dametjes begrepen maar al te goed, dat er wat onaangenaams haperde bij haar buurvrouwtje, en het vuur waarmede deze over haar plannen na den bruiloft sprak overtuigde beiden, dat het heden nu niet juist zoo buitengewoon rooskleurig voor haar was. Zij deelden hartelijk in Mieke’s hoopvolle bespiegelingen; daarvoor hielden zij van haar; en juist in wat Mieke verzweeg hoorden zij wat ze thuis miste. Mieke’s eenvoudig persoontje kon niet aarden in dat milieu van leege uiterlijkheid en luxueuzen schijn, van intellektueele opgeschroefdheid en berekende vriendschap; haar klare, onopgesmukte natuur móést zich wel zwervend voelen tusschen deze zoo van haar verschillende elementen. Daarom juichte vooral juffrouw Roosje Mieke’s zelfstandigheid toe. Zij moest geheel op eigen beenen leeren staan, haar eigen kapitaaltje leeren beheeren, dat was ’t beste voor haar, oordeelde de juffrouw onomwonden. Mieke was er verstandig en praktisch genoeg voor om spoedig, met haar voogds voorlichting, hiertoe in staat te zijn en dan haar eigen, zelf gekozen weg te gaan.
Juffrouw Roosje had nooit over haar eigen levensondervindingen gesproken dan over zulke als het reciteeren in het pijpenbroekje-toilet. Maar als zij Mieke aanspoorde van het leven te nemen wat het haar bieden zou voor schoons en mogelijkheden, dan dacht Mieke wel eens of juffrouw Roosje misschien zelve niet te weinig ervan had genoten, te weinig had gewaagd. En toen het oude dametje, eens met haar alleen zijnde, Mieke’s handje vatte, zeggend: „Het is zoo heerlijk, dat tegenwoordig een meisje het leven mag aandurven, het niet geheel langs zich behoeft te laten gaan,”—toen wist het jonge meisje, dat ook juffrouw Roosje nog andere en diepere ervaringen had opgedaan in de vele jaren vóór haar gezichtje zoo rimpelig was en heur haar zoo grijs als nu, dat ook juffrouw Roosje’s herinneringen niet stilstonden bij den bolwangigen rijksdaalder, Mance’s gestorven geliefde en de dames in crinolines en met tournures op de verbleekte portretten in het album. Juffrouw Roosje had óók haar geschiedenis, wellicht door niemand gekend dan door haarzelve.
Mieke werd deze waarheid duidelijk door de trillende aandoening, die over het lieve, vervallen gezichtje vaagde en door den innigen druk van het kleine, magere handje.— —
Oom Egbert, grijzer geworden het laatste jaar en verouderend, trok zich tijdens de drukte in huis zeer terug. Soms waagde hij nog een poging om aan te sporen tot bezuiniging, maar zóó eendrachtig beweerden mama en Olga, „dat dit nu de slotuitgaven waren en vader nu eens bedenken moest, dat dit nu werkelijk het allerlaatste was, wat hij aan z’n dochter ten koste behoefde te leggen,” dat vader eindelijk maar zonder opmerkingen betaalde, zichzelf paaiend met de geruststellende verzekering: „Ze hebben eigenlijk gelijk.”... ’t Duurde immers nog bijna een jaar vóór Mieke meerderjarig zou wezen en verantwoording kon vragen over het financieel beheer van haar bescheiden vermogen?... Oom Egbert suste zichzelf in slaap met de gedachte, dat het tegen dien tijd in de zaken wel weer beter zou gaan dan nu in den crisistijd. Bovendien, Olga’s toelagen zouden dan zijn opgehouden, van den zorg voor haar was hij dan heelemaal bevrijd; Erik zou wellicht ook een eind opgeschoten zijn met z’n werk, wat ernstiger wezen en minder uitgeven dan nu; Loes, die lieveling, bleef sober genoeg in haar eischen,—en verder zou, na Olga’s huwelijk, de heele huishouding ook veel eenvoudiger worden, Sophie had het hem immers uitdrukkelijk beloofd?... In vredesnaam, nu dus nog maar niet opnieuw zich muizenesten in ’t hoofd halen; de komende tijden zouden ongetwijfeld veel vergoeden, en al wat hij de laatste maanden soms weer van Mieke’s geld gebruikte zou zij terughebben, zèker,—hij was een eerlijk man! Hij stond haar borg, dat hij een eerlijk man was.
HOOFDSTUK XV.
DE BRUILOFT.—STRIJD.
Al was Mieke de laatste jaren ook aan luxe en uiterlijk vertoon gewend geraakt, de bruidspartij overtrof toch verre haar verwachtingen. Ditmaal niet gepasseerd, zooals bij het engagementsdiner, bevond ook zij zich te midden der talrijke gasten. Het duizelde haar, luisterde zij naar de vele schoonklinkende woorden als: „het heil van het bruidspaar is ook ons heil”, „onverbrekelijke banden” en „onveranderlijke vriendschapsgevoelens”.—Waren àl deze menschen Olga’s en Bogaerts’ vrienden? Elkanders vrienden? Onveranderlijke vrienden? Zoovelen?... Mieke, gewoonlijk slechts aarzelend haar gevoelens uitend, zich moeilijk gevend en alleen dàn wanneer ze waarachtige sympathie voelde, stond van dit alles versteld.
Zij zag er aardig uit in een lila japonnetje, een geverfd en vermaakt van Olga, maar welk toiletje haar bij heur blonde haar en zacht gezichtje iets heel jongs en onschuldigs gaf. Tot-nu-toe beschouwde elkeen „het nichtje van Van der Hoeve” zoo eenigszins als een nullig, simpel wezentje, dat langs een ieder ging. Nu waren er jongelui, die met verbazing haar begonnen op te merken. Niet geestig kon men haar noemen, doch bevallig of indrukwekkend, maar lief, wel héél lief. Men sprak tot haar op ingehouden en vriendelijke wijze, reflex van haar eigen manier van doen. En Mieke, die ervóór ontzettend tegen het feest had opgezien, viel het nu werkelijk meer-en-meer mee. Zij werd daarom wat vrijer en ongedwongener na de eerste oogenblikken van schroom in die groote, hel verlichte zaal vol luisterrijk gekleede menschen; ze lachte nu-en-dan hartelijk om de een-of-andere grap en begon zich te amuseeren.
Tot Olga, even in de nabijheid toevend van ’t geanimeerd clubje, waarin ook Loes zich vermaakte, luisteren bleef en, met een lachje en een tikje op haar schouder, Mieke toevoegde: „Ik wist heusch niet, zeg, dat jij zoo flirten kon,” Mieke’s vroolijkheid met één slag verdrijvend.
Flirtte zij?... Onmiddellijk betrok Mieke’s warm, opgewekt gezichtje... Deed ze mal, zooals enkele van Olga’s vriendinnen en sommige meisjes van school?... Had ze zich aangesteld?... Een gevoel van schaamte deed haar hevig blozen. Neergeplofd trok ze zich terug, schuchter als altijd. Zij was weer klein tegenover Olga.
Tante Sophie, in haar element als nooit voor dezen, zat als bruidsmoeder op den troon. Alle kwaaltjes en ongemakjes, alle wenkbrauwfronsen van Egbert, alle zuinigheidsplannen waren vergeten. Olga, haar trots, toonde heden onuitwischbaar het stempel van haar moeders opvoeding. Èn het resultaat. Egbert mocht haar altijd bestreden hebben, openlijk of zijdelings, hij mocht herhaaldelijk op het aambeeld hebben geslagen: „Je voert de kinderen te veel de hoogte in. Als het maar goed voor ze is,”—heden werd de kroon gezet op haar werk, deze avond bracht haar den onbetwistbaren, volkomen victorie. Egbert en de kinderen moeten haar dankbaar zijn.
Toen, eenige dagen daarna, de huwelijksinzegening!
Mieke, niet in den familiestoet maar onder de belangstellenden in de kerk, deed moeite zich een stemming van wijding op te dringen, maar haar godsdienstig gevoel détoneerde. Daar ging geen machtige innigheid, geen breede straal van liefde uit van het schoone, bewonderde bruidspaar, geen diepe, vrome bede steeg omhoog van de ouders voor de kinderen. Toch was ’t geheel zeer imponeerend. De deftige pa’s en ma’s, de overige verwanten, zij zaten met ernstige gezichten te luisteren naar de goed gekozen rede van den predikant. Het orgel speelde „de Hochzeitsmarsch”; een dame zong: „Wo du hingehst, da will auch ich hingehen...” maar in de consistorie herinnerden zich waarschijnlijk slechts enkelen het tekstwoord: „En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde.”
Maar: „’t Toucheerde,” zei stralende mama tot mevrouw Bogaerts, met een verrukt glimlachje een traan wegpinkend. „’n Beeldige preek, nietwaar?”
„’t Toucheerde ontzettend. Schitterend; schitterend,” beaamde mevrouw Bogaerts.
Nog een klein déjeuner en-famille thuis, waarna het bruidspaar op reis ging.
En ook deze mijlpaal was geheid,—voor immer.
De eerste dagen volgde op de doorgemaakte emoties natuurlijk een reactie. Allen voelden een leegte. Tante Sophie, wier wilskracht, zoodra zij deze concentreerde, ongeloofelijke dingen kon verrichten, doch wier niet sterk gestel slechts matig bestand was tegen al te groote inspanning, plofte neer. Moe, overmoe werd zij zeer prikkelbaar.
Nu ze haar doel bereikt had, scheen ’t haar toe iets verloren te hebben. Een verwezenlijkt ideaal is somtijds een verloren illusie!... O, zij hoopte zeer zeker nu op Olga’s terugkomst in heur eigen comfortabel home, zij verheugde zich op de bezoeken bij haar getrouwde dochter, maar voor het oogenblik kon tante Sophie de leege dagen, die volgden, nog niet goed verduren, voelde zij zich ontevreden en nerveus.
Mieke verdroeg haar minder aangename humeuren zooals zij ze altijd verdroeg, met geduld, hoewel ook met toenemend verlangen spoedig ervan verlost te zijn. Echter nog niet onmiddellijk na Olga’s heengaan wilde zij tante Sophie opnieuw irriteeren met de mededeeling nu eindelijk eens te gaan solliciteeren naar een plaats, maar toen er een paar weken verloopen waren en zich een goede gelegenheid aanbood erover te beginnen deed zij het.
Evenals na Mieke’s examen en in de daarop volgende drukke maanden gebruikte mevrouw Van der Hoeve haar trucjes van eroverheen-praten en negeeren, doch zóó positief hield Mieke vol, dat tante ten slotte wel luisteren moest.
Wat het meisje voorzien had, tante Sophie toonde zich zeer tegen haar plan gekant en sprak verwijtend van grove ondankbaarheid. Toen ze zag hier weinig mede te bereiken en dat Mieke op haar stuk bleef staan werd zij vinniger, beriep zich op oom Egbert.
In den grond Mieke’s wenschen kunnende plaatsen en er niet op tegen hebbende dat zij een anderen werkkring zocht dan uitsluitend dien van hulp zijner vrouw, mits ze maar bij hem in huis bleef, viel hij het nichtje niet zóó af als mevrouw Sophie wel wenschelijk achtte.
„Het spijt me werkelijk, tante,” zei Mieke aan het eind van het twistgesprek, „dat ik u misschien een beetje in ongelegenheid moet brengen, wanneer ik ’s morgens en ’s middags niet meer thuis kan zijn, maar ik wou, dat u begreep hoe m’n heele toekomst ermee gemoeid is.”
„Heele toekomst!” bitste tante. „Groote woorden. Zei ik niet dat je hier, desnoods, bij mij ook salaris kunt krijgen?”
„Maar wat helpt dat, tante? Ik moet toch eindelijk eens een begin maken met les te geven.”
„Waarom? Je kunt wel degelijk hier blijven, de eerste jaren althans nog. Heb je het hier niet goed?”
„O ja,” kwam er aarzelend.
„Nu dan? Wat wil je? Een plaats,—dat dient voorloopig nergens toe als je bij mij in betrekking kunt zijn.”
„Maar dat wil ik niet,” ontviel Mieke, zeer beslist, echter niet onvriendelijk.
Oom Egbert zat erbij en zei niet veel, keek onrustig van de één naar de ander.
„Ik zal u zooveel mogelijk blijven helpen,” beloofde Mieke bedaarder, „maar ik wil bij ’t onderwijs beginnen, desnoods voor tijdelijk of als kweekeling.”
Tante Sophie’s tegenwerpingen namen toe in scherpte; haar min-of-meer flets gezicht kreeg een verhoogde kleur, wat haar niet goedstond. Zenuwachtig knipperde ze met de oogen.
Oom Egbert zat tusschen twee vuren... Als het kind toch in Amsterdam en bij hen wilde blijven waarom haar dan verder bemoeilijkt? ’t Was waar, Sophie raakte zeer aan Mieke’s hulp en vlugheid gewend, maar als ze nu per se een andere richting uitwilde mocht men haar toch niet tegenhouden?
„Wanneer Mieke nu belooft je niet heelemaal in den steek te laten...” opperde hij aarzelend, ziende hoe het Mieke ernst werd haar wil door te drijven, en kennende dien trek van vastberadenheid op haar gezichtje, welke hem aan zijn moeder herinnerde.
„Dat wil ik,” stemde Mieke nog eens toe, warmer wordend, in tweestrijd komend, meer-en-meer, wàt te doen: te zeggen ’tgeen zij nog verder wenschte als ze meerderjarig was, of nog tot zoolang te zwijgen... Het jonge hart klopte onstuimig. Zoolang verborg zij reeds haar vurigste wenschen, en—de mond liep over. Zij sprak vlugger dan gewoonlijk.
„Tot het volgend jaar,” zei ze, „wil ik hier blijven, tot ik mondig ben. Maar dan, oom, tante, dàn wil ik ook vrij zijn, heelemaal vrij! Ik ben dankbaar voor alles wat u voor me gedaan hebt, maar ik weet ook, dat ik handel in grootmoeders geest als ik eenmaal zelfstandig wil wezen. Ik wil dan een overzicht hebben van wat ik bezit en m’n geld zelf leeren beheeren. Ik wil een plaats zien te krijgen op een mooi dorp of in een kleine stad... Ik...”
Oom Egbert was bleek geworden.
„Dus,” onderbrak hij haar scherp, z’n wenkbrauwen waren gefronst, „dus jij wilt hier beslist wèg?”
„Is dat onze dank?” viel tante grif bij.
„Dank, dank,” weerde oom Egbert af, „dank is niet direkt noodig, maar...”
„Niet noodig? We hadden haar toch niet den kost te geven, waar dit niet behoefde? Maar we zouden het gedaan hebben, als het wèl noodig was geweest; dàt vergeet je!” Driftiger werd mevrouw. „De gedachte te verduren altijd iemand in je huis te hebben gehad, die alles op touw zette om zoo gauw mogelijk bij je vandaan te komen, die het altijd vreeselijk bij je heeft gevonden, ’t is... ’t is...”
„Dat niet, tante, werkelijk niet,” probeerde Mieke haar tevergeefs te overtuigen, het gezichtje rood van opgewondenheid, „ik hèb het hier niet zoo vreeselijk gevonden, als u wel meent, en ik heb er niet altijd over gedacht hier weg te komen. Maar ik wil vrij zijn, eens mezelf worden. Kan u dat niet meevoelen? Kan u niet begrijpen, dat ik ook eens iets anders wil wezen dan, zooals hier...”
„...de sloof,” vulde tante scherp aan. „Zeg maar de sloof, dat bedoel je toch immers.”
„Neen, tante, ik bedoel het afhankelijke nichtje.”
„Afhankelijke nichtje,” sprak oom weer afwerend. „Ben jij hier zoo verschrikkelijk afhankelijk?... Goed,” viel hij eensklaps bij, „ik ben er niet langer op tegen, dat je hier in de stad een school zoekt. Als ’t je aanstaat zoo gauw je wilt. Bèst! Maar wees daar dan ook tevreden mee en praat niet langer over afhankelijkheid en zelfstandigheid en dingen waar je geen verstand van hebt, zooals het beheeren van je geld.” Ongedurig liep hij heen-en-weer.
Mieke stond verslagen.
„Ik zei,” sprak ze nu zacht, met bevend mondje „ik zei, dat ik het wilde lééren beheeren. En daar heb ik toch het recht toe. Het is toch billijk, om op mijn een-en-twintigste jaar te gaan en te doen en te willen waar en wat ik wil.”
Nu viel met harden slag een vuist op tafel. Mieke week achteruit en sidderde. Ook tante Sophie schrok, schoon ze later Egbert’s krachtig optreden als zéér flink had geprezen.
„Recht?” riep hij. „Recht? Natuurlijk heb je recht, maar ik zou mij schamen van zulk recht gebruik te willen maken, tegenover ons.”
Kleintjes kromp Mieke ineen. Zóó verslagen was ze nog nooit geweest... Ook oom Egbert liet haar dus in den steek, als het erop aankwam? Blijven moest ze hier, àltijd blijven onder tante’s regime, altijd de dienares wezen van den schoonen schijn en den liefdeloozen plicht, zonder ooit zichzelf te kunnen ontplooien: het nichtje, dat geduld werd, hoogstens een weinig geapprecieerd omdat haar hulp te pas kwam en, misschien—feller en bitterder werd zij, arme, zachtzinnige Mieke—omdat zij daarenboven nog kostgeld betaalde!