Mathias Sandorf [2]

Part 2

Chapter 23,778 wordsPublic domain

En inderdaad, Piet Bathory was het levend evenbeeld van zijn vader, zoo als die edelaardige Hongaar er uitzag, toen hij twee en twintig jaren oud was. Dezelfde geestkracht in de oogen, dezelfde edele fiere houding, dezelfde blik waaruit de zucht voor het goede, het edele, het schoone straalde!

„Mijnheer Bathory,” zei de dokter, terwijl hij opstond, „ik ben verheugd dat gij mijne uitnoodiging, om tot mij te komen, aangenomen hebt.”

En met een gebaar noodigde hij Piet Bathory uit, om te gaan zitten. Hij had de Hongaarsche taal bij het spreken van die woorden gebezigd. Hij wist dat de jonge man die taal verstond.

„Mijnheer,” antwoordde Piet Bathory, „ik zou het bezoek dat gij mijne moeder gebracht hebt, ook zonder uwe uitnoodiging met een tegenbezoek beantwoord hebben. Ik weet dat gij een van die onbekende vrienden zijt, wien de nagedachtenis van mijn vader en van de twee vaderlandlievende mannen, die met hem gestorven zijn, dierbaar en heilig is!.... Ik dank u, dat gij hen eene plaats in uw geheugen bewaard hebt en houdt.”

Terwijl hij het reeds zoover verwijderde verleden opriep en van zijn vader en diens vrienden, graaf Sandorf en graaf Zathmar, sprak, kon Piet zijne aandoening niet bedwingen.

„Ik vraag vergeving, mijnheer,” zei hij. „Maar bij hunne herinnering kan ik niet....”

Voelde hij dan niet dat dokter Antekirrt meer bewogen was dan hij? Voelde hij dan niet, dat de reden, waarom hij niet antwoordde daarin gelegen was, dat hij niet wilde laten bespeuren, wat in zijne ziel omging?

„Mijnheer Bathory,” sprak hij eindelijk. „Ik heb u eene zoo natuurlijke droefheid niet te vergeven. Gij hebt daarenboven Hongaarsch bloed in de aderen en welk Hongaar zou ontaard genoeg zijn om zijn hart niet te voelen toesnoeren bij zulke herinneringen? Op dat tijdstip—ja, het is reeds vijtien jaren geleden—waart gij nog zeer jong. Gij kunt ternauwernood, bevestigen, dat gij uwen vader gekend hebt, dat gij de gebeurtenissen, waaraan hij deel nam, vernomen hebt.”

„Mijne moeder is gelijk hij!” antwoordde Piet Bathory. „Zij heeft mij in de vereering van hem, dien zij nog dagelijks beweent, opgevoed. Alles wat hij verricht, gepoogd heeft, dat geheele leven van toewijding aan de zijnen, van liefde voor zijn geboortegrond, dat alles weet ik van haar. Ik was slechts acht jaren oud, toen mijn vader ter dood gebracht werd, maar voor mij is hij niet dood, daar hij in mijne moeder herleeft.”

„Gij hebt uwe moeder lief, Piet Bathory, zooals zij inderdaad verdient,” antwoordde dokter Antekirrt, „en wij, wij vereeren haar als de weduwe van een martelaar.”

Piet Bathory bedankte den dokter voor de gevoelens, die hij zoo uitdrukte. Het hart bonste hem in het lichaam, terwijl hij den dokter aanhoorde, en hij bemerkte niet, dat deze steeds met eene natuurlijke of gemaakte koelheid sprak, die evenwel den grondtoon van zijn karakter scheen uit te maken.

„Mag ik u vragen,” hernam hij, „of gij mijn vader persoonlijk gekend hebt?”

„Ja, mijnheer Bathory,” antwoordde de dokter niet zonder aarzeling, „maar ik heb hem slechts gekend, zooals een student een professor kent. Ik heb mijne studiën in de genees- en natuurkunde in uw vaderland volbracht. Ik ben een leerling van uwen vader, die slechts een tiental jaren ouder was dan ik. Ik leerde hem hoogachten, hem liefhebben, want in zijne lessen voelde ik alles trillen wat in de ziel van dien vaderlandlievenden man omging. Ik verliet hem niet dan om in den vreemde mijne studiën te gaan beëindigen, die in Hongarije begonnen waren. Weinig tijds later had professor Stephanus Bathory zijne betrekking opgeofferd aan de denkbeelden die hij meende dat edel en rechtvaardig waren, zonder dat eenig particulier belang hem op die baan van den plicht kon weerhouden. Tegen dat tijdstip verliet hij Presburg om zich te Triëst te vestigen. Uwe moeder schraagde hem met hare raadgevingen, omgaf hem met hare zorgen gedurende dien tijd van beproevingen. Zij bezat alle vrouwelijke deugden, zooals uwen vader alle mannelijke deugden eigen waren. Vergeef mij, mijnheer Piet, dat ik die droevige herinneringen ophaal; ik ben er zeker van, dat gij een diergenen zijt, die ze niet vergeten zullen!”

„Neen, mijnheer, neen!” antwoordde de jongman met de geestdrift aan zijn leeftijd eigen, „zoo min als Hongarije ooit de drie mannen, Ladislas Zathmar, Stephanus Bathory en de stoutmoedigste der drie wellicht, graaf Sandorf zal vergeten, die zich voor hun vaderland opofferden!”

„Als Mathias Sandorf de stoutmoedigste was,” antwoordde de dokter, „dan stonden zijne twee vrienden wat toewijding en opoffering betreft, ook niet in moedbetoon bij hem achter! Alle drie hebben dezelfde aanspraken op denzelfden eerbied! Alle drie hebben hetzelfde recht om gewroken te worden!....”

De dokter zweeg hier.

Hij vroeg zich af, of mevrouw Bathory haren zoon met de omstandigheden bekend had gemaakt, waaronder de hoofden der samenzwering overgeleverd waren geworden? Of zij reeds het woord verraad in zijne tegenwoordigheid uitgesproken had.... Maar de jonge man antwoordde op de gesproken woorden niet.

Inderdaad, mevrouw Bathory had over dit onderwerp gezwegen. Zij had ongetwijfeld vermeden die gedachte aan wraak, die gedachte aan haat in het leven van haren zoon in te weven, om hem niet op een valsch spoor te brengen, waardoor onschuldigen verdacht en getroffen konden worden. Niemand toch kende de namen der verraders.

Dokter Antekirrt meende dus, voor het tegenwoordige althans, tot dezelfde terughouding verplicht te zijn. Hij drong dus niet verder op antwoord aan.

Waaromtrent hij evenwel niet aarzelde, dat was de mededeeling dat zonder het schandelijk bedrijf van dien Spanjaard, die de vluchtelingen, welke eene schuilplaats in het woonhuis van den visscher Andreas Ferrato gevonden hadden, verklikte, graaf Mathias Sandorf en professor Stephanus Bathory waarschijnlijk aan de vervolging der politie-agenten van Rovigno ontsnapt zijn. En.... eenmaal buiten de Oostenrijksche grenzen, zouden die twee, overal, onverschillig in welke landstreek, alle hulp, de meest gewenschte toevlucht gevonden hebben. Alle deuren zouden voor hen geopend geweest zijn.

„Bij mij zouden zij steeds eene schuilplaats gehad hebben. Daar was geen teleurstelling mogelijk!” voegde hij er weemoedig bij.

„In welk land woondet gij toen?” vroeg Piet.

„In Cephalonië,” antwoordde dokter Antekirrt.

„Ja, daar, daar onder bescherming van de Helleensche vlag zouden zij gered geweest zijn!”

„Voorzeker!”

„En mijn vader zou nog leven!”

Het gesprek was door dien terugkeer naar het verledene afgebroken. De dokter hervatte het echter, zeggende:

„Mijnheer Piet, onze herinneringen aan vervlogen tijden hebben ons ver weggevoerd van het tegenwoordige, niet waar?”

Piet Bathory knikte zwaarmoedig.

„Willen wij daartoe terugkeeren en vooral over de toekomst spreken, die ik voor u meen te ontwaren?”

„Ik luister, mijnheer,” antwoordde de jeugdige ingenieur. „In uw brief hebt gij doen uitkomen, dat ons gesprek wellicht mijne belangen zou raken....”

„Inderdaad, mijnheer Bathory. En al ben ik ook nog zoo goed op de hoogte van de heerlijke toewijding uwer moeder gedurende de jeugd van haren zoon, zoo weet ik ook, dat gij die toewijding geheel waardig zijt geweest en dat gij na zoo wreede beproevingen een man geworden zijt....”

„Een man!” viel Piet Bathory den dokter niet zonder bitterheid in de rede. „Een man, die er nog niet in geslaagd is voor zich zelven te kunnen zorgen, ook niet om zijne moeder te kunnen vergoeden, wat deze voor hem deed!”

„Ongetwijfeld,” antwoordde de dokter, „ligt daarvan de schuld niet bij u. Het is mij volstrekt niet onbekend, hoe moeilijk het is eene betrekking te midden van den levensstrijd, die zoovele mededingers naar zoo weinig plaatsen doet hunkeren, te verwerven. Gij zijt ingenieur, niet waar?”

„Ja, mijnheer.”

„En....”

„Met dat diploma heb ik de hoogeschool verlaten. Ik ben evenwel vrij ingenieur en heb als zoodanig geene verbintenis met—noch verplichting aan den Staat. Ik heb dus eene plaatsing moeten zoeken bij de eene of andere industrieele onderneming of maatschappij, doch tot heden ben ik er nog niet in geslaagd te vinden, wat ik noodig acht—ten minste te Ragusa.”

„Niet?”

„Neen.”

„En buitenaf?”

„Buitenaf!....” antwoordde Piet Bathory aarzelend op die vraag op den man af.

„Ja, buitenaf?” herhaalde dokter Antekirrt zijne vraag.

„Heer dokter....”

„Zijt gij niet voor zaken van dien aard dezer dagen naar Zara geweest?”

„Men had mij inderdaad....”

„Nu, spreek op,” moedigde hem de dokter bij die aarzeling aan.

„.... Over eene betrekking gesproken, die eene industrieele maatschappij mij kon aanbieden.”

„Welnu, en die plaats?....”

„Die plaats, heer dokter....”

„Ja, die plaats! Spreek dan toch!”

„Men heeft haar mij aangeboden.”

„En gij hebt haar niet aangenomen?”

„Neen.”

„Waarom niet?”

„Ik heb haar moeten weigeren, omdat ik mij in Herzegowina zou moeten vestigen.”

„In Herzegowina?”

„Ja.”

„Waar mevrouw Bathory u wellicht niet kan vergezellen??....”

„Dat is het niet, mijnheer....”

„Wat dan?”

„Mijne moeder zou mij overal vergezellen, waar mijne belangen mij zouden roepen.”

„Welnu, waarom dan die betrekking niet aangenomen?” vroeg de dokter met aandrang.

„In de omstandigheden, waarin ik mij bevind, heer dokter, heb ik ernstige redenen, om Ragusa niet te verlaten,” was het antwoord daarop.

Dokter Antekirrt had, terwijl hem dat antwoord gegeven werd, eene zekere verlegenheid in de houding van Piet Bathory opgemerkt. De stem van den jongen man beefde, terwijl hij zijn wensch—meer dan een wensch,—het vaste besluit om Ragusa niet te willen verlaten, te berde bracht.

„Welk is dan toch dat ernstige motief,” vroeg de dokter zich af, „waarom hij de voorstellen, die hem gedaan zijn, afgewezen heeft?”

En zich tot den jongen man wendende, vervolgde hij:

„Dat zal de zaak onmogelijk maken, die....”

„Welke zaak, heer dokter?”

„Die ik u voor te stellen had.”

„Zal ik moeten vertrekken?”

„Ja, naar eene streek, waar ik belangrijke werken wil laten uitvoeren.”

„Belangrijke werken?”

„Ja, die ik volgaarne onder uwe directie gesteld had.”

„Het spijt mij, mijnheer....”

„Mij ook.”

„Maar wees overtuigd, dat toen ik dat besluit genomen heb....”

„Ik geloof u, dat het niet onbezonnen genomen is. Maar het spijt mij meer dan u misschien. Ik zou mij zoo gelukkig geacht hebben, wanneer ik de toegenegenheid, die ik voor den vader gevoelde, op den zoon had kunnen overdragen.”

Piet Bathory antwoordde niet. Hij voelde zich ten prooi aan een inwendigen strijd; het was zichtbaar dat hij leed, zeer veel leed.

De dokter gevoelde dat hij spreken wilde, maar dat hij niet durfde.

Eindelijk noopte een onweerstaanbare aandrang Piet Bathory tot dien man, die zooveel toegenegenheid voor hem en zijne moeder aan den dag legde, openhartig te spreken.

„Mijnheer!....mijnheer!....” begon hij met eene aandoening die hij niet trachtte te verbergen. „Neen!.... Geloof toch niet dat een gril of stijfhoofdigheid mij er toe zou brengen uwe dierbare woorden met eene weigering te beantwoorden!.... Gij hebt u als een vriend van Stephanus Bathory aan mij doen kennen en mij als zoodanig aangesproken!.... Gij wilt die geheele vriendschap op mij overdragen!.... Ik ook, hoewel ik u nog slechts sedert weinige oogenblikken ken.... Ja! ik gevoel voor u dezelfde toegenegenheid, die ik mijn vader zou toedragen!....”

„Piet!.... Mijn jongen!.... Mijn kind!” riep de dokter uit, terwijl hij de hand van den jongeling greep.

„Ja, mijnheer!....” hernam Piet Bathory.... „En ik zal u alles bekennen!....”

Dokter Antekirrt keek hem aanmoedigend aan.

„Ja, alles!” ging Piet voort.... „Ik bemin een jong meisje hier in de stad. Maar tusschen ons bestaat de afgrond, die de armoede van den rijkdom scheidt....”

„Waarlijk?”

„Ik heb dien afgrond evenwel niet willen zien, en misschien heeft zij die kloof ook niet bemerkt. Zoo zeldzaam ik haar zien kon, hetzij op straat, hetzij aan haar venster, was dat toch een geluk hetwelk ik de kracht niet had om vaarwel te zeggen!.... Alleen de gedachte dat ik zou moeten vertrekken, vertrekken misschien voor langen tijd, zou mij krankzinnig maken. O, mijnheer.... begrijp mij toch.... en vergeef mij mijne weifeling.”

„Ja, Piet,” antwoordde dokter Antekirrt, „ik begrijp u en ik heb u niets te vergeven!”

„O, mijnheer!....”

„Gij hebt goed gedaan met mij alles te zeggen en openhartig jegens mij geweest te zijn!.... Dit is eene omstandigheid, die de zaken van gedaante verandert.... Weet uwe moeder, wat gij mij daar medegedeeld hebt?”

„Ik heb haar daarvan nog niets gezegd, mijnheer! Ik heb niet gedurfd, omdat zij wellicht bij onzen bescheiden toestand verstandig genoeg zoude geweest zijn, om mij de ijdelheid der gekoesterde hoop aan te toonen!.... Maar wellicht heeft zij geraden wat ik leed en lijd.”

„Piet,” zei de dokter, „gij hebt uw vertrouwen in mij gesteld en gij hebt gelijk gehad. Is dat meisje rijk?”

„Zeer rijk!.... Te rijk!....” antwoordde de jonge man.

„Te rijk?” vroeg de dokter met een glimlach.

„Ja, te rijk.... ten minste voor mij.”

„Is zij uwer waardig?”

„Mijner waardig?”

„Ja!”

„O, mijnheer, zou ik er anders aan gedacht hebben, om mijne moeder een dochter te schenken die harer niet waardig zou zijn!”

„Welnu, Piet,” hernam de dokter, „misschien bestaat geen afgrond nog zoo groot, nog zoo diep, nog zoo breed, die niet overschreden kan worden.”

„Mijnheer!” riep de jonge man uit. „Laat mij toch geen hoop koesteren, die niet te verwezenlijken is!”

„Niet te verwezenlijken?”

De uitdrukking, waarmede dokter Antekirrt die woorden uitsprak, verraadde zooveel zelfvertrouwen, dat Piet Bathory zoodanig als het ware vervormd werd, dat hij reeds baas over de toekomst meende te zijn.

„Ja, Piet,” hernam de dokter, „heb vertrouwen in mij! Als gij het gevoegelijk zult achten, en als gij zult meenen, dat ik u zal kunnen helpen, dan zult gij mij den naam van dat jonge meisje mededeelen....”

„Mijnheer,” antwoordde Piet Bathory, „waarom zou ik u dien naam verzwijgen?.... Het is juffrouw Toronthal.”

„Juffrouw Toronthal!”

„Ja, heer dokter.”

De inspanning, die dokter Antekirrt had moeten aanwenden om kalm te blijven, toen hij dien gehaten naam hoorde, om niet te beven of te trillen, toen hij hem herhaalde, stond vrijwel gelijk aan iemand, die den bliksem aan zijne voeten ziet vallen, maar niet schrikt of beeft. Een oogenblik—een enkel slechts—bleef hij na het laatste antwoord stil en onbewegelijk.

Daarna, zonder dat zijne stem de geringste aandoening verried:

„Goed, Piet, goed!” zei hij. „Laat mij dat alles overdenken....”

„Goed, mijnheer.”

„Laat mij zien....”

„Ik ga heen, mijnheer,” antwoordde de jonge man, terwijl hij de hand drukte, die de dokter hem reikte. „En laat mij u bedanken, zooals ik dat mijn vader zou doen.”

Piet Bathory verliet de zaal, waarin dokter Antekirrt alleen bleef. Hij steeg op het dek, daalde in zijne sloep neer, die hem bij de valreepstrap wachtte, liet zich op den havendam aan wal zetten en keerde naar Ragusa terug.

De vreemdelinge, die hem al den tijd van zijn bezoek aan boord van de Savarena gewacht had, begon andermaal hem te volgen.

Piet Bathory gevoelde een groote tevredenheid, een groote geruststelling. Eindelijk had hij zijn hart geopend. Hij had zich aan een vriend kunnen toevertrouwen.... ja, wellicht meer dan aan een vriend! Hij bevond zich in een van de gelukkige dagen, waarmede de fortuin zoo spaarzaam omgaat.

En alsof hij er niet aan twijfelen mocht, toen hij de woning in de Stradona-laan voorbijging, zag hij aan een venster van het paviljoen een tipje van het gordijn opgelicht worden en dadelijk daarna weer neervallen.

Maar ook de vreemdelinge had dat gezien en bleef totdat Piet Bathory bij den hoek der Marinellastraat verdwenen was, onbewegelijk voor die woning staan. Daarna begaf zij zich naar het telegraafbureau en verzond een telegram, dat slechts dat ééne woord bevatte:

„Kom!”

Het adres van dit telegram was zoo gesteld:

„Sarcany, kantoor restant, Syracuse Sicilië.”

II.

DE MONDINGEN VAN DE CATTARO.

Alzoo, het noodlot, hetwelk een zoo overheerschende rol bij de wereldgebeurtenissen speelt, had in diezelfde stad Ragusa de familie Bathory en de familie Toronthal vereenigd. Niet alleen vereenigd, maar nader tot elkander gebracht, want zij bewoonden beiden hetzelfde Stradonakwartier. Dan nog, Sava Toronthal en Piet Bathory hadden elkander gezien.... ontmoet.... en lief gekregen. Piet, de zoon van den man, die door verraad ter dood gedoemd was, verliefd op Sava, de dochter van den man, die de rol van verklikker vervuld had!

Ziedaar, wat dokter Antekirrt in zich zelven mompelde, nadat de jeugdige ingenieur hem verlaten had.

„Het is waarachtig om aan het bestaan eener Alwetendheid te twijfelen,” prevelde hij.

„En die hoop, die hij nog niet koesterde, die heb ik hem geschonken! Kan het erger?”

Was de dokter er dan de man toe, om een onverbiddelijken kamp tegen de noodlottigheid aan te gaan?

Voelde hij in zich de macht om naar willekeur over menschelijke zaken te beschikken?

Zou de kracht, de moreele geestkracht, zoo noodig om het noodlot te dwingen, hem niet begeven?

„Neen, ik zal pal staan!” riep hij uit. „Ik zal strijden! Dat liefde-verbond is hatelijk, is misdadig! O, als Piet Bathory, na de echtgenoot van de dochter van Silas Toronthal geworden te zijn, eens de waarheid van het gebeurde in hare afschuwelijke naaktheid vernam! Hij zou zijn vader niet meer kunnen, niet meer mogen wreken! Er zou hem niets anders overblijven dan zich uit wanhoop van kant te maken!.... Ik zal hem dan ook alles mededeelen, als het zijn moet en als het zoover komt!.... Ik zal hem vertellen wat die familie Toronthal de zijne aangedaan, welke rampen zij veroorzaakt heeft.... Die liefde zal ik verbrijzelen; het komt er niet op aan hoe!”

Inderdaad, eene zoodanige vereeniging zou monsterachtig geweest zijn, dat zal men wel beseffen.

De lezer heeft het voorzeker niet vergeten: dokter Antekirrt had bij gelegenheid van zijn gesprek met mevrouw Bathory verhaald, dat de drie opperhoofden der Triëster samenzwering de slachtoffers waren geworden van eene schandelijke kuiperij, die bij het voeren der debatten gebleken was en die hem door de onbescheidenheid van een der gevangenbewaarders van den vestingtoren van Pisino was ter kennis gekomen.

De lezer weet ook nog, dat mevrouw Bathory uit de een of andere beweegreden omtrent dit verraad niets aan haar zoon had medegedeeld. Daarin lag niets bevreemdends; zij kende de aanleggers immers niet. Zij wist niet dat een hunner, rijk, voornaam en gezien, te Ragusa zelve op weinige passen afstand in het Stradonakwartier, in de Stradona-laan woonde.

De dokter had geen namen genoemd. Waarom niet? Dat zal de lezer voorzeker wel bevroeden.

Ongetwijfeld omdat het uur nog niet gekomen was om de misdadigers te ontmaskeren.

Maar hij kende hen. Hij wist dat Silas Toronthal de eene verrader en Sarcany de andere was. En dat hij niet verder bij zijne vertrouwelijke mededeelingen gegaan was, lag daarin, dat hij op de medewerking van Piet Bathory rekende, dat hij den zoon deelgenoot wilde maken van het eindvonnis, waarbij de misdadigers hunne gerechte straf zouden ontvangen; waardoor de dood zijns vaders en die van zijne twee makkers, graaf Ladislas Zathmar en graaf Mathias Sandorf, zouden gewroken worden.

En dat.... dat kon hij thans niet meer aan den zoon van Stephanus Bathory zeggen zonder hem het hart te verbrijzelen.

„Het kan me weinig schelen!” herhaalde hij. „Dat hart zal ik verbrijzelen! Het moet!”

Hoe zou dokter Antekirrt te werk gaan, toen eenmaal dat besluit genomen was? Zou hij hetzij aan mevrouw Bathory, hetzij aan haren zoon het verleden van den Triëster bankier gaan openbaren? Maar bezat hij de feitelijke bewijzen van diens verraad? Neen, daar Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar, de eenigen, die ooit die bewijzen hadden kunnen verschaffen, dood waren. De stad vervullen met het gerucht van die schandelijke daad zonder de familie Bathory daarvan kennis te geven? Ja, dat zou voldoende zijn om ongetwijfeld een nieuwe kloof tusschen Piet en het jonge meisje—eene onoverkomelijke kloof ditmaal—te delven. Maar wanneer dat geheim verspreid en bekend was, zou het dan niet te vreezen zijn dat Silas Toronthal Ragusa zou zoeken te verlaten?

Dokter Antekirrt wilde evenwel niet, dat de bankier verdween, De verrader moest ter beschikking van den rechter, van den wreker blijven, totdat het uur van gerechtigheid zou slaan.

En dienaangaande zouden de gebeurtenissen een geheel anderen loop nemen dan hij zich verbeeldde.

Na het voor en het tegen van die quaestie overwogen te hebben, besloot dokter Antekirrt, wien de middelen voor het oogenblik ontbraken, om openlijk tegen Silas Toronthal op te kunnen treden, datgene te doen wat het eerst voor de hand lag, wat ook tot den meesten spoed dwong. Voor alles moest Piet Bathory aan die stad onttrokken, ontvoerd worden, of de eer van zijn naam kwam in gevaar. Ja, hij zou hem zoover medevoeren, dat niemand zijn spoor zou terugvinden. Wanneer hij hem maar eerst in zijne macht had, dan zou hij hem alles mededeelen, wat hij van Silas Toronthal en van zijn medeplichtige, Sarcany, wist. Hij zou hem deelgenoot maken van zijn werk van wraak. Maar daartoe had hij geen enkele dag meer te verliezen.

Tot dat doel deed de dokter intusschen per telegram een zijner snelste vervoermiddelen uit de gewone verblijfplaats in de mondingen van de Cattaro-rivier ten zuiden van Ragusa, aan de Adriatische zee gelegen, overkomen. Dat was een van die bewonderenswaardige Thornycrofts, die aan de moderne scheepsbouwmeesters van de torpedo’s tot model gediend hadden.

Die lange stalen spoel, die een en veertig meters lang was, en een inhoud van zeventig tonnen meette, voerde geen mast en ook geen schoorsteen. Zij had eenvoudig aan de buitenzijde een platform en een metalen kooi met lensglazen tot kijkgaten, die voor den stuurman bestemd was en wanneer de toestand der zee zulks noodzakelijk maakte, hermetisch gesloten konden worden. Dat vaartuig kon zonder tijd te verliezen of van den koers af te wijken, onder water doorstevenen en zoo de golvingen der deining ontkomen. Het bezat een veel snelleren gang dan de beste torpedo-boot van het oude en van het nieuwe halfrond, en volvoerde gemakkelijk eene vaart van vijftig kilometers in het uur, wat nog al beduidend is.

Dankzij die snelheid, had de dokter bij menige gelegenheid buitengewone reizen kunnen volvoeren. Vandaar ook die faam van alomtegenwoordigheid, die hem werd toegeschreven, wanneer hij binnen zeer korte tijdsruimten van het eene uiteinde van den Archipel bijvoorbeeld van Middullu, het oude Lesbos, of van Sakys, het oude Chios, tot aan de uiterste grenzen van de Syrtsche zee verscheen.

Er bestond evenwel een zeer groot onderscheid tusschen de Thornycroftsche vaartuigen en de vervoermiddelen, welke dokter Antekirrt bezigde, en dat bestond daarin, dat hij, in stede van oververwarmden stoom, de electriciteit, die hij van door hem uitgevonden accumulatoren verkreeg, als beweegkracht bezigde. Door deze accumulatoren kon hij de electrische kracht in een om zoo te zeggen oneindigen voorraad opwekken.

Die snelle vervoermiddelen droegen dan ook den naam van Electrieks en hadden, om ze van elkaar te onderscheiden, slechts een volgnummer. Zoo heette het vaartuig, dat naar de mondingen van de Cattaro-rivier opgeroepen was, Electriek 2.

Toen die bevelen verstrekt waren, wachtte de dokter het geschikte oogenblik om te handelen.

Terzelfder tijd waarschuwde hij Pescadospunt en Kaap Matifou, dat weldra hunne diensten zouden vereischt worden.

Dat de beide vrienden zich gelukkig gevoelden, dat zij eindelijk bewijzen zouden kunnen leveren van hunne toewijding, zal wel niet behoeven verzekerd te worden.

Een wolkje, een enkel slechts wierp evenwel ietwat schaduw op de vreugde, die zij bij het vernemen van dat nieuws ondervonden.