Mieke

Part 7

Chapter 73,869 wordsPublic domain

„Ga nu maar lekker slapen, Mieke,” zei ze hartelijk. „Je moet me beloven er gauw onder te kruipen, zoodat je morgen flink bent uitgerust.” En na eenige aarzeling, die vraag niet vóór zich kunnende houden: „Vond je ’t èrg vervelend vandaag,—en aan tafel?” Zoo gaarne, zoo innig gaarne, had ze haar een andere ontvangst bereid.

„O, neen,” zei Mieke, heldhaftig pogende opgeruimd te schijnen. „Het was niet zoo vrééselijk naar. Alleen nog ongewoon, maar dat zal wel wennen.”

„Denk je heusch, dat je wel wennen zult?” vroeg Loes blij verrast, maar niet heel stellig geloovend. „Ook aan—Olga?”

Mieke dacht lang na vóór ze antwoordde.

„Ja,” sprak ze toen, duidelijk en niet weifelend meer, „ook aan Olga. Ik denk, dat ik ook aan Olga wennen zal... Ik zal nooit van haar houden, dat weet ik zeker; en zij zal nooit van mij houden, omdat we nu eenmaal heel, héél anders zijn. Ik begrijp ook niets van haar. Maar wèl begrijp ik, nu ik haar gezien heb als vanavond, dat ik haar hinderen moet, sóms.. Ik zal nooit zoo worden als zij; ik zou ook nooit zoo willen worden, het zou me ziek maken,—maar Olga kan óók niet wezen als ik. Dat is even onmogelijk... Ik heb zooveel geleerd, Loes, dezen éénen dag, zooveel als ik nooit geloofde, dat er bestond.” Zij streek met de hand over ’t voorhoofd, als wilde zij haar toenemende opgewondenheid kalmeeren. Zij wist zelve niet wat ze zei, die momenten. Haar gedachten waren verward en vermoeid, schoon gaaf en onbesmeurd. Alleen: zij kon ze niet ordenen. Zij sprak ze uit, ongebonden, zooals ze haar door ’t hoofd woelden. Zij kon zich geen rekenschap geven van de woorden, die zij onbeheerscht uitte, maar toch waren deze volkomen zuiver en kwamen uit den grond van haar hart.

Ze zei dit ook.

„Ik praat nu alles door elkaar, Loes. Ik ben vreeselijk zwaar en vreemd in mijn hoofd,” haar stem klonk schor en mat, „maar ik ben niet ongelukkig, werkelijk niet,—dat moet je niet denken.”

Ze bleef lang zitten met gesloten oogen, Mieke, ’t hoofd geleund op de hand, den elleboog op tafel. Ze vergat heelemaal, dat de ander nog naast haar stond.

Er heerschte een eigenaardige rust in het onooglijke, kleine kamertje. Slechts de klank der piano en die eener hooge zangstem drongen getemperd tot boven door. Een heele poos bleef ’t stil. Tot Loes zuchtte en haar hand op Mieke’s schouder legde.

„Nu ga ik maar,” zei ze zacht.

Toen beurde Mieke heur hoofd op. „Och,” en een snik ontsnapte haar, „ik heb eigenlijk zoo’n medelijden met je zuster.”

Loes stond eenig oogenblikken onthutst. Dan ontleedde zij Mieke’s gezegde; het scheen haar dwaas en misplaatst... Was Olga iemand om medelijden mee te hebben? En toch, zij antwoordde niet weerleggend.

Ook in haar steeg langzaam een ietwat pijnlijke gewaarwording als in Mieke. Het schrijnde ook haar eensklaps als zij terugdacht aan het kleed van bevalligheid, schoonheid en geest, dat zoo sierlijk Olga’s onbeteugelde trots omhulde, haar gevoellooze aanmatiging, haar pijnlijk gemis aan liefde. Bezeerde, na Mieke’s woorden, ook Loes het snijdend onechte, dat Olga’s innerlijk beheerschen moest en waarmede zij anderen zoo flijmend kon kwetsen?... De jonge meisjes wisten ’t niet... Doch Mieke’s zuiver zieltje reageerde, schoon onbewust, nauw op de onzuiverheden in het gemoed van anderen, al kon zij deze niet steeds duidelijk verklaren. En ook Loes, suggestief en warm voelend, ondervond, door haar snel groeiende sympathie voor de ander, mede de weerpijn der Mieke geslagen kwetsuren.

Toch, hoe moe ook en afgetobd, hoe weinig hoopvol en opgewekt nu, ongelukkig, neen, voelde Mieke zich niet.

„Wel te rusten,” wenschte Loes met een verdwaalden zoen op ’t losgeraakte kapsel van ’t achterblijvend nichtje. „Slaap maar lekker.” Behoedzaam verliet zij de kamer en ongewoon bedaard liep zij de trap af.

Niet bij machte op te staan, bleef Mieke nog langen tijd roerloos aan de tafel zitten. Nevelig hoorde zij hoe van lieverlede de muziekklanken beneden verstomden, de stemmen verklonken, tot, buiten op straat, de voetstappen der bezoekers wegstierven in de stilte van den nacht... Vaag dacht zij terug aan de najaarsavonden op het dorp, waar om deze klok elkeen reeds geruimen tijd ter ruste was. Zij dacht aan juffrouw Wije, aan Geert, aan dominee Rensen, aan mevrouw Bos, en zooveel anderen. Het leek haar jaren geleden, dat zij hen kende, met hen sprak. Als behoorende bij een heel, héél ver verleden doemden die herinneringen op. En nochtans scheidden slechts enkele uren haar van het tijdstip, waarop zij afscheid van hen nam. Maar wàt had zij sedert dit niet allemaal doorleefd!... Wat een gansch ander meisje was zij nu dan het meisje, dat vanmorgen een laatst vaarwel wuifde naar de vriendelijke boerin, dat, bedeesd naast Geert Wije gezeten in het gele wagentje, luisterde naar zijn lessen over in- en uitstappen... Had zij dit toen reeds een ding van gewicht gevonden?... Ach, dit alles leek nu zoo eindeloos ver.

Zij verlangde zoo naar haar goede buurvrouw, naar Geert’s hartelijken handdruk. Zoo eenzaam, zoo diep verlaten gevoelde zij zich. De vreemde geluiden van de straat en bij de buren naast-an verschrikten haar herhaaldelijk. Zij werd angstig en óp van zenuwachtigheid. Het hoofd op de armen kreunde zij zachtjes, schreien kon ze niet meer. „O, grootmoeder, lieve, lieve grootmoeder,” smachtte haar afgetobd zieltje.

Tot eindelijk zelfs de onophoudelijk weerkeerende gedachten halt hielden in haar kringloop en Mieke zich vermande bij de galmende twaalf slagen der torenklok. Zij ontkleedde zich, draaide het licht uit en kroop in bed, huiverend tusschen de koude lakens. Zwaar en droomloos viel ze kort daarop in een vasten slaap, niet eerder ontwakend vóór Betje haar wekte door een tik op haar kamerdeur met de waarschuwing: „Half acht, jongejuffrouw.”

HOOFDSTUK VII.

DISCUSSIES.—MIEKE VERLIEST ZICHZELF, GELOOFT ZE.—GEERT HEEFT EEN HALVEN DAG ’T LAND.

Ze kleedde zich vlug aan, maar weer in het gestreepte, simpele blousje, omdat haar koffer nog niet aangekomen was. Ze trachtte heur haar op te maken naar de manier, die Loes gisteren had aangegeven, wat haar tamelijk gelukte, hoewel dit kapsel een beetje een los, vervelend gevoel gaf aan haar hoofd, maar nu kon men toch tenminste zien, dat zij haar best wilde doen om de wenschen der familie tegemoet te komen.

Mevrouw Van der Hoeve was niet aan ’t ontbijt. Ietwat vermoeid en met wat hoofdpijn door de drukte van den vorigen dag bleef ze nog een uurtje langer liggen.

Oom Egbert, verdiept in zijn courant, sloeg weinig acht op de anderen. ’s Morgens gewoonlijk niet zeer spraakzaam zei hij over zijn lektuur heen, terloops: „Vanmiddag spreken wij nog wel eens samen over je lessen, Mieke.”

Olga wenschte haar nichtje met een zwijgend knikje goeden morgen, even daarna toch maar plichtmatig informeerend of de logée goed geslapen had, onbelangstellend naar het antwoord, den blik in gepeins naar buiten, waar, gedreven door een plotsen, schralen najaarswind de gele, dorre bladeren neerdwarrelden in het kleine lapje grond, dat den saaien, mistroostigen aanblik had eigen aan de met houten schuttingen afgebakende vierkantjes, die in een dergelijk stadium meer doen denken aan een slecht onderhouden graf dan aan den „lusthof” van den stedeling.

Had bij aankomst, den vorigen dag, toen de gordijnen reeds gesloten waren, het door ’t elektrisch licht vergulde vertrek een indruk op Mieke gemaakt van ongekende weelde en glans, thans, in ’t grijs der mistige najaarsatmosfeer met het belemmerd uitzicht in ’t kleine vervelende tuintje met daarachter de drie verdiepingen hooge huizen, drukte haar nu meer de engte en opgeslotenheid der groote stad dan dat de overbluffing der in haar oogen gisteren zoo schitterende omgeving zich herhaalde. Zij had vrij goed geslapen, wel zwaar van oververmoeidheid, maar ononderbroken. Daarom frisch en helder in ’t hoofd kon zij regelmatig en beheerscht denken en doen, beter dan den vorigen dag. Zij bleef zich echter on-thuis gevoelen, en hoe anders ook geneigd tot dankbaarheid, zij kon het thans niet verder brengen dan hoogstens tot plichtmatigheid. Na al wat er gebeurde en wat haar nu een onaangename, kwellende droom leek, evenwel vrij van de zenuwachtige overspanning, welke haar gisteren zoo van haar stuk had gebracht, kon zij thans koel aller onverschilligheid voor haar waarnemen, zonder het schrijnende smartgevoel van eerst, dat voortkwam uit diepe teleurstelling.

Eenigen tijd zaten oom Egbert, Olga en Mieke zonder spreken bijeen. Erik, die buitenshuis woonde, gebruikte alleen het middagmaal thuis. Het wachten was dus op Loes, die gemeenlijk ’t eerst beneden, nu ’t laatst op ’t appèl verscheen. Zij excuseerde zich. Zij had slecht geslapen, zei ze, en ze zag er dan ook niet zoo opgewekt uit als ze placht. Wel wendde ze pogingen aan tot vroolijk-zijn, maar deze mislukten in onmiskenbare opgeschroefdheid of in een scherp accentje aan haar zusters adres, ongemotiveerd.

Olga haalde dan ook als eenig antwoord lichtelijk de schouders op. Zou zij haar goede luim, want Olga was in een zéér goede luim vanmorgen, door speldeprikken van zoo’n kind laten bederven?... Ze dàcht er niet aan!... Zij voelde zich hoegenaamd niet gestemd op ’t oogenblik voor discussies, met wie dan ook... Het was gisteren gelukkig boven verwachting goed afgeloopen, ze had nog juist het gesprek van Mieke met Bogaerts en Tilly op een zijspoor gebracht, en verder was de familie dan ook voor blamage gespaard gebleven. Nu er geen direkt gevaar—of hoe je ’t noemen wilde—was, noch aanleiding om je te ergeren (of geneigdheid om je te ergeren), waarom zou ze het dan doen?... Hemel, ze had heusch geen lust zich iederen dag druk te maken! Als ’t móést was ’t tijds genoeg!

Zij zat zeer rechtop en groot en voelde zich zoo heerlijk zelfbewust, majestueus en boven allen en alles uit. Zoo onbeduidend en klein leek het, dat gehaspel met die kinderen tegenover haar. Ha, zij, een zoo gevierd meisje, had zij het niet duidelijk ervaren hoe men haar bewonderde, hoe men haar zocht, hoe zelfs jongelui als Bogaerts, rijk, aanzienlijk, haar vriendelijkheid als een gunst beschouwden?... Moest zij zich dan aan nesterijen ergeren als die, waarmede Loes haar nu kwam prikken? Om uur aan uur met Loes te vechten ter wille van ’t boerenmeisje, ze bedankte er feestelijk voor! Zoodra ze ’t noodig oordeelde zou ze Mieke wel op de vingers tikken, al ging Loes ook op haar hoofd staan, maar zich daarom ’t leven zuur te maken? Nonsens. Zoowel ’t stille, verzwegen verzet van ’t nieuwe kind—je las dit in haar oogen—als Loes’ hatelijkheden, ze gleden làngs haar. Olga had wel wat anders om over te denken dan dat.

Nadat men ontbeten had stond vader op om naar kantoor te gaan. Loes, innerlijk ontstemd, volgde om hem als naar gewoonte uit te laten. Maar in de gang gekomen liet zij den gemaakt vroolijken toon, dien ze tegenover Mieke had aangeslagen, varen. Zij hielp hem zijn jas aandoen, hem wekkend uit een lichte verstrooidheid.

„Vader,” zei ze, haar stem klonk onderdrukt van ingehouden ergernis, „ik moet u toch eens wat zeggen.”

„Zoo, kind,” hij deed wat luchtig, hoewel onmiddellijk begrijpend, dat er beklag dreigde. „Wat wil je? Ik denk,” en nu probeerde hij diplomatiek te wezen, meenende te begrijpen, waar de schoen wrong, opziende tegen een der weer opduikende meeningsverschillen in z’n gezin, waartegen hij steeds zoo ontzettend opzag, die hem afmatten en altijd eindigden met toegeven zijnerzijds, „ik denk, dat je me voor wilt stellen Mieke een paar nieuwe japonnetjes of dergelijks te koopen? Goed, goed. Vraag maar of mama eens met haar naar een magazijn gaat. Ik heb Mieke’s rekening nagezien en dat kan er nog wel af. Ja, ja,” en hij dacht weer buitengewoon slim te wezen, ofschoon hij in dergelijke gevallen nooit slim was, vaak kwesties bedervend met de beste bedoelingen, „ja, ja, ik heb gisteravond heel goed gezien, hoe mijn lieve, kleine dochtertje haar mooiste blouse had geleend.”

Loes schudde ’t hoofd. „Neen, vader,” zei ze met nadruk, „dat is ’t niet. Ik wil natuurlijk met plezier Mieke mijn kleeren leenen en ik vind ’t ook heel best, dat ze nieuwe mag koopen, maar ik wou u over iets anders spreken... Het kàn niet, papa, dat Olga Mieke zoo aanmatigend behandelen blijft! Dat is ’t wat ik u zeggen wilde, zeggen móést. Den heelen nacht heb ik er niet van kunnen slapen... U moet het Olga verbieden, vader. Ik kan het niet aanzien.”

Deze uitbarsting op den vroegen morgen trof den heer Van der Hoeve alles behalve aangenaam.

„Maar kind, maar kind,” suste hij, met kort, kalmeerend gebaar, „nu niet zoo bruusk. Wat is er dan voorgevallen? Ik heb niets gemerkt van die aanmatiging. Je overdrijft sterk, geloof ik... Het was immers heel gezellig gisteravond.” En nogmaals, verwonderd en daarbij geïrriteerd nu: „Wat is er dan gebeurd?” Er lag onrust in die woorden, ook onrust in z’n oogen, die onafgewend op ’t ontroerde gezichtje gevestigd bleven.

„Gebeurd?... Och, gebeurd is er eigenlijk niets,” en Loes, in haar enthusiasme gesteund hebbende op vaders bijval, verslapte opeens, „maar...”

„Dan moet je je niet zoo opwinden, Loes.”

„Maar vanmorgen...” wilde zij voortgaan.

„Kom, kom,” vervolgde vader, blijvend bij ’t eerste thema, „om daar niet van te kunnen slapen. Gekheid... Wat dééd Olga in vredesnaam?... Wat zou ik haar onder ’t oog moeten brengen?” Dan, zwaar z’n hand op haar schouder leggend: „Mieke zal ’t hier best hebben.”

„Och!”

„Geloof je dat niet?”

„Ik weet ’t niet,” ’t klonk néér... Waarom schoot vader toch niet dadelijk te hulp? Zàg hij dan werkelijk niet Olga’s... Olga’s,—ja wat?... Hoon?—Neen, zóóver was ’t nog niet... Minachting?—Niet bepaald... Maar wat dan wèl? Ze wist ’t niet precies; ze zou er geen naam aan kunnen geven.

Doch vader begon ondertusschen boos te worden. Hij noemde haar sentimenteel... Zoo’n eerste dag, zei hij, zou voor iedereen moeilijk wezen in een totaal vreemde omgeving. Hij had geen onvertogen woord van zijn oudste dochter gehoord. Den heelen avond was er geschertst en gezongen, en aan tafel,—klonk er één dissonantje?

„Neen, Loes, je gaat te ver,” vader weersprak zelden zóó krachtig z’n benjaminnetje, „je bent een lief, goed meisje, maar je gaat beslist te ver.” En toch, terwijl hij dit zoo onbetwistbaar zeker zei, beheerschte hem als zoovaak die groote tweespalt van willen en niet-willen, van geloof en ongeloof in ’tgeen juist en goed was.

„Maar Olga...” en Loes’ onderbroken zin klonk als een noodkreet.

„Olga, Olga!” riep hij schouderophalend, nerveus. „Maar zeg dan toch wat ze gedáán heeft?”

„Och,” mat klonk ’t, onverschillig bijna. Waarom begreep vader haar toch niet? Of wilde hij haar niet begrijpen? Hij vroeg feiten. En er waren immers geen feiten? Olga had alleen maar gekeken en soms even gelachen, slechts èven. Was dat laakbaar in vaders oogen?

„Heeft Mieke soms geklaagd?” ging hij voort, onderzoekend, niet zeker van die zaak, maar steeds niet duidelijk willende begrijpen dàt er toch iets haperde.

„O neen, volstrekt niet,” kwam Loes levendiger, zeer uitdrukkelijk. „Mieke treft geen enkel verwijt.”

„Nu dan? Wat wil je dan eigenlijk? Als Mieke zelf het zoo goed vindt? Plus royaliste que le roi, m’n kind?”

Weer weifelde zij; langzaam-aan begon ze ’t overdreven te vinden zich zoo te beijveren voor Mieke’s heil, waar deze gisteravond zelve zich noch boos noch haatdragend noch ongelukkig had getoond. Integendeel. Zij, Loes, zag de dingen misschien te zwaar in vanmorgen, omdat ze zoo akelig geslapen had. Beschouwde zij het gebeurde werkelijk uit het oogpunt van „plus royaliste?”... Mieke scheen daarstraks immers ook reeds onbevangener en minder down dan den vorigen dag?

„Geef me maar een zoen. Dag, Loes. Haal je nu maar geen muizenesten in je hoofd. Denk erom, je moet je vader blijven opvroolijken, hoor. Hij heeft al genoeg zorgen; schep er asjeblieft geen nieuwe bij,” en hoewel schertsend klonk dit zeggen niet ongedwongen, de zucht, die hem ontsnapte, niet uit de grap.

Ja, waarlijk, zij moest niet zoo zeuren, verweet zij zich. Had vader al niet genoeg aan z’n hoofd met zijn drukke zaken? Wat kostten Erik’s en Olga’s studie en amusementen hem niet handenvol geld! Hij moest ’t toch maar allemaal heel-alleen verdienen. Loes, zuinig en praktisch van aard, had bijwijlen zoo op haar eigen houtje haar zaken-bespiegelingen en opmerkingen... Wat had zij niet dikwijls met vader te doen, als hij tot ’s avonds laat, terwijl al ’t personeel reeds naar huis was, nog zat te werken. En niemand thuis, die hem daar eens liefjes om beklaagde dan zij... En hem dan nu zoo lastig te vallen! Zoo vroeg al!... Hij zag er vermoeid uit, ’t viel haar op, plotseling... Arme, lieve man. Hem zoo aan ’t hoofd te malen met al die onbeteekenende dingen. Want, ja, onbeteekenend kwamen haar, achteraf, nu haar grieven voor. Was de heele zaak niet eigenlijk reeds verloopen, toen gisteravond Mieke haar verklaarde Olga’s gedrag te kunnen plaatsen? Het was niets dan gepieker en gezeur van haarzelve. Om daar vader z’n dag mede te bederven!...

Zij herstelde zich, probeerde te glimlachen.

„Kijk eens aan,” er viel vader een pak van ’t hart bij ’t doorbreken van het zonnetje, „nu is de bui alweer overgedreven. Des te beter.” Toen maakte hij, dat hij wegkwam, als bevreesd voor een hervatting van ’t onderwerp, gaf Loes vluchtig een zoen, en vóór zij gelegenheid had te antwoorden werd de deur reeds dichtgetrokken en stond ze met een vrij onvoldaan gevoel alleen in de vestibule.

Hoe ’t kwam wist later noch Olga noch Mieke, maar gaandeweg had zich, na vaders vertrek, een gesprek ontwikkeld tusschen haar beiden, en, terugkomend uit de gang, bleef Loes verwonderd bij de deur staan, toen ze haar zuster op voor haar tamelijk levendigen toon hoorde zeggen: „Ieder z’n genoegen, maar mij lijkt schooljuffrouw-spelen iets afschuwelijks.”

Mieke, een kleurtje op de wangen, verdedigde haar gekozen richting. „Ik houd zooveel van kinderen,” zei ze zacht en als verontschuldigend.

„Je bent dan ook een geboren frik, neem me niet kwalijk,” Olga’s lachje klonk kort en spottend. „Hoe is ’t in de wereld mogelijk!”

„Iedereen zal toch wel het beroep kiezen, waar hij van houdt,” meende Mieke; hoewel het bloed haar bij Olga’s geringschattende wijze van uitdrukken sneller door de polsen joeg, dwong zij zich tot vriendelijk antwoorden.

„Nonsens,” bleef Olga kras bestrijden, schamper, weder Mieke eenigermate overbluffend.

„Maar waarom studeer jij dan?” vroeg Mieke zich herstellend, met zooveel oprechte verbazing, dat de ander onwillekeurig haar ironie een oogenblik moest afleggen, ondanks zichzelf.

„Heilige onnoozelheid! Wel óm de studie natuurlijk,” antwoordde zij op nadrukkelijken toon, waarmede zij Mieke nog meer van de wijs bracht.

„De studie? Alleen om de studie?” zei deze als tot zichzelf. En weer tot Olga: „Niet om ’t vak dus?”

„’t Vak?” Olga trok den neus op. „’t Vak, hoe burgerlijk en banaal.” Zij lachte wederom.

Mieke begreep er niemendal van. En terwijl zij zich inspande Olga te volgen, vergat ze geheel haar verhouding tot deze.

„Als ik,” vervolgde zij, en steeds kleuriger werden haar wangen, steeds schitterender haar oogen, „als ik, zooals jij, in de rechten studeerde, zou ik dit doen omdat ik verongelijkten in ’t gelijk wilde stellen, omdat ik bestudeeren wilde, hoe ik in ’t openbaar rechtvaardig en naar waarheid oordeelen en verdedigen moest. Ik zou mede willen werken tot verbetering van wetten,” Mieke’s stem klonk vast en vaster, met steeds sterker nadruk, en heur eerlijke kijkers zagen recht in Olga’s, zonder een zweem van die bedeesdheid en schroom als waarmede zij tot-nu-toe haar nichtje beschouwden. Geheel onvoorbereid op deze als uit de lucht gevallen gedachtenwisseling stond zij, voor ’t eerst hier geheel-en-al zichzelf zijnde, tegenover de ander, omdat zij voor ’t eerst zichzelve en Olga vergat ter wille van het diepe gevoel van rechtvaardigheid en liefde, dat haar bezielde bij deze onbekommerde uiting aangaande alles wat in haar jonge leven en denken waarde had. „Ik zou onrecht willen ontmaskeren.”

Olga schouderschokte. Zij lachte niet meer.

„Om ’t vak,” herhaalde zij minachtend, „dacht je dus dat één van de studenten, die rechten studeerde, of medicijnen of wat anders, dit deed uit een oogpunt van rechtvaardigheid, menschenliefde of iets dergelijks?... Ja, misschien een enkele dweepende theoloog! Maar overigens? Je bent heusch vermakelijk naïef, Mieke, voor je leeftijd.”

„Zeker geloof ik dat,” met bevende geestdrift sprak ze, „neen, ik weet het zèker. Want wat zou studie zijn zonder een liefderijk doel?”

„Het doel is de wetenschap,” antwoordde Olga gedecideerd. Heur blik, koud en kleurloos, zonder eenige schittering, bijna zonder leven, hoewel met op heur mooi gezicht een onmiskenbaar verstandige uitdrukking, richtte zich onafgebroken op ’t gloeiend, enthusiaste gezichtje tegenover haar. Verbaasde ook zij zich daarnet, toen ze lachte om Mieke’s geprononceerde meening, die ze achter dit kind heelemaal niet gezocht had, thàns vergat zij evenzeer als de ander tot wie ze sprak. Zij maten elkaars geestelijke waarde, de meisjes, toevallig en zonder eenig opzet, maar daarom misschien des te zuiverder.

„Maar als het doel enkel de wetenschap is, wat helpt dit doel dan als ’t niet wordt aangewend tot nut en bestwil van de menschen?” vroeg Mieke verwonderd.

Nu lachte Olga toch weer flauwtjes. Als ze op die manier kon lachen, voelde zij zich altijd sterker dan wanneer zij als zooeven, ontdaan van ’t wapen der ironie, zich slechts kon verdedigen met de kracht harer niet zoo vaste beginselen. Spot verslaat spoediger, maakt anderen gauwer weerloos en heeft den schijn, meer dan wàt ook, van scherpen geest. En Olga riep schamper: „Aha, begint nu de schooljuffrouw met ’t overhooren van de les? Dat jij voelt voor je vak en niet voor de studie geloof ik graag.”

„Ik houd wel degelijk ook van studie,” verdedigde Mieke haar inderdaad groote liefde voor deze. „En wat je daar allemaal zei bewijst nog volstrekt niet, dat je gelijk hebt.”

Olga stond op; ongeduldig. „Och kom, kind, wat zou jij eigenlijk weten van studeeren? Best, mij best, hoor, ik geef je grif toe, dat misschien de een-of-andere broodstudent denkt aan zijn vak, terwijl hij blokt, èn—aan ’t geld, wat hij ermee zal verdienen.”

„Dat ’s heel wat anders...” wilde Mieke voortgaan. Doch Olga verveelde ’t dispuut gruwelijk. Of liever, wat overvallen erdoor, beviel haar heur houding hierin absoluut niet. Zij wenschte allerminst op haar plaats te worden gezet, evenmin als zij wenschte zoo op den man af uitgevraagd te worden over haar „bijna” idealen! ’t Was, goed beschouwd, brutaal opeens zoo te beginnen,—onbeschaafd. Zij, dat kind, moest niet denken, dat een aanstaande schoolmamsel gelijk stond met een aspirant-candidaat in de rechten, een toekomstig advocaat, een meisje als zij!... Nam zij zich niet voor ’t nichtje te negeeren, haar slechts waar ’t noodig bleek te vervormen en te zeggen waar ze staan moest? Zèker had ze niet op zoo’n heftig dispuut gerekend. Disputen gaven ergernis en van ergernis werd je leelijk. En alles liever dan dàt wenschte zij.

Daarom coupeerde zij verdere uitbreiding. „’t Wordt mij te machtig, zeg, op den vroegen ochtend,” gaapte ze, voor ’t raam in de serre uitkijkend in ’t kleine tuintje. „Maar één ding moet ik je toch nog verzoeken: houd dergelijke beweringen nooit in een behoorlijk gezelschap, tegen menschen als Bogaerts of andere studenten, die je hier mocht ontmoeten. Zelfs niet tegen Tilly Mertens, al is ze de goedigheid en meegaandheid in persoon. Ze zouden je uitlachen. Ze klinken onwetenschappelijk, snap je. Vooral dat „nut” en „bestwil,” waar je je over uitliet. Dat is dorpsch, denk ik, geschikt bij die boerenmenschen.”