Part 1
WONDERREIZEN.
JULES VERNE
MATHIAS SANDORF
DE MIDDELLANDSCHE ZEE
AMSTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER” 1917.
I.
VERSCHILLENDE VOORVALLEN.
Al had het afscheid, door dokter Antekirrt genomen, al den schijn van ernstig gemeend te zijn, zoo zou hij zich toch niet overhaasten om Gravosa te verlaten, zooals mevrouw Bathory zou hebben kunnen vermeenen. Na te vergeefs gepoogd te hebben de moeder te hulp te komen, wilde de dokter beproeven den zoon te helpen. Had Piet Bathory tot dusverre de betrekking niet gevonden, waarop hij ten gevolge van zijne schitterende studiën aanspraak kon maken, zoo zou hij ongetwijfeld de aanbiedingen niet afslaan, die hem thans door dokter Antekirrt zouden gedaan worden. Hem eene positie te scheppen, die met zijne talenten overeenkwam, die den naam, dien hij droeg, waardig was, dat zou geen aalmoes zijn. Dat zou slechts eene rechtvaardige belooning zijn, die hij dien jongen man verschuldigd was. Maar zooals Borik medegedeeld had, was Piet Bathory naar Zara voor zaken vertrokken.
De dokter wilde evenwel niet langer wachten met hem te schrijven. Hij deed dat dienzelfden dag. Zijn brief gaf alleen te kennen, dat hij zich gelukkig gevoelen zou, Piet Bathory aan boord van de Savarena te ontvangen, daar hij hem een voorstel te doen had dat hem belangstelling zou inboezemen.
De brief werd op de post te Gravosa bezorgd en daarna bleef de dokter niet anders over, dan de terugkomst van den jongen ingenieur af te wachten.
Middelerwijl ging de eigenaar van de goelet voort, met nog meer teruggetrokken aan boord te leven. De Savarena lag in het midden der haven voor anker en hare bemanning ging nooit naar den wal. Het vaartuig lag dus daar zoo eenzaam als het dat had kunnen wezen midden in de Middellandsche zee of in den Atlantischen Oceaan.
Dat was eene zonderlingheid, welke wel geschikt was om de nieuwsgierigheid van nieuwtjesjagers, van reporters en van anderen die het nog niet opgegeven hadden, dien legendarischen persoon te willen interviewen, hoewel zij aan boord van dat wonderbaar schip niet toegelaten werden, te prikkelen. En daar Pescadospunt en Kaap Matifou vrijheid hadden te gaan en te komen, zooals zij verkozen, wendden zich de nieuwsgierigen tot hen en poogden de reporters van hen eenige inlichtingen te bekomen, die in hunne dagbladen zulk een goed figuur zouden gemaakt hebben.
Men weet het, Pescadospunt was een element van vroolijkheid, die, zooals wel begrepen zal worden, met toestemming van den dokter aan boord werd toegelaten. Bleef Kaap Matifou ook al ernstig als een kaapstander, wiens kracht hij bezat, Pescadospunt lachte en zong steeds, was levendig en fladderend als de wimpel van een oorlogsschip, waarvan hij ook de lichtheid bezat. Als hij niet, tot groote vreugde van de bemanning, aan wie hij les op het slappe koord gaf, in het want behendig als een matroos en vlug als een scheepsjongen, rondzwierf, dan vermaakte hij toch iedereen met zijne snakerijen. Ja wel, dokter Antekirrt had hem aanbevolen steeds goed gehumeurd te blijven! Welnu, dat deed hij; maar zijne opgeruimdheid was aanstekelijk, hij deelde haar aan zijne geheele omgeving mede!
Hiervoren werd gezegd, dat Kaap Matifou en hij alle vrijheid hadden om te gaan en te komen. Dat was waar. Bleef ook al de bemanning aan boord, zij gingen passagieren, wanneer zij trek daarin hadden. Vandaar steeds die neiging van wege de nieuwsgierigen om hen te volgen, om hen te omringen, hen te ondervragen. Maar het lukte niet om Pescadospunt aan het praten te krijgen, als hij zwijgen wilde, of als hij den mond opende, dan was het om niets te zeggen.
„Wie is dokter Antekirrt?”
„Een verbazend knap dokter, die alle ziekten geneest, zelfs die, welke iemand naar de andere wereld doen verhuizen!”
„Is hij rijk?”
„Hij bezit geen duit.... Ik, Pescadospunt, schiet hem iedere week zijn zondags-oortje voor!”
„Vanwaar komt hij?”
„Van een land, waarvan niemand den naam weet!”
„En waar is dat land gelegen?”
„Ja, alles wat ik er van weet, is: dat het ten noorden door niet veel en ten zuiden door niets begrensd wordt.”
Het was onmogelijk iets anders uit den spotzieken klant te halen. Wat Kaap Matifou betreft, die was stom als een granietblok.
Maar al antwoordden die twee niet op de onbescheiden vragen van de reporters, zoo babbelden de beide vrienden toch zeer dikwijls onder elkander en wel voornamelijk over hunnen nieuwen meester. Zij waren hem oprecht genegen en zij haakten slechts naar de gelegenheid, om hem hunne toegenegenheid te bewijzen. Tusschen hen en den dokter bestond als het ware eene soort van scheikundige affiniteit, die hen van dag tot dag vaster omstrengelde. Iederen dag verwachtten zij dan ook, dat zij in de kajuit geroepen zouden worden, om zich te hooren toevoegen:
„Vrienden, ik heb uwe hulp noodig!”
Maar tot hun groot verdriet gebeurde dat niet.
„Zou dat lang zoo duren moeten?” vroeg Pescadospunt op een dag. „Ik vind het hard zoo niets te doen te hebben, vooral als men daarvoor niet opgevoed is. Is ’t zoo niet, Kaap?”
„Ja, de armen roesten en worden stijf,” antwoordde de Hercules, terwijl hij zijne machtige knoken beschouwde, die er uitzagen als zuigerstangen van een rustend stoomwerktuig.
„Zeg eens, Kaap Matifou?”
„Wat wil je hebben dat ik zeggen zal, Pescadospunt?”
„Weet je wat ik van dokter Antekirrt denk?”
„Neen; maar zeg mij wat gij denkt, Pescadospunt! Dat zal mij helpen om je te antwoorden.”
„Welnu, in zijn verleden zijn er dingen.... dingen! Dat ziet men aan zijne oogen, die soms bliksemstralen schieten, in staat om iemand blind te maken. En de dag, waarop de bliksem zal vallen...”
„Zal dat spectakel maken!”
„Ja, Kaap Matifou, dat zal spectakel maken.... werk verschaffen. Ik verbeeld mij, dat wij bij dat werk niet nutteloos zullen toekijken!”
Het was niet geheel zonder reden, dat Pescadospunt zoo sprak. Hoewel de volmaaktste kalmte aan boord heerschte, had de schrandere lummel toch zaken gezien, die hem te denken gaven. Dat de dokter geen eenvoudig toerist was, die slechts de Middellandsche zee met zijn pleizierjacht doorstevende, dat was duidelijk voor hem. De Savarena moest een middelpunt zijn, waarin vele draden te zamen kwamen in de hand van haren geheimzinnigen eigenaar.
Inderdaad, er kwamen brieven en telegrammen zoowat uit alle hoeken en gaten van die bewonderenswaardige zee, welker golven de oevers van zooveel verschillende landen bespoelen, zoowel de Fransche en Spaansche kusten, als die van Marokko, Algiers of van Tunis of Tripoli. Wie zond die? Klaarblijkelijk correspondenten, die zich onledig hielden met eene zekere taak, welker gewicht niet kon ontkend worden—tenzij het lijders waren, die schriftelijk consult aan den beroemden dokter vroegen—hetgeen weinig waarschijnlijk was.
Bovendien, het zou zelfs in de kantoren van de telegraaf te Ragusa moeilijk gevallen zijn, den zin van de ontvangen telegrammen te begrijpen, want zij waren in een onbekende taal gesteld, die de dokter alleen verstond. En wanneer die taal begrijpelijk geweest ware, wat was er dan nog te maken van volzinnen als de volgende:
„Abneira: Men meende Z. R. op de hielen te zitten. Valsch spoor, thans verlaten.”
„De correspondent van H. U. 5 teruggevonden.—Verbonden aan een troep K. 3 tusschen Catania en Syracusa. Wordt gevolgd.”
„In het Manderaggiosche, te La Valletta, Malta doortocht bespeurd van T. K. 7.
„Cyrena.... Wachten nieuwe bevelen.... Vloot van Antek.... gereed. Electriek 3 blijft dag en nacht onder voldoende stoomspanning.”
„R. O. 3 Sedert overleden in het bagno.—Beiden verdwenen.”
En dat ander telegram, dat zijne mededeeling door middel van een vooraf overeengekomen getal overbracht:
„2117. Sarc. Vroeger makelaar.... Dienst Toronth.—Betrekkingen met Tripoli in Afrika gestaakt.”
Dan de onveranderlijke antwoorden op het meerendeel dier telegrammen, die van de Savarena verzonden werden:
„De nasporingen voortzetten. Geen geld en geen moeite sparen. Zendt nieuwe documenten.”
Dat was een onverstaanbare gedachtenwisseling, die den geheelen omtrek van de Middellandsche zee scheen tot waakzaamheid op te roepen. De dokter was dus niet zoo geheel zonder bezigheden als het oogenschijnlijk voorkwam. Evenwel in weerwil van het geheim, dat den telegrafisten opgelegd is, was het toch moeilijk aanneembaar, dat de ontvangst en afzending van dergelijke telegrammen niet bij het publiek bekend raakten. Vandaar dat de nieuwsgierigheid ten aanzien van dien raadselachtigen persoon ten top gestegen was.
Een van de meest nieuwsgierigen uit de groote wereld te Ragusa, was de gewezen Triëster bankier Silas Toronthal, die, zooals men zich nog herinneren zal, dokter Antekirrt op de kade van Gravosa weinige oogenblikken na de aankomst van de Savarena ontmoet had. Had er bij die ontmoeting van den eenen kant een levendig gevoel van afkeer bestaan, bij de andere partij had zich toen een levendig gevoel van nieuwsgierigheid geopenbaard. Maar tot heden hadden de omstandigheden den bankier niet veroorloofd, aan die nieuwsgierigheid bot te vieren.
Om de waarheid te zeggen, de aanwezigheid van den dokter had op Silas Toronthal een zonderlingen indruk gemaakt, dien hijzelf niet kon omschrijven. Al wat men te Ragusa verhaalde en herhaalde van het incognito, waarin de reiziger blijven wilde, van de moeielijkheid om tot hem toegelaten te worden, enz. was wel geschikt om bij den bankier de wensch te doen opkomen, om hem weer te zien. Te dien einde was hij reeds verscheidene malen naar Gravosa geweest. Daar stond hij dan op de kade en bekeek die goelet, terwijl hij van begeerte brandde om naar boord te gaan. Eens zelfs liet hij er zich heenroeien, doch had hij slechts het onveranderlijk antwoord van den stuurman der wacht ontvangen:
„Dokter Antekirrt is niet te spreken.”
Daaruit ontstond bij Silas Toronthal eene soort van chronische overprikkeling, teweeggebracht door een hinderpaal, dien hij niet kon opruimen.
De bankier beproefde toen voor zijne eigene rekening den dokter te doen bespionneeren. Bevelen werden aan een agent, waarvan hij zeker was, verstrekt om het gaan en komen van den geheimzinnigen vreemdeling na te gaan, zelfs wanneer hij slechts Gravosa of de omstreken bezocht.
Men kan lichtelijk begrijpen, welke ongerustheid Silas Toronthal ondervinden moest, toen hij vernam dat de oude Borik een onderhoud met den dokter had gehad en dat deze daags daarna een laatste bezoek aan mevrouw Bathory gebracht had.
„Wie is die man toch?” vroeg hij zich af.
Maar wat toch kon de bankier in zijn tegenwoordigen toestand te vreezen hebben? Sedert vijftien jaren was niets van zijne vroegere kuiperijen uitgelekt. Maar alles wat de verwantschap van hen betrof, die hij verraden en verkocht had, verontrustte hem. Had ook al de wroeging geen vat op zijn geweten, zoo sloop toch somwijlen de vrees daarbinnen, en de stappen van dien onbekenden dokter, dien de faam zoo machtig maakte, en door zijne fortuin zoo machtig was, waren niet geschikt om hem gerust te stellen.
„Maar wie is die man dan toch?” herhaalde hij.... „Wat komt hij te Ragusa in de woning van mevrouw Bathory uitvoeren?.... Is hij daar als geneesheer geroepen?.... Wat kan er gemeens tusschen die twee bestaan?”
Daarop was geen antwoord mogelijk. Wat evenwel Silas Toronthal geruststelde, dat was dat hem na nauwkeurig onderzoek overtuigend gebleken was, dat dat bezoek niet herhaald was.
Het besluit, dat de bankier tengevolge daarvan genomen had, was er te onwrikbaarder door geworden. Hij wilde en zou met den dokter in aanraking komen! Die gedachte verliet hem dag noch nacht. Daar moest een einde aan komen. Door eene soort van begoocheling, welke aan overprikkelde hersenen steeds eigen is, verbeeldde hij zich dat hij zijne kalmte weder zou vinden, wanneer hij dokter Antekirrt zien en spreken kon, wanneer hij de motieven van zijn reis naar Gravosa vernam. Hij poogde dan ook onophoudelijk eene gelegenheid te vinden, om hem te ontmoeten.
Eindelijk meende hij haar gevonden te hebben. Ziehier door welke omstandigheid.
Sedert eenige jaren leed mevrouw Toronthal aan eene kwijnende ziekte, die de geneesheeren van Ragusa te vergeefs poogden te bedwingen. In weerwil van hunne zorgvuldige behandeling, in weerwil van de zorgen harer dochter, kwijnde mevrouw Toronthal gaandeweg, hoewel zij nog niet bedlegerig was. Lag aan dien toestand eene moreele oorzaak ten grondslag? Misschien wel, maar dat had niemand nog kunnen doordringen. De bankier alleen had kunnen zeggen, of zijn echtgenoote, die zijn geheele levensloop kende, niet door eene onoverwinlijke verachting bevangen was voor een bestaan, dat haar slechts afschuw kon inboezemen.
Hoe het ook zij, de gezondheidstoestand van mevrouw Toronthal, die door al de geneesheeren in de stad nagenoeg opgegeven was, kwam den bankier een geschikte gelegenheid voor, om met dokter Antekirrt in aanraking te komen. Wanneer hij tot een consult, tot een bezoek uitgenoodigd zou worden, zou hij ongetwijfeld niet weigeren, al was het maar uit menschlievendheid.
Silas Toronthal schreef dus een brief en deed dien door een zijner bedienden aan boord van de Savarena brengen. „Hij zou zich gelukkig achten,” zeide hij daarin, „het advies van een uiterst verdienstelijk geneesheer te kunnen inwinnen.” Daarna zich verontschuldigende over de stoornis, die hij in een zoo teruggetrokken bestaan bracht, verzocht hij dokter Antekirrt „hem den dag te willen melden, waarop hij hem aan zijne woning in de Stradona-laan verwachten kon.”
Toen de dokter den volgenden morgen dien brief ontving, welks onderteekening hij het eerst bekeek, bewoog geen spier van zijn gelaat. Hij las dat epistel ten einde toe, zonder dat iets de gewaarwordingen verried, die toch door de lezing daarvan opgewekt moesten worden.
Welk antwoord zou hij geven? Zou hij van de gelegenheid gebruik maken, die hem geboden was om de woning van Toronthal binnen te dringen, om zich in betrekking met het gezin van den bankier te stellen? Maar dat huis, zelfs als geneesheer binnen te treden, was dat niet eene omstandigheid aanvaarden, die weinig met zijne plannen overeenstemde?
De dokter aarzelde niet. Hij schreef een kort briefje, dat aan den bediende overhandigd werd en slechts dit inhield:
„Dokter Antekirrt betreurt het, dat hij zijne zorgen niet aan mevrouw Toronthal wijden kan; hij mag de geneeskunst niet in Europa uitoefenen.”
Geen woord meer.
Toen de bankier dat laconieke antwoord las, verfrommelde hij het briefje met een gebaar van spijt. Het was maar al te duidelijk, dat de dokter niet in aanraking met hem wilde komen. Dat was eene nauwelijks bemantelde weigering, welke op een genomen besluit door dien zonderlingen man duidde.
„En als hij dan geen geneesheer in Europa mag zijn,” zei hij in zich zelven, „waarom heeft hij dan aangenomen mevrouw Bathory te behandelen?.... Of zouden andere redenen hem bij haar gevoerd hebben?.... Welke?.... Wat kwam hij er uitvoeren?.... Wat bestaat er tusschen die twee?”
Die onzekerheid knaagde aan Toronthal’s ziel. Waarlijk, zijn leven was door de aanwezigheid van dien dokter te Gravosa verbitterd, en dat zou het blijven net zoolang totdat de Savarena weer zee gekozen zou hebben. Hij zei overigens niets aan zijne vrouw of dochter over zijn nutteloos verzoek. Hij wilde het geheim van zijne voortdurende onrust voor zich houden. Maar hij hield niet op, den dokter te doen gadeslaan bij al de stappen, die hij te Gravosa, zoowel als te Ragusa deed.
Den volgenden ochtend zou een ander voorval hem niet minder onrust verschaffen en doen ontstellen.
Piet Bathory was geheel ontmoedigd van Zara teruggekeerd. Hij had het omtrent de betrekking welke het gold, bij eene metaalfabriek in Herzegowina, met de eigenaren of aandeelhebbers niet eens kunnen worden.
„De voorwaarden waren niet aannemelijk,” zei hij kortaf tot zijne moeder.
Mevrouw Bathory keek haren zoon aan, maar vroeg hem niet waarom die voorwaarden niet aannemelijk waren. Daarna reikte zij hem een brief over, die gedurende zijne afwezigheid gebracht was.
Dat was de brief, waarbij dokter Antekirrt Piet Bathory verzocht bij hem aan boord van de Savarena te komen, om over eene belangrijke zaak te spreken.
Piet Bathory gaf den brief aan zijne moeder over. Dat aanbod van den dokter kon haar niet verrassen.
„Dat verwachtte ik,” zei zij.
„Verwachttet gij dat, moeder?” vroeg de jonge man zeer verwonderd over dat antwoord.
„Ja.... Piet.... Dokter Antekirrt heeft mij gedurende uwe afwezigheid een bezoek gebracht.”
„Kent gij dien man dan, waarover te Ragusa en te Gravosa zooveel gesproken wordt?”
„Neen, mijn zoon; maar dokter Antekirrt kende uwen vader. Hij was de vriend van graaf Mathias Sandorf en graaf Zathmar, en het is als zoodanig dat hij zich bij mij vervoegd heeft.”
„Moeder,” vroeg Piet Bathory, „welke bewijzen heeft die dokter u geleverd, dat hij de vriend mijns vaders was?”
„Geen enkel,” antwoordde mevrouw Bathory, die over de toezending van de honderdduizend gulden niet spreken wilde en waaromtrent de dokter ook het geheim jegens den jongen man wel betrachten zou.
„Maar wanneer dat nu eens een intrigant, een spion, een agent van de Oostenrijksche politie was?”
„Gij zult er over kunnen oordeelen, mijn zoon.”
„Gij raadt mij dus aan, hem te gaan bezoeken?”
„Ja, dat raad ik u aan. Gij moet dien man waardeeren, die de geheele vriendschap, die hij voor uwen vader koesterde, op u wil overbrengen.”
„Maar wat komt hij te Ragusa doen?” hernam Piet. „Heeft hij dan zaken in dit land?”
„Misschien zoekt hij iets tot stand te brengen,” antwoordde mevrouw Bathory. „Hij gaat door voor onmetelijk rijk en het is mogelijk, dat hij u eene betrekking wil aanbieden, die uwer waardig is.”
„Ik zal naar hem toe gaan, moeder, en ik zal vernemen wat hij van mij verlangt.”
„Ga dan nog heden, mijn zoon, en voldoe aan de beleefdheid door hem, als antwoord op zijn bezoek, een tegenbezoek te brengen.”
Piet Bathory gaf zijne moeder een kus. Hij hield haar zelfs lang tegen zijne borst geklemd. Men zou gezegd hebben, dat een geheim hem deed stikken, een geheim dat hij niet durfde openbaren. Wat ging er dan toch in dat arme hart om?
Dat moest voorzeker bedroevend, ernstig zijn, daar hij het niet aan zijne moeder durfde mededeelen.
„Mijn arm kind!” mompelde mevrouw Bathory.
Toen hij het huis van Toronthal voorbijkwam, bleef hij een oogenblik staan. Zijn blik richtte zich naar een der paviljoenen, die ter zijde van het hoofdgebouw opgetrokken waren en waarmede vensters uitzicht op de straat gaven. De jaloezieën waren dicht. Wanneer het huis onbewoond geweest ware, zou het niet strenger gesloten kunnen geweest zijn.
Piet Bathory stapte door. Maar dat was aan het oog niet ontsnapt van eene vrouw, die in de Stradona-laan op de tegenovergestelde stoep heen en weder drentelde.
Het was een schepsel van groote gestalte. Hoe oud was zij?.... Zoo tusschen de veertig en vijftig. Hare bewegingen waren afgemeten, bijna werktuigelijk, alsof zij geheel uit één stuk vervaardigd was. Die vreemdelinge—hare nationaliteit als Marokkaansche werd genoegzaam gekenmerkt door haren haardos, die donker en gekroesd was door haar bruinachtige huidskleur—was gestoken in een donkergekleurd kleed met kap, welke laatste haar hoofd overdekte, dat met tressen van zecchinen versierd was. Was zij eene boheemsche, eene gitana, eene gypsie, eene „romanichelle,” zooals de Parijzer volkstaal zich uitdrukt? Of wel was zij van Egyptischen of Hindoeschen oorsprong? Dat zou men niet hebben kunnen zeggen, daar die grondvormen zoo zeer op elkander gelijken. In ieder geval, zij vroeg geen aalmoezen en zou die ongetwijfeld ook niet aangenomen hebben. Zij was daar voor hare eigene rekening of in dienst van iemand anders aanwezig, om gade te slaan en te spionneeren, zoowel wat in de woning van Toronthal als in het huis van de Marinellastraat omging.
Zoodra zij inderdaad den jongen man ontwaardde, die de Stradona-laan volgde om zich naar Gravosa te begeven, volgde zij hem zoodanig, dat zij hem geen oogenblik uit het oog verloor, evenwel zoo behendig dat hare bespionneering niet gezien werd. Piet Bathory was daarenboven te zeer in zijne gedachten verzonken, om waar te nemen, hetgeen achter hem gebeurde. Toen hij den pas voor de woning van Toronthal inhield, vertraagde de vrouw haren gang ook. Toen hij weer doorstapte, hernam zij ook de beweging en regelde haren marsch naar den zijne.
Bij de eerste omwalling van Ragusa aangekomen, overschreed Piet Bathory die vlug, maar daarom geraakte de vreemdelinge niet achter. Buiten de poort gekomen, zag zij hem weer op den weg naar Gravosa en volgde op twintig passen achter hem langs een nevenlaan, die met boomen beplant was.
Ter zelf der tijd kwam Silas Toronthal, in open rijtuig gezeten en naar Ragusa terugkeerende, hen tegen. Misschien dacht zij dat de een den anderen zou kunnen aanspreken. Bij die gedachte schitterde haar blik en trachtte zij zich achter een dikken boom te verschuilen. Maar hoe zou zij hooren wat die twee mannen zouden spreken?
Hare vrees bleek ijdel. Silas Toronthal had Piet bemerkt twintig passen vóórdat hij ter zijner hoogte gekomen was. Ditmaal antwoordde hij zelfs niet met dien trotschen groet, dien hij niet had kunnen achterwege laten, toen zijne dochter hem op de kade van Gravosa vergezelde. Hij wendde thans het hoofd af, toen de jonge man zijn hoed afnam, terwijl zijn rijtuig met spoed naar Ragusa reed.
Voor de vreemdelinge was niets van dat tooneel verloren gegaan. Een soort glimlach verhelderde dan ook haar overigens kalm gelaat.
Piet Bathory, klaarblijkelijk meer bedroefd dan vertoornd over die handeling van Silas Toronthal, vervolgde zijn weg zonder zich om te keeren, evenwel met meer vluggen pas.
De Marokkaansche volgde hem van verre en men zou haar deze woorden in het Arabisch hebben kunnen hooren mompelen:
„Het werd tijd, dat hij kwam!”
Een kwartier later bereikte Piet Bathory de kaden van de haven van Gravosa. Hij bleef een oogenblik staan kijken naar de bevallige goelet, welks wimpel zachtkens door de bries aan den top van den grooten mast ontrold was.
„Vanwaar kan die dokter Antekirrt toch komen?” vroeg hij zich af. „Dat is een vlag die ik niet ken.” Zich daarna tot een zeeman wendende, die op de kade wandelde:
„Vriend,” vroeg hij, „kunt gij mij zeggen welke vlag dat is?”
De zeeman wist haar ook niet tehuis te brengen. Alles wat hij van de goelet kon mededeelen, was dat hare scheepspapieren meldden, dat zij van Brindisi kwam, en dat die papieren door den havenmeester behoorlijk in orde bevonden waren. Daar het nu een pleiziervaartuig gold, hadden de autoriteiten het incognito van den eigenaar geëerbiedigd.
Piet Bathory riep toen eene sloep tot zich en liet zich naar boord van de Savarena voeren, terwijl de Marokkaansche hem uiterst verwonderd stond na te staren. Een oogenblik later stond de jongman op het dek der goelet en informeerde of dokter Antekirrt aan boord was.
Bevel was klaarblijkelijk gegeven om iederen vreemdeling af te wijzen, maar dat bevel gold hem niet. De equipagemeester antwoordde dan ook, dat de dokter zich in zijn kamer bevond. Piet Barthory bood zijn kaartje aan met het verzoek bij den dokter te worden toegelaten. Een stuurmansleerling nam het kaartje aan en daalde langs de trap af, die naar het salon voerde. En een minuut later kwam het bericht, dat de dokter den heer Piet Bathory wachtte.
Dadelijk werd de jonge man het salon binnengeleid, waarin slechts een schemerlicht heerschte, dat als het ware gezeefd werd door de lichte gordijnen van het patrijspoortje. Maar toen hij bij de deur kwam, die geheel geopend was, trad hij in het volle licht dat door de spiegelpaneelen weerkaatst werd. In het halfdonker was dokter Antekirrt op een divan gezeten. Toen de zoon van Stephanus Bathory verscheen, ondervond hij eene soort van aandoening, die Piet niet kon waarnemen, en deze woorden ontsnapten als het ware aan zijn lippen:
„Hij is het!.... Hij is het geheel en al!”