Part 16
„Och kom! Heeft hij zooveel vertrouwen in u gesteld? Het is haast ongeloofelijk!”
„En toch is het zoo. Carpena heeft genegenheid voor mij opgevat, en inderdaad, ik beveel dien man in Uwe Excellentie’s hooge bescherming aan....”
De dokter antwoordde met een glimlach. Hij begreep den guitigen Pescadospunt.
„Gij kunt thans aan boord van het stoomjacht terugkeeren,” hernam hij na een poos.
„Nog niet,” mompelde Pescados zoo zacht, dat dokter Antekirrt hem niet hoorde.
„En uwe kleeding tegen eene meer voegzame verruilen,” ging deze voort. „Gij zult er wel naar haken, niet waar?”
„Waarachtig niet, die kleeding past mij,” antwoordde de acrobaat met een gullen glimlach.
„Past u? Wat bedoelt ge?”
„Ik heb de eer bandiet te zijn van den troep van Zirone! Ik behoor mij zelven niet meer toe!”
„Vriend,” sprak de dokter. „Zou het mogelijk zijn? Dat kan niet, Pescadospunt.”
„Kom, gekheid!.... Het is maar eene rol, die ik speel, heer dokter. En ik wil haar goed vervullen.”
„Bij dat spel, waagt gij uw leven, vriend!.... Bedenk dat wel! Daar valt niet mede te schertsen.”
„Dat leven is ten uwen dienst, heer dokter; dat leven is u geheel gewijd,” antwoordde Pescadospunt. „Laat mij de vrijheid u dat te zeggen; maar nog meer: de vrijheid om dienovereenkomstig te handelen.”
„Brave jongen!” mompelde dokter Antekirrt, terwijl hij zich omkeerde, ten einde zijne aandoening te verbergen.
„Daarenboven,” ging Pescadospunt voort, „ik kan zonder bluffen, of zonder verwaandheid zeggen, dat ik een beetje snugger ben en kijk; het zou mij razend veel genoegen doen, en mij zelf trotsch maken, wanneer ik die lieden een gloeienden kool kon stoven.”
Dokter Antekirrt begreep, dat onder de gegeven omstandigheden de medewerking van Pescadospunt voor zijne plannen zeer nuttig kon zijn. Door die rol op zich te nemen, was de schrandere jongen er in geslaagd, het vertrouwen van Carpena te winnen, en zelfs zoodanig; dat hij hem zijne geheimen ontlokt had. Waarlijk, men moest hem laten begaan. Het zou jammer zijn, inderdaad, hem daarin hinderlijk te zijn.
Toen zij na een tiental minuten de zaken genoeg bepraat en overwogen hadden, besloten de dokter en Pescadospunt, die niet bij elkander gezien wilden worden, te scheiden.
Pescadospunt volgde de kaden van de voorstad La Sanglea, huurde daar in de groote haven eene sloep en keerde zoo naar het kwartier Manderaggio terug.
Voordat hij evenwel daarheen goed en wel op weg was, was de dokter reeds aan boord van het stoomjacht weergekeerd. Daar aangekomen, bracht hij Piet Bathory nauwkeurig op de hoogte van alles, wat hij vernomen had. Terzelfdertijd meende hij voor Kaap Matifou niet te moeten verbergen, dat Pescadospunt voor het algemeen welzijn in eene vrij gevaarlijke onderneming gewikkeld was. Dat meende hij aan die twee getrouwe vrienden verplicht te zijn.
De Hercules schudde het hoofd, opende en kneep driemalen achter elkander zijne handen dicht. Daarna zou men hem hebben kunnen hooren in zich zelven prevelen en herhalen:
„Dat hem geen haar bij zijn terugkeer op zijn hoofd ontbreke! Neen, geen haar, of de duivel....”
De laatste woorden beduiden meer dan Kaap Matifou zou hebben kunnen doen verstaan, wanneer hij het talent had bezeten, om lange volzinnen te kunnen fabriceeren. Maar zoo gaat het meer in de wereld. De generaals van de daad zijn zelden generaals van de praat en omgekeerd.
X.
IN DE OMSTREKEN VAN CATANIA.
Wanneer de mensch belast ware geweest met de vervaardiging van den aardbol, dan had hij hem zeer waarschijnlijk op eene draaibank zonder ruwe oppervlakte, zonder verhevenheid, zonder naad, plooi of rimpel, glad als een biljardbal afgewerkt. Hij zou dan in zijne zelfoverschatting meenen, een waar kunststuk volvoerd te hebben, en hij zou moeilijk van dat denkbeeld terug te brengen zijn geweest.
Maar zooals de aardbol thans bestaat, is hij het werk van den Schepper, en die had voorwaar andere inzichten.
Op de Siciliaansche oostkust, tusschen Aci Reale en Catania, welke ons voornamelijk gaat bezighouden, ontbreken dan ook de kapen, de klippen, de voorgebergten, de steile kustwanden, de grotten, de rotsen niet, en maken die deze streek tot de heerlijkste kuststrook van de geheele wereld, de Noorweegsche kust en die van West-Schotland zelfs niet uitgezonderd.
In dat gedeelte van de Middellandsche zee begint de zeeëngte van Messina, welker tegenovergestelde oever omgeven is door den Calabrischen bergketen. Zooals die Straat, die kusten, dat gebergte, hetwelk door den vulkaan de Etna beheerscht wordt, ten tijde van Homerus was, zoo bestaat het tegenwoordig nog; dat wil zeggen: prachtig en verrukkelijk! Als het woud, waarin Eneas Achemenidas opnam, ook al verdwenen is, zoo zijn toch de grot van Galathea, de grot van Polyphemus, de eilanden der Cyclopen en verder noordwaarts de klippen van Charybdis en van Scylla op hunne historische plaats gebleven, en de reiziger kan den voet zetten, de plek aanraken, waar de Trojaansche held aan wal kwam, toen hij Sicilië aandeed met hèt doel, om een nieuw koninkrijk te stichten.
Dat den reus Polyphemus andere en meerdere kunststukken kunnen en moeten worden toegeschreven dan aan onzen Herculischen Kaap Matifou, is waar en ook aannemelijk, maar daartegenover staat dat onze Kaap Matifou het voordeel heeft levend te zijn, terwijl Polyphemus reeds sedert drie duizend jaren overleden is; wel te verstaan, wanneer hij ooit bestaan heeft, wat betwijfeld kan worden, in weerwil van hetgeen Ulysses volgens Homerus ook omtrent hem verhaald heeft. Eliseus Reclus, een Fransch geschiedvorscher, merkt inderdaad op, dat met dien beruchten cycloop zeer waarschijnlijk eenvoudig de Etna bedoeld werd, wiens kratertop gedurende de uitbarstingen als een onmetelijk oog op den top van den berg schitterde en die van boven zijn rotsachtigen steilen bergwand geheele rotsblokken nederstortte, die tot eilanden en klippen werden, zooals met de Faraglioni gebeurd is. Of dat schrander door Reclus gezien is, zullen wij niet onderzoeken.
Die Faraglioni zijn op eenige honderd meters van de kust en van den weg naar Catania, gelegen, waarlangs thans de spoorbaan van Syracuse naar Messina voert. Die rotsblokken daar in zee worden de eilandjes der Cyclopen genoemd. De grot van Polyphemus is daar niet ver van verwijderd, en langs de geheele kust wordt het oorverdoovend geraas vernomen, dat de zee daar onder die basalt-gewelven maakt. Het is om er inderdaad doof te worden!
Te midden van die rotsen zaten twee mannen, die weinig gevoel voor de bekoorlijkheden der geschiedkundige herinneringen hadden in den avond van den 20sten Augustus over sommige teedere zaken te praten, die de Siciliaansche maréchaussées dolgaarne zouden opgevangen hebben. Dat had hun eer en bevordering aangebracht.
Een van die beide mannen, die de aankomst van den anderen sedert eenigen tijd, afgewacht had, was Zirone.
De andere, die van den kant van Catania kwam, was Carpena.
„Zoo, zijt ge eindelijk daar?” riep Zirone wrevelig uit. „Gij hebt u wel laten wachten.”
„Om het even; zooals gij ziet, ben ik er thans,” antwoordde de Spanjaard.
„Maar gij komt vrij laat,” knorde de Siciliaan gemelijk.
„Dunkt u dat?” was de luchtige vraag.
„Ik dacht waarachtig dat ge verdwenen waart, zooals het eiland Julia, de vroegere buurvrouw van Malta deed....”
„Och kom.”
„En dat ge tot voedsel der thonijnen, der makreelen en der bonicous in de diepte van de Middellandsche zee gediend had! Of hun die kost gesmaakt zou hebben? Pouah!” sprak Zirone.
Zooals de lezer ziet, al waren vijftien jaren, volgens de uitdrukking van den dichter, over het hoofd van den makker van Sarcany gevaren, zoo had hij toch, in weerwil van het stijgen der jaren, zijne gewone spraakzaamheid volstrekt niet verloren, evenmin als zijne gewone onbeschaamdheid. Met zijn hoed op een oor, met een bruinachtigen kapmantel over de schouders geslagen, met slobkousen tot aan de knie gebonden, had hij werkelijk het uiterlijk van hetgeen hij was en wat hij nooit opgehouden had te zijn, namelijk: een bandiet.
„Ik heb niet vroeger kunnen terugkomen,” antwoordde Carpena, „en eerst dezen ochtend heeft mij de pakketboot te Catania aan wal gezet. De overtocht was waarlijk niet voorspoedig.”
„Gij en uwe mannen, niet waar?” vroeg de Siciliaan niet zonder nadruk op die woorden: „uwe mannen”.
„Ja.”
„Hoeveel kerels hebt ge?”
„Juist een dozijn!” antwoordde Carpena droogweg, maar toch met eenige snoeverij in zijne stem.
„Niet meer dan dat getal?” vroeg Zirone zichtbaar teleurgesteld. „Dat’s weinig.”
„Me dunkt.”
„Het is weinig, herhaal ik. Wij zouden veel meer kunnen gebruiken. Dat wist ge!”
„Maar het zijn opperbesten, Zirone geloof mij. Kerels, die wat durven, als het er op aankomt.”
„Kerels uit het kwartier Manderaggio?.... Ziet, dan zou ik tevreden zijn. Die zijn tot alles in staat.”
„Heu, heu,” meesmuilde Carpena, terwijl hij dubbelzinnig de schouders optrok.
„Nu, spreek! Ik ben ongeduldig te vernemen, wat gij aangeworven hebt. Wie zijn het?”
„Och, het zijn zoo wat mannen van overal, maar onder hen bevinden zich vele Maltezers.”
„Als zij maar goed zijn, hoe onvoldoende hun aantal ook zij, dan zijn die nieuw aangeworvenen toch welkom,” antwoordde Zirone; „want sedert eenige maanden is het werk moeitevol en kostbaar. Het is of de maréchaussées in den tegenwoordigen tijd in Sicilië overal uit den grond opdoemen en zij zullen weldra even talrijk zijn als de pantoffelzoolen van den Paus in de overdekte gaanderijen van het Vaticaan.... Maar, ik herhaal, als je koopwaar maar in goede hoedanigheid uitmunt.... Als zij maar puik is.... dan zal dat veel vergoeden.”
„Dat geloof ik ook, Zirone,” antwoordde Carpena, „en ge zult ze bij de proef kunnen beoordeelen.”
„Het zij zoo! En ik hoop, dat gij u goed van uwe taak zult gekweten hebben.”
„Amen,” sprak Carpena, die een eind aan dat gezeur wenschte. „Maar ik breng ook een mooien jongen mede, een gewezen potsenmaker op de kermissen, die schrander en vlug is, en die een uiterlijk heeft, dat men er desnoods een meisje van zou kunnen maken. Ik geloof, dat hij ons groote diensten zal kunnen bewijzen.”
„Is hij te vertrouwen?” vroeg Zirone nieuwsgierig. „En wat voerde hij te Malta uit?”
„Hij rolde horloges, wanneer de gelegenheid er zich toe leende, of zakdoeken, wanneer hij geene uurwerken kon kapen.”
„En hoe heet dat puikje van alle kerels?” vroeg Zirone, nog al nieuwsgierig.
„Pescados.”
„Pescados! Wat een vreemde naam is dat!.... Vindt ge ook niet? Wat beteekent die?”
Carpena trok de schouders op, om te kennen te geven, dat hij het niet wist. Toch antwoordde hij:
„Ik meen visscher, als ik goed gehoord heb. Maar ik kan er onmogelijk voor instaan.”
„En hij is stoutmoedig en vlug, zegt ge? Daarop komt het in de eerste plaats aan, dat weet ge.”
„Als een aal en als een leeuw,” antwoordde Carpena op beslisten toon en zonder eenige aarzeling.
„En slim?”
„Als een aap. Daarmede is—meen ik—alles gezegd. Ik beweer zelfs, dat hij zoo’n dier de loef afwint.”
„Welnu, wij zullen zijne talenten en zijne schranderheid zien te gebruiken. Maar waar hebt gij die bende onder dak gebracht?”
„In de herberg Santa Grotta, boven Nicolosi,” antwoordde Carpena. „Daar heb ik hen onder de hand.”
„En ge gaat uw herbergiersbaantje hervatten?” vroeg Zirone nog al nieuwsgierig.
„Morgen, bij het aanbreken van den dag.... Ten minste als er zich niets tegen verzet.”
„Dat kan niet.”
„Wat kan niet?” was de verbaasde vraag van Carpena. „Ik zou wel eens willen weten, wie of wat dat zou kunnen verhinderen.”
„Ge kunt morgen geen herbergier worden, want dat moet heden nog geschieden,” zei Zirone op afdoenden toon. „Hedenavond nog, hoort ge, zoodra ik mijne instructies, die ik ieder oogenblik wachtende ben, ontvangen zal hebben.”
„Nu, mij wel!” antwoordde Carpena vrij gedwee en onderdanig. „Maar wat is er aan de hand?”
„Ik wacht hier den sneltrein van Messina op. In het voorbijsnorren moet mij een briefje door het portier van het laatste rijtuig toegeworpen worden.”
„Een briefje van wien?” vroeg Carpena.
„Gij schijnt wel afgestompt door uw verblijf te Malta. Begrijpt ge mij niet?”
„Van hem?....”
„Ja.... van hem!.... Doordat zijne huwelijksplannen steeds niet slagen, noodzaakt hij mij, om te werken, ten einde te kunnen leven! Maar.... bah! wat zou men al niet voor zoo’n wakkeren makker uitvoeren? Ik ben in staat om voor dien kerel alles, ja alles te doen.”
In dit oogenblik werd een verwijderd gerommel, vernomen, dat evenwel onmogelijk door het geluid der branding op het strand duidelijk kon onderscheiden worden. Na eenigen tijd aandachtig geluisterd te hebben, waren de beide mannen het weldra eens, dat het geluid van den kant van Catania kwam. Dat was de trein, die door Zirone verwacht werd. Carpena en hij beklommen toen de rotsen en weinige minuten later stonden zij langs de spoorbaan, die door geen hekwerk of door geen palissaden afgesloten werd.
Twee malen floot de locomotief, alvorens een naburige kleine tunnel binnen te stoomen, en kondigde zoo de nadering van den trein aan, die evenwel met gematigde snelheid voortstoomde. Weldra werd het gegil van het stoompaard duidelijker, de seinlantaarns schitterden in de duisternis met twee helderwitte stralen, en verlichtten de spoorstaven voor zich uit met een streep van vuur.
Zirone volgde uiterst oplettend met den blik den trein, die zich op slechts weinige passen van hem verwijderd, ontwikkelde en met hevig geratel en gegil voorbijsnorde.
Nog was het laatste rijtuig ter zijner hoogte niet gekomen, toen het raam daarvan naar beneden gleed en een vrouwenhoofd in de omlijsting daarvan verscheen. Zoodra zij den Siciliaan op zijn post ontdekte, smeet zij vlug en behendig een oranjeappel naar buiten, die over de baan rolde, opsprong, nogmaals rolde en eindelijk op ongeveer twintig passen van Zirone in het lang opgeschoten gras bleef liggen.
Die vrouw was Namir, de verspiedster van Sarcany. Zirone had haar duidelijk herkend.
Weinige minuten later was zij met den trein in de richting van Aci Reale verdwenen.
Zirone raapte den oranjeappel op, die eigenlijk bestond uit de twee helften eener bast van die vrucht, die door middel van een draad te zamen gehouden werden. De Spanjaard en hij zochten toen eenige beschutting achter eene hooge rots, die hen—hoewel daarvoor weinig in dit nachtelijk uur te vreezen was—voor onbescheiden blikken moest dekken. Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg, spleet den oranjeappel open en haalde er een briefje uit, hetwelk het navolgende bericht bevatte:
„Hij hoopt u binnen vijf of zes dagen te Nicolosi te ontmoeten. Wantrouwt vooral dokter Antekirrt!”
Klaarblijkelijk had Sarcany te Ragusa vernomen, dat die geheimzinnige persoon, waarmede de algemeene nieuwsgierigheid zich zoozeer bezig gehouden had, twee malen ontvangen was geworden ten huize van mevrouw de weduwe Bathory. Daardoor was eene zekere ongerustheid opgewekt geworden bij dien man, die gewoon was, alles en allen te wantrouwen. En daarom ook had hij die wijze verkozen, zonder zich van de post te bedienen, door tusschenkomst van Namir dat bericht aan zijnen makker Zirone te doen toekomen. Dat was uitermate voorzichtig, dit moest erkend worden.
De Siciliaan stak het briefje in zijn zak, blies de lantaarn uit en zich tot Carpena wendende:
„Hebt ge ooit van eenen dokter Antekirrt hooren spreken?” vroeg hij hem.
„Neen,” antwoordde de Spanjaard.
„Ge weet ook niets,” gromde Zirone zoo knorrig mogelijk. „Ik had gehoopt dat....”
„Maar misschien kent de kleine Pescados hem,” viel Carpena hem in de rede.
„Waaruit maakt ge dat op? Hoe zou hij dien dokter Antekirrt kennen?”
„Die lieve jongen weet alles! Het is een wonderbaarlijk kereltje, dat u verbazing afpersen zal!”
„Dat zullen we zien.”
Een oogenblik zwegen beiden; daarna hervatte Zirone, na eerst nog voorzichtig rondgekeken te hebben.
„Zeg eens, Carpena, ge zijt toch niet bang, wanneer ge des nachts reist, niet waar?”
„Ik ben des nachts minder bang dan over dag, Zirone!” antwoordde de Spanjaard.
„Dat is nog al leuk,” lachte de Siciliaan schamper.
„Dunkt u?”
„Ja over dag loopt ge gevaar maréchaussées te ontmoeten, die al te onbescheiden kunnen zijn, niet waar?”
Carpena grinnikte, maar antwoordde niet. Dat grinniken kon trouwens voor toestemming gelden.
„Welnu, laten wij dan voortmaken! Wij moeten binnen drie uren in de herberg Santa Grotta zijn.”
„Dat is drommels ver,” zei Carpena op een toon, alsof hij eenigermate uit het veld geslagen was.
„Ja, het is een aardig eindje weg. Kom, voort!.... Gij zijt toch niet moede, hoop ik?....”
„Dat nu wel niet,” pruttelde Carpena. „Toch houd ik niet van ver loopen.”
En beiden sloegen, na de spoorbaan overgestoken te hebben, een voetpad in, dat Zirone goed kende en dat hen langs het voorgebergte van den Etna, naar de terreinen van secondaire vorming, die den vulkaan omgeven, voerde.
Ongeveer tien jaren geleden bestond in Sicilië en voornamelijk te Palermo, de hoofdstad van het eiland, eene vereeniging, eene vennootschap als het ware, van boosdoeners. De leden daarvan waren als die van een geheim genootschap, door een soort vrijmetselaarsrituaal aan elkander verbonden, en telden verscheidene duizende toegetreden leden.
Diefstal en smokkelarij door alle mogelijke middelen, dat was het doel van die vennootschap der Maffia, waaraan vele handelaren en vele nijveren eene soort van jaarlijksche schatting betaalden voor de vergunning, om zonder lastig gevallen te worden, hun nijverheidstak te kunnen beoefenen of hunnen handel te kunnen drijven.
Op dat tijdstip—dat wil zeggen vóór de zaak van de Triëster samenzwering—waren Sarcany en Zirone als de voornaamste geaffilieerden der Maffia en als hare meest ijverige suppoosten te beschouwen.
Eevenwel begon de vennootschap, ten gevolge van den vooruitgang in alle zaken en ten gevolge van een beter administratief bestuur der steden, al liet dat der dorpen en gehuchten nog veel te wenschen over, zich in hare handelingen en bewegingen belemmerd te gevoelen. De schattingen en andere inkomsten daalden merkbaar. Het meerendeel der geassocieerden verspreidden zich dan ook en zochten in het rooversbaantje een meer voordeelig middel van bestaan.
In dit tijdstip juist veranderde de politieke toestand van Italië zeer, door het tot standkomen zijner eenheid en zelfstandigheid. Sicilië moest evenals de andere provinciën het algemeen lot ondergaan en zich aan de nieuwe wetten en vooral aan het juk van de conscriptie of, zooals wij Nederlanders zeggen: aan het juk der nationale militie onderwerpen. Dat lokte tot oproer uit, dat vormde ontevredenheid bij hen die zich niet naar de wetten wilden gedragen, dat deed weerspannigen aan de wet geboren worden, die weigerden in dienst te treden. Dat waren allen lieden zonder gewetensbezwaren, „milfissie” zooals zij genoemd werden, die begonnen benden te vormen en het land af te loopen. Het was een eigenaardig tijdperk, dat Sicilië toen doorworstelde.
Zirone stond juist aan het hoofd van een dier benden, en toen het gedeelte van de goederen van graaf Mathias Sandorf, hetwelk Sarcany als prijs voor zijne verklikking toegewezen was, verbrast en verzwendeld was, waren beiden naar Sicilië teruggekeerd, om in afwachting, dat de gelegenheid zich zou aanbieden, om weer in beter doen te geraken, hun edel bedrijf van struikroover, van bandiet weer ter hand te nemen.
Die gelegenheid zou zich aanbieden, zooals zij namelijk hoopten, wanneer het huwelijk van Sarcany met Sava, de dochter van den bankier Silas Toronthal, tot stand kwam. De lezer weet evenwel hoe en onder welke omstandigheden steeds een kink in den kabel kwam, hoe die verbintenis tot heden steeds schipbreuk geleden had. Het was voor de arme vennooten waarlijk om te vertwijfelen!
Dat Sicilië is een land, hetwelk bijzonder gunstig geschikt geoordeeld mag worden voor de heldendaden van het rooversambt, zelfs in het tegenwoordige tijdperk. Het oude Trinacria, met zijn omtrek van zeven honderd en twintig kilometers, gemeten tusschen de hoekpunten van dien kolossalen driehoek, die in het noordoosten: kaap Faro, in het westen: kaap Marsala, in het zuidoosten: kaap Pessaro vormen, bevat bergketenen, zooals het Pelorische en het Nebrodische gebergte, daarenboven nog een onafhankelijk vulkanisch stelsel, waarvan de Etna nagenoeg het centrum uitmaakt. Het bezit waterstroomen als: de Giarella, de Cantaria, de Platani; bevat bergstroomen, valleien en dalen, vlakten, steden, die uiterst moeielijke verbindingswegen met elkander bezitten; burchten, die bijna ongenaakbaar zijn, dorpen, die tusschen steile rotswanden verscholen, ja verloren liggen; alleenstaande kloosters in de kloven of op de bergnokken, in één woord: een aantal schuilplaatsen, waarheen de terugtocht voor den boosdoener als aangewezen is; en eene menigte inhammen en kreeken, alwaar de zee duizenden gelegenheden aanbiedt, om langs den waterkant te ontvluchten en te ontkomen.
Dat stuk Siciliaansche grond stelt in het klein, als beknopt, de aardbol voor, waar alles aangetroffen wordt, wat op het aardrijk te vinden is, als: bergen, vulkanen, kraters, fumarolen, solfatara’s, weiden, akkers, stroomen, rivieren, meeren, stortvloeden, beeken, steden, dorpen, gehuchten, havens, baaien, kreeken, haften, inhammen, voorgebergten, kapen, klippen, zandbanken, eilanden enz., en dat alles ter beschikking van eene bevolking van ongeveer twee millioen inwoners, verdeeld over eene oppervlakte van zes en twintig duizend vierkante kilometers, hetgeen eene bevolkingsdichtheid geeft van 76,9 per vierkanten kilometer.
Welk tooneel zou beter geschikt kunnen bevonden worden voor de bedrijvigheid van het bandieten-handwerk? Hoewel dat handwerk dan ook neiging tot vermindering toont; hoewel de Siciliaansche roover evenals de Calabrische zijn tijd schijnt gehad te hebben, en hij vogelvrij verklaard is; hoewel de bewoners beginnen te begrijpen, dat gezette arbeid op den duur meer loonend dan diefstal is, zoo is het toch steeds aanbevelingswaardig voor reizigers, dat zij niet zonder voorzorgsmaatregelen het binnenland intrekken. Zij moeten gedenken, dat daar nog altijd vereerders van Mercurius, den god der dieven aangetroffen worden; ook dat de gelegenheid in den regel den dief maakt.
Het mag niet verheeld worden, dat in de laatste jaren de Siciliaansche maréchaussées, die zeer waakzaam en steeds gereed om uit te rukken zijn, eenige zeer gelukkige tochten in de oostelijke provinciën ondernomen hadden. Verscheidene benden, die in hinderlaag gevallen waren, werden gedeeltelijk verdelgd, in ieder geval voor langen tijd onschadelijk gemaakt. Onder die laatste behoorde ook de bende van Zirone, die nog maar dertig koppen telde. Dat was de reden, waarom hij besloten had zijn troep met vreemde bestanddeelen en voornamelijk met Maltezer bloed te versterken. Hij wist, dat in de verpeste holen van het kwartier Manderaggio, hetwelk hij vroeger dikwerf gelegenheid had te bezoeken, zich honderde werkelooze bandieten ophielden. Daarom was Carpena naar La Valletta vertrokken, en indien deze slechts twaalf mannen medebracht—hetgeen weinig was,—dan moest toch gezegd worden, dat het een uitgezocht zoodje was; zoodat Zirone’s teleurstelling niet groot was, hoewel hij beter verwacht had.
De lezer moet zich niet verwonderen, dat de Spanjaard Carpena zooveel toewijding aan den dag legde, zoowel bij het verkennen van het terrein, als bij het bespionneeren der bedreigden en bij het uitoefenen van de functie van kastelein van de herberg Santa Grotta, een afschuwelijk moordhol, hetwelk op de eerste hellingen van den vulkaan, maar toch op eene vrij aanzienlijke hoogte gelegen was.