Part 3
Pescadospunt moest namelijk te Ragusa blijven, om de woning in de Stradona-laan en het huis in de Marinellastraat gade te slaan terwijl Kaap Matifou dokter Antekirrt naar Cattaro zou volgen. Dat zou dus eene scheiding zijn—de eerste sedert zoovele jaren, die de deelgenooten in de ellende te zamen doorleefd hadden. Daaruit ontsproot bij Kaap Matifou eene hartroerende ongerustheid, wanneer hij er aan dacht, dat hij zijn kleinen Pescadospunt niet meer bij zich kon hebben. Hij maakte zijn vriend deelgenoot van die onrust.
„Geduld, Kaap van mijn hart, geduld!” zei Pescadospunt. „Dat zal niet lang duren!”
„Niet?”
„Neen. Slechts den tijd, die noodig is om het stukje te spelen, en dan is het uit!”
„Meent ge?”
„Ja. Als ik mij niet bedrieg, dan is het een prachtig stuk, dat voorbereid wordt, en onze waardige directeur heeft ons daarin eene fraaie en belangrijke rol toebedeeld.... Geloof mij, ge zult over de uwe niet ontevreden zijn.”
„Denkt ge?” vroeg de reus Kaap Matifou nadenkend en met eenige aarzeling in zijn stem.
„O, ik ben er zeker van!” betuigde de geestdriftvolle Pescadospunt met vuur. „Ik ben er zeker van!”
„Ik mag het lijden,” antwoordde Kaap Matifou, niet geheel en al overtuigd.
„Kijk, Kaap, ge zult geen verliefde rol krijgen, bijvoorbeeld!” ging Pescadospunt voort. „Dat ligt volstrekt niet in je aard, hoewel je duivelsch sentimenteel kunt zijn, zooals nu blijkt! Ge krijgt ook geen verradersrol. Daartoe heb je een te dik, goedhartig gezicht! Neen, je zult de goede genius voorstellen, die bij de ontknooping...”
„Bij welke ontknooping?”
„Bij de ontknooping van het stuk, die onvermijdelijk de misdaad zal straffen en de deugd beloonen!”
„Zooals bij onze voorstellingen?” vroeg Kaap Matifou met een glimlach op het goedhartige gelaat.
„Zooals bij onze voorstellingen! Juist!”
„Dan is het goed!”
„Juist. Ik zie je reeds in die rol, Kaaplief. Op het oogenblik dat de booze, de verrader er het minst op verdacht is, kom jij met de breede geopende handen te voorschijn en heb je ze maar te sluiten om de ontknooping te voltooien.... Zie.... zoo!”
„Zoo?” vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijn kolossale hand als een nijptang dichtkneep.
„Prachtig! Als die rol niet lang te noemen is, zoo is zij toch uiterst sympathiek bij het publiek. En denk eens hoeveel bravo’s je in de ooren zullen klinken en hoeveel geld bovendien in je zak zal glijden! Het is om te watertanden!”
„Jawel, ongetwijfeld”, antwoordde de Hercules, „maar intusschen....”
„Wat intusschen?”
„.... Zullen wij moeten scheiden! En dat is onaangenaam, Pescadospunt, vindt ge niet?”
„Dat is waar! Maar wat valt er aan te doen, Kaap Matifou? Ik weet er niets op.”
„Zie je!....”
„Och, het is maar voor weinige dagen.”
„Toch nog te veel!”
„Je moet mij beloven, Kaaplief, dat je gedurende mijne afwezigheid je niet zult laten vermageren!”
„Dat beloof ik!”
„Verbeeld je dat je de tering kreegt. Brr!.... het is om van te rillen. Je moet me dan ook verder beloven, dat je nauwkeurig je zes maaltijden per dag zult nemen.”
„Dat beloof ik, Pescadospunt!”
„En dat je vet zult worden, Kaaplief.”
„Dat beloof ik!”
„Welnu, sluit mij thans in je armen.... of beter: doe het schijnbaar maar, want je zoudt gevaar loopen mij te smooren!....”
„O, Pescadospunt!....” zei de reus met een snik in de keel en een traan in het oog.
„Drommels, wij moeten de gewoonte aannemen om comedie te spelen in dit ondermaansche!.... Omhels mij nogmaals, Kaap Matifou, en vergeet je kleine Pescadospunt niet....”
„O, neen, Pescadospunt!”
„Die zijn dikken Kaap Matifou ook nooit vergeten zal!”
Zoodanig was het hartroerend vaarwel van die twee vrienden, toen zij van elkander scheiden moesten.
Waarlijk, Kaap Matifou had het hart vol in zijne overgroote borst, toen hij zich alleen aan boord van de Savarena bevond. Dienzelfden dag nog was zijn makker, op bevel van den dokter, naar Ragusa gegaan, had daar ergens op een bovenkamertje in de gewenschte buurt zijn intrek genomen en had tot taak Piet Bathory niet uit het oog te verliezen, de woning van Toronthal gade te slaan en zich op de hoogte van alles te houden.
Gedurende de lange uren, die Pescadospunt in het Stradonakwartier ging doorbrengen, had hij dikwijls de vreemdelinge moeten ontmoeten, die waarschijnlijk met een zelfde zending belast was als hij. En ongetwijfeld zou die ontmoeting ook plaats gehad hebben, wanneer de Marokkaansche niet Ragusa verlaten had, nadat zij haar telegram verzonden had, om zich naar eene vooraf overeengekomen bijeenkomst plaats te begeven, waar Sarcany zich bij haar voegen zou.
Pescadospunt werd dus niet zijne handelingen belemmerd en kon zijn baantje van vertrouwen met zijne gewone schranderheid volvoeren.
En waarlijk, Piet Bathory zou zich nimmer kunnen verbeelden, dat hij zoo van nabij gadegeslagen werd. Ook zou hij nimmer hebben kunnen raden, dat de loerende oogen van die vrouwelijke spion vervangen waren door de meer loyale oogen van Pescadospunt.
Na zijn gesprek met den dokter, na de bekentenis zijner liefde voor Sava, die hem ontsnapt was, had de jonge man zich meer vertrouwvol gevoeld. Waarom zou hij nu voor zijne moeder iets van dat onderhoud, hetwelk aan boord van de Savarena had plaats gehad, verborgen houden? Zou zij in zijn blik niet gelezen hebben, wat in zijne ziel omging? Zou zij niet begrepen hebben, dat eene wichtige verandering bij hem plaats gevonden had, dat leed en wanhoop plaats ingeruimd hadden voor geluk en hoop?
Piet Bathory bekende dus alles aan zijne moeder. Hij verhaalde haar, welk meisje het was, hetwelk hij beminde, en het voor haar was, dat hij geweigerd had Ragusa te verlaten. Och, zijne tegenwoordige toestand kon hem niets schelen. Had dokter Antekirrt hem niet gezegd, dat hij hoop kon koesteren?
„Daarom leedt ge zoo, mijn jongen,” zei mevrouw Bathory.
„Ja, moeder.”
„Dat God je helpe en dat Hij je al het geluk geve, dat ons tot heden ontbroken heeft!”
Mevrouw Bathory leefde zeer teruggetrokken in haar huis in de Marinellastraat. Zij ging slechts de deur uit om met haren ouden bediende Borik naar de kerk te gaan, om de mis te hooren, om hare godsdienstige plichten te betrachten met die ware en diepe vroomheid, die de grondslag van het godsdienstig leven der Katholieke Hongaarsche vrouwen is.
Zij had nimmer over de familie Toronthal hooren spreken. Nimmer had zij zelfs den blik op die woning in de Stradona-laan geworpen, waarlangs zij dagelijks ging, wanneer zij zich naar de kerk van den H. Verlosser begaf, die eene onderhoorigheid van het Franciscaner klooster was, hetwelk bij den aanvang der genoemde laan gelegen was. Zij kende dus de dochter van den Triëster bankier niet.
Piet moest van het lieve meisje verhalen en haar zoowel uit een physiek als moreel oogpunt beschrijven. Hij moest zijne moeder vertellen, waar hij haar het eerste gezien had en hoe hij er toe kwam om niet aan hare wederliefde te twijfelen. En alle die bijzonderheden werden met een vuur medegedeeld, hetwelk, met het oog op de teedere en hartstochtelijke geaardheid van haren zoon, bij mevrouw Bathory geene verbazing kon opwekken.
Maar toen Piet haar mededeelde in welke maatschappelijke verhouding de familie Toronthal zich bevond; toen zij vernam dat dat jonge meisje een der rijkste erfdochters van geheel Ragusa was, toen kon zij hare bezorgdheid niet verbergen, en hare onrust niet ontveinzen.
Zou die rijke bankier ooit toestaan, dat zijn eenig kind de gade werd van een jongen man zonder vermogen, wellicht zonder toekomst?
Bij het ontdekken van die onrust, meende Piet Bathory, dat het niet noodig was om mededeeling te doen van de koelheid, van de minachting zelfs, waarmede Silas Toronthal hem tot heden bejegend had. Hij vergenoegde zich met de woorden van den dokter mede te deelen. Deze had hem verzekerd, dat hij vertrouwen kon en moest stellen in den vriend zijns vaders, dat hij voor hem eene bijna vaderlijke genegenheid koesterde. Hieromtrent kon mevrouw Bathory geen twijfel koesteren, daar zij wist wat hij reeds voor haar en de haren had willen doen. Toen zij zag dat haar zoon, dat ook Borik, die meende zijn advies niet te mogen weerhouden, de toekomst rooskleurig tegemoet zag, sloop ook de hoop in haar hart en ontstond er een weinig geluk in de nederige woning van de Marinella-straat.
Piet Bathory ondervond daarenboven nog het geluk en de vreugde, Sava Toronthal in de Franciscaner kerk te zien. Het gelaat van het jonge meisje, dat gewoonlijk met een eenigszins droefgeestig waas overtogen was, verhelderde natuurlijk, toen zij Piet bespeurde, die als verheerlijkt scheen.
Beiden onderhielden zich zoo door middel der oogentaal en beiden begrepen elkander volkomen. En toen Sava, hevig bewogen, in hare woning teruggekeerd was, bracht zij daarin een deel van het geluk mede, hetwelk zij zoo duidelijk op het gelaat van den jongen man gelezen had.
Piet Bathory had evenwel dokter Antekirrt niet weergezien. Hij wachtte op eene uitnoodiging, om andermaal aan boord van de goelet te komen. Eenige dagen verliepen in die verwachting, maar geen uitnoodigingsbrief kwam opdagen.
„Dat is vreemd,” dacht hij.
Maar een oogenblik later:
„Ongetwijfeld zal de dokter inlichtingen hebben willen inwinnen. Hij zal naar Ragusa gegaan zijn of iemand gezonden hebben, om eenige nadere bijzonderheden omtrent de familie Toronthal te erlangen!.... Misschien staat hij er op, Sava te leeren kennen!.... Ja, het is niet onmogelijk, dat hij haar vader reeds gezien heeft, dat hij dezen omtrent de onderwerpelijke zaak heeft gepolst.... Toch zou een regel schrift van hem, wat, een regel?—een enkel woord mij veel genoegen doen,—vooral wanneer dat woord zoude luiden: „kom”.
Maar dat woord kwam niet.
Mevrouw Bathory had moeite genoeg om het ongeduld van haren zoon te temperen. Hij begon te wanhopen en nu was zij het, die hem eenigermate hoop inboezemde, hoewel zij zelve niet zonder bezorgdheid was. Het huis in de Marinellastraat stond steeds voor den dokter open, hij kon dat toch weten. En zou zelfs zonder die liefdesgeschiedenis van Piet, de belangstelling, die hij koesterde voor die familie, waarvoor hij reeds zooveel sympathie getoond had, niet voldoende geweest zijn om hem herwaarts te lokken?
Het gebeurde dus dat Piet, na de dagen en uren achtereenvolgens geteld te hebben, de geestkracht miste om het nog langer uit te houden. Hij zou en hij moest dokter Antekirrt weerzien. Eene onweerstaanbare kracht voerde hem naar Gravosa. Als hij maar eenmaal aan boord van de goelet zou zijn, dan zou men zijn ongeduld wel begrijpen, den stap, dien hij deed, wel verontschuldigen, wanneer hij voorbarig was.
Op den 7den Juni verliet Piet Bathory reeds te acht uren zijne moeder, zonder haar evenwel iets van zijn voornemen verteld te hebben. Hij stapte Ragusa uit en begaf zich naar Gravosa met zoo’n vluggen pas, dat Pescadospunt, die hem natuurlijk als het ware op den voet volgde, moeite zoude gehad hebben om hem niet uit het oog te verliezen, wanneer deze niet de vlugheid in eigen persoon was. Op de kade vlak tegenover de ankerplaats, waar de Savarena bij zijn laatste bezoek lag, stond hij stil.
De Savarena was niet meer in de haven.
Piet liet den blik rondwaren om te zien of het vaartuig niet vertuid had.
Hij bespeurde het niet. Drommels, dat was noodlottig. Dat ontveinsde hij zich niet.
Hij vroeg aan een zeeman, die op de kade wandelde, wat er van de goelet van dokter Antekirrt geworden was.
„De Savarena was den avond te voren onder stoom gegaan,” kreeg hij ten antwoord.
„Waarheen?” vroeg hij.
„Ja,” was het antwoord. „Niemand wist vanwaar dat vaartuig gekomen was; evenzoo wist niemand waarheen het gestevend was.”
De goelet weg!
Dokter Antekirrt even geheimzinnig verdwenen als hij gekomen was!
Het was om te vertwijfelen!
Piet Bathory keerde nog meer wanhopend dan ooit naar Ragusa terug.
Voorzeker, wanneer eene onbescheidenheid den jongen man in kennis had gesteld met de omstandigheid, dat de goelet naar Cattaro onder zeil was, zou hij geen oogenblik geaarzeld hebben derwaarts te gaan. Toch zou de reis waarlijk te vergeefs zijn geweest. De Savarena was wel bij de mondingen van de Cattaro-rivier aangekomen, maar was er niet binnengeloopen.
De dokter had zich, vergezeld van Kaap Matifou, met een zijner sloepen aan wal laten brengen, waarna het jacht onmiddellijk weer zee gekozen had, niemand wist waarheen.
Er bestaat geen zonderlinger plek in Europa en wellicht in de de geheele Oude wereld, door hare tegelijkertijd bergachtige en waterrijke gesteldheid, dan de streek, welke bekend staat onder den naam van de Mondingen der Cattaro-rivier.
Cattaro is eigenlijk geene rivier, zooals men geneigd zou zijn te gelooven; het is eene stad en de zetel van een bisdom, waarvan men de hoofdplaats van een Kring gemaakt heeft. Wat de zoogenaamde mondingen betreft, zij bestaan uit zes baaien, die de eene achter de andere gelegen zijn, met elkander door middel van smalle kanalen gemeenschap hebben en die in den tijd van zes uren door te stevenen zijn. Van dien rozenkrans, uit kleine meeren bestaande, welke zich te midden van het kustgebergte ontrollen, is het laatste bolletje of meertje aan den voet van den Norriberg gelegen bij de grens van het keizerrijk Oostenrijk. Daar achter begint het Ottomanische gebied.
Bij den ingang van die Cattaro-monding was de dokter na een vluggen overtocht ontscheept. Daar wachtte hem een snelstevenend sloepje met electrische beweegkracht, om hem in de laatstbedoelde baai te brengen. Na de Ostropunt gerond te hebben, stevende hij Castel Nuovo, daarna een panorama tusschen steden en kapellen als Stolivo, Perasto, de beroemde pelgrimsplek, Risana, waar de Dalmatische zeden en gebruiken reeds een mengelmoes met de Turksche en Albaneesche vormen, voorbij, om eindelijk van meer tot meer in het laatste bekken te komen, aan welks achtergrond Cattaro gebouwd is.
De Electriek 2 lag op weinige vademen van de stad verwijderd, op die rustige en sombere watervlakte, welke in dien fraaien Juni-avond door geen zuchtje, door geen rimpeltje bewogen werd, ten anker.
De dokter nam zijn intrek evenwel niet aan boord. Waarschijnlijk wilde hij niet, in verband met zijne verdere plannen en voornemens, dat men wist, dat dit vlugge vervoermiddel hem toebehoorde.
Hij ontscheepte dan ook te Cattaro zelve met het voornemen, om in een der hôtels van de stad een onderdak te zoeken, waar Kaap Matifou hem zou vergezellen.
Wat de sloep betreft, welke die twee aangebracht had, zij verloor zich, begunstigd door de duisternis, te midden van eene kleine kreek, die op den rechteroever van het meertje in de rotsachtigen oever ingesneden was, en moest daar onbemerkt en onzichtbaar blijven wachten.
Daar te Cattaro zou dokter Antekirrt zoo onbekend zijn, alsof hij eene schuilpaats in den meest afgelegen hoek van de wereld gezocht had. De Boechezen, de bewoners van dit rijke Dalmatische district, die van Slavonischen oorsprong zijn, zouden ter nauwernood de aanwezigheid van een vreemdeling in hun midden opmerken.
Van den kant der baai gezien, zou men zeggen, dat de plek, waarop Cattaro gebouwd is, in de dikke wanden van den Norriberg uitgehold is. Hare eerste huizen vormen het boord van eene kade, die voorzeker aan de zee ontwoekerd is, en den spitsen hoek, door het kleine meer beschreven, vormt. Bij de punt van dien trechter, die een zeer vroolijk uitzicht met zijne fraaie boomen en zijn achtergrond oplevert, leggen de pakketbooten, vooral die van den Oostenrijkschen Lloyd, als ook de groote kustvaarders van de Adriatische zee aan.
Reeds dienzelfden avond was de dokter er op uit, om een hôtel te vinden. Kaap Matifou was hem gevolgd, zonder zelfs te vragen waar hij aan wal gestapt was. Of dat in Dalmatië of in China of in Zuid Amerika was, kon hem niets, volstrekt niets schelen. Als een trouwe hond ging hij, waar zijn meester ging. Hij was slechts een werktuig, eene gehoorzame machine, eene machine om te draaien, eene machine om te groeven, eene machine om te doorboren, eene machine, welke de dokter zich voorbehield in beweging en aan het werk te brengen, wanneer hij dat noodig zou oordeelen.
Beiden passeerden, na de bloembeplantingen der kade voorbijgegaan te zijn, den versterkten wal van Cattaro en begaven zich nu dwars door eene reeks van smalle en stijgende straten, waarin eene bevolking van vier of vijf duizend inwoners krioelt.
Het was juist op het tijdstip dat men de Zeepoort wilde sluiten, die slechts tot acht uren des avonds geopend blijft, behalve op de dagen van aankomst der pakketbooten.
De dokter was spoedig tot de ervaring gekomen, dat geen enkel hotel zich in de stad bevond. Hij moest dus iemand opsporen, die hem onder dak zou opnemen, die hem een kamer zou verhuren. Dat was zoo moeielijk niet, want de eigenaren van woningen doen dat, met uitzicht op gewin, volgaarne.
Zoo iemand werd gevonden en het vertrek ook. Weldra had de dokter zijn intrek genomen in eene kamer gelijkvloers van een huis in eene vrij zindelijke straat gelegen, terwijl Kaap Matifou eene andere in de vrij ruime woning zou betrekken.
Het allereerst werd overeengekomen, dat kaap Matifou door den huiseigenaar gevoed zoude worden; maar hoewel deze buitensporige prijzen bedong, welke evenwel door het kolossale uiterlijk van zijn nieuwen gast gerechtvaardigd waren, werd die zaak tot wederzijdsch genoegen van de betrokken partijen beklonken.
Wat dokter Antekirrt betrof, die behield zich het recht voor, zijne maaltijden te gebruiken, waar hij dit verkoos.
Den volgenden dag, na Kaap Matifou vrijheid gegeven te hebben om zijn tijd te gebruiken zooals hij verkoos, begon de dokter zijne wandeling met naar het postkantoor te gaan, waar èn brieven èn telegrammen aan hem gericht moesten worden onder vooraf overeengekomen beginletters.
Niets was er evenwel nog aangekomen.
Toen verliet hij de stad, welker omtrekken hij bezoeken wilde. Hij trof weldra eene tamelijk goede gaarkeuken aan, waar zich gewoonlijk de Cattarosche bevolking, alsook de Oostenrijksche officieren en ambtenaren, die zich in die streken als in een ballingsoord gevoelen, om het woord gevangenis niet te gebruiken, vereenigden.
Antekirrt wachtte thans slechts op het gunstige oogenblik, om handelend op te treden.
Ziehier welk plan hij gevormd had:
Hij had het besluit genomen om Piet Bathory te doen oplichten. Die oplichting aan boord van de goelet, gedurende haar verblijf te Ragusa, zou zeer moeielijk uitvoerbaar geweest zijn, om niet van onmogelijkheid te gewagen. De jeugdige werktuigkundige was te Gravosa bekend, en daar de algemeene aandacht zoowel op de Savarena als op haren eigenaar gevestigd was, zou die zaak, altijd in de vooronderstelling dat zij gelukte, weldra wereldkundig zijn. Het jacht was—en dat mocht niet over het hoofd gezien worden—slechts een zeilvaartuig, zoodat, wanneer de een of andere stoomer het achtervolgd zou hebben, het bij windstilte, of bij tegenwind of zwakken wind weer zou ingehaald hebben.
Te Cattaro daarentegen zou die oplichting onder oneindig gunstiger omstandigheden kunnen geschieden.
Niets was toch gemakkelijker dan Piet Bathory daarheen te lokken. Een enkele regel schrift van den dokter, aan het adres van den jongman afgezonden, zou ongetwijfeld tot gevolg hebben, dat deze zich in allerijl derwaarts zou spoeden. Daar was hij even onbekend als dokter Antekirrt, en als hij maar eens aan boord zou zijn, dan zou de Electriek dadelijk zee kiezen, en dan ware de ontvoering volbracht.
Dan zou Piet Bathory alles vernemen, waaromtrent hij tot nu toe onkundig was, namelijk het verleden van Silas Toronthal. Het beeld van diens dochter Sava zou dan, tegenover de herinnering aan zijn vader, wel verbleeken en uitgewischt worden.
Zooals men ziet, dat plan was zeer eenvoudig en gemakkelijk in zijne uitvoering. Twee of drie dagen nog—dat was het laatste uitstel, dat de dokter gesteld had—dan zou de zaak beklonken zijn: dan zou Piet voor eeuwig van Sava Toronthal gescheiden zijn.
Den volgenden dag—den 9den Juni—kwam een brief van Pescadospunt aan, die mededeelde, dat er hoegenaamd niets belangrijks omtrent de woning in de Stradona-laan te vermelden viel. Wat Piet Bathory evenwel aanging, Pescadospunt had hem sedert den dag, dat de jongeling zich naar Gravosa begaf, twaalf uren nadat de goelet het anker gelicht en die havenplaats verlaten had, niet weergezien.
Piet kou evenwel Ragusa niet verlaten hebben. Ongetwijfeld hield hij zich in de woning zijner moeder opgesloten. Pescadospunt vooronderstelde—en hij vergiste zich daarin niet—dat het vertrek van de Savarena die wijziging in de gewoonten van den jeugdigen ingenieur teweeggebracht moest hebben, en dat te eerder, daar hij inderdaad wanhopig naar huis was teruggekeerd.
De dokter besloot reeds den volgenden dag te handelen.
Hij zou een brief aan Piet Bathory schrijven, om hem uit te noodigen zich dadelijk bij hem te Cattaro te vervoegen.
Een zeer onverwacht voorval zou evenwel dat voornemen verijdelen. Het toeval zou er zich in mengen om tot hetzelfde doel te voeren.
Tegen acht uur in den avond bevond de dokter zich op de kade van Cattaro, toen men de aankomst van de pakketboot Saxonia seinde.
De Saxonia kwam van Brindisi, welke plaats zij had aangedaan om passagiers op te nemen, Vandaar begaf zij zich naar Triëst en deed onderweg Cattaro, Ragusa, Zara en andere havensteden, op de Oostenrijksche kust van de Adriatische zee gelegen, en Ancona, Sinagaglia, Rimini en Venetië op de Italiaansche kust, aan.
De dokter stond dicht bij den pier of het landhoofd, dat tot in- of ontscheping der reizigers dient, toen zijn blik plotseling als versteend werd door het gezicht van een reiziger, wiens bagage men op de kade bracht.
Dat was een man van ongeveer vijf en veertig jaren, met een trotsch ja onbeschaamd uiterlijk, die zijne bevelen met ruwe en luide stem gaf. Men voelde dat het een dier lieden was, die zelfs wanneer zij zich beleefd willen voordoen, het kenmerk van onbeschaafdheid vertoonen.
„Hij!.... Hier.... te Cattaro!”
Die woorden zouden zeker aan de lippen van dokter Antekirrt ontsnapt zijn, indien hij ze niet bijtijds, evenwel met moeite en met een gebaar van toorn weerhouden had, Die toorn schonk als het ware eene vuurstraal aan zijn blik.
Die passagier was Sarcany.
Vijftien jaren waren verloopen sedert hij als schrijver in het huis van graaf Zathmar opgetreden was.
Het was, althans afgaande op zijne kleeding, de gelukzoeker niet meer, die vroeger door de straten van Triëst zwierf, zooals wij hem bij het begin van dit verhaal ontmoetten. Hij droeg thans een elegant reistoilet volgen den laatsten smaak, dat door een lichten stofmantel beschermd werd. Zijne koffers waren rijkelijk van koper beslag voorzien en duidden aan, dat de vroegere Tripolitaansche makelaar gewoonten van comfort aangenomen had.
Sedert vijftien jaren daarenboven had Sarcany, dank zij het groote aandeel van de helft van de verbeurd verklaarde goederen van graaf Mathias Sandorf, hetwelk hem ten deel gevallen was, een leven van weelde en genoegens geleid. Hoeveel bleef hem van dat zoo schandelijk verkregen vermogen over? Zijn beste vrienden, als hij er ten minste bezat, zouden dat niet hebben kunnen zeggen. In ieder geval vertoonden echter zijne gelaatstrekken sporen van afgetrokkenheid, waarvan de aard zeer moeilijk bij zulk een gesloten karakter te bepalen was.
„Vanwaar komt hij?.... En waarheen gaat hij?” vroeg zich dokter Antekirrt af, terwijl hij hem niet uit het oog verloor. „Dat moet en zal ik weten!”
Vanwaar Sarcany kwam?
Dat was gemakkelijk genoeg te weten te komen, door den administrateur van de Saxonia te ondervragen. Hij kwam van Brindisi, alwaar hij aan boord van de pakketboot gekomen was. Niets eenvoudiger dat dat.
Maar vanwaar hij kwam, toen hij te Brindisi aan boord stapte?
Dat was zoo gemakkelijk niet. Kwam hij van boven Italië of van beneden Italië? Dat wist niemand.
Inderdaad, hij kwam van Syracuse. Bij ontvangst van het telegram van de Marokkaansche, had hij onmiddellijk Sicilië verlaten om zich naar Cattaro te begeven.