Part 8
„Die boerenmenschen zijn verstandig en goed,” interpelleerde Mieke kortaf, ongewoon scherp. O, zij was duizendmaal meer dan gisteren tot haar natuurlijkheid teruggebracht, meer dan toen al die groote voornemens haar bezielden. En toch, toch kwamen zij na haar stuursch, kort gezegde beschaamd teruggeslopen. Toch kende zij zichzelve niet zóó als zij zich thans openbaarde. Zij schrok van den harden klank harer eigen stem en zij wankelde eensklaps in haar beweringen; zij kreeg spijt,—evenals Loes daarnet tegenover vader... Ging zij niet te ver?... Paste haar deze toon van hatelijke tegenweer, die haar opwond tot nauwelijks te beteugelen drift?
„Ik twijfel volstrekt niet aan je meening,” vervolgde Olga, en ze snoof eens, „maar ook deze uitlating van je is hier niet op z’n plaats. Je maakt je heusch bespottelijk. Wij zijn,” nu sprak ze langzamer dan zooeven en meer geaccentueerd dan tot-nu-toe, „wij zijn, ik zou het willen noemen, wetenschappelijke idealisten. Jouw „nut” en je heele, in dit geval eenigszins ridicule, braverige leerzaamheid, zijn nog een beetje uit de oude doos, zie je. Allicht heeft je grootmoeder je wat ouderwetsch gehouden, of misschien...”
„Grootmoeder!”—ach, waar bleven toch in ’s hemelsnaam weer al de herinneringen aan den strijd van den vorigen avond, wat hielp het nu of ze zooeven voor de zooveelste maal zichzelve verwijten deed?—„Grootmoeder?” barstte zij uit. „Grootmoeder heeft me geleerd iets wat ik nóóit zal vergeten en ook nooit wil vergeten: te houden van alles wat ik in het leven zal te doen hebben, omdat het een van God opgelegde roeping is! Je mag me er vrijweg bespottelijk om noemen! En lach me er ook maar gerust om uit, dat ik schooljuffrouw wil worden en dat ik ’t heerlijk vind omdat ik dol op kinderen ben en omdat ik ze een heeleboel hoop te leeren van wat goed en edel is. Als ik een ander vak zou hebben gekozen, zou ik me dááraan willen wijden met m’n heele hart!”
Olga staarde haar aan, perplex. Het lachje bestierf op haar koel gezichtje. Ook Loes, die in stomme verbazing, nog vol van wat zij daarginds in de gang doormaakte, ’t gesprek volgde, zag onthutst naar het opgewonden meisje.
Evenmin als Olga verwachtte ook zij in de schijnbaar zoo eenvoudige Mieke deze krachtige persoonlijkheid, deze sterke, eigen kracht.
Ja, Mieke-zèlf herkende zichzelve niet. Nooit voor dezen, had zij geweten zóó hartstochtelijk, zóó driftig te kunnen zijn. Maar nimmer ook was zij zoo persoonlijk aangevallen geworden, noch was grootmoeders waarde ook maar met één woord in twijfel getrokken. De reactie kwam dan ook onmiddellijk na haar uitbarsting. Ze voelde zich inzinken, omdat haar geen triomf doch schuldbewustzijn overmeesterde toen zij zoo onverhoeds maar voor-’t-vaderland-weg de ander in ’t gezicht smeet wat ze kwijt wilde zijn... Olga had haar zeer zeker niet lief behandeld, doch hoe was de manier waarop zij reageerde? Oom Egbert kon moeilijk blij zijn een meisje te herbergen, dat zóó z’n gastvrijheid schond tegenover z’n eigen dochter.—Mieke schaamde zich.
Olga zag het. En dit werd haar victorie.
Zelfs Loes, die ’t begreep, kon hieraan niets veranderen. Ze raakte totaal van streek.
„Mieke,” Loes greep angstig Mieke’s arm, „wat is dat nu?” riep ze. Neen, nooit had ze haar beschermeling tot zulk een gloeiende uiting in staat geacht.
„Niets, Loes. ’t Is al over,” zenuwachtig streek Mieke’s hand over de hare. „Ik bedoelde ’t ook zóó niet, werkelijk niet.—Olga,” en martelend overviel haar weer dat wanhopend makende, kleine gevoel van zichzelf, ’t klonk schuchter schier, terwijl Olga’s hoofdje zich hooger en hooger richtte; „ik... ik... vergeef me... ik was wat driftig.”
Olga lachte. Ze lachte weer geheel zooals ze placht.
„O, natuurlijk,” antwoordde ze, zich niet in ’t minst gepikeerd toonend, „ik excuseer je natuurlijk. Alleen verzoek ik je in ’t vervolg dergelijke onverkwikkelijke onderwerpen tegen mij te laten rusten... En als je me nog een groot plezier wilt doen, draag dan niet meer dat monsterlijke, gestreepte blousje?”
Patsch! daar kletste de aangezichtslag: Olga had glansrijk overwonnen: het blóusje!—Mieke was weer klein, min onooglijk, onbeteekenend. En toch sprak ze vriendelijk, Olga, héél vriendelijk zelfs. Ze gaf zich niet eens de moeite zich boos te toonen. Verbeeld je: bóós, om iets zóó onbenulligs als dit gehaspel!—Zei ik niet dat ze in een goede luim was vanmorgen? Die bleek dus wèl onverstoorbaar.
Loes probeerde woorden te vinden om iets te antwoorden, doch Mieke wenkte haar te zwijgen, uit vrees voor nieuwe onaangenaamheden.
Toen sloeg de klok negen, brak de gespannenheid. Olga nam bedaard haar portefeuille, die naast haar stoel stond. Ze had om tien uur college, zei ze rustig.
„Adieu. ’t Wordt mijn tijd. Misschien,” en ze toefde even aan de deur, „misschien wil je, Mieke, nu mama nog boven blijft, wel haar werk doen en den ontbijtboel omwasschen? Dat zal ze zeker prettig vinden.”
„Heel graag... Ik wil graag den ontbijtboel omwasschen,” stotterde ’t meisje, rondkijkend, verward, naar ingrediënten zoekend voor deze expeditie.
En kalm vertrok Olga.
Loes jachte nu verschrikkelijk. „Ik kom te laat! Ik bèn al te laat!” schreeuwde zij wanhopend, nauwelijks tijd vindend Mieke te groeten, met lossen mantel ’t huis uitvliegend, haar zuster voorbij, naar school.
Alleen achtergebleven staarde Mieke eenige oogenblikken als versuft vóór zich uit, in een toestand van zóó ontredderden gedachtengang en verward begrip omtrent menschen en toestanden, dat ze een heele poos noodig had om tot zichzelf te komen, voor ze duidelijker besefte wat ze eigenlijk weer had beleefd... Was zij het geweest, die Olga daarnet zoo kras bestreed? Zij, Mieke van der Hoeve, degene, die zoo hartstochtelijk gesproken had over zichzelve en haar doodgewone lessen, alsof zij altijd ik-weet-niet-wat voor idealistische plannen opbouwde, meenende eens een „roeping” te zullen vervullen? Nog nooit van haar leven had ze over deze „roeping” of over haarzelve zoo nagedacht als zij in hevige ontroering zoojuist de ander had doen gelooven door felle woorden. Kwam het, omdat men haar nog nooit zoo had getart?... Zij wist ’t niet! Zij wist ’t niet!... Ze wist slechts, dat zij thans voor zichzelve vreesde; dat zij zichzelve nog niet kende; dat zij zichzelve vroeger nooit rekenschap had gegeven van haar denken en willen. Dan zat zij in hopelooze zelfbeschouwing zichzelve onderzoekend, gansch anders belicht dan gisteravond voor grootmoeders ouden spiegel... Wat moest er toch van haar worden, schip zonder roer, dat zij bleek te zijn? Ach, als grootmoeder haar eens zóó gezien had, zou zij niet lijden om een kleinkind, zóó opstandig, zóó ondankbaar en brutaal?... En Mieke wilde zich wederom iets goeds voornemen, doch zij durfde niet... Wat vermocht zij? Wie wàs zij?—Zij zuchtte, zwaar en bedroefd.
Toen stond zij op. Wat hielp het je te verdiepen in onmogelijkheden? Zij moest vooruit!... Had Olga haar niet heur werk gezegd?... Zij zou maar met opruimen beginnen.
Eenige dagen na haar aankomst schreef zij den volgenden brief:
Amsterdam, 15 Oct. 19...
Beste juffrouw Wije,
Nu zal ik U eens van allerlei vertellen, zooals U mij hebt verzocht. En wilt U dan dezen brief ook laten lezen aan dominee Rensen? Hem zal ik den volgenden keer schrijven.
Beste juffrouw Wije, natuurlijk heb ik soms nog vreeselijk verlangst naar grootmoeder en alle oude kennissen, naar het dorp en de frissche lucht, en er zijn hier heelemaal geen boomen en beesten, en je zit altijd bekneld tusschen de huizen, maar het is hier toch werkelijk niet naar. U moet dan ook volstrekt niet denken, dat ik mij beklaag. De huizen zijn ontzettend hoog, soms vier verdiepingen. Ofschoon, dat zult U wel allemaal weten. U heeft immers vroeger in uw meisjesjaren eenigen tijd in Amsterdam gewoond, naar U mij vertelde.
Ik zal dus liever over mijzelf schrijven.
Ik help mijn tante heel veel in de huishouding. Het is een nogal drukke huishouding met veel aanloop. Het huis is groot met heel veel kamers. Eerst vond ik ze bijzonder prachtig, maar nu ik hier ongeveer een week ben, begin ik een beetje aan het mooie te wennen. Toch houd ik meer van een buitenhuis of van een boerderij. Mijn kamertje is heel boven, wat ik niets akelig vind. Nu kijk ik over de daken en zie een groot stuk lucht, wat je niet kunt als je meer in de laagte woont.
Ik ga nu ook naar school, weer een normaalschool, gisteren voor ’t eerst. Ik ken de meisjes natuurlijk nog heelemaal niet en voel mij nog erg vreemd tusschen ze. Zij durven alles. De lessen zijn heel prettig, en altijd na de gewone schooltijden. Van de leeraars zijn de meeste nogal streng. Ik ben dadelijk in de derde klasse gekomen, wat oom heel mooi vond.
Mijn nichtje Olga zal advocaat worden. Zij is buitengewoon knap, zegt tante Sophie, en dat zij niet door haar examen is gekomen was heelemaal buiten haar schuld. Zij zingt ook en speelt piano. Ik hoor haar niet graag zingen, zij zingt zoo hoog, maar dat is moeilijk naar ik hoorde, en haar vingers vliegen over de toetsen. Zij zal wel gauw trouwen, omdat zij zoo mooi is, denkt tante, met een heel deftigen, rijken mijnheer, die hier dikwijls komt en een vriend is van mijn neef Erik.
Nu vergat ik nog te schrijven over mijn jongste nichtje Loes. O, beste juffrouw Wije, ik houd zooveel van haar. Ze is zoo lief en trouw, en niets trotsch zooals haar zuster. Ze beurt me soms heerlijk op en trekt altijd mijn partij wanneer er eens iets is. Ik vergis mij natuurlijk herhaaldelijk, omdat het bij grootmoeder maar gewoon was en hier verschrikkelijk deftig. Het is soms wel moeilijk dit te onthouden, want telkens moet je iets doen of nalaten wat je juist graag andersom had gedaan.
Ik verlang dikwijls naar U, beste juffrouw Wije, evenals naar Dominee Rensen, en ik denk ook somtijds aan Uw zoon Geert. Hoe gaat het met Trijn en Jans en de anderen? Ik mis het vooral, dat ik des Zondags niet naar de kerk ga. Dat is mij zoo vreemd. Het is nu net of het geen Zondag is. Is de straatweg nog altijd zoo proper des Zondags? Het leek altijd alsof de weg dien dag veel mooier en keuriger was dan door de week. Is het huisje van grootmoeder al weer verhuurd?
Wat een lange brief! Maar nu eindig ik, want ik ben heel moe. Het was zoo’n drukke dag vandaag, want er zijn hier in huis verschrikkelijk hooge trappen, dat is zoo vermoeiend, en er viel zooveel te doen. Ik had ’t er echter op gezet U te schrijven, anders mocht U denken, dat ik U vergat. Dat moet U nooit van mij denken.
Doet U wel mijn hartelijke groeten aan Uw zoon Geert en den dominee, ook aan Dr. Bos en mevrouw en alle andere bekenden, die U spreken mocht. En schrijft U als het u blieft spoedig eens terug aan
Uw toegenegen
Mieke.
„Nou,” zei juffrouw Wije tot haar zoon, aan ’t eind der lezing, „als dat kind ’t daar plezierig heeft dan heet ik geen Wije. Alle eerbied voor de oude juffrouw, die haar zoons goed genoeg voorging en aan wie ’t ook niet gelegen heeft dat die oudste werd wat hij nou is,—maar ik heb ’t al geweten, toen de goede vrouw nog boven aarde stond en ook den dag na de begrafenis, toen hij die mooie beloften uitsprak: dat is een man van fraaie woorden, niet kwaad, maar zonder zedelijken moed. ’t Arme, lieve kind!... Maar ’t zal de weg zijn, dien ze gaan moet... Je moet haar bij gelegenheid eens opzoeken, jongen.”
„Ja, moeder,” stemde Geert toe, „dat zal ik.” En den heelen dag liep hij te piekeren over het nichtje, „dat zoo trotsch was”. Wel verdraaid, als ze een even groot nest zou zijn als haar broer een kwast, dan beklaagde hij Mieke uit den grond van z’n hart. Geert had werkelijk een halven dag ’t land.
HOOFDSTUK VIII.
MIEKE’S GEHEEL VERANDERD LEVEN.—EEN AVONDWANDELING.
Verscheidene weken verliepen sedert Mieke’s komst in het huis harer familie, en waren de eerste dagen rijk geweest aan emoties, gedurig meer werd haar verblijf thans een gewoontezaak.
Natuurlijk hinderde Mieke Olga nog in massa’s kleinigheden, bleven ironische en geringschattende opmerkingen niet uit, bijzonder tegen maatschappelijke uiterlijkheden en ongekende vormen, één keer echter bekritiseerd zou Mieke zich niet nogmaals schuldig maken aan dezelfde fout. Dit gaf der familie een groote geruststelling inzake nichtjes gedrag tegenover de vrienden en vriendinnen.
Ook werd ’s meisjes garderobe wat veranderd naar stadschen smaak, en zoo gaf haar kleeding niet meer dien aanstoot als in ’t begin. Dit, plus het ter harte nemen van tante Sophie’s lessen en Olga’s scherpe kritieken, daarbij Loes’ handig gemanoeuvreer om op het juiste moment Mieke bij te springen, veroorzaakte een betrekkelijk spoedig „wennen” der heterogene elementen in den huize Van der Hoeve, een „wennen” ook in den zin van elkander onverschillig zijn en in den vorm van negeeren van elkanders persoonlijke interessen, vooral van Olga’s kant. En daar er juist van dien kant het meest te duchten viel, was het wel van zeer groote beteekenis voor de nieuwe huisgenoote om te ondervinden, dat haar oudste nicht hoe langer hoe minder op haar lette, ja, haar zelfs dikwijls totaal over ’t hoofd zag of schéén te zien.
Sedert dien eersten morgen na het hoogloopende gesprek der beide meisjes, waarover Mieke nog dagenlang zichzelve verwijten maakte, vermeed zij ’t weer in te gaan op eenig onderwerp. Haar hart begon reeds luider te kloppen zoodra Olga maar een stelling opperde, dikwijls uitlokkend tot discussies, voornamelijk wanneer zij, Olga, uit haar humeur, zich zocht te bevredigen in spottend tarten. Doch Mieke’s zelfvertrouwen was niet groot genoeg om nogmaals een woordenstrijd te wagen. Dien eersten keer had ze geantwoord naar de ingeving van haar warm, opstandig hart, en onvoorzien; thàns zou ze zich rustig-verstandelijk moeten verweren tegen de zich zoo twijfelloos zeker voelende nicht,—en zij waagde ’t niet Olga’s verkapte uitdagingen te aanvaarden, zelfs al kwam meermalen heel heur hart in ontroering op tegen Olga’s brutale beweringen. Doch juist door dan te zwijgen won zij onbewust veld: Olga kreeg geen vat op haar en verdroeg dit gemelijk, genoegdoening nemend in haar overbekende geringschatting. Maar Mieke verdroeg die, zij ’t somtijds met gebalde vuisten. Zij was verstandig; haar ontwakend begrip vormde haar tot een stille opmerkster, en de enkele weken van haar verblijf in de groote stad en in dit milieu hadden haar meer geleerd van „wereldsche zaken” dan tien jaren op ’t dorp.
Al droeg de verhouding in huis dus successievelijk den schijn van wel-overweg-kunnen-tezamen, dit was nog geenszins een bewijs, dat Mieke zich gelukkig gevoelde in haar nieuwe omgeving. Zij hielp er zooveel zij kon, gedienstig en ijverig. Oom prees haar laatst zelfs, en ze had gebloosd, zich één oogenblik wel beloond wetend voor haar ernstig willen om allen te toonen, dat ze de goedheid der familie haar te huisvesten wel waardeerde,—maar nochtans leek ’t of de blijdschap, die ze gehoopt had te zullen voelen bij een prijsje, làngs haar ging.
Erik zag zij slechts zelden. Den laatsten tijd kwam hij dikwijls ook niet thuis om te eten.
Loes vertelde, hoe hij sedert Mieke’s komst buitenshuis was gaan wonen... Dit gaf Mieke weer een schok... Had hij zóó tegen een samenwonen opgezien? Vond hij haar zóó akelig?
„Neen,” haastte Loes zich uit te leggen, „maar nu jij hier kostgeld betaalt, kon vader Erik toestaan kamers te nemen. Mama heeft dat voor Erik bedisseld, weet je. Hij is nu eenmaal haar lieveling,” iets wat Mieke eenigermate geruststelde, n.l. wat dat „kostgeld” betrof. Ofschoon góéd begrijpen deed zij de zaak nog niet, ook niet toen Loes haar uitlachte om haar benauwd gezicht. „Hij ging toch heen voor zijn eigen plezier!” riep zij uit. „Hij is zielsblij met z’n grootere vrijheid, want hier lag hij toch altijd min-of-meer aan banden. Hij moet je dankbaar zijn! Olga was flink jaloersch op hem.”
Erik betoonde zich gewoonlijk niet onvriendelijk voor Mieke. Hij informeerde wel eens naar Geert Wije en naar diens rijkdom, waar Mieke dan hoog over op kon geven. Later kreeg ze daar meestal spijt van en het onaangename gevoel gesnoefd te hebben. Maar een onverklaarbare mededeelzaamheid beving haar zoodra Erik over de Wije’s begon. Zij voelde, in weerwil van zijn belangstelling, ook z’n néérzien op „die boerenmenschen”. Dat kon zij niet verdragen, dus zweepte zij de grootheid der Wije’s op, wilde hen per se plaatsen op de hoogte, die zij hen waardig achtte en, voelende hoe zijn interesse voornamelijk hun rijkdom gold, ging ze bluffen daarop, druk, lang uitgesponnen, véél te lang,—tot het hem verveelde en hij niet meer op haar lette.
Evenals tegenover Olga bij dergelijke gelegenheden kwam hierna een inzinking, een reactie, onderging ze dat gevreesde gevoel van zelfverkleining, wat ze nooit geheel tegenover deze menschen vermocht te overwinnen... Waarom, vroeg zij zich af, waarom had zij ook nu niet liever gezwegen?... De Wije’s behoefden niet door haar te worden opgehemeld. Zij waren immers wie zij waren: goed en aanzienlijk. Zij deed hun volstrekt geen dienst met haar gebluf om Erik van hun waarde te overtuigen. En na zulke gesprekken voelde zij zich zéér onvoldaan.
Oom Egbert sprak ze niet veel. Des morgens naar kantoor gaande, kwam hij eerst tegen zessen terug. ’s Avonds namen haar de normaallessen, het schoolwerk of de hulp aan tante zóó in beslag, dat er maar zelden tijd tot vertrouwelijkheid overschoot. Dat kon oom Egbert wel eens spijten, want diep in z’n hart hield hij van ’t eenvoudige kind, dat hem aan z’n moeder en z’n jeugd herinnerde. Innerlijk gevreesd hebbende voor botsingen om ’t overgroote verschil tusschen Mieke en z’n eigen kinderen, voelde hij zich verlicht, toen hij zag hoe de onvermijdelijke onaangenaamheden van den beginne zich oplosten in Mieke’s meegaandheid en aannemelijkheid, al zou hij nooit openlijk hebben willen beweren, dat hij somtijds dit vreedzaam verloop toeschreef aan Mieke’s takt. Iets teeders, als voor Loes, sluimerde in hem voor dit kind van z’n eenigen broer. Juist als z’n jongste, zij ’t op andere wijze, bracht ze hem nader tot z’n ware zelf, maar hij verborg dien invloed angstvallig voor z’n gezin en ook voor z’n eigen verstand, ’t dwaasheid noemend. Slechts in stille oogenblikken gaf hij er zich aan over, of wanneer hij met haar alleen was.
„Hoe bevalt het je hier nu, Mieke?” vroeg hij haar eens, een week of zes na haar komst, toen ze, na den eten, toevallig samen alleen in de kamer waren en eenige oogenblikken gezwegen hadden in afwachting van het een-of-ander. „Voel je je hier nu gelukkig, kind?”
Dit moment werd één van de weinige, waarop Mieke ondervond toch niet geheel een vreemde te zijn in dit huis. Er welde iets warms in heur hart, en de moed om de waarheid te zeggen ontbrak haar, de moed om te zeggen, hoe zij, veel meer nog dan in den beginne, vervreemdde van allen, omdat zij tóén nog hoopte aller genegenheid te kunnen winnen, terwijl zij nu zeker wist hier nooit toe in staat te zullen zijn. Ze sprak deze ervaring dan ook niet uit, want tegelijkertijd kwam er werkelijk verheugenis in heur hart om zijn welgemeende poging tot hartelijkheid... Zij kon hem niet teleurstellen, want ze had medelijden met hem, omdat ze voelde hoe hij, zielig, eigenlijk een ontkennend antwoord vreesde. Ze nam reeds vaker dezen schemer van medelijden voor oom Egbert, die toch zoo’n man van gewicht was, in zich waar, zonder de herkomst ervan precies te kunnen verklaren. Ze strekte heur hand uit en zei heel vriendelijk: „O ja, oom, ik ben hier heel tevreden.”
Dit scheen hem voldoende. „Zoo, kind, zoo,” antwoordde hij opgeruimd, ook wat verstrooid en gejaagd. „Dat doet me plezier.”
Er viel een stilte, waarin een verder vragen hing. Maar toch bleef hij zwijgen.
„Ik houd zooveel van Loes,” vervolgde Mieke met ontroering. „En... en... met Olga kan ik nu ook heel goed overweg... heel goed.”
„Kom?... Zoo?... Kom?” oom Egbert’s gezicht, gespannen eenigszins in luisteren, verhelderde zeer.
Nu sprak Mieke heel levendig. „Ja, uitstekend,” ging ze meer-en-meer prijzen, terwijl haar medelijden onverklaarbaar groeide.
Oom Egbert lachte. Dan leek hij veel op grootmoeder en zag er zoo gansch anders uit dan wanneer hij fungeerde voor aangenaam, gemakkelijk gastheer. Nu was hij Mieke zoo sympathiek.
„Op les begin ik ’t ook veel prettiger te vinden, leer ik nu de meisjes beter kennen. Ze zijn wel heel anders dan ik, héél anders ook dan die meisjes, waar ik vroeger mee schoolging, maar ’t went, heusch. Er is één bijzonder aardig meisje bij; zij is niet zoo druk als die andere. Zij komt ook van buiten, maar ze is hier al bijna drie jaar.”
„Dat is aardig voor je, heel aardig... Mis jij buiten erg, Mieke?”
Thans trok de levendigheid weg van haar gezichtje, een trek van bekommering kwam om heur mond.
„Ik zou natuurlijk veel liever buiten wonen, dat wèl,” en heur blik dwaalde ’t tuintje door, waar de heesters, kaal en dor, sidderden in den tocht, die striemde door de lange open streek tusschen de hooge huizen.
Er viel een oogenblik een stilte vóór hij aarzelend verder vroeg: „En mis je grootmoeder nog altijd?”
Het duurde lang vóór ze hem antwoord kon geven.
„Ach,” zei ze zacht, „grootmoeder zou ik overàl missen.”
Oom Egbert kuchte, scheen iets te willen zeggen, doch sloot z’n mond weer. Toen stond hij op, wat stijf zich rekkend, als wilde hij een onaangename gedachte verdrijven. Hij begon eroverheen te praten, om successievelijk weer in zijn vroegeren toon van bezadigde deftigheid te vervallen.
„Men moet maar niet te veel aan ’t oude hangen; vooruit zien, Mieke, altijd maar vooruit zien, niet achterom... Ik ben blij, dat je je plaats hier in huis nu duidelijk begint te kennen en ik geen spijt behoef te voelen je gastvrijheid te hebben verleend.” Hij praatte zoo nog een poosje door met toenemende gewichtigheid. Mieke luisterde gehoorzaam, zonder evenwel veel ervan in zich op te nemen. Haar medelijden week langzaam, evenals de verheugenis om zijn genegenheid. En toen oom Egbert opstond wisten beiden, dat er één moment tusschen hen geweest was van gelijkgestemdheid als van twee elkaar ontmoetende sympathieën, maar dat dit alles weer verliep in den gewonen toestand van allen dag.
Nu men bij de Van der Hoeve’s niet meer zoo angstvallig behoefde te vreezen voor hinderlijke mankementen aan het uiterlijk van het inwonend nichtje, noch voor inslaande flaters, nu de meeste vrienden en kennissen gewend raakten dat Mieke daar thuis lag, had de familie langzamerhand zelfs gaarne, dat zij op de vele entre-nousjes en partijtjes, die men organiseerde, niet achterwege bleef, hoewel minder om haar persoon dan om de diensten, welke ze er bewees. Zij zorgde er beter voor dan de dienstboden om alles in orde te brengen bij de komst der gasten, dekte keuriger tafel dan deze, deed accurater de voorbereidende boodschappen, zorgde handiger en gezelliger voor de thee, het klaarzetten van glazen en het op ’t best maken der kamers. Zoo’n avond ging Mieke dan meestentijds wel warm en moe naar bed, maar als tante Sophie tevreden was dacht ze daar maar niet verder over na.
Er waren onder de gasten dikwijls menschen, die haar welwillend in de conversatie zochten te betrekken, opmerkend met waardeerende gevoelens haar stille, onopgesmukte bedrijvigheid. Maar ze vermeed het op hun vriendelijkheden in te gaan, niet wetende in hoeverre de familie dit wenschte, en ook zichzelve hier weer niet vertrouwend. Dat maakte haar in de oogen dier menschen schuw en verlegen, niet toeschietelijk, zóó zelfs dat Olga één keer eens in een groot gezelschap lachte: „Maar, Mieke, je kon wel eens wat liever zijn! Je bent altijd zoo nurksch,” en stralend kwam naast Mieke’s teruggetrokkenheid haar opgeruimde, gracieuse bekoorlijkheid naar voren.