Part 4
Mieke stond tegenover de boerin aan ’t raam. In verwachting keek ze naar de lezende, was ze toch wel zeer benieuwd en zenuwachtig.
„Wat dunkt u?” ze kon het oordeel ternauwernood afwachten. Nu bleef ze niet lijdelijk meer. Alles aan haar was bevend uitzien.
„Wel, kind,” sprak de boerin langzaam terwijl ze ’t papier opvouwde en weer in ’t couvert stak, „daar zit veel goeds in dien brief.” Hoewel een egoïstisch doel vermoedend—juffrouw Wije’s gehoor had zich dus onlangs niet bedrogen—wilde zij Mieke niet vooruit verontrusten. Zij begreep hoe getroffen het meisje moest zijn nu voor het feit te zijn gesteld, dat onherroepelijk verwacht werd, maar toch steeds nog mijlen ver weg werd geloofd. Zij wilde niet spreken van alles wat haar bij het lezen zoo onaangenaam had getroffen, hoe alleen de noodzakelijkheid (en het winstbejag? juffrouw Wije kon dit niet gehéél constateeren, niet wetende hoe groot Mieke’s middelen waren) aan ’t woord was en het rechte welkom ontbrak. Zij mocht Mieke niet ontmoedigen. Integendeel werd het nu zaak haar te helpen bij het begin van den moeilijken tocht, dien het kind ondernemen ging.
Mieke’s angstig op haar gevestigd gezichtje ontspande zich na de opbeurende woorden der oudere vrouw, wier oordeel zij niet alleen op prijs stelde, doch dat zoo grooten invloed op haar uitoefende.
„Veel goeds? Vindt u? Vindt u dat werkelijk? Valt het u mee?” ze vroeg het rad, weifelend ook, en blij half, met een wat bevend stemmetje, in de blauwe oogen opkomende blijdschap, de bleeke wangetjes nu warm gekleurd door een zachten blos, die haar innemend, kinderlijk gezichtje iets roerend liefs gaf. Juffrouw Wije zag met warme sympathie naar haar. Wat een onwetendheid met de wereld sprak er uit dit jonge schepseltje!... Het was eigenlijk niet goed geweest van de oude vrouw het meisje zoo heelemaal onkundig te laten met alles wat er in ’t leven te koop was. Eenmaal moest een elk de moeilijke levensles leeren, en waarom een kind daar niet reeds jong op voorbereid? Zeker, de grootmoeder liet haar goed onderwijzen, wees haar den weg om op te groeien tot een braaf mensch, maar van het verkeerde dat zij op dien weg ontmoeten zou leerde zij haar niets... Doch ook, moest juffrouw Wije verontschuldigen, zij had haar taak nog niet volbracht, toen ze weggerukt werd. Men mocht daarover eigenlijk niet oordeelen.
Met dat al vervulde haar een diepe deernis voor ’t meisje, dat zoo gansch onwereldkundig het leven in een groote stad tegemoet zou gaan. Zij wilde haar echter niet beangstigen, zij mócht haar niet beangstigen. Slechts een riem onder ’t hart was ’t, wat Mieke noodig had en wat haar helpen kon de toekomst met moed te aanvaarden.
En juffrouw Wije zei: „Zeker valt het me mee. Je oom schrijft immers heel aardig. Natuurlijk zal er veel zijn, wat je vreemd voorkomt, waaraan je in ’t eerst niet wennen kunt, maar je moet er doorheen, kind. Geen mensch zeilt door ’t leven zonder tegenwind, maar met Gods hulp kom je in veilige haven... Is niet alles naar je zin geregeld? Me dunkt. Je wilde liever bij je oom in huis dan naar een kostschool,—nu kàn dat. Dus is ’t best!... Je oom is geen kwaje man, Mieke. En hij blijft door alles heen de zoon van z’n moeder. Dat moet je maar goed onthouden. Trouwens dat zal je ook altijd ondervinden.”
Mieke monterde geheel op. „Ja,” zei ze opgeruimd, „ik ben werkelijk ook heel blij, nu ik zekerheid heb. U heeft gelijk, oom schrijft aardig; vooral van mijn kamertje. Ik zal er heel netjes op wezen en ik wil tante Sophie graag flink helpen in de huishouding.”
Juffrouw Wije sprak haar verwondering over dat behulpzaam-zijn ter vergoeding van het kleinere kostgeld bij de familie dan op een pensionnaat maar niet uit. Het klonk wel zeer vreemd na Van der Hoeve’s genereus gebaar: „Mieke behoudt alles van grootmoeder. Ik wensch daarvan niets.”
De boerin wist hoe Mieke de verklaring hiervan schuldig zou blijven, en daarenboven, wat nut stak erin slapende honden wakker te maken? Zij zag met voldoening den meerderen glans in de oogen van haar vriendinnetje, ze zag hoe heur heele persoontje langzaam-aan weer ’t opgerichte, veerkrachtige van de jeugd begon te krijgen. Tot-nu-toe had Mieke onafgebroken haar leed en angst gekoesterd, aangekweekt bijna, niets anders was er, dat sterk-overwegend haar belangstelling vroeg. Deze brief echter zette haar aan tot dóórdenken, tot klaar doordenken aan de toekomst, tot naderend handelen. Het leven dwong met z’n onverwachte eischen: het vroeg haar volle aandacht en haar heele persoon... Juffrouw Wije sprak juist van pas. En de gezonde, normale geest van ’t meisje nam gretig aan de bemoediging, de voortstuwing van het ernstig optimisme en de meerdere ervaring der rijpere vrouw. Mieke begon nu zelfs een weinig belang te stellen in daarginds; het trok haar langzaam-aan met al de kracht van ’t onbekende nieuwe. De apathie week,—met kloppend hart dacht ze aan het vele, dat haar begeerlijk ging lijken, en ze had niet nog maar zeventien jaar moeten zijn om zich niet illusies en voorstellingen te maken omtrent alles wat dat nieuwe nog voor schoons voor haar verborg... Deze ommekeer overmeesterde haar heel plotseling. Nog passief toen ze bevende den aanhef: „Beste Mieke” las, zelfs nog onzeker nadat ze den heelen brief gelezen had, ontwaakte ze eerst ten volle bij het besef, door juffrouw Wije helder belicht, om nu het komende niet angstig tegemoet te zien maar met vertrouwen en blijmoedigheid te aanvaarden.
En toen dit besef eenmaal doordrong, goed tot haar doordrong, was het met snel groeiend verlangen, dat ze op de toekomst zelfs hóópte. Juffrouw Wije bemerkte het met vreugde, al overzag zij daarbij ten volle de onvermijdelijke teleurstellingen voor Mieke... Maar geen woord hierover! Waar ’t kind zelf den moed herwon bleef haar niets anders te doen dan dien te versterken.
Alles wat ze aan kleeren bezat, zoowel zomer- als wintergoed, laadde Mieke in den grooten koffer, dien ze van Geert ter leen mocht. Om elf uur kwam de bode de bagage halen. Er was ruimte in overvloed, want veel garderobe bezat ze niet, ofschoon Mieke-zelf haar bescheiden bezittingen uitgebreid genoeg vond. Terwijl ze zenuwachtig opvouwde en bergde en weer verlegde, leken haar die eenvoudige spulletjes lang niet onaanzienlijk. Vuurrood van agitatie, de handjes bevend, had ze eerst al haar kleinigheden ingepakt: doosjes, vaasjes, portretjes en wat boeken. Verleden week bracht ze alles, wat ze uit grootmoeders boeltje wilde behouden, naar hier. Van de meubels, waaraan ze bijzonder gehecht was, had ze bij den notaris een lijstje moeten inleveren, en deze meubels waren opgestuurd geworden naar Amsterdam om daar haar kamertje te completteeren.
Mevrouw Van der Hoeve behield voor zich slechts, zooals de notaris zeide, de antieke kast en de oude klok. En omdat er van de rest niet zooveel overbleef, wat Mieke begeerde, zou er veel bestemd zijn om verkocht te worden... Als ze daaraan dacht schrijnde ’t haar. Leeg het lieve, gezellige huisje, zoo grootmoeders trots!... Wat waren ze er gelukkig en tevreden geweest! Nooit had ze dit beseft vóór ze die onbezorgdheid verloor.
Bij deze gedachte beheerschte haar wederom een overweldigende weemoed. Het mooie, groote, lichte dorp met zijn vriendelijk kerkje, de uitgestrekte weiden en de schaduwrijke boomgaarden, de vruchtbare bouwlanden en den breeden straatweg, en niet ’t minst het overbekende landpaadje met het onvergetelijk tehuis, de prachtige hoeve harer hartelijke buren,—hoe zou ze dit alles missen tusschen de torenhooge huizen in de stad, in de straten, waar de menschen elkander verdrongen en waar je nooit zien kon of het zomer of winter was. O, het werd haar zoo moeilijk te scheiden! Eenige dagen geleden, toen ze pas den brief ontving, dacht zij, dat ze nu wel voorgoed zoo dapper en opgemonterd zou blijven, had ze bij zichzelf reeds allerlei plannen gemaakt, voorstellingen van genoegens, waarover ze dikwijls gelezen had, die haar opwonden en deden haken naar het nieuwe leven,—maar nu, onder het inspannend zich reisvaardig-maken, nu nog maar enkele uren haar scheidden van die vreemde toekomst, nu werd het haar wederom zeer bang te moede en bekroop haar weer dat gevoel van hopelooze verlatenheid, dat sedert grootmoeders dood haar zoo herhaaldelijk overviel.
Zij kende de geslotenheid van haar karakter, dat zich heel moeilijk en schuchter uitte. Haar aanhankelijke, liefderijke natuur gaf gaarne en veel, maar ze gaf niet gemakkelijk en meer in zelfvergeten en gestadig hulpbetoon dan in spontane, licht te begrijpen hartelijkheid. Daardoor onderschatte men dikwijls de grootte en de zuiverheid harer oprecht gemeende bedoelingen. Zij wist, dat veel menschen haar wat stug vonden, koel zelfs, en maar al te goed voelde zij, hoe’n moeite ze vooral den eersten tijd zou hebben om zich daarginds aan te sluiten en aan te passen. Al de luchtkasteelen, sedert de ontvangst van den brief opgebouwd, vervaagden, terwijl ze daar nerveus zwoegde aan ’t ongewone werkje van kofferpakken. O, het zou haar onmogelijk zijn dadelijk al innemend te doen, veel te praten en te lachen en belangstelling te toonen. Ze zou niet genieten van al hetgene, dat ze in die onbekende omgeving te zien kreeg; altijd zou ze voelen, dat ze er toch niet tehuis hoorde... Wanneer zij terugdacht aan vele jaren geleden, toen zij nog maar een jong kind was en oom Egbert nog wel eens Olga meebracht bij grootmoeder op zijn korte bezoeken aan het eenvoudig ouderlijk huis, wanneer zij terugdacht aan het mooie, sierlijke meisje met heur groote, donkere oogen en glanzende, lange krullen, aan heur opgerichte houding en vlugge, bevallige bewegingen, aan de fijne jurken, die zij droeg, en de groote strikken in ’t prachtige haar, dan prangde er iets in Mieke’s borst van angst om dat meisje weer te ontmoeten, om met haar te moeten samenleven. Oom Egbert had het vaak genoeg gezegd, hoe mooi en hoe begaafd Olga geworden was! Mieke luisterde altijd naar die verhalen met verwondering en eerbiedige belangstelling, maar ook als naar iets dat, veraf en onbereikbaar, slechts als een merkwaardigheid voor haar gold.
Zij herinnerde zich hoe Olga’s aanwezigheid de enkele keeren, dat zij bij grootmoeder geweest was, haar had geïntimideerd en gehinderd, onverklaarbaar gehinderd. Nóg kon zij zich dien vreemden indruk op haar jong kinderzieltje herinneren, het gevoel van onvoldaanheid en van verzet om zich niet door het nichtje te laten overheerschen. O, die duidelijke herinnering aan de gewaarwording half van vijandschap, half van overmachtigen eerbied, waartegen haar kindertrots zich altijd verzette. Jarenlang sluimerde deze ondervinding,—slechts wanneer oom Egbert in later tijd eens over zijn kinderen sprak schemerde ze haar vaag voor den geest. Thans echter beklemden die herinneringen haar zóó sterk, dat ze even de handen moest laten rusten en de verslapping, die haar overviel, moest laten wijken om opnieuw voort te kunnen gaan. Nu wist ze ’t plotseling, dat dit ’t geweest was, waar ze het meest tegenop had gezien. Niet de nieuwe omgeving noch de groote stad waren ’t, niet enkel het afscheid van haar oude vrienden en van ’t vele liefs, dat zij achterliet, noch de gedachte gedeeltelijk afhankelijk te worden van voor-haar-zoo-goed-als-vreemden, dat alles bedroefde en bezwaarde haar, zèker,—doch wat haar nu eensklaps verklaarbaar werd, het was het gevoel van onoverkomelijkheid van iets, dat haar in de toekomst wachtte, en dit „iets” was de wetenschap in ’t vervolg elken dag te moeten samenleven met het nichtje, dat eens, als kind, haar onder haar sterken, overheerschenden wil bracht en een overmachtigen invloed op haar uitoefende, wier schoonheid Mieke overschaduwde met al de kracht eener indrukwekkende, opvallende persoonlijkheid. Het werd Mieke glashelder: die antipathie benauwde haar bij vlagen tot stikkens toe. Mieke wist, hoe zij naast Olga tot niets zou worden, en hoewel zij nooit begeerde ook slechts eenigermate op den voorgrond te treden, ze kende te goed het gevoel van achteruitzetting zoodra de ander met heur stralende gaven haar op zijde drong, om het niet te duchten. Want zij kende het leed erom. Zelfs grootmoeder, bekoord en gestreeld door het bezit van zulk een kleindochter als Olga, bevoorrechtte deze eenmaal. Dat gebeurde, toen Mieke, bemerkend hoe men háár wat linksche voorkomendheid over ’t hoofd zag, háár pogingen tot liefheid en gehoorzaamheid totaal veronachtzaamde, zich stug terugtrok en grootmoeder haar daarna om „koppigheid” en „stuurschheid” berispte. En iemand—wie wist Mieke zich niet meer precies te herinneren—sprak toen schouderophalend van „jaloezie.” Dit had het kind gegriefd, zóó onmeedoogend en onuitwischbaar (misschien omdat ze de waarheid ervan doorvoelde, die haar fel kwetste), dat, hoewel door de jaren verdoezeld, dit heftig gevoel van vernedering haar nu nog pijn kon doen en vrees aanjagen voor een herhaling.
Zij sloot den koffer, warm en moe van inspanning, het blonde haar, dat over heur voorhoofd viel, wegstrijkend naar achteren in de gladde vlecht. Heur handen en armen, bevend van onnoodig reppen, gleden slap langs haar lichaam... Wat nu?... Zij kon er zich niet indenken nu klaar te wezen; de onrust dreef haar tot allerlei overtollige schikkingen. Zij zette nog wat recht en ruimde nog wat op, maar dan zakten weer de armen, stond ze in bevreemding bij het weten: „Nu heb ik hier niets meer te doen.”
Zij besloot nog eens voor ’t laatst op dezen schoonen najaarsmorgen de boerderij rond te loopen. Alles wat zij vroeger nauwelijks opmerkte en wat toen langs haar ging trof haar thans als een verrassende merkwaardigheid... Wat een bedrijvigheid en wat een rijkdom!... Kijk dat begeerig gepik der kippen, die Jans aan ’t voederen was!... Even lachte Mieke om de hoekige bokkesprongen van den sik, die, vastgebonden aan een paal, het kleine bleekveld afgraasde achter het wagenhuis... Trijn hoorde ze galmen bij ’t regelmatig geschuur der melkemmers en somtijds luide lachen om de kwinkslagen der knechten, die op de korenzolders bezig waren en haar door een openstaand venster beschreeuwden.
Als je een oogenblikje stilhield en luisterde, waren het honderdlei klanken, die je opving: gepraat, gezang, geklop, geschuur, dierenstemmen op eigenaardige menschengeluiden lijkend, het ruischen der boomen, getok en getjielp van vogels, waarvan de meesten wel-is-waar reeds vertrokken waren, doch welker achterblijvers ook hun stem, zij ’t gedempt, verhieven in het harmonisch lawaai, dat je onwillekeurig tot een glimlach dwong om de veelheid en de eigenaardigheid der instrumentatie. Nog nooit had Mieke daar zoo bewust en intens naar geluisterd, nog nooit had zij de boerderij zoo vol en rijk gezien als thans, nu ze op ’t punt stond er een vreemdelinge te worden.
Alles was hier met haar jeugd en herinnering saamgegroeid, en eenzaam en bedroefd sloop zij rond, tot ze in de verte de torenklok hoorde slaan... Ze wilde nog naar mevrouw Bos en naar dominee Rensen; ’t werd tijd als ze vóór het middageten om twaalf uur terug wilde zijn. Ze nam haar hoed en gaf aan Jans de boodschap waarheen ze ging.
Mevrouw Bos deed koel. Ze meende Mieke had haar niet de eer gegeven, welke haar toekwam. Juffrouw Wije’s bereidwilligheid deed haar zich gepikeerd terugtrekken. Zij was wat stekelig tegen ’t meisje en dit speet Mieke, want al had ze nooit erg van mevrouw Bos gehouden, ze had gaarne aan elk-een-hier een prettige herinnering bewaard. Maar mevrouw Bos sprak bits en terechtwijzend, zoodat Mieke zeer ontmoedigd bij dominee Rensen kwam.
Hij was een bejaard man, al over de zestig. Menig groote smart gaf hem die opbeurende blijmoedigheid, waarmee hij de menschen in hun verdriet kon steunen door zich te beroepen op eigen ervaring in leed. Men voelde niet slechts zijn medeleven, maar meer nog en troostrijker vaak zijn medebegrijpen. Hij had zijn vrouw ten grave zien dragen en aan het sterfbed zijner eenige dochter gestaan, doch hij had in vrome overgave het leven leeren overwinnen en liefhebben na harden, innerlijken strijd. Nu stond hij dan ook op de hoogte van zijn vertrouwen, kende hij de waarde van het leven, dat hem zooveel ontnomen had maar daarvoor in plaats had gegeven het diepe geluk der aanvoeling van Gods nabijheid, ’twelk vreugde en kracht schenkt ook in den zwaarsten rouw. Als hij daarover sprak tot de menschen waren het geen phrases, geen mooi klinkende woorden, die hij verkondigde, maar zelf ervaren vreugde, die den moeden steun gaf en den bedroefden hoop en troost.
Hij nam Mieke’s hand in de zijne en zei aan ’t eind: „Ik weet, kind, hoe eenzaam je je zult gevoelen dikwijls, hoe nameloos leeg, als daar niemand is om je hartelijk lief te hebben en van wien je zelf het meeste houdt op de wereld. Maar wanhoop nooit. Wanhoop ook nooit aan jezelf. Je gaat den levensweg niet alleen: God is altijd met je, Mieke. En altijd, àltijd, m’n kind, komt er de groote uitkomst, in welken vorm dan ook... Je schrijft je ouden leeraar nog wel eens, nietwaar?”
Mieke knikte. Ze zou hem zoo missen, haar ouden vriend.
Bij haar terugkeer op de boerderij was de koffer gehaald geworden.
Nu schoot haar tijd op.
Het middagmaal verliep vlug. Toen telde iedere minuut. Geert had beloofd haar zelf naar het station te brengen in het gele wagentje, waarmee hij haar voor eenige weken geleden uit de school naar huis bracht. En nu leidde oude Thijs het reeds naar buiten.
„Heb je alles?” vroeg juffrouw Wije, oogenschijnlijk heel bedaard, maar innerlijk toch zenuwachtig. Ze had ’t nooit gedacht zóó aan ’t kind gehecht te zijn. Goed, dat ze nog maar wat lekkere appels en van die zachte peren in ’t valies had gestopt! Schááp!...
Juffrouw Wije vond ’t eigenlijk, wel beschouwd, mal van zichzelf haar zoo te beklagen. Kreeg Mieke ’t niet goed?... Maar als ze naar haar gemoed te werk ging zou ze zeggen: „Blijf maar hier, lieverd.”—„Och kom, die onzin,” verweet de boerin zichzelve. Ze deed heel opgewekt en riep schertsend: „Als je ons nou maar niet gauw vergeet, meisje!”
„O neen, juffrouw Wije,” zei Mieke, vuurrood wordend bij die veronderstelling, ’t klonk overtuigend, „ik zal u nooit vergeten, en meneer Wije ook niet.”
„Kom, Mieke, nooit?” deed Geert vroolijk. Hij plaagde haar weer een beetje, maar ’t lukte niet best, omdat hijzelf ’t ook jammer vond haar te zien vertrekken. Ze was zoo’n aardig, stil, klein ding met haar groote, vragende oogen en haar zachte stem. Hij zette z’n hoed op en nam ’t zwarte valies, Mieke’s handbagage. „Ziezoo, gaan we?”
Hij liep vast vooruit.
Juffrouw Wije en ’t meisje volgden. In de keuken zei ze Jans nog eens goeiendag; de anderen had ze daarstraks al allemaal een hand gegeven. Jans deed heel luidruchtig. Mieke luisterde nauwelijks.
Geert zat al op den bok.
„Nou, kind,” sprak de boerin hartelijk, haar arm om Mieke’s schouder, „je moet ons dikwijls wat van je laten hooren. Ik wil je ook nog wel eens schrijven en zal je vertellen, wie er nou in jullie huisje gekomen is. Goeie reis en goeie moed! God zegene je, Mieke.”
Mieke kon niet spreken. Het kropte in haar keel; een floers kwam voor haar oogen. Ze knikte maar en trachtte te glimlachen,—en later bedacht ze, hoe ze heelemaal vergeten had te bedanken.
Geert gaf haar een hand bij ’t instijgen... Met een langen blik nam ze alles nog eens in zich op. Het paard trok aan en aldoor maar wuifde ze naar juffrouw Wije, wier struische, groote gestalte, hoog opgericht, sterk en positief, haar nog lang bijbleef, zooals zij daar vóór het huis stond, terwijl zij, Mieke, zich zwalkend schip zonder roer voelend, klein, zonder bestemming, zonder idealen, dacht: „O, zóó te zijn als de boerin, zoo zeker van jezelf.” Frisch en kloek scheen haar alles wat zij achterliet. De boerderij lag zoo breed, zoo zelf behaaglijk schier. En zijzelve, wat was zij?
Langzaam reed het wagentje ’t erf af, draaide den straatweg op. Ze keek met een haastige hoofdbeweging nog eenmaal om de bekapping van het rijtuigje, toen het langs het landpaadje reed, waar ze, door de lindeboomen heen, voor het laatst en in een oogwenk grootmoeders huisje zag schemeren. Dan ging het paard in draf met kletterend de hoeven op de groote keien van den breeden straatweg.
Mieke leunde naar achteren tegen het bankje; ze sprak niet. Haar hoofd was leeg van al het gepieker... O, nu eens eventjes niet meer behoeven te denken! niet aan vroeger en niet aan het komende... Straks moest ze weer voort... nu èven rusten. Ze zei maar ja op alles wat Geert haar vroeg en vertelde.
HOOFDSTUK V.
IN DE STAD EN DE NIEUWE OMGEVING.
Doch in de stad moest ze wel weer aktief worden. Geert kon het paard niet alleen laten, dus, nadat hij haar hielp uitstijgen en het valies overgaf, diende zij voor zichzelf te zorgen.
Heel hartelijk nam hij afscheid, haar nog allerlei goeden raad gevende voor haar aankomst in Amsterdam, wat haar echter allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan leek. Hulpeloos en onhandig voelde zij zich bij het binnengaan van het station; zenuwachtig frommelde zij in haar beursje bij het betalen van ’t spoorkaartje, en toen ze even daarna, van af het open perron, Geert in het wagentje zag wegrijden, zonk haar de moed in de schoenen.
Zij had nog ongeveer een kwartier den tijd, en zittend op een bank in de kleine wachtkamer, onwillekeurig afleiding vindend in het gaan en komen der reizigers, werd haar aandacht gaandeweg afgeleid van persoonlijke bezwaren. De noodzakelijkheid van het heilig moeten dwong haar wederom onherroepelijk tot meerdere innerlijke zelfbeheersching, en zij werd kalmer. Het verleden lag nu gansch-en-al achter haar... Nu niet weer week worden en lafhartig, nu dapper zijn en willen... Rechter ging zij zitten; het hoofd richtte zij op. Zij deed er grootmoeder geen dienst mee te treuren en zich telkens terneer te laten slaan. Zag grootmoeder haar niet altijd gaarne opgewekt en hoopvol?... Wat hadden zij samen niet al plannen gemaakt! Nu ging zij die ten uitvoer brengen, alleen, maar tóch. Nu moest zij toonen wat grootmoeder haar geleerd had, wat ook dominee Rensen haar zeide: te vertrouwen... En was ’t onlangs onder juffrouw Wije’s invloed, dat zij haar vrees overwon, nu behaalde zijzelve een overwinning op haar wankelmoedigheid.
Daar stoof de trein binnen, dampend en snuivend. Zij zocht en vond een vrij goed plaatsje in een niet te volle coupé, en eenmaal op weg naar de plaats harer bestemming zag zij zóóveel, wat haar boeide, zóóveel wat afleidde, dat de reis haar veel draaglijker werd dan ze ooit had geloofd.
Maar toen in Amsterdam!
Als verdoofd stond ze middenop het stampvolle perron. Van alle kanten gedrongen en geduwd zag ze geen veilig heenkomen. Er was niemand, dien ze kende of die op haar lette, aan wien ze vragen kon waarheen ze gaan moest. Een onafgebroken stroom van menschen daalde de breede steenen trappen van de perrons af. Zwijgend vragend staarde ze rond,—geen sterveling, dien ze herkende. Zij was als verbijsterd.
Tot-nu-toe was haar voorstelling van Amsterdam geweest als van de provinciestad, waar ze schoolging, op marktdag, en dan misschien iets drukker. Maar zoo!... En heel alleen stond ze te midden van die haastige menigte.
Daar voelde zij een tikje op den schouder. Een vriendelijk uitziend meisje, haar hulpeloosheid bemerkend, vroeg: „Naar den uitgang?”
„Ja,” knikte Mieke gretig.
„De trap af,” onderrichtte de ander, inmiddels zelf dalende en in een ommezien verdwijnend.
Mieke besloot dus maar den stroom, die reeds wat verminderde, te volgen, en, komende in het sousterrein van het station, liep ze denzelfden weg als de zich voortspoedende reizigers, de loketten langs, waar ze haar kaartje moest afgeven.
Zij voelde een tochtige lucht van buiten komen bij het open- en dichtflappen der groote glazen deuren, en zag daarachter het gewirwar van trams op de straat, ’t af- en aanrijden van karren, en nogmaals angstig rondkijkend hoorde zij zich opeens aanspreken door een bekende stem, die zei: „Welkom, Mieke, in Amsterdam.”
„Oom! Oom!” riep ze, zich met een ruk omkeerende.