Mathias Sandorf [2]

Part 4

Chapter 43,780 wordsPublic domain

De vreemdelinge bevond zich daar op de kade en wachtte de aankomst der pakketboot af. De dokter bespeurde haar en zag Sarcany op haar toetreden. Hij kon zelfs deze woorden verstaan, die zij in het Arabisch sprak en die hij verstond:

„Het was tijd!”

Sarcany antwoordde daarop slechts met een hoofdknik.

Nadat hij voor de inbewaargeving van zijne koffers bij de ambtenaren van de in- en uitgaande rechten gezorgd had, deed hij zich door de Marokkaansche vergezellen, terwijl hij den weg rechtsaf insloeg, om zoodoende den buitenkant der stad te volgen, zonder daarin door de Zeepoort binnen te dringen.

Dokter Antekirrt aarzelde een oogenblik.

Zou Sarcany hem ontsnappen? Dat was niet aan te nemen, daar hij geen achterdocht hoegenaamd koesterde.

Moest hij hem volgen?

Hij was nog besluiteloos, maar toen hij zich omkeerde, bespeurde hij Kaap Matifou, die als een vreedzame wandelaar de lossing en lading van de Saxonia gadesloeg. Hij maakte slechts een enkel gebaar om den reus tot zich te roepen.

„Kaap Matifou,” zei hij.

„Wat blieft u?”

„Ziet ge dien man?” ging dokter Antekirrt voort, terwijl hij Sarcany aanwees.

„Ja.”

„Ziet gij hem goed?”

„Ja.”

„Als ik u zeg om dien man te vatten....”

Kaap Matifou grinnikte en vertoonde met de meeste zelfvoldaanheid de geopende hand.

„Zult gij het doen?” vroeg de dokter.

„Ja.”

„En zult ge hem beletten om te ontvluchten, wanneer hij tracht weerstand te bieden?”

„Ja.”

„Herinner u....”

„Ja, ja,” zei Kaap Matifou.

„Herinner u dan,” ging de dokter voort, „dat ik hem levend in handen wil hebben.”

„Ja.”

Kaap Matifou sprak niet veel, zooals men weet. Hij was geen phrasenfabrikant; maar wat hij zeide, was er te duidelijker door. De dokter kon op hem rekenen. Hij zou uitvoeren, stipt en nauwgezet uitvoeren, wat hem bevolen werd. En dat was waarop het aankwam. Dat was beter dan alle mogelijke praatjes en betuigingen.

Wat de Marokkaansche betrof, het zou voldoende zijn om haar te binden, haar een prop in den mond te steken en haar ergens in een hoek te gooien. Vóórdat zij opschudding zou veroorzaakt hebben, zou Sarcany aan boord van de Electriek gebracht zijn.

De duisternis, hoewel die niet buitengewoon was, zou de uitvoering van het plan voorzeker in de hand werken.

Sarcany en de vreemdelinge vervolgden intusschen hunnen weg langs den buitenkant der stad, zonder te bespeuren, dat zij bespied en vervolgd werden. Zij spraken nog niet met elkander. Dit wilden zij voorzeker eerst doen, wanneer zij ergens aangekomen zouden zijn, waar zij eene veilige schuilplaats zouden vinden. Zoo kwamen zij tot in de nabijheid, waar de weg voert, die van Cattaro naar het gebergte leidt, hetwelk de Oostenrijksche grens uitmaakt.

Daar bestaat een belangrijke marktplaats, een groote bazar, die door geheel Montenegro goed bekend is. Hier komen de Montenegrijnen handel drijven; men laat ze de stad niet dan bij een zeer beperkt aantal binnen en dan nog na hen genoodzaakt te hebben hunne wapens af te leggen. Die bergbewoners komen des Dinsdags, Donderdags en Zaterdags van iedere week van Niegous en van Cettinje, om na een marsch van vijf of zes uren, hunne landbouwproducten, als runderen, schapen, hoenders, duiven, aardappelen, knollen, wild, gevogelte, zelfs bossen brandhout aan te voeren, in welk laatste artikel een belangrijk vertier plaats heeft, omdat in die streken volslagen gebrek aan steenkolen bestaat en die van elders aangevoerd moeten worden.

Nu was het dien dag juist een Dinsdag. Eenige groepen koopers en verkoopers, wier handels-operatiën eerst zeer laat beëindigd werden; waren in dien bazar om er den nacht door te brengen. Er waren daar voorzeker ruim dertig bergbewoners aanwezig, die gingen, kwamen, praatten en twistten. Eenigen hunner lagen reeds op den grond uitgestrekt om te slapen, anderen zaten rondom een houtskoolvuur, waarboven zij een klein schaap, aan een houten spit geregen, op Albaneesche wijze lieten braden.

Daar te midden van dat gejoel kwamen Sarcany en zijn metgezellin een toevlucht zoeken, alsof zij die plek reeds kenden. Daar zouden zij inderdaad vrij en ongehinderd met elkander kunnen praten. Zij zouden er zelfs den nacht kunnen doorbrengen zonder genoodzaakt te zijn een logement op te zoeken, dat men niet altijd zeker was te zullen vinden. De vreemdelinge had daarenboven nergens anders haren intrek genomen en had zich ook over geen ander nachtverblijf bekommerd.

Dokter Antekirrt en Kaap Matifou traden de een na den anderen dien vrij donkeren bazar binnen. Hier en daar knetterden eenige vuurtjes zonder vlam, die bijgevolg geen licht verspreidden. Intusschen zou de oplichting van Sarcany onder de gegeven omstandigheden uiterst moeielijk uit te voeren zijn, wanneer hij ten minste den bazar niet vóór het aanbreken van den dag verliet. De dokter kon dus met eenigen grond betreuren, dat hij niet gedurende de afgelegden afstand van de Zeepoort tot de Zuiderpoort gehandeld had. Maar het was thans te laat. Er bleef nu niets anders over dan te wachten om de eerste de beste geschikte gelegenheid te benuttigen, die zich wel zou voordoen, zooals hij meende.

In ieder geval lag de sloep achter de rotsen vastgemeerd, op een afstand van minder dan tweehonderd passen van den bazar verwijderd, en vandaar kon men op een afstand van twee kabellengten onduidelijk de zwarte massa van de Electriek onderscheiden, die eene lantaarn aan haar voorsteven geheschen had en daardoor hare aanwezigheid op de ankerplaats aanduidde.

Sarcany en de Marokkaansche hadden in een zeer donkeren hoek plaats genomen, dicht bij een troep bergbewoners, die reeds in slaap gevallen waren. Zij zouden dus over hunne zaken hebben kunnen spreken, zonder gevaar te loopen om gehoord te worden, wanneer het den dokter, die zich in zijn reisdeken gewikkeld had, niet gelukt was om te midden van die groep te sluipen, waarin zijne tegenwoordigheid niet opgemerkt werd.

Kaap Matifou verschool zich zoo goed hij kon. Hij bleef echter zoodanig in de nabijheid, dat hij gereed was om op het eerste teeken van den dokter handelend te kunnen optreden.

Sarcany en de vreemdelinge konden reeds eenigermate op veiligheid rekenen, daar zij de Arabische taal spraken en zij vermoeden moesten dat hen niemand op die plek verstaan zou. Daarin vergisten zij zich toch, want de dokter was er. Deze was met het taaleigen van alle Levantsche en Afrikaansche streken vertrouwd, derhalve ook met de Arabische taal, zoodat hij geen enkel woord van dat onderhoud verloren zou laten gaan.

„Gij hebt mijn telegram te Syracuse ontvangen?” vroeg de Marokkaansche, toen zij plaats genomen had.

„Ja, Namir.”

„Wat hebt gij toen gedaan?”

„Ik ben reeds den volgenden dag met Zirone op reis gegaan.”

„Met Zirone?”

„Ja.”

„Waarom met Zirone?”

„Wel....”

„Maar waar is Zirone?”

„Hij bevindt zich thans in de omstreken van Catania, waar hij eene nieuwe bende organiseert.”

„Catania, waar ligt dat?”

„Op het eiland Sicilië.”

„Gij moet morgen te Ragusa zijn.....”

„Morgen reeds?”

„Ja, en dienzelfden dag moet ge met Silas Toronthal spreken. Verstaat gij mij goed, Sarcany?”

„Denzelfden dag?”

„Dat is noodzakelijk.”

„Welnu, ik zal morgen te Ragusa zijn en ik zal Silas Toronthal gesproken hebben. Zijt gij tevreden?”

„Vergeet het niet,” antwoordde de Marokkaansche ernstig en met een nadrukkelijk gebaar.

„Neen, maar hebt ge u niet vergist, Namir?”

„Neen, ik heb mij niet vergist, Sarcany.”

„Ik kom dus bij tijds aan?....”

„Ja. De dochter van den bankier....”

„De dochter van den bankier,” herhaalde Sarcany op zoo zonderlingen toon, dat het den dokter opvallen moest.

„Ja, zijne dochter!” antwoordde Namir. „Zij is verliefd.”

„Wat? Veroorlooft zij zich aan de inspraken van haar hart gehoor te geven?”

„Nu, wat zou dat?”

„En zonder mijne toestemming?” vervolgde Sarcany spottend, en herhaalde gekscheerend: „En dat zonder mijne toestemming?”

„Verwondert u dat, Sarcany?”

„Wel een weinig, dat beken ik.”

„Nu, het is zoo, wees daarvan verzekerd,” bevestigde het Marokkaansche wijf hoogst ernstig.

„En?....” vroeg Sarcany.

„Ge zult nog meer verwonderd zijn, wanneer ge vernemen zult wien Sava Toronthal denkt te huwen.”

„Wien dan?”

„Raad eens.”

„Den een of anderen geruïneerden edelman, die zijn wapenschild met de millioenen van haren vader wenscht op te poetsen.”

„Mis, Sarcany!”

„Mis?”

„Ja, zeker. Het is inderdaad iemand van voorname afkomst....”

„En?....”

„Maar zonder vermogen....”

„Dus had ik gelijk, Namir!”

„Kunt ge niet raden wie het is, Sarcany?”

„Neen, Namir. Noem mij den naam van dien stoutmoedige.”

„Piet Bathory!”

„Piet Bathory!” riep Sarcany uit.

„Dezelfde.”

„Piet Bathory de dochter van Silas Toronthal huwen!”

„Bedaar, Sarcany,” hernam Namir op nederzettenden toon. „Dat de dochter van Silas Toronthal en de zoon van Stephanus Bathory elkander beminnen, dat is al sedert eenigen tijd geen geheim meer voor mij. Maar Silas Toronthal is misschien nog onbekend met die liefde.”

„Hij!.... Daarmede onbekend zijn?” kreet Sarcany. „Hoe kunt ge zoo iets vermoeden?....”

„Bedaar toch.”

„Het is wat moois!”

„Daarenboven,” zei de Marokkaansche koel en afgemeten, „nimmer zou hij zijne toestemming verleenen....”

„Dat is zoo zeker niet!” antwoordde Sarcany, die begon na te denken. „Silas Toronthal kan gerekend worden tot alles in staat te zijn.... Zelfs om dit huwelijk in te willigen.... ja zelfs in de hand te werken.... al was het slechts om zijn geweten te bevredigen, in de vooronderstelling altijd, dat hij in die vijftien jaren er in geslaagd is een nieuw geweten op te doen!.... Gelukkig, ik ben er nog om voor hem de kaarten te schudden....”

„Ja wel, maar haast u! Ik kan u niet genoeg daartoe aansporen. Sarcany, haast u! haast u!”

„Morgen ben ik te Ragusa! Daar kunt ge verzekerd van zijn Namir,” antwoordde Sarcany op dien aandrang.

„Dat is goed,” antwoordde de Marokkaansche, die een zekeren invloed op Sarcany scheen uit te oefenen.

„Luister,” zeide Sarcany.

„Ja, ik luister,” hernam zijne gezellin, terwijl ze met alle aandacht het oor spitste.

„De dochter van Silas Toronthal zal aan niemand anders toebehooren dan aan mij! Verstaat ge?”

„Voorzeker.”

„En door middel van haar zal ik mijn vermogen herstellen. Hoe, dat is mijn zaak, verstaat ge?”

„Het is te hopen voor u, dat ge slaagt,” hernam Namir.

Dokter Antekirrt had alles gehoord, wat hij weten wilde. Wat kon ’t hem nu ook schelen, wat er verder tusschen de vreemdelinge en Sarcany nog gesproken werd.

Een ellendeling zou de dochter van een anderen ellendeling opeischen. Gene had het recht en de macht om zich aan deze op te dringen. Het was inderdaad alsof God in eene zaak van menschelijke gerechtigheid tusschen beiden trad. Er behoefde geen vrees meer voor Piet Bathory gekoesterd te worden, want een mededinger stond gereed om hem van de baan te knikkeren. Het was dus overbodig geworden om hem naar Cattaro op te roepen. Het was ook overbodig om zich meester te maken van den man, die naar de eer haakte, de schoonzoon van Silas Toronthal te worden.

„Dat die schurken maar onder elkander trouwen en eene zelfde verwantschap uitmaken, wat kan mij het schelen?” mompelde de dokter in zich zelven. „Later kunnen wij altijd zien. Loontje zal altijd om zijn boontje komen.”

Daarop sloop hij weg, na aan Kaap Matifou een teeken gegeven te hebben om hem te volgen.

Kaap Matifou, die er volstrekt niet naar gevraagd had, waarom dokter Antekirrt den passagier van de Saxonia gevankelijk wilde wegvoeren, vroeg natuurlijk ook niet naar de redenen, waarom van dat voornemen afgezien werd.

Den volgenden dag—dus op den 10den Juni—gingen de deuren van het groote salon in de prachtige woning in de Stradona-laan, tegen ongeveer acht uren des avonds open en kondigde een lakei met luider stemme aan:

„Mijnheer Sarcany!”

III.

VERWIKKELINGEN.

Het was reeds veertien jaren geleden sedert Silas Toronthal Triëst verlaten had om zich te Ragusa, in de hoofdplaats van Dalmatië, in die prachtige woning in de Stradona-laan te komen vestigen. Hij was Dalmatiër van oorsprong en bij gevolg was er niets natuurlijker dan dat hij er aan gedacht had om naar zijn geboorteland weder te keeren, zoodra hij zijne zaken verlaten had om van zijne renten te gaan leven.

Het geheim der verraders was uitmuntend bewaard gebleven.—Men had hun den prijs van het verraad stiptelijk uitbetaald. Daarom was een geheel vermogen aan den bankier en aan Sarcany, zijn vroegeren agent in het Tripolitaansche, toegewezen geworden.

Na de ter doodbrenging van de twee veroordeelden in de vesting van Pisino, na de ontvluchting van graaf Mathias Sandorf, die volgens iedereen den dood gevonden had in de golven van de Adriatische zee, was het vonnis voltooid geworden door de verbeurdverklaring der goederen van de veroordeelden en gevonnisden.

Van de woning en een kleine strook gronds, die aan graaf Ladislas Zathmar toebehoord hadden, was niets overgebleven, zelfs zooveel niet om het materieele leven van zijn ouden bediende te verzekeren. Ook van hetgeen professor Stephanus Bathory nagelaten had, was evenmin iets overgebleven, daar hij slechts leefde van de opbrengst zijner lessen. Maar het kasteel Artenak met zijne rijke onderhoorigheden, de naburige mijnen, de uitgestrekte bosschen op de noordelijke hellingen van het Karpathische gebergte, dat geheele domein vertegenwoordigde een onmetelijk vermogen, dat aan graaf Mathias Sandorf toebehoorde. Deze goederen werden in twee deelen gesplitst waarvan het eene in openbare veiling gebracht werd en bestemd was om de aanbrengers van het complot te betalen; terwijl het andere onder sequester geplaatst werd om aan de erfgename van den graaf weergegeven te worden, wanneer zij meerderjarig, dat wil zeggen achttien jaren oud zou zijn geworden. Wanneer dat kind stierf alvorens dien leeftijd bereikt te hebben, zou zijn deel aan den Staat vervallen.

Nu hadden de twee vierden van die rijke bezittingen, welke voor de aanbrengers bestemd waren, hen een som van anderhalf millioen gulden opgebracht, waarover zij de vrije beschikking verkregen hadden.

Al dadelijk hadden de medeplichtigen er aan gedacht, om van elkander te scheiden. Sarcany had er volstrekt geen zin in om in de nabijheid van Silas Toronthal te verblijven. Deze van zijn kant stond er ook in het geheel niet op, om verdere betrekkingen met zijn vroegeren ondergeschikte te onderhouden. Zoo iets lag voor de hand.

Sarcany verliet dus Triëst en werd vergezeld door Zirone, die hem in rampspoedige dagen niet verlaten had, maar ook niet wilde heengaan nu de voorspoedige dagen aangebroken waren.

Beiden verdwenen en de bankier hoorde niet meer omtrent hen gewagen.

Waarheen waren zij gegaan?

Ongetwijfeld naar de eene of andere groote stad van Europa, daar waar niemand er aan denkt iemand omtrent zijne herkomst lastig te vallen, mits de lieden rijk zijn, ook niet omtrent de bron van hun verworven vermogen, mits het geld maar zonder tellen verteerd en uitgegeven wordt. Om kort te gaan, er was geen sprake meer van die gelukzoekers in Triëst, waar zij trouwens niemand anders gekend hadden dan den bankier Silas Toronthal.

Toen zij vertrokken waren, was deze laatste gerustgesteld. Inderdaad toen eerst haalde hij weer vrij adem.

Hij dacht niets meer te vreezen te hebben van wege den man, die hem toch ongetwijfeld in zijne macht had en steeds uit dien toestand munt kon slaan. Want hoewel Sarcany thans rijk was, kon toch op zulk een verspilziek persoon niet gerekend worden, en het was te voorzien, dat wanneer hij dat vermogen verslonden zou hebben, hij er geen gewetenszaak van zou maken, om naar zijn ouden medeplichtige terug te keeren.

Tien maanden later had Silas Toronthal zijn bankierskantoor, dat zeer wrak gestaan had, geheel en al hersteld, liquideerde toen zijne zaken en verliet Triëst toen voor goed, om zich te Ragusa te gaan vestigen. Hoewel hij volstrekt niets van de onbescheidenheid van den gouverneur van die stad, die alleen wist, welke rol hij vervuld had bij de ontdekking van de samenzwering, te vreezen had, zoo was dat toch nog te veel voor een man, die niets van zijn voornaamheid wilde verliezen en wien zijn groot vermogen, overal waar hij verlangde te gaan, een weelderig bestaan verzekerde.

Misschien werd dat besluit, om Triëst te verlaten, hem ook wel door eene bijzondere omstandigheid geboden,—die later wel onthuld zal worden, maar intusschen alleen mevrouw Toronthal en hem bekend was. Het was zelf daardoor, dat hij slechts een maal in aanraking kwam met die Namir, welker bekendheid met Sarcany de lezer reeds vernam.

De bankier verkoos dus Ragusa als nieuwe verblijfplaats. Hij had die stad verlaten, toen, hij nog zeer jong was dewijl hij zijne ouders verloren en overigens geen verwanten had. Men was hem daar geheel en al vergeten, zoodat hij als vreemdeling in die stad terug kwam, waarin hij sedert jaren niet meer geweest was.

Onder die omstandigheden ontving de Ragusasche bevolking den rijken man, die binnen de muren zijner geboortestad wederkeerde, goed. Zij wist omtrent hem slechts éene zaak, dat was dat hij in Triëst een voornaam man was geweest. De bankier zocht en vond eene woning in het voorname en aristocratische kwartier van de stad. Zijn huis werd rijk en op grootschen voet ingericht, met een talrijk personeel van bedienden, waarvan de bestanddeelen te Ragusa geheel en al vernieuwd werden. Hij ontving gasten en werd overal gaarne en met onderscheiding ontvangen. Niemand wist toch iets van zijn verleden, zoodat hij een dier bevoorrechten was, die de gelukkigen op dit ondermaansche geheeten worden. Zeker, maar....

Silas Toronthal was, wel is waar, volstrekt niet onderhevig aan wroeging. Werd hij niet door de vrees bekropen, dat het geheim van zijne afschuwelijke verklikking den een of anderen dag aan het licht kon komen, dan zou niets ter wereld eenige stoornis in zijn bestaan kunnen aanbrengen.

Evenwel tegenover hem bevond zich steeds als stomme, maar toch levende getuige, mevrouw Toronthal, zijn echtgenoote.

Die ongelukkige vrouw, die een eerlijk en braaf karakter had, kende het schandelijke en afschuwelijke complot, hetwelk drie vaderlandslievende mannen in de armen des doods had gevoerd. Een enkel woord, dat haar echtgenoot op een avond, in het tijdperk dat zijne zaken in de war raakten, zich liet ontglippen, eene onvoorzichtig geuite hoop dat een gedeelte van het vermogen van graaf Mathias Sandorf zou kunnen dienen om zijn wrak bankiershuis te stutten, eenige handteekeningen, die hij van mevrouw Toronthal geëischt had, hadden haar brein wakker geschud en hem eindelijk de bekentenis ontlokt van zijne tusschenkomst in de ontdekking van de Triëster samenzwering.

Een onoverwinnelijke afkeer voor den man, aan wien zij voor het leven geketend was, was het gevoel dat mevrouw Toronthal van nu af aan bezielde. Dat gevoel was te meer verklaarbaar, daar zij van geboorte een Hongaarsche was, Maar het werd reeds gezegd: zij was verpletterd door dien slag en kon zich niet opbeuren. Sedert dat tijdstip leefde zij zooveel haar zulks mogelijk was, zoowel te Triëst als te Ragusa, geheel afzonderlijk, voor zoover hare maatschappelijke positie dit gedoogde. Zij verscheen voorzeker bij de receptiën, die in de woning van de Stradona-laan gegeven werden. Zij was dat verplicht te doen en haar echtgenoot zou haar daartoe ongetwijfeld genoopt hebben. Maar was hare rol van vrouw des huizes in het openbaar afgeloopen, dan keerde zij naar hare vertrekken terug en kwam niet weder te voorschijn, wat er ook gebeuren mocht. Dan was zij onverzettelijk.

Daar wijdde zij zich geheel en al aan de opvoeding van hare dochter, waarop zij al de schatten harer toegenegenheid had overgedragen.

Daar trachtte zij dan te vergeten.

Vergeten!.... Was dat mogelijk, wanneer de man, die zoo schuldig was als haar echtgenoot, onder hetzelfde dak als zij leefde?

Nu geschiedde het, dat die staat van zaken, twee jaren na hunne vestiging te Ragusa, nog meer verwikkeld werd. Die verwikkelingen veroorzaakten wel is waar nieuwe zorgen bij Silas Toronthal, maar ook nieuwe droefheid bij mevrouw.

Mevrouw Bathory had ook met haren zoon en hunne bediende Borik Triëst verlaten, om zich te Ragusa te gaan vestigen, waar zij nog eenige bloedverwanten bezaten. De weduwe van Stephanus Bathory kende Silas Toronthal niet; zij wist zelfs niet dat er eenige betrekking tusschen den graaf Mathias Sandorf en den bankier bestaan had. Zij kon dan ook niet gissen, dat die man medeplichtig was aan de laaghartige en schandelijke daad, die het leven der drie Hongaarsche vaderlandslievende mannen gekost had. Hoe zou zij het dan ook vernomen hebben, daar haar echtgenoot haar, alvorens te sterven, den naam niet had kunnen mededeelen van de ellendelingen, die hen aan de Oostenrijksche politie verkocht en verraden hadden.

Intusschen al kende mevrouw Bathory den Triëster bankier niet, zoo kende hij haar toch.

Het was uiterst onaangenaam, zich in dezelfde stad als zij te bevinden, haar zoon te ontmoeten en te ontwaren, dat zij arm was en met handenarbeid den kost voor haar en haar kind moest verdienen. Had mevrouw Bathory reeds te Ragusa gewoond, toen hij Triëst verliet, dan zou hij voorzeker, alvorens zich te vestigen, dat plan hebben laten varen.

Maar toen de weduwe dat armoedige huis in de Marinellastraat kwam betrekken, was zijne prachtige woning reeds gekocht, en zoo weelderig mogelijk en volkomen ingericht. Zonder opzien te baren kon hij daarin geen verandering brengen. Daarenboven kon hij er niet toe besluiten, om ten derden male van verblijfplaats te veranderen. Zoo iets kwam met zijn weifelachtigen aard volstrekt niet overeen.

„Men gewent langzamerhand aan alles!” prevelde hij evenwel hoofdschuddend bij zich zelven.

Hij koesterde het voornemen om de oogen voor die steeds aanwezige getuige te sluiten.

Het scheen, dat wanneer Silas Toronthal de oogen sloot, zulks voldoende was, om niets meer te bemerken van hetgeen in zijn binnenste omging. Zulke menschen bestaan er velen, niet alleen te Ragusa maar in alle landen der wereld.

Wat evenwel voor den bankier slechts onaangenaam was, werd weldra voor mevrouw Toronthal eene oorzaak van voortdurend en ontzaglijk lijden, van nimmer eindigende wroeging. Zij poogde dan ook, zeer in het geheim, verscheidene malen hulp te doen toekomen aan die weduwe, die geen ander inkomen had dan dat, hetwelk uit haren handenarbeid voortsproot. Die hulp werd evenwel steeds kalm maar waardig geweigerd. En zoo geschiedde het ook met de bijdragen, die bekende en onbekende vrienden de edele vrouw poogden te doen aannemen. De geestkrachtvolle gade van Stephanus Bathory vroeg niets en wilde van niemand iets aannemen.

Eene onvoorziene omstandigheid, die daarenboven nog onwaarschijnlijk toescheen, zou dien toestand van wroeging nog meer ondragelijk maken; niet alleen ondragelijk, maar verschrikkelijk door de verkwikkelingen, die er uit geboren zouden worden.

Mevrouw Toronthal had haar geheel liefdegevoel, hare geheele toegenegenheid overgebracht op hare dochter, die ter nauwernood drie jaren oud was, toen haar echtgenoot en zij tegen het einde van het jaar 1867 te Ragusa kwamen wonen.

Thans, op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt.

De lieve maagd was eene heerlijke verschijning, die meer de Hongaarsche type dan de Dalmatische naderde. Zij bezat een zwarten en dichten haardos, daarbij vurige oogen, die onder een hoog voorhoofd breed geteekend waren. De ziel straalde uit die oogen en zij konden even goed door de chirognomonisten (waarzeggers) geraadpleegd worden als de hand. Zij had een fijn mondje, dat veel overeenkomst met een half ontloken roosje vertoonde, daarbij eene warme huidtint, eene bevallige en veerkrachtige gestalte, terwijl hare lengte iets meer dan de gemiddelde bedroeg. Dat geheel van bekoorlijke hoedanigheden was voorzeker geschikt om ieders blik te boeien.