Part 2
Toen besloot ze nog verder om ’t huis heen te loopen, allicht zag ze dan wel iemand om haar boodschap in ontvangst te nemen. Kees, de waakhond, sloeg even aan bij haar langs-komen, doch haar herkennend en niets gesteld op den regen trok hij zich fluks, hoewel nog zacht nagrommend, in zijn apartement terug. Ook eenige kippen, die dicht tegen elkaar gedrukt, de koppen in de veeren, onder een afdak zaten te slapen, verschrikte Mieke. Zij tokkelden even, maar overigens bleef het stil.
Zij liep tot aan den moestuin, nog steeds niemand ontdekkend, behoedzaam stappend over de op sommige plaatsen gevormde beekjes uit den overloopenden regenbak, om den terugweg te nemen langs den rechterkant van het huis en verder over de gele klinkertjes op haar uitgangspunt terug te komen, er echter niet aan denkend om aan te schellen, wat nooit iemand deed dan dominee Rensen en dokter Bos. Andere menschen meldden zich steeds aan de keuken, dus besloot Mieke ook nog maar eens op deze gebruikelijke manier haar geluk te beproeven.
De knechts, meerendeels getrouwde lieden, schenen reeds naar huis te zijn gegaan; de melkmeid zat stellig in het karnhuis te slapen, waar men haar als ze zoek was, te pas of te onpas, zei juffrouw Wije, steeds vinden kon in een zalige rust. Maar waar Jans uithing begreep Mieke toch totaal niet. Zij besloot, wanneer ze nog geen mensch zag, eens te roepen en dan maar geduldig te wachten tot er iemand kwam opdagen.
Nogmaals trad zij de keuken binnen, tegelijkertijd dat de huismeid aan den ingang van de bijkeuken verscheen.
„Waar zat je toch?” vroeg Mieke verwonderd.
„In ’t waschhok,” antwoordde Jans, met groote oogen om Mieke’s verbazing.
„Ik zocht je,” zei Mieke.
„Zocht je me?”
„Jou eigenlijk niet. De baas.”
„De baas zal nou wel in ’t kantoortje wezen. Wil je een kop koffie?” en naar het groote, wit-geëmailleerde fornuis gaande, waar de koffie, die een opgewekte geur verspreidde, stond te wachten om ingeschonken te worden, scheen zij van plan Mieke een kopje klaar te maken.
Doch Mieke bedankte gejaagd. Zij begon weer onrustiger te worden door het oponthoud, dat ze gehad had. „Ik moet gauw weer naar huis,” zei ze, „want grootmoeder is ziek. Juffrouw Wije blijft zoolang bij ons. Ik moest zeggen, dat jullie maar met avondeten beginnen zoudt. Ze komt misschien pas laat terug.”
Jans verschrikte. „Meid, och!” riep ze, „is ’t zoo naar met de oude juffrouw? Zoo in éénen?... Wacht maar, ik zal de baas effen waarschuwen, loop maar mee.”
Vóór Mieke had kunnen zeggen, dat Jans de boodschap eigenlijk wel zelf kon overbrengen, had de bijdehante meid haar reeds met een duwtje de keukendeur uit en de gang in naar ’t kantoortje gestuurd. Maar Geert Wije was daar niet.
„In de kamer zeker,” vermoedde Jans.
Daar vond ze hem, z’n pijpje rookend bij ’t raam, al niet begrijpend waar zijn moeder bleef, want de ronde tafel in het midden stond reeds lang hoog-en-breed gedekt. Dit was de eenige maaltijd, die zij samen gebruikten; de overige hielden zij met het personeel.
Deze kamer, die den indruk gaf van welgestelde burgerlijkheid, (behoudens de prachtige porceleinkast, die voornaam was) van zindelijkheid en orde, en ook wel van gezelligheid door het vele licht, dat de hooge ramen binnenlieten, deze kamer was Mieke niet onbekend, want menigmalen kwam ze er met grootmoeder bij juffrouw Wije te visite, reeds als klein kind. Maar toch scheen ze nu eenigszins verlegen bij het binnenkomen. Tegenover Geert, die zoo’n „meneer” was geworden, voelde zij zich, evenals vanmiddag in de tilbury, niet al te best op haar gemak. Hij leek niets meer op den slungeligen boerenjongen, met wien ze, tot voor eenige jaren geleden, nog allerlei kattekwaad uitvoerde, en waar ze—al was hij ook zes jaar ouder—als klein meisje zoo gaarne bij te spelen kwam om z’n dikke konijnen te voederen en om de lekkere koek, die z’n moeder kon bakken. Kleine klaploopster!... Later werd de vriendschap belangeloozer, toen ze op de normaalschool kwam. Dan leenden ze elkander in de vacantie, wanneer Geert thuiskwam van de landbouwschool, boeken, en ook, zelfs tot voor twee jaar nog, sneden ze dan zoo’n beetje tegen elkaar op over wat zij moesten leeren. Maar nu, sedert dien, was Geert zoo heel anders geworden, zoo bezadigd, zoo niets kwajongensachtig meer, zoo volwassen, zoo beslist, eigenlijk al zoo’n groote man, terwijl zij, Mieke, pas zeventien, klein van stuk en tenger en met heur haar nog in een vlecht, nog op school, zich een beetje bedeesd voelde tegenover den grooten, rijken, jongen boer, wiens optreden, zoo gedecideerd en onafhankelijk, haar zeer timide maakte. Zij durfde ook niet meer voluit en hardop „Geert” te zeggen. Straks, onder ’t rijden, had ze ’t ook al niet gedurfd en maar wat gemompeld.
De breede gestalte van den jongen man, die met de handen op den rug naar buiten stond te kijken, genoeglijk z’n korte pijpje rookend, keerde zich langzaam om bij het opengaan der deur, en verwonderd niet zijn moeder te zien maar Mieke en Jans, vroeg hij: „Wat’s dàt?”
Jans, voorbarig, wilde uitweiden, doch hij voorkwam haar, verder vragend: „Wat had je, Mieke?”
Mieke herhaalde haar boodschap, zeer zenuwachtig en op heete kolen staande om weg te komen. Opeens vervulde de angst om grootmoeder haar weer met verdubbelde kracht. Ze zag heel minnetjes en bleekjes en de natte regenmantel deed haar heel smal schijnen. De tranen liepen haar over de wangen.
„Kom, Mieke,” troostte Geert met z’n opgewekte, zware stem, „je moet niet zoo schreien. Och, och, wat ben jij toch nog een klein ding gebleven, zeg.” Nu kwam hij naast haar staan en streelde heur wang als een groote, oudere broer een jonger zusje. Hij stond hoog opgericht en trachtte haar door een grapje even wat op te vroolijken: „Je komt een eind onder m’n schouder, hoor. Je moest meer schoppen gehad hebben.”
Mieke lachte gedwongen en wist niet wat te antwoorden.
Toen zei hij ernstiger: „Zeg aan moeder, dat ze maar blijven moet, zoolang ze helpen kan. Wat vindt dokter?”
„Ik kom zoo juist van hem vandaan. Hij zal straks komen.”
Hij volgde Mieke tot de kamerdeur, waar ze hem de hand toestak. „Dàg,” zei ze. „Nou ga ik maar weer. Ze zullen thuis wel op me wachten.”
„Beterschap, Mieke. Dat grootmoeder maar gauw weer klaar is.”
Fluks liep Mieke de lange gang weer door, de keuken in, waar Jans het meisje nog eens wilde aanklampen, maar met een kort antwoord en een groet verliet ze de boerderij, teruggaande langs den modderigen landweg met meer spoed dan zooeven. Aan de huisdeur trof ze dokter Bos, die tegelijk met haar op z’n motorfiets aankwam in een van den regen druipende oliejas.
„Kijk ’s an,” zei hij, „of ik me ook gerept heb! Mijn vrouw liet me nauwelijks tijd om op adem te komen. „Je moet gauw naar juffrouw Van der Hoeve,” riep ze... En wat is er nu? De oude juffrouw aan den sukkel?” Al sprekende had hij z’n bemodderd rijwiel op Mieke’s schoone stoep gezet, doch daar lette ze in de gegeven omstandigheden maar niet op.
Juffrouw Wije kwam, zoodra zij z’n stem hoorde, te voorschijn, hem met Mieke nadere inlichtingen gevend en ’t vermoeden wekkend, dat ’t hier niet ging zooals het behoorde.
„Blijf jij maar hier, Mieke,” raadde de moederlijke vrouw, die graag den dokter alleen wenschte te spreken.
Mieke, zich inmiddels ontdaan hebbend van den druipenden mantel, dezen ophangend in de gang naast de natte doktersjas, schenen de minuten van alleen-zijn en wachten in de stille, half duistere huiskamer uren. Gestadig hoorde zij de droppels lekken in de plassen en het water gutsen langs de dakgoot in den regenton. De deur tusschen de ziekekamer en het vertrekje waar zij zat had dokter Bos gesloten, en de stemmen van hem en juffrouw Wije, die veraf leken en fluisterden, verhoogden de naargeestigheid van Mieke’s stemming, die, straks wat ontspannen, nu weer zéér neergedrukt werd en treurig.
Eindelijk kwamen de anderen weer binnen. Dokter Bos keek hoogst ernstig, en hij was toch niet iemand om gauw zijn patiënten en hun familie te ontmoedigen. Ook boerin Wije scheen bezorgd.
Mieke, bij het raam zittend, hief gretig het hoofd, de oogen groot-vragend naar de binnentredenden, maar onmiddellijk maakte de levendige vraag, die haar op de lippen brandde, plaats voor een inzinking van hoop: die beiden brachten haar geen gunstige tijding, dat zag zij duidelijk.
„Wat scheelt grootmoeder?” vroeg zij, heesch en zacht, nauwelijks verstaanbaar; zij trilde van nerveusheid.
„Ze moet al eenige dagen ziek zijn,” knorde de dokter. „Waarom mij niet eerder geroepen?”
„Zij wilde het niet. Ze is den heelen morgen nog aan ’t werk geweest, toen ik naar school was. Maar daarna was ze ook op.”
„’t Is zonde!” riep hij boos.
„Is ’t zóó vreeselijk?” vroeg Mieke wederom, als straks aan juffrouw Wije.
„Ik kan er nog niets van zeggen. Ze is altijd een sterke, gezonde vrouw geweest moet je maar denken. Het is dus best mogelijk, dat ze deze ziekte doorstaat. Mevrouw Wije—dokter Bos sprak deze steeds aan met „mevrouw”—en ik hebben afgesproken, dat, als ’t morgen slimmer mocht geworden zijn, ik voor een verpleegster zal zorgen.”
Mieke schrok hevig. „O, dan is het ook wel heel erg,” riep ze wanhopend, „als er een verpleegster moet komen.”
„Ik kan immers nog niets met zekerheid zeggen,” kalmeerde hij. „En je zoudt grootmoeder toch niet alleen kunnen helpen.”
„Jawel, o jawel!”
„Dwaasheid, Mieke... Mevrouw Wije is zoo vriendelijk hier tot den nacht te blijven. Onderwijl loop ik even op de boerderij aan om te zeggen, dat ze den ruststoel hierheen brengen. Dan kan die in de huiskamer uitgezet worden en moet jij vannacht daarop slapen, zoodat je grootmoeder hooren kunt als zij je noodig heeft. Want waken vind ik nog niet noodzakelijk en morgen vroeg komt mevrouw Wije weer.”
Mieke voelde hoe men haar wil geheel had buitengesloten. Zij was door ’t haar zoo plotseling overvallen verdriet geheel haar stuur kwijt en wilde daarom juist het tegenovergestelde als de anderen, ook al om dit gevoel van buitensluiten.
„Neen, neen”, verzette zij zich krachtig, instinktmatig ook beangst om alleen te moeten blijven en verantwoordelijk te zijn voor de zieke.
„Wat is dat nu, Mieke?” sprak juffrouw Wije, gebruik makend van de kracht harer persoonlijkheid. „Heb ik me zóó in je flinkheid vergist? Schaam je! Is dat houden van grootmoeder om je zoo aan te stellen?”
Mieke’s snikken bedaarde. Verschrikt zagen haar betraande kijkers in der boerin’s heldere, blauwe oogen, waarboven de wenkbrauwen thans gefronst waren. Zij keken Mieke ernstig en verwijtend aan, en de klaarte en rust erin gaven het meisje haar zelfbeheersching terug, terwijl ze zich beschaamd matigde. Ach, ze was eenige oogenblikken haar tegenwoordigheid van geest kwijt geraakt!... Ze was zoo overweldigd!... Ze hield zooveel van grootmoeder, en zooveel onverwacht leed en zooveel onoverkomelijke moeilijkheden en mogelijkheden grijnsden haar zóó plotseling van alle kanten aan, dat ze er even door overstelpt werd. De vrees voor het leven van de eenige, die haar na stond in de wereld, de vrees voor een gansch onbekende toekomst indien grootmoeder eens mocht komen te overlijden,—als een eensklaps haar eigen leven kapot slaande zee-van-misère overstroomde deze vrees haar bevende ziel. Want wàt zou er met haar moeten gebeuren, waar moest ze heen, àls het ergste bewaarheid werd?... In een dienst?... Daar zou ze niet sterk genoeg voor wezen en wellicht ook niet bekwaam genoeg, al was ze handig... Of zou oom Egbert, vaders broer, haar komen helpen?... Honderdlei gedachten bestormden haar.
Maar kom, zij mocht zich niet zoo zelfzuchtig over haar eigen leven beangstigen. Zij moest die vrees van alleen te zullen blijven verdrijven; dat alles zou zich wel redden,—of niet redden, om ’t even! Zij moest alleen maar denken aan die arme, lieve grootmoeder, die daar nu in haar slaapkamertje lag met hooger koorts dan toen juffrouw Wije Mieke heur grootmoeder goênacht liet kussen en naar boven stuurde om wat te gaan slapen, totdat zij, de boerin, over eenige uren weer naar de boerderij terug zou gaan en Mieke beneden zou roepen.
Doch in haar eigen donker vertrekje met de gestadig tikkende regendroppels tegen het vensterglas en op het dak, was het onmogelijk voor het meisje om den slaap te vatten en kwamen en gingen de gedachten, die grootmoeders ziekte tot een onoverwinnelijk onheil vergrootten. Ze voelde haar aankomen, de ramp, die haar schaduw reeds vooruit wierp.
En later, toen alles liep zooals het loopen moest—omdat alles in de wereld nu eenmaal moet gebeuren zooàls het gebeurt—toen de slag viel en grootmoeder voorgoed de oogen sloot, toen zei ze wanhopend tot zichzelf: „O, ik wist het wel, dat grootmoeder niet beter zou worden. Ik wist het al dien eersten avond.”
Om twaalf uur beneden geroepen door juffrouw Wije, woelde Mieke nog eenige uren rusteloos op den ligstoel, die van de boerderij gebracht was geworden. Zij look echter geen oog.
Den geheelen nacht lag ze maar te luisteren naar grootmoeders moeilijke ademhaling en haar zacht gekreun, naar de overigens hoorbare stilte rondom, want ook het regenen en waaien had opgehouden. Zij lag zich maar om-en-om te wentelen, transpireerend van angst of er ook iets vreeselijks met grootmoeder gebeuren kon, waartegenover zij machteloos zou staan, den nieuwen dag verbeidend met onrust en verlangen,—totdat het haar tegen half vijf te machtig werd, zij zich kleedde en voor het raam ging zitten, waardoor de vale schemer van den aanbrekenden dag weer weinig zonneschijn beloofde, de boomen en planten slechts vaag omlijnend.
Juffrouw Wije kwam tegen half zeven, een zwarten doek omgeslagen, reeds weer over den eenzamen weg haar buurvrouw te hulp. Ze zou de kerk dezen Zondag maar verzuimen: zij was vroom, doch van een produktieve vroomheid, namelijk steeds vervuld van warm medelijden en hulpvaardigheid, voortkomend deels uit een gevoel van moederlijke liefde, deels uit Christelijk plichtbesef. Zij was iemand, die zich zeer veel rekenschap van haar daden gaf en dezer gevolgen,—en zij was niet spoedig tevreden over zichzelve... Nu ook had zij zich verweten niet den heelen nacht te zijn gebleven bij de zieke, al werd des morgens ook haar tegenwoordigheid op de boerderij reeds vroeg vereischt. Zoo gauw zij kon was zij dan ook weer naar het kleine huisje gegaan, wat heete melk dragend, wetende dat Mieke gisteravond door de drukte vergeten had voor melk te zorgen en vermoedend dat een warm glas het meisje wel goed zou doen.
Ook dokter Bos kwam vroegtijdig. Z’n eerste rit ging, ondanks den Zondag, al om acht uur naar de vriendelijke, oude vrouw, die hij zoo gaarne lijden mocht... Doch bedenkelijker nog dan gisteren keek hij. En ’s middags reeds arriveerde er een pleegzuster uit de stad... Maar wat baadt menschenhulp als ons lot in het boek des levens anders is opgeschreven dan wij en degenen die ons liefhebben zoo vurig hopen?
Drie dagen na dien ongelukkigen Zaterdag telegrafeerde dokter Bos den eenig overgebleven zoon der oude vrouw. Den zevenden dag erna stierf zij.
HOOFDSTUK III.
JUFFROUW WIJE HEEFT EEN FIJN GEHOOR.
De eerste dagen waarop het Mieke duidelijk werd dat hoop op herstel voor grootmoeder uitgesloten was, leefde zij als in een droom. Geen eigenlijk verdriet beheerschte haar, eerder een soort verdooving. Zij hielp de verpleegster, zij deed de gewone huiselijke bezigheden van school thuisblijvende, zij stond allen, die haar iets vroegen, duidelijk te woord, maar als zij later wel eens terugdacht aan dezen tijd, konden slechts vage herinneringen alles, wat zich toen zoo ongeloofelijk vlug achtereenvolgens afspeelde, doen herleven. Slechts het groote, diepe heimwee-gevoel, dat haar beheerschte, vooral na het oogenblik waarop zij wist dat grootmoeder voorgoed was heengegaan, voelde zij als een schrijnende realiteit, nog jaren daarna.
Oom Egbert reisde, onmiddellijk nadat hij het telegram ontving, af. Hij scheen oprecht bedroefd door den dood zijner moeder, die hij zeer had liefgehad, al eischten de zorgen voor zijn gezin en zaken steeds het leeuwenaandeel zijner interesse en al zag de oude vrouw hem zelden sedert zijn huwelijk. De kring, waarin hij leefde, zoo hemelsbreed verschillend van dien, in welken hij als jongen op het dorp opgroeide, had de levens van moeder en zoon zeer uiteenloopend gemaakt, doch op den bodem van beider hart vonden zij toch altijd weder de oude liefde, die de enkele dagen in ’t jaar waarop zij elkander zagen nog zeer duidelijk door hen beiden werd gevoeld. En of het alleen om de smart van het oogenblik dan wel het bewustzijn van verschuldigde verplichting tegenover z’n moeder was, oom Egbert had op grootmoeders sterfdag zijn jong nichtje vaderlijk in de armen gesloten en gezegd: „Nu moet je in ’t vervolg in mij een tweeden vader zien, Mieke. Er staat je op de wereld niemand zoo na als ik en ik beloof je, dat ik zal trachten je veel te vergoeden van wat je verloor.”—Oom Egbert zei dit uit den grond van zijn hart.
Bij zulke droeve gelegenheden, evenals op hooge vreugdedagen, belooft men wel eens meer in een beneveling van innig leed of overmatig geluk iets, welks uitvoering men niet steeds vermag te volbrengen, want ach, het dagelijksch leven eischt zooveel kleine plichten, waaraan men op zulke momenten nooit denkt. Men wil iets edels doen in ’t aanzicht van ’s levens grootsche uitersten, smart of blijdschap. Het is iets echt goed-menschelijks om die oogenblikken, waarop dit eerbiedwaardig hooge in ons leven tegenover ons staat, óók iets hoogs en roerends te willen geven, en wij beloven plechtig, o, allerlei nobels. Dit is geen huichelen, al drijven de kleinheden in ons bestaan ons later ook in een andere richting, al vergeten wij door duizend nietige beslommeringen ook de edele leuze, die ons eens, op dat gewichtig moment, zoo vanzelf sprekend uit den mond vloeide, een leuze, die wij zoo gemakkelijk te volvoeren hoopten en waarmee het ons heilige ernst was. Slechts weinige, sterke naturen—maar zij beloven niet zoo licht—strijden om dergelijke eens gegeven beloften te vervullen, zelfs tègen hun eigen belang en genoegen in. Zij steken dan ook, op dit punt, boven het gros uit. Doch daar het grootste deel der menschen minder gewetensvol is en met minder zelfkritiek begaafd, gaan de meeste dier schoonklinkende beloften strijdloos te loor (of bijna te loor) in de groote massa der kleine levensdingen.
Maar laat ons dankbaar zijn voor den troost dier woorden op de tijdstippen, dat wij geen uitweg meer weten. Wij behooren er dankbaar voor te wezen, ook al wordt die troost niet omgezet in daden. Hij helpt ons in elk geval heen over de zwaarste oogenblikken in ons leven en geeft ons weer hoop op de toekomst.
Ook Mieke, hoezeer ze eenige dagen geleden nog opzag tegen de mogelijkheid bij oom Egbert en familie in huis te zullen komen, staken zijn woorden een riem onder ’t hart. Wel bleef er in haar een onverklaarbare tegenzin, maar niettemin berustte ze, zij ’t afgetobd, bij dat ééne: „Oom Egbert zal me helpen. Waar moet ik anders ook heen?”
Op den dag der begrafenis kwam Erik, ooms eenige zoon, student in de rechten, een jongen van een jaar of twee-drie-en-twintig, om z’n grootmoeder mede de laatste eer te bewijzen. Vroeger, in z’n kindsche jaren, was hij vaak meegekomen met z’n vader, maar allengs, naarmate hij ouder werd, waren die bezoeken in onbruik geraakt,—ook die van Olga, grootmoeders oudste kleindochter. Noch Erik noch Olga voelden zich op den duur aangetrokken tot het hoogst eenvoudig milieu der stille, oude vrouw met het onbeteekenende, kleine nichtje, zoodat mevrouw Van der Hoeve, die zelf „o, een vreeselijken hekel aan burgerlijkheid had”, meende de kinderen niet te moeten dwingen. „Tjakkes,” zei Olga, „’t is er zoo nauw bij vaders moeder,” en sedert dien—dat was sedert haar dertiende jaar en nu telde ze er een-en-twintig—had grootmoeder haar kleinkinderen niet meer gezien, behalve dan Loes, de jongste, die echter de laatste jaren wat aan den sukkel was geweest, juist op de tijdstippen, dat Egbert de oude vrouw bezocht.
Tante Sophie voelde noch lust noch de verplichting „haar schoonmoeder te overloopen,” zooals ze het uitdrukte. „O, ze apprecieerde haar keurigheid en degelijkheid, maar werkelijk, haar schoonmoeder bleef overigens zóó buiten haar sfeer, dat ze er zich nooit op haar gemak voelde.”—En meneer Van der Hoeve, zijn gezin niet willende dwingen tot sympathie-betuigingen, die niet van harte kwamen, ging alleen. Slechts Loes betreurde dit. Zij vond grootmoeder „een lief oudje”, heel oneerbiedig.
Niettegenstaande dit alles schreef tante Sophie Mieke nochtans een roerend briefje van leedbetuiging. Zij was gaarne bij de teraardebestelling tegenwoordig geweest, maar zulke emoties schokten gewoonlijk te zeer haar gestel om dit plan ten uitvoer te brengen. En Mieke troffen de welgekozen woorden op het fraaie papier diep.
Erik toonde zich heel voorkomend en belangstellend, doch na zijn komst scheen oom Egbert haar niet meer zoo in ’t oogloopend hartelijk als eerst, al bleef hij vriendelijk. Hij imponeerde Mieke zéér, de deftige neef. Hij boog zoo beleefd voor dokter Bos en dokter Bos weer heel beleefd voor Erik. Mieke werd er zelfs eenige oogenblikken door afgeleid, zoo vreemd leek haar dit alles in het kleine, stille huisje van grootmoeder, al die voorname heeren, die zoo mooi spraken.
Later kwam ook dominee Rensen nog, in het zwart en met handschoenen aan,—en Geert Wije. Zij kwamen allen om grootmoeder.... O, het werd zoo wonderlijk... En mevrouw Bos zeide tegenwoordig te wezen „om alles te regelen, nu geen vrouwelijke familie dit deed”. Doch dit regelen had juffrouw Wije, die ze weer allemaal „mevrouw” noemden en die ook al op haar Zondagsch was aangekleed, reeds gedaan. Mieke bemerkte heel goed, hoe mevrouw Bos en juffrouw Wije daarover elkander allerlei bedekte hatelijkheden zeiden, of liever hoe mevrouw Bos die debiteerde. Mevrouw Bos namelijk wilde, sedert mevrouw Rensen’s dood, zoo’n beetje overal moederen in het dorp, zoo’n beetje „de goede mevrouw” spelen, maar juffrouw Wije, die van het begin af aan bevriend was geweest met haar buurvrouw, liet zich niet door mevrouw Bos uit ’t veld slaan en nam de honneurs waar, die behoorden bij een ordentelijke begrafenis, meenende, en niet ten onrechte, alles in den geest van de overledene te bestieren, maar stekeligheid zettend bij de doktersvrouw.
Mieke, hoewel dit alles waarnemende, ontging het wezen der dingen. Haar denkvermogen scheen stroef, haar gevoel stug te zijn en onontvankelijk. Alleen toen grootmoeder het huis werd uitgedragen, toen het tot haar doordrong, flijmend wreed en duidelijk tot haar doordrong: „Nu gaat ze voor altijd van me weg,” toen overstelpte haar een vloedgolf van weedom en verdriet en barstte ze uit in hartbrekend schreien.
De mannen verlieten ernstig zwijgend het huis, en juffrouw Wije sloeg den arm om het jonge meisje heen. Zij drukte het zwaar bezorgde hoofdje tegen zich aan en streelde Mieke’s bleeke wangen. „Zoo,” zei ze, haar kussend, „zoo, hè, lieverdje? Kom maar bij me, hoor; kom maar hier.” Zij beloofde niets, maar Mieke’s oor hoorde het hart kloppen in de borst, waartegen haar hoofd rustte,—en zij werd stil.
Mevrouw Bos dekte met een gebaar van ongeduld de tafel: op die manier zou men niet klaar zijn vóór de heeren weerom kwamen. Het kerkhof was dichtbij en véél zou dominee Rensen wel niet kunnen zeggen aan het graf; de oude juffrouw had nooit iets bijzonders gedaan in haar leven, waarover men spreken kon.