Mieke

Part 3

Chapter 33,908 wordsPublic domain

Toen men kort daarop terugkeerde, medebrengend de frissche geur van prikkelende najaarslucht, allen warm van de zon, die thans verwonderlijk krachtig straalde voor midden September, trad er met dien terugkeer een nieuwe phase in Mieke’s gemoedstoestand, een van leegte en verbazing. Het scheen haar of heur leed weg was opeens, of ze nu nog maar eenzaamheid voelen kon, hopelooze, vale verlatenheid. Niemand had haar immers meer noodig en wie zou zij haar vertrouwen schenken?... Verwonderd werd zij tevens, toen ze al die mannen aan tafel zag gaan, een boterhammetje zag eten en koffie zag drinken en hoorde praten over allerlei, behalve over grootmoeder. Later vernam ze wat dominee Rensen voor vriendelijks had gezegd aan het graf, en ook bemerkte zij, dat hij slechts een kopje koffie gebruikte en enkel maar antwoordde op wat oom Egbert en Erik hem vroegen: of ’t nogal een rijke en uitgestrekte gemeente was en of hij allang hier stond, of er veel Katholieken waren op ’t dorp en of hij een mooie pastorie had. Geert werden vragen gedaan in denzelfden geest: naar de oppervlakte van zijn land, hoeveel paarden hij wel op stal had, wat zoo’n boerderij nou opbracht jaarlijks, ongerekend de onkosten. Vooral Erik bleek hierin veel belang te stellen en sprak op een eenigszins minzamen toon met den jongen boer, alsof deze maar een doodgewoon pachtboertje was, zichtbaar tot Wije’s ergernis. Eén oogenblik, om welke reden ontging Mieke, zag zij met plotselingen schrik hoe Geert’s gebruinde kop van kleur verwisselde. Ze zag hoe hij zich over iets gruwelijk ergerde, en aan zijn toon hoorde ze, dat ’t een sneer was, die hij Erik toediende. Deze stond één moment verbluft en draaide bij om zich met een taktvollen zwenk, liever dan om ’t gesprek met den boer voort te zetten, tot dokter Bos te wenden, bij wien hij fluisterend, op ietwat ironischen toon informeerde „wat die kaffer hier eigenlijk in huis uitvoerde?”

Juffrouw Wije, die Mieke’s handje onder tafel vasthield en terzijde het gesprek volgde, vluchtigde een oolijk glimlachje over ’t blozend gezicht. Zij drukte steviger de kleine hand in de hare.

„Eet nou toch een stukje, lieverd?” drong ze aan bij Mieke. „Toe, een klein stukje?”

Mevrouw Bos bediende goeie-gastvrouwachtig en sprak zeer levendig nu met Erik, terwijl de dokter een min-of-meer geanimeerd gesprek hield met oom Egbert, en dominee Rensen en Geert langen tijd zwegen.

De dokter stond het eerst op. Hij moest weer naar zijn patiënten. Mevrouw werd ook eensklaps lichtelijk gepresseerd en verliet met hem, na een hoffelijk afscheid van de beide stadsche heeren en na een niet al te vriendelijken groet aan de overigen, met haar man het huis. Erik raadpleegde het spoorboekje hoe laat hij wegkon met den trein uit de naaste provinciestad en welke stoomtram-aansluiting hij dan gebruiken moest. Hij wilde graag zoo vroeg mogelijk teruggaan, want hij had een afspraak voor vanavond, en vader zou hem bij het afwikkelen der zaken stellig niet noodig hebben. Nadat hij een geschikten trein gevonden had, moest hij nog hals over kop afscheid nemen om niet te laat te komen. Dominee Rensen liep zoover met hem mee den weg uit om hem tot de halte van de stoomtram te brengen, hij ging toch dien kant op,—en oom Egbert bleef dus alleen met de Wije’s en Mieke, totdat kort daarna ook Geert vertrok.

Juffrouw Wije begon nu de kopjes en bordjes om te wasschen en vroeg aan Mieke haar te helpen, wat deze deed, onderwijl oom Egbert in gedachten zat, die blijkbaar vrij bezwaarlijk waren, want hij sprak, aarzelend en onvast, toen hij begon.

„Mieke,” zei hij, „ik heb je gezegd, kindlief, zooals je je herinneren zult, dat je op mij ten allen tijde rekenen kunt, dat ik je een tweede vader ben als-’t-ware. En ik neem geen syllabe hiervan terug... Daarbij ben ik van nu af aan je voogd.—Maar ik heb nog eens nader met Erik gesproken, vanmorgen, over je komst, over allerlei. Je weet, tante Sophie is niet zoo heel sterk van gestel en bovendien is het bij ons nu eenmaal een heel ander huishouden dan waaraan je bij grootmoeder gewend bent geweest. Daarom moet ik, voor ik je mee kan nemen, tante even voorbereiden op een-en-ander en overleggen hoe wij in het vervolg het best voor je zullen zorgen. Ik voor mij zou het ’t eenvoudigste vinden, wat ik je ook al zei, als je bij ons in huis kwam. Maar Erik was het vanmorgen daarover niet onvoorwaardelijk met me eens. Vóór ik iets definitief zou vaststellen, vond hij het beter, dat ik eerst eens met tante Sophie hierover sprak. Hij meent, er konden zich bezwaren voordoen, die zij wèl ziet en ik niet... Je zoudt dan misschien naar een kostschool moeten...”

„Een kostschool? Och neen!” viel Mieke verschrikt in de rede.

„Och neen!” riep de boerin, de theedoek neerleggend met een onwillekeurig smeekend gebaar. „Ze heeft wat anders noodig dan dat, meneer.”

„Het zal zich allemaal ten goede schikken, geloof mij,” beloofde oom Egbert, minder spontaan echter dan in de eerste dagen van het verdriet om grootmoeders verlies, en zéér nerveus thans. Hij sprak vlugger en met meer aplomb dan gewoonlijk; hij had het heel warm. „Mijn vrouw zal waarschijnlijk ook wel m’n opinie deelen om Mieke bij ons te houden, maar ik stel een mogelijkheid daartegenover.—Verder, mevrouw Wije,” zoo richtte hij zich eenigszins plechtig tot deze, een manier van doen, die Mieke niet van hem kende, tegenover grootmoeder en haar was oom Egbert steeds eenvoudig en gewoon geweest, „verder kwam ik tot u met een vriendelijk verzoek. Mijn vrouw is, zegt Erik, door ’t doodbericht van mijn moeder zeer geschokt.”

„Kende zij uw moeder?” vroeg juffrouw Wije, haar theedoek weer opnemend, het klonk argeloos, maar de boerin kon wel eens meer dergelijke argeloosheden ten beste geven.

„Ja... ja,” antwoordde hij, bijna verdedigend, zoodat men neiging gevoelde om te gaan twijfelen. „Mijn vrouw hield veel van haar. Maar de reis hierheen vermoeide haar altijd vreeselijk. Het is een vrij lange, vervelende reis,” ’t klonk ook excuseerend. „En daarbij is ze nogal... eigenlijk verwend... en hier...”

„Zeker, zeker,” begreep de boerin tegemoetkomend, „hier nogal klein behuisd...”

„Juist, klein behuisd, precies,” zei meneer Van der Hoeve opgelucht. „En mijn vrouw...”

„Ja, ja.”

„Maar à propos van ’tgeen ik u wilde verzoeken. Zou Mieke niet nog eenige dagen hier mogen blijven, totdat wij een besluit hebben genomen haar aangaande? Mijn vrouw is niet zóó dadelijk op streek om haar te ontvangen. Is dat een bezwaar?... Alleen hier in huis durf ik haar niet laten. Ik wil desnoods wel een vergoeding...”

„Vergoeding! Wel foei!” De boerin kleurde. Ze werd kortaf, scherp nu. „Mieke mag gráág bij me blijven, zoolang ze wil en totdat zij bij anderen welkom zal zijn.”

„Dat is edel van u, mevrouw,” zei hij krachtig, maar ook een beetje verlegen.

„O neen, meneer, ’t is alleen maar Christelijk en doodgewoon. Ik zou me schamen voor Onzen Lieven Heer, die zelfs den muschjes een warm nestje geeft, als ik een lief, braaf kind een dak boven haar hoofd ontzegde. Ze is mijn meid, hè, lieverd?” en juffrouw Wije kneep Mieke in de wang, en Mieke slikte haar tranen weg. Ze wilde niet meer schreien. Ze antwoordde niet.

Oom Egbert stond op, gebaarde breed. „Mevrouw Wije,” sprak hij, „laat me u de hand drukken tot dank en uit erkentelijkheid.”

Zij weerde z’n hand af. „Geen dank, meneer Van der Hoeve, en erkentelijkheid hoeft ook niet. „Heb u naasten lief als uzelf,” dat moeten we maar bedenken, wat u?”

„Ja, ja, zeker, zeker, u hebt groot gelijk... Ik wil dan ook alles doen om Mieke’s toekomst te verzekeren.” Dan, na een stilte: „Ik ben van plan nu naar den notaris te gaan. Mijn moeder bezat niet veel, ze leefde van haar pensioen, zooals u weet, maar wàt ze nalaat is voor Mieke... Mieke bezit bovendien wel ’t kapitaaltje, dat ze van haar moeder erfde, maar daarmee wil ik geen rekening houden. Ik heb een beste zaak, misschien kent u ze: de firma Van der Hoeve en Van Leent...”

„Neen,” antwoordde juffrouw Wije hoofdschuddend, „die ken ik niet.”

„Nu, een flink kantoor, waar goed wordt verdiend. Mijn moeders erfenisje kan daarom geheel aan Mieke blijven. Ze mag...”

„Dat ’s mooi,” viel de boerin bij, krachtig, „dat ’s heel mooi. Daar geef ik je graag de hand op,” en haar warm, prettig gezicht werd één lieve glimlach, heur blauwe oogen één stralende glans, terwijl haar ontviel: „Dat had ik niet achter je gezocht.”

Oom Egbert werd een beetje beduusd nu. Zóó had hij het eigenlijk niet precies bedoeld! Hij zei ’t zoo losjesweg van dat geld, wèl gemeend natuurlijk, maar behoudens enkele lichte wijzigingen. Hij wist nog volstrekt niet of zijn vrouw omtrent dit financieele gedeelte van hetzelfde gevoelen was als hijzelf, en deze boerin met haar telkens hinderlijk doorbrekende positiefheid en doorzettingskracht, trok herhaaldelijk de leidsels zóó aan, dat ’t je bijwijlen benauwde... Niet om Mieke niet ruimschoots, zeer zeker ruimschoots, haar deel te geven! Volstrekt niet. En best, heel best mogelijk zou Sophie met hem instemmen, wat Mieke’s vermogentje betrof. Natuurlijk zou ’t het meisje aan niets ontbreken: hij bleef immers zelf de nalatenschap beheeren,—maar daar behoefde hij een vreemde toch geen verantwoording van te doen!

Inmiddels gerustgesteld door de wetenschap Mieke zoolang op de boerderij te kunnen achterlaten, nam hij zijn hoed, van plan te vertrekken, doch niet zoo spoedig z’n vorigen toon kunnende laten varen ging hij voort: „Ik moet u toch hartelijk bedanken voor uw welwillendheid,” en z’n lichte ontstemming niet botvierend, maar glimlachend, hoewel wat geforceerd: „Ik zal het nooit vergeten.”

Guitig twinkelden de oogen der boerin; de dwarsrimpeltjes bij de ooghoeken werden groefjes. „Dat mag je anders gerust, hoor,” antwoordde ze opgewekt. „Maar als dit is om nooit te vergeten, kan u werken aan je onsterfelijkheid.”

Hij keek haar aan met verwondering, niet begrijpend.

„Ik bedoel door voor uw nichtje alles te doen wat je beloofde,” en juffrouw Wije genoot met al den humor en de goedhartigheid van haar opgewekten, schranderen geest van wat ze daar leukjes-weg bij haar neus langs zoo vriendelijk-raak zei.

Oom Egbert keken die klare oogen wel wat àl te koen in de zijne; heelemaal op z’n gemak voelde hij zich nog steeds niet. Hij zweeg wijselijk en kreeg plotseling nogal haast om naar den notaris te komen.

Mieke hield hem nog even staande... Mocht zij alles wat haar hier in huis toebehoorde meenemen en bij elkaar pakken? Werd alles, waar grootmoeder en zij aan gehecht waren, tot later bewaard?

„Zeker, zeker,” deed oom hartelijk, „natuurlijk, alles waar je op gesteld bent pak je maar bijeen... Wat het huisraad betreft, wat daarmee gebeurt weet ik niet. Tante Sophie moet maar beslissen, of ze daarvan iets gebruiken kan. De ouderwetsche linnenkast is wel mooi en de antieke Friesche klok...”

„O,” viel juffrouw Wije in de rede, het klonk eenigszins verwonderd, „zijn die dus niet van Mieke, de linnenkast en de Friesche klok? Omdat u zooeven zei...”

„Natuurlijk, óók... ja, ja... van ons beiden, natuurlijk. Alles wat Mieke kiest zal ze hebben. Dat regelt zich, dat regelt zich... Nu ga ik dus werkelijk. Het wordt anders te laat voor me. Dag, kind,” hij kuste z’n nichtje. „Mocht ik je niet meer zien, dan, vermoedelijk, tot ’t laatst van deze week. Maar ik zie je nog wel, denk ik. Je bent anders in goede handen... Mevrouw Wije, m’n respekt.”

„Dag, meneer. Goed succes met je onderhandelingen en denk nog maar eens aan je onsterfelijkheid,” zei ze met bijzondere opgewektheid.

„Hahaha,” meneer Van der Hoeve lachte verbazend om dat grapje, diep z’n hoed afnemend voor de boerin, die hem uitliet, want juffrouw Wije had manieren. Juffrouw Wije stamde uit een kranig, oud geslacht en dat behoudt toch steeds zijn tradities. Haar onopgesmukte hoffelijkheid was er een van eigen bodem, al schatten stedelingen, juist door de ongekunsteldheid ervan, deze niet altijd op de juiste waarde. Zij had daarbij dat imponeerend onafhankelijke, dat slechts die menschen bezitten, die van ouder tot ouder onbekrompen leefden en hadden te gebieden. In haar soort was zij aristokratisch, als men maar wil aannemen, dat er genres zijn van voornaamheid. De hare uitte zich niet in minzaam bevallige, gemakkelijke bewegingen en in ’t omhulsel van een correkt Engelsch tailor-made met een gedistingeerden hoed, noch in fijne, kunstzinnige ontwikkeling, wat neigende naar overbeschaving. Neen, in een aangesloten wandelkostuum met een modieus hoofddeksel en in een drukke stadsomgeving zou juffrouw Wije haar glorie missen, in een zwierige kleedij zou ze er even ridikuul uitzien als een beweeglijke, tengere, artistieke gestalte in haar gladde, stijve japonnen van deugdelijke, zware stof. Men moet een ieder mensch zien in zijn eigen licht, en van dat standpunt beschouwd zag men juffrouw Wije’s onloochenbare voornaamheid als eene van frisch, krachtig allooi. Vroolijk en onbevangen, was zij voor iemand met gemaakte deftigheid de verklaarde vijandin door de guitigheid en den geest, die uit haar spraken,—voor anderen echter, door de beschaving harer medelijdende, liefderijke ziel, een vriendin. Den minsten boerenarbeider zoowel als het pietluttigst gesoigneerd heertje moest hetzelfde ontzag vervullen voor haar klaren eenvoud en natuurlijke schranderheid, die, in welken vorm gegoten, nooit dan tot erkenning en eerbied dwingen,—zij het dan ook ten laatste dwingen en niet steeds met des tegenstanders wil.

De heer Van der Hoeve, die toch op zijn kantoor, tegenover zijn personeel, tegenover menschen van aanzien, bij zijn zeer respektabele kennissen als een persoon gold van niet onaanzienlijk gewicht, werd tegenover deze boerin maar een doodgewoon middelmatigheidje. En toen hij den landweg afliep en daarna in de richting van het dorp voortwandelde, z’n hoed afzettend en zich ’t zweet van het voorhoofd wisschend, terwijl hij z’n tred, zoo vlug begonnen, een weinig matigde, mompelde hij: „Een aardige vrouw, alleraardigst... heel gedienstig en hartelijk... maar tjonge-jonge, een bijdehandje,” voelende hoe hij niet tegen haar opkon, omdat ze duidelijk zag alle kleine onwaarheidjes, die z’n leven niet bevlekten, volstrèkt niet bevlekten, maar toch versmoezelden. Hij verwerkte deze gedachte absoluut niet. Hij dacht over dit geval niet eens, hij onderging alleen de waarheid ervan. En dat stemde hem onprettig. Hij vond zichzelf niet in ’t minst onwaar. Integendeel. Hij jokte nooit en hij deed nooit iemand een cent te kort, hij was zoo eerlijk als goud, daarvoor stond hij bekend. En toch...! Woorden klinken zoo anders dan wanneer daden spreken, en als woorden het accompagnement vormen, dat de daden vooruit loopt, al is het ook slechts even, dan krijgt de harmonie van denken-en-doen licht iets détonneerends. Eén kwart toontje verschil is al niet een zuivere samenklank!—Doch wie bespeelt zuiver de viool in het leven? Het zijn alleen de grooten,—en hen ziet men gewoonlijk het minst hun genialiteit aan.

Maar juffrouw Wije had een fijn gehoor. Dat is óók een gewichtig ding. En het maakt een speler wel eens zenuwachtig, zoo’n geoefend, kritisch toehoorster!

HOOFDSTUK IV.

DE ZEKERHEID.—EN ’T AFSCHEID.

Een week omtrent duurde Mieke’s verblijf op de boerderij nu reeds. Ze was hulpvaardig en gedienstig, ze hinderde juffrouw Wije niet in ’t minst, zelfs vond deze ’t wel aardig het meisje bij zich te hebben, maar niettemin verwonderde ’t de boerin, dat tijding uit Amsterdam zoo lang achterwege bleef.

Op een morgen had Jans met haar slag om iedereen werkjes op te draaien Mieke aan ’t koffiemalen gezet. De deur stond wagenwijd open en vol scheen de zon in de groote keuken, waar ’t, met ’t flink brandend fornuis, verbazend warm was.

Mieke, den koffiemolen tusschen de knieën, draaide de stroeve machine met flink wat routine, begeleidende daarmee den deun, dien Trijn, de boerenmeid, in ’t waschhok aanhief, tot ergernis van Jans, die, zelf niet kunnende zingen, ook geen zingen van een ander kon verdragen. Trijn, een dikkerd met een onbenullig, goedig gezicht, kwam, de armen dampend van zeepsop, uit ’t waschhok om een nieuwen pot water te halen, die stond te koken. Lachende, met een zwaai, joeg ze de kippen de keuken uit, knipoogend naar de ijverige Mieke: „Jans zal wel maken dat je je niet dood verveelt.”—Jans en Trijn waren nu eenmaal vuur en vlam, en de oorzaak hiervan lag bij de vrijers. Trijn, dom maar jolig, was in trek; Jans, die een grooten neus had en vinnig leek, maar die zich op een vrij wat hooger standpunt plaatste van „bijna huishoudster”, Jans scheen zonder charmes. Dit werd een kritiek punt. Juffrouw Wije, van allebei gediend, moest soms heel wat schipperen.

„Ik help wel graag,” zei Mieke vergoelijkend.

Jans triumfeerde; Trijn mokte... Háár best, als ’t kind dien spitsneus naar de oogen keek!... Maar ze glunderde alweer tegen den postbode, nam met een grap een brief van hem in ontvangst, deed moeite ’t adres te ontcijferen, hoewel lezen niet behoorde tot haar „fort”.

Jans, fluks naast haar, keek over haar schouder, bitste: „Voor jou, Mieke,” griste den brief de ander uit de hand.

Mieke, gereed met de koffie, stond haastig op, zette den molen op tafel. Hoewel ze ieder oogenblik tijding kon verwachten kwam deze haar nu toch nog onverwachts. Een beklemd gevoel overviel haar, toen ze den brief aannam.

„Van je oom, Mieke?” veronderstelde Jans, Trijn geen tijd latend tegen haar kattigheid te protesteeren.

„Ja,” antwoordde Mieke, huiverig om de enveloppe te openen en nochtans popelend om den inhoud te weten... Maar niet lezen onder de speurende blikken der nieuwsgierige meiden!... Langzaam liep ze de keuken uit, vóór ’t huis om, en zich ten laatste vermannend scheurde zij het couvert los en las, met knippende oogen, zenuwachtig den eersten persoonlijk aan haar gerichten brief. Een uitdrukking van onzekerheid teekende zich meer-en-meer af op haar gezichtje... Zij wist, toen ze het epistel uit had, zelf niet of het haar plezier deed of tegenviel... Lag dit nu aan haar?... Kon niets, niets haar dan meer schelen?... Zoo leeg en zonder opgewektheid bleef zij... Wat heerlijk als je nog zoo galmen kon als Trijn of als je je zoo hartstochtelijk in ’t zweet poetste op ’t koper, iets waaraan Jans zooeven haar krachten wijdde, meenende, dat er geen gewichtiger werk op de wereld bestond dan dat... Eens had ook zij, Mieke, het hoogste lied uit gezongen, wanneer ze het keukentje bij grootmoeder wit-schuurde, het plaatsje schrobde of de ramen zeemde... Weg dit alles! Genadebrood zou ze eten, bij die vreemde familie, zooals ze híér genadebrood at!... O, vriendelijk waren de Wije’s voor haar, maar Jans had haar reeds een paar malen, als ze haar allerhande karweitjes opdroeg, gezegd: „Hartelijk van de vrouw, dat je zoolang kunt blijven. Je mag wel dankbaar zijn,”—en daarstraks had Thijs, de goeie, oude sul, die voor den moestuin zorgde, zonder eenig kwaad bedoelen gevraagd: „Ben je der nou nóg al, juffertje?”... En dat was reeds nu!... Juffrouw Wije zou dergelijke dingen afkeuren, o, zeker, maar zij, Mieke, voelde toch den grond dier vragen... Hoe zou ’t dan in de toekomst worden?... Waarschijnlijk uitte familie zich anders, oom Egbert sprak zelfs van „tweede vader” en „verplichtingen”, maar Mieke’s hartje was zéér beducht. Deze brief bracht haar niet de hulp van oom Egbert’s spontane beloften, de hulp, die men ontvangt van hartelijkheid wanneer men eenzaam is. Deze brief bracht slechts twijfel, onzekerheid, wantrouwen aangaande de toekomst.

Zij besloot juffrouw Wije op te zoeken en met haar te spreken.

Langs de stallen loopend vroeg ze Geert, die inspande om naar de stad te rijden, waar z’n moeder was.

Druk bezig, vroolijk fluitend, zag hij op. „Achterin,” antwoordde hij. Zijn knap, open gezicht straalde van zorgeloosheid, zijn heldere, schrandere oogen van levenslust en vergenoegen. „Mooi weer, Mieke!” riep hij haar vroolijk na; z’n jonge stem schalde.

Zij knikte, ongeïnteresseerd. Zij voelde niets van de heerlijk pittige najaarslucht, ze zag niets van den warmen zonneglans, van ’t prachtig donkergoud op het najaarsloover. Heel het opgewekte, krachtige der frissche atmosfeer miste zijn invloed op haar, vervuld als zij was van de aldoor weerkeerende zorgen, der aldoor weerkeerende zelfde gedachten.

Na de verdooving door het groote verdriet veroorzaakt, leefde zij, al de dagen dat ze nu op de boerderij logeerde, in een stemming van lijdelijkheid. Ze wilde ieder zooveel mogelijk van dienst zijn, maar het heele woelige leven op de drukke plaats deed haar niets, ging langs haar. Juffrouw Wije bemoeide zich weinig met haar, eerstens omdat ze er niet veel tijd voor had, tweedens omdat ze het beter vond Mieke zichzelf te laten overwinnen. Zij hielp haar somtijds met een enkel woord, maar niet met opgedrongen troost. Men moest het meisje niet lastig vallen met goeden raad als: „Verzet je toch, kind.” Spoedig genoeg zou het leven-zelf haar hier wel toe noodzaken.

Mieke trof juffrouw Wije bij het kippenhok. Zij had de handen vol eieren, vijf in iedere. „Kijk eens,” riep ze verrast, „om dezen tijd van ’t jaar nog tien. De kippen zijn in haar schik met den zonneschijn.” Heur blozend gezicht was warm; ze had gebukt gestaan en kwam juist uit den moestuin, waar ze de laatste boontjes plukte in een mand, die ze op het hok had gezet. Voorzichtig legde ze daar de eieren nu bovenop. „Maar wat is er, kind?” vroeg ze belangstellend verder. „Heb je een brief?”

Mieke knikte. „Lees u eens.” Zij reikte haar den brief over.

„Kom even mee naar binnen; niet hier.”

Mieke volgde haar, droeg ’t mandje.

„Samen aan den wandel?” schertste Geert bij ’t langs-komen.

Juffrouw Wije wees op den brief in haar hand. „Nu zullen wij Mieke wel gauw kwijtraken.”

„Kom?” vroeg hij ernstiger.

„Heel gauw,” knikte Mieke.

Zij liet het mandje met de boontjes en de eieren in de keuken, en juffrouw Wije ging haar voor naar de huiskamer, zich zettend in haar breeden armstoel aan ’t raam, lezende:

Amsterdam, 25 September 19...

Beste Mieke,

Na overleg met den notaris ontving ik dezer dagen opgave van de som, die je van je moeder erfde, en van de grootte der nalatenschap, waarvan wij beiden de erfgenamen zijn.

„Haha,” dacht juffrouw Wije, „wij beiden,”—en zij las verder:

Die van grootmoeder is slechts klein, doch wat je door je moeder bezit vertegenwoordigt een niet onaardig kapitaaltje.

Tante en ik, die er eerst over dachten, met het oog op mijn vrouws minder sterk gestel, een eenvoudige kostschool voor je te zoeken, zijn echter na rijp beraad op dit plan teruggekeerd, overwegende, dat ook jij liever te onzen huize wildet verblijven dan op een pensionnaat. Indien wij kinderloos waren zouden wij er in ’t minst geen bezwaar in zien je kosteloos tot ons te nemen, maar waar de studie van Erik en Olga en ook de opvoeding van onze Louise ons groote verplichtingen oplegt, is ons dit onmogelijk. Bovendien zou een kostschool voor jouw middelen wellicht ook nog wel wat te prijzig wezen en zal het beter voor je zijn, indien je bij ons een klein kostgeld betaaldet veel minder groot dan op een pensionnaat, om welke concessie jij je tante dan in de hand zoudt moeten komen met de huishouding. Dat je intusschen voor onderwijzeres blijft doorleeren spreekt vanzelf. Hierover mondeling nader.

Ik wil een-en-ander geheel aan jezelf overlaten, ofschoon ik natuurlijk als je voogd je zou kunnen dwingen, maar dit wensch ik in geen geval. Vermoedende dat je met ons voorstel accoord gaat, zouden wij gaarne vernemen wanneer wij je mogen verwachten. Liefst met den trein, die vóór vijven arriveert. Tante zal dan je kamertje in orde laten brengen. Dit zal je wel plezier doen.

Doe mijn beleefde groeten aan de familie Wije en betuig haar nogmaals mijn welgemeenden dank. Tot ziens dus, beste Mieke. Steeds gaarne:

Je liefhebbende oom Egbert.