Mathias Sandorf [2]

Part 15

Chapter 153,857 wordsPublic domain

Luigi werd vervolgens aan den gezagvoerder, aan de stuurlieden en aan de bemanning van het stoomjacht in zijne nieuwe functie van eersten officier aan boord voorgesteld. De titularis, die tot dusverre die betrekking vervuld had, zou aan boord van de Electriek 2 overgaan, zoodra dat vaartuig op de zuidkust van Sicilië aangekomen zou zijn.

Als men Luigi aankeek, dan kon men zich in den jongen man niet vergissen: het was een zeeman van top tot teen. Wat zijn moed en zijne stoutmoedigheid betreft, iedereen kon zich daarvan een goed denkbeeld vormen; want iedereen wist en had gezien, hoe bedaard en onverschrokken hij zes en dertig uren vroeger in de baai van Melléah gehandeld, hoe hij het stoomjacht van den ondergang gered had. Hij werd dan ook door alle opvarenden van ganscher harte toegejuicht. Daarna werd hij door zijn vriend Piet en door kapitein Köstrik door het geheele schip, dat hij in alle zijn bijzonderheden wenschte te bezichtigen, rondgeleid. Laatstgenoemde stond er op, om bij die gelegenheid de eer van zijn schip op te houden. Die bezichtiging beviel den jeugdigen zeeman bovenmate, hetgeen niet te verwonderen was, want de Ferrato was een prachtig schip.

Midderwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria en sprak haar over haren broeder in bewoordingen en uitdrukkingen, die haar hart diep moesten treffen.

„Ja!....” zei ze, „het is geheel zijn vader! Zoowel wat zijn uiterlijk als zijne inborst betreft.”

Op het voorstel, dat haar door den dokter gedaan werd, hetzij om aan boord te blijven tot aan het einde van den voorgenomen tocht, hetzij om direct naar Antekirrta, werwaarts hij haar aanbood haar te doen overbrengen, vroeg Maria om haren broeder bij voorkeur tot Sicilië te mogen vergezellen. Toen werd overeengekomen, dat zij van het oponthoud van de Ferrato in de haven van La Valletta gebruik zouden maken, om hare zaken in orde te brengen, om de weinige meubels en voorwerpen te verkoopen, die als aandenken geen waarde voor haar en haren broeder hadden, om eindelijk het weinige, wat zij bezaten, te gelde te maken, ten einde haren intrek in hare hut aan boord daags vóór het ankerlichten te kunnen betrekken.

Dokter Antekirrt had voor Maria niet verheeld, welke plannen hij vervolgen wilde, totdat zij geheel en al volvoerd zouden zijn. Een gedeelte daarvan was reeds volbracht, daar de kinderen van Andreas Ferrato zich om de toekomst niet meer te bekommeren hadden. Maar de moeielijkste taak bleef nog over.

Er bleef toch nog over aan den eenen kant om op te sporen, waar Silas Toronthal en Sarcany zich ophielden, en aan den anderen kant moest getracht worden zich van Carpena meester te maken.

Dat moest geschieden en dat zou geschieden! Dokter Antekirrt had het bezworen!

Wat de beide eerstgenoemden betrof, rekende de dokter er op, dat hun spoor wel in Sicilië weer te vinden zoude zijn. Want daarheen, meende hij, zouden zij wel getrokken zijn.

En, wat den andere betrof, ja.... men zou zien, men zou zoeken en zoeken tot men hem gevonden had!

Toen het onderhoud zoo ver gevorderd was, vroeg Maria, of zij den dokter afzonderlijk konde spreken.

„Wat ik u mede te deelen heb,” zei ze, toen de dokter zich aan de deur van het salon overtuigd had, dat niemand hen kon hooren, „heb ik zelfs voor mijn broeder verborgen gehouden. Hij zou zich niet hebben kunnen bedwingen en voorzeker zouden nieuwe rampen ons overvallen en getroffen hebben. Ziehier, wat ik u mede te deelen heb.”

„Laat hooren, mijne dochter,” sprak de dokter. „En schenk mij uw geheele vertrouwen.”

„Maar, kan Luigi....?” vroeg Maria Ferrato angstvallig. „Kan Luigi niet komen?”

„Luigi bezichtigt op dit oogenblik het volkslogies vooruit,” antwoordde de dokter. „Kom, ik zal de deur van het salon sluiten, dan kunt gij spreken, Maria, zonder gevaar dat iemand u hooren kan.”

Toen de deur behoorlijk gegrendeld was, namen beiden plaats op een divan en hernam Maria:

„Carpena is hier, heer dokter! Gij behoeft hem dus inderdaad niet ver te zoeken.”

„Hier?”.... vroeg dokter Antekirrt, ten uiterste verbaasd over dien samenloop van omstandigheden.

„Ja!”

„Hier, te Malta? Hoe is dat mogelijk? Vergist gij u niet, Maria? Bedenk u goed.”

„Neen, ik vergis mij niet. Hij is hier en dat reeds sedert eenige dagen, heer dokter.”

„Hier, te La Valletta?”

„Ja!”

„Hoe is het toch mogelijk? Voor mij is het schier ongeloofelijk! Spreek dan toch, Maria!”

„Hij is hier te La Valletta en in het kwartier Manderaggio, waar wij wonen en waar gij u thans bevindt!”

„Weet gij het wel zeker?” vroeg de dokter steeds ongeloovig, terwijl de twijfel op zijn gelaat te lezen was.

„Ja, zeer zeker!”

Dokter Antekirrt was zeer verwonderd, maar zeer vergenoegd tevens over hetgeen hij vernam. Hij dacht een oogenblik diep na en vervolgde toen met ernstige stem:

„Gij vergist u niet, Maria!” vroeg hij met aandrang en bracht de handen als smeekend te zamen.

„Neen, ik vergis mij niet!” zei het jonge meisje op beslisten toon. „Neen, ik vergis mij niet.”

„Inderdaad, het is vreemd; vreemder dan ik betuigen kan en als ik u zou kunnen doen vatten.”

„Het gelaat van dien man is onuitwischbaar in mijn geheugen gebleven. Honderd jaren en meer zouden hebben kunnen voorbijsnellen, dat ik geen oogenblik zoude geaarzeld hebben, om hem te herkennen.... Geloof mij, hij is hier.”

„En, Luigi weet er niets van?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij het meisje aandachtig aankeek.

„Neen, heer dokter.... Dat kan ik u stellig verzekeren. Neen, Luigi weet er niets van.”

Het was evenwel, alsof zij aarzelde met haar verhaal voort te gaan. Dokter Antekirrt moest haar daartoe aanmoedigen.

„Ga voort, Maria,” zei hij, „en verberg mij in Godsnaam niets! Niets, hoort ge, niets.”

„Gij begrijpt, heer dokter, dat ik dat verschijnen van Carpena voor hem geheim moest houden.”

„Waarom?”

„Hij zou dien Carpena opgezocht hebben.... Daaromtrent bestaat bij mij geen twijfel. En....”

„En?” moedigde dokter Antekirrt het jonge meisje aan. „En?... Ga dan toch voort!”

„Hij zou hem uitgedaagd hebben, en wellicht.... zouden zij gevochten hebben.”

„Gij hebt goed gehandeld, Maria! Neen, gij moet niets zeggen. Die man behoort mij alleen toe! Maar....”

„Maar, wat, heer dokter?”

„Meent ge, dat die Carpena u herkend heeft? Er zijn sedert die zaak van Rovigno zoovele jaren heengegaan.”

„Of hij mij herkend heeft, weet ik niet,” antwoordde Maria. „Ik heb hem twee of drie malen in de straten en stegen van het Manderaggio-kwartier ontmoet. Telken male keek hij mij scherp aan en keerde zich zelfs om, om mij met zekere achterdochtige oplettendheid na te kijken. Als hij mij gevolgd is, als hij mijn naam gevraagd heeft, dan moet hij weten, wie ik ben. Is dat niet zoo, heer dokter? En zoudt gij er aan twijfelen dat hij naar mij geïnformeerd zoude hebben?”

„Heeft hij getracht u te naderen? Heeft hij u ooit aangesproken of trachten aan te spreken?”

„Nooit.”

„En kunt ge gissen, om welke redenen hij te La Valletta gekomen is? Malta is toch zijn vaderland niet?”

„Neen, heer dokter, en ook weet ik niet, wat hem hierheen heeft gevoerd. Het kan niet veel goeds zijn.”

„Of weet ge wat hij sedert zijne komst hier uitvoert?” drong dokter Antekirrt verder aan.

„Alles wat ik weet te zeggen,” antwoordde Maria Ferrato, „is dat hij zich te midden van het verfoeielijkste gedeelte van de bevolking van de Manderaggio steeds ophoudt. Hij verlaat de meest verdachte kroegen schier niet, noch bij nacht, noch over dag. Hij kiest daar zijn gezelschap te midden van de grootste en de meest bekende schurken. Daar het geld hem niet schijnt te ontbreken, komt het mij voor, dat hij bezig is met bandieten van zijne soort te ronselen, om met hunne hulp de een of andere slechte daad te kunnen uitvoeren.”

„Hier, meent ge, Maria? Een slechte daad op het eiland Malta?” vroeg dokter Antekirrt.

„Dat heb ik niet kunnen vernemen, heer dokter, en ook niet beweerd.”

„Niet?”

Het gelaat van den dokter was peinzend. Zijne oogen tuurden in het ijle, alsof zij iets zochten.

„Neen,” antwoordde het meisje.

„Dat is jammer; maar ik zal het wel vernemen. Laat dat maar aan mij over. Mijne middelen falen zelden of nooit.”

Piet Bathory en de jeugdige visscher klopten op dat oogenblik aan de deur, waardoor het onderhoud een einde nam.

„Welnu, Luigi,” vroeg dokter Antekirrt, toen de beide jongelieden binnengetreden waren, „heeft Piet u overal rondgeleid en zijt gij voldaan over hetgeen gij gezien hebt?”

„O ja, heer dokter!” antwoordde Luigi Ferrato opgetogen en vol bewondering. „Zeker ben ik voldaan.”

„En, wat verder? Komaan, biecht op! Een zeeman zooals gij, moet zijne oogen bij zoo’n bezoek gebruikt hebben.”

„De Ferrato is een bewonderenswaardig vaartuig!” antwoordde Luigi.

„Het doet mij genoegen, dat het stoomjacht u bevalt,” antwoordde de dokter, „daar gij er tweede bevelhebber op zult wezen, in afwachting dat de gelegenheid zich zal voordoen, om van u een kapitein te maken.”

„O, mijnheer....”

„Mijn waarde Luigi,” hernam Piet Bathory, „vergeet niet, dat wanneer dokter Antekirrt iets voorspelt, het altijd uitkomt! Zijne menschenkennis is zoo groot, dat hij zich nimmer vergist.”

„Ja, altijd uitkomt, Piet; maar zeg daarbij, dat Gods bijstand mij steeds nabij is,” sprak de dokter hoogst ernstig.

Maria en Luigi namen afscheid van dokter Antekirrt en van Piet Bathory, om naar hunne kleine woonvertrekken terug te keeren. Er werd overeengekomen, dat Luigi zijn dienst van eersten officier niet eerder zou aanvaarden, dan nadat zijne zuster Maria haren intrek aan boord zoude genomen hebben. Maria mocht niet alleen in het kwartier Manderaggio verwijlen, daar het, alles wel beschouwd, toch mogelijk was, dat Carpena haar als de dochter van Andreas Ferrato herkend had. In dat geval zouden wraakzuchtige oogmerken voorzeker niet uitblijven.

Toen broeder en zuster vertrokken waren, liet dokter Antekirrt Pescadospunt roepen, dien hij in tegenwoordigheid van Piet Bathory wenschte te spreken.

Pescadospunt verscheen onverwijld en stond daar in de houding van iemand, die steeds gereed bevonden wordt, om een bevel te ontvangen, maar even gereed is om het uit te voeren.

„Pescadospunt,” zei de dokter, „ik zal uwe hulp noodig hebben, en reken er derhalve op.”

„Dat kunt gij voorzeker en in volle vertrouwen, heer dokter; maar hebt gij mij alleen noodig?”

„U alleen.”

„En Kaap Matifou? Mijn arme reus verveelt zich ontzettend.... Ik hoop toch, dat....”

„Neen, eerst gij.”

„Wat moet ik doen? Ik ben geheel tot uw dienst, heer dokter. Spreek, wat moet ik doen?”

„Dadelijk ontschepen. Gij zijt daartoe toch gereed, hoop ik?”

„Mooi. Bekommer u daaromtrent niet. Ik ben al aan den wal.”

„Gij moet u naar Manderaggio, een der onderaardsche kwartieren van La Valletta begeven.”

„Goed. Ik ben er reeds in gedachten, heer dokter. Wat verder. Wat moet ik er uitvoeren?”

„Gij moet er in een of ander logement eene kamer, een krot zoeken. Liefst in de gemeenste herberg van de plaats.”

„In orde. Ik heb goed verstaan, heer dokter. Ik zal daaraan stipt voldoen, dat verzeker ik u.”

„Daar zult gij de handelingen moeten gadeslaan van een man, dien ge geen minuut, geen seconde uit het oog moogt verliezen. Het is zeer belangrijk. Hebt ge goed verstaan?”

„Voorzeker, heer dokter, ik ben gelukkig niet doof en ook niet dom. Maar wat verder?”

„Niemand mag zelfs gissen, dat wij elkander kennen. Ik moet voor u geheel en al een vreemdeling zijn.”

„Zoo, zoo! Als dat uw wil is?.... Ik moet evenwel erkennen, dat dit de zaak moeilijk maakt.”

„Gij moet desnoods u verkleeden, u geheel en al onkenbaar maken. Dat zult ge toch wel kunnen?” vroeg de dokter met een glimlach.

„Mooi zoo, laat dat maar aan mij over! Ik zal mij verkleeden als voor een vastenavondbal!”

„Men heeft mij medegedeeld, dat de man, die het hier betreft, de slechtste en gemeenste knapen van de geheele Manderaggio tracht aan te werven door middel van veel geld.”

„Misschien is het wel een ronselaar voor de een of andere koloniale mogendheid, misschien wel voor Nederland?”

„Luister nu, en staak je geestigheden. Men weet niet voor wiens rekening en voor welk werk die aanwerving geschiedt. Alles gaat daarbij zeer geheimzinnig toe.”

„Zoo zoo!”

„En het is dat geheim, hetwelk ge moet uitvisschen. Hebt gij mij begrepen, Pescadospunt?”

„Ik heb u begrepen, heer dokter, en ik zal het te weten komen. Dat zal zoo moeielijk niet zijn,” antwoordde de kleine schrandere man.

„En als ge vernomen zult hebben, wat ge weten wilt, dan moet ge niet naar boord terugkeeren.”

„Niet?”

„Neen, de voorzichtigheid gebiedt dat; want ge zoudt kunnen gevolgd worden, niet waar?”

„Dat is zoo, heer dokter.”

„Gij zult slechts een klein briefje op de post te La Valletta bezorgen, om mij te waarschuwen. Ik zal dan des avonds met u aan het andere uiteinde van de voorstad La Sanglea te zamen komen.”

„Mooi bedacht,” zei Pescadospunt, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef.

„Daar zal ik u dan aantreffen.”

„Dat is afgesproken, maar....”

„Maar wat?” vroeg dokter Antekirrt.

„Hoe zal ik dien man herkennen? Ik zal toch eenige gegevens dienen te hebben omtrent hem!”

„Dat herkennen zal niet moeielijk zijn. Gij zijt zeer schrander, mijn vriend....”

„O, heer dokter!” zei Pescadospunt op bescheiden toon. „Gij zoudt waarlijk iemand verlegen maken.”

„En ik reken op die schranderheid,” ging de dokter onverstoorbaar voort.

„Maar kan ik ten minste den naam van dien gentleman vernemen? Kent gij dien heer, dokter?”.

„Zijn naam? Wel zeker ken ik dien!”

„Hoe heet hij dan?”

„Carpena.”

„Wat.... Carpena?” riep Piet Bathory, toen hij dien naam hoorde, uit. „Is die Spanjaard hier?”

„Ja,” antwoordde dokter Antekirrt, „en hij woont in hetzelfde kwartier, waar wij de kinderen weergevonden hebben van Andreas Ferrato, van den man, die door zijn toedoen naar het bagno gezonden werd en waar hij den dood gevonden heeft!”

De dokter verhaalde hem toen alles, wat Maria medegedeeld had, terwijl Piet Bathory met Luigi het stoom jacht bezichtigde. Pescadospunt begreep toen, hoe belangrijk het was, dat de dokter een helder inzicht in den toeleg van den Spanjaard verkreeg. Ongetwijfeld voerde die een duister en misdadig plan in het schild en was hij bezig de middelen ter uitvoering in de gemeenste holen van La Valletta op te sporen. Dat was duidelijk en helder als de dag.

Een uur later verliet Pescadospunt het stoomjacht. Om des te beter ieder bespiedingsstelsel te kunnen ontgaan, wanneer hij namelijk gevolgd zou worden, begon hij met door die lange Strada Reale te drentelen, die van het fort Sint Elmo tot aan de voorstad La Floriana zich uitstrekt. Eerst toen de avond gevallen en het vrij donker geworden was, richtte hij eindelijk zijne schreden naar het stadkwartier Manderaggio.

Inderdaad, om eene bende schurken aan te kunnen werven, geheel gereed om alles te ondernemen, zoowel doodslag als plundering, was geen geschikter oord aan te wijzen, en het zou nergens beter gevonden kunnen worden, dan in dat Capharnaüm van die onderaardsche stad. Er werden daar mannen van alle streken, van iederen landaard, zoowel van het westen als van het oosten aangetroffen. Er waren daar gedrosten van de koopvaardijschepen en deserteurs van de oorlogsschepen van alle mogelijke zeevarende natiën; maar vooral bevonden zich daar Maltezers van het ellendigste gehalte, echte sluipmoordenaars, wien nog het bloed van die zeeschuimers door de aderen stroomde, die hunne voorouders zoo gevreesd maakten ten tijde der barbaarsche strooptochten in de Middellandsche zee en zelfs buiten Straat Gibraltar tot op de kusten van Portugal, Spanje en Frankrijk.

Carpena had de opdracht, om een dozijn vastberaden kerels op te sporen, die tot alles in staat waren en voor niets terugdeinsden. Daar in dat dievenhol had hij kies en keur en kostte de keuze slechts weinig moeite. Sedert zijne aankomst te La Valletta verliet hij dan ook de kroegen in de gemeenste straten en stegen van het kwartier Manderaggio niet. Daar kwamen de klanten, die hij opspoorde, hem opzoeken. Dat viel hem gemakkelijk genoeg en ging hem dan ook vlug van de hand. Pescadospunt had dus volstrekt geen moeite om hem uit te vinden. Maar het was niet gemakkelijk uit te vorschen, voor wiens rekening de Spanjaard handelde en vanwaar het geld kwam, dat hij niet spaarde.

Klaarblijkelijk behoorde hem dat geld niet. Het was reeds jaren geleden, dat de premie van vijfduizend gulden, verdiend door en ontvangen na de zaak te Rovigno, verbrast, verspild en opgemaakt was. Carpena, die na zijne verklikking door de algemeene verachting uit Istrië verjaagd en van al de zoutpannen van de geheele kuststrook der Adriatische zee geweerd was geworden, was de wijde wereld ingetrokken. Zijn geld was zoo spoedig mogelijk verdwenen, en van arm, zooals hij voorheen was, verviel hij nu in nog veel ellendiger toestand. Hij was nu leeglooper, bedelaar, landlooper, in één woord: een volslagen schavuit geworden.

Wat geen der lezers verwonderen kan, is dat hij thans in dienst stond van eene vreesverwekkende vennootschap van boosdoeners, voor wie hij een zeker aantal helpers en medeplichtigen moest aanwerven, om eenige ontbrekende schavuiten aan te vullen, die met den strop des scherprechters reeds kennis hadden gemaakt en zoo voor hunne misdaden beloond waren geworden. Dat was het doel, waarom hij zich te Malta en in het bijzonder in het kwartier Manderaggio bevond. Hij was daar waarlijk op de geschiktste plaats, dat moest erkend worden!

Naar welk oord zou hij, na geslaagd te zijn, zijn aangeworven bende moeten voeren? Carpena, die uiterst wantrouwend was jegens de makkers, die hij ronselde, wachtte zich wel dat mede te deelen. Dezen kon dat dan ook weinig schelen; als men hen maar contant betaalde; als men hen maar eene toekomst van diefstallen, van plunderingen in het verschiet liet ontwaren, dan zouden zij een ieder vol vertrouwen tot aan de uiterste grenzen der aarde gevolgd hebben.

Hier verdient verteld te worden, dat Carpena niet weinig verwonderd geweest was, toen hij Maria Ferrato in de straten van het kwartier Manderaggio ontmoette. In weerwil van eene afwezigheid van ruim vijftien jaren, had hij haar dadelijk herkend, zoowel als hij terstond herkend was geworden. Hij gevoelde zich wel gedwarsboomd door het denkbeeld, dat zij te weten was gekomen, wat hij te La Valletta kwam uitvoeren; want dat zou haar voorzeker niet ontgaan zijn.

Pescadospunt moest dus listig te werk gaan, wanneer hij wilde te weten komen datgeen waarbij dokter Antekirrt zoo veel belang had te vernemen, en wat de Spanjaard zoo geheimzinnig voor zich hield. Hij begon met zich eenigermate in het oog loopend in de onmiddellijke nabijheid van Carpena te vertoonen. Deze kon dien jeugdigen bandiet niet onopgemerkt laten, die hem als het ware niet verliet, die zich aan hem vasthechtte, die zich in zijne vertrouwelijkheid indrong, die op hoogen toon tot dat geboefte van Manderaggio sprak, die er zich op beroemde zoo’n debetlijst in zijn schuldboek te bezitten, dat hem daarvan de minste post den strop te Malta, de guillotine in Italië en de garrotto in Spanje zou bezorgd hebben; die de diepste verachting aan den dag legde voor al die bangooren van het kwartier, welke zich onwel gevoelden en niets op hun gemak waren, wanneer zij een politie-agent slechts ontwaarden! Het was een fraaie type, inderdaad, en Carpena, die een echte kenner in het vak was, kon niet anders dan hem naar waarde schatten!

Dat spel, wat uiterst behendig gespeeld werd, had ongetwijfeld tot gevolg, dat Pescadospunt zijn doel eindelijk bereikte. Want in den ochtend van den 25sten Augustus ontving dokter Antekirrt een briefje, waarbij de afgesproken samenkomst in weinige regelen bepaald werd op dienzelfde avond aan het uiterste van de voorstad La Senglea. Dat briefje had Pescadospunt zelf, wantrouwend als hij was, in de bus doen glijden.

Gedurende die laatste dagen was de arbeid aan boord van de Ferrato met alle kracht voortgezet. Binnen drie dagen zou het vaartuig, na behoorlijke herstelling zijner machine, en na zijn voorraad steenkolen aangevuld te hebben, zee kunnen kiezen. Het zou dan geheel gereed zijn.

Dokter Antekirrt begaf zich dienzelfden dag naar de plek, door Pescadospunt aangewezen. Dat was een klein plein, hetwelk door booggangen omgeven en dicht bij den ringweg aan het uiteinde van de voorstad La Sanglea en dicht bij de Quarantainehaven gelegen was.

Het was toen acht uren in den avond. Hoogstens waren er een vijftig lieden op dat pleintje, dat tot markt diende, die evenwel nog niet geëindigd was.

Dokter Antekirrt wandelde te midden van die lieden, zoowel mannen als vrouwen, die allen van Maltezer oorsprong waren en die zijne opmerkzaamheid wel gaande hielden. Plotseling voelde hij evenwel eene hand op zijn arm rusten.

Een afschuwelijke kerel, die walgelijk smerig en slordig gekleed was en wiens hoofd door een ouden gedeukten hoed gedekt was, keek hem in de oogen en bood hem een zakdoek aan.

„Wat wilt ge?” vroeg de dokter half verschrikt.

„Ziehier wat ik zooeven van Uwe Excellentie gerold heb! Het zal zaak zijn, voortaan beter op uwe zaken te passen,” sprak de afschuwelijke kerel.

Dokter Antekirrt slaakte bijna een kreet van verbazing. Hij wreef zich de oogen.

En inderdaad, het was Pescadospunt, maar geheel onherkenbaar onder zijne geleende plunje.

„Gemeene grappenmaker!” zei de dokter, nog niet geheel bekomen van zijne verbazing.

„Grappenmaker, ja!.... Gemeen, dat neen! heer dokter, dat hebt ge inderdaad mis!”

Toen eerst herkende Antekirrt zijn verspieder Pescadospunt. Hij moest hartelijk lachen over zijn vergissing, maar toen ook zonder eenigen overgang:

„En Carpena?” vroeg hij, „zijt gij dien op het spoor?”

„Ja, die is inderdaad bezig met....”

„Met wat?”

„Met het aanwerven van een twaalftal der meest doortrapte schurken van geheel Manderaggio.”

„Voor wien?”

„Voor rekening van een zekeren Zirone!” antwoordde Pescadospunt met een sluwen glimlach op het gelaat.

„Van Zirone van Sicilië?” vroeg dokter Antekirrt overhaast en eenigermate ontstuimig.

„Inderdaad.”

De dokter zweeg een poos, om na te denken.

De Siciliaan Zirone, de medeplichtige van Sarcany. Dat was waarlijk eene goede tijding! Maar welke betrekking kon er bestaan tusschen die twee ellendelingen en Carpena?

Na eenig nadenken kwam de dokter tot de navolgende slotsom, waarin hij zich niet bedroog.

Het verraad van den Spanjaard, hetwelk de gevangenneming van de vluchtelingen uit den vestingtoren te Pisino ten gevolge had gehad, had onmogelijk voor Sarcany onbekend kunnen gebleven zijn. Deze had Carpena waarschijnlijk doen opsporen en had hem toen natuurlijk in de diepste ellende aangetroffen. Hij had waarschijnlijk geen oogenblik geaarzeld, om van hem een dier agenten te maken, die Zirone in den dienst van de roovers-gemeenschap, waartoe hij behoorde, bezigde.

Carpena zoude dus thans een eerste baken zijn op het spoor waarop dokter Antekirrt nu niet meer blindelings zoude voortschrijden. Zijn gelaat ademde dan ook een glans van tevredenheid, die den kleinen acrobaat niet ontging.

„Zijt gij er achter gekomen, tot welk doel die ronselarij plaats heeft?” vroeg hij aan Pescadospunt.

„Ja, voor eene rooversbende,” antwoordde deze, zonder eenige aarzeling.

„Voor welke rooversbende?”

„Wel, voor eene rooversbende op Sicilië.”

„Op Sicilië?.... Juist!.... dat komt uit,” sprak dokter Antekirrt als in zichzelven. En later, overluid: „En waar is die bende werkzaam? Weet gij dat ook?”

„In de oostelijke provinciën, tusschen Syracuse en Catania,” antwoordde Pescadospunt.

„Tusschen Syracuse en Catania?” vroeg de dokter nadenkend en als in gedachten verzonken.

Pescadospunt knikte bevestigend. De kleine man was in zijn nopjes. Het scheen, dat hij goede tijding gebracht had.

Zonder twijfel, het spoor was weergevonden. En dat was voorzeker eene goede tijding voor dokter Antekirrt.

„Hoe hebt ge u die inlichtingen verschaft?” vroeg deze met de meeste belangstelling.

„Van Carpena zelven,” antwoordde Pescadospunt, niet zonder een zweem van zelfvoldoening in zijn stem.