Part 14
Malta is een eiland, dat ruim acht en twintig kilometer lang en ongeveer zestien breed is. Het heeft La Valletta, met zijne ap- en dependentiën, tot hoofdstad en bezit vele andere steden, dorpen, gehuchten en vlekken, zooals de stad der voornamen of Citta Vecchia—eene soort van heilig woonoord, dat tijdens de ridders de zetel van den bisschop was;—verder Bosquetto, Dinghi, Zebug, Itardo, Berkercara, Luca, Farrugi, enz. enz. Het eiland is in zijn oostelijk gedeelte vrij vruchtbaar; daarentegen zeer onvruchtbaar in het westelijk gedeelte, zoodat dit een opmerkelijk contrast daarstelt, hetwelk zich merkbaar maar uiterst natuurlijk vertolkt, door de meerdere dichtheid zijner bevolking in het oosten.
Die bevolking evenwel bedraagt hoogstens slechts honderd duizend inwoners.
Wat de natuur voor dat eiland gedaan heeft, door in zijne kuststrooken vier of vijf havenkommen, die onder de fraaiste der geheele wereld kunnen gerekend worden, in te snijden, overtreft alles wat het sterkste brein zou kunnen uitdenken. Overal water, overal vooruitspringende punten, overal kapen en voorgebergten, overal hoogten geheel gereed om met vestingwerken, met redouten, met lunetten, met halvemanen en met batterijen overdekt te worden. De tempelridders hadden er dan ook reeds een oord van gemaakt, dat zeer moeielijk te veroveren zou zijn geweest; maar de Engelschen die het op listige wijze verkregen en het, in weerwil van het verdrag van Amiens, behouden hebben, hebben het geheel met militaire werken overdekt en derhalve volkomen onneembaar gemaakt.
Geen pantserschip kan, naar het schijnt, de toegangen van de vaarwaters van de Groote Mars of van de groote haven, evenmin als die van de Quarantaine of Mars-Muscatto forceeren. Daarenboven zoo’n schip zoude daartoe moeten kunnen naderen; maar thans staan aan de zeezijde twee kanonnen van honderd tonnen in batterij, die met hunne hydraulische werktuigen, om de lading te vergemakkelijken, en het richten te verzekeren, een projectiel van negen honderd kilogrammen op een afstand van vijftien kilometers schieten. Een kleine waarschuwing voor de Staten, die het betreuren, dat dit bewonderenswaardige station, hetwelk het middengedeelte der Middellandsche Zee beheerscht en dat al de vloten en smaldeelen van het Vereenigde Koninkrijk kan bevatten, in handen der Engelschen is gebleven.
Zeker zijn er bij zulk een staat van zaken Engelschen te Malta. Evenwel niet veel.
Er is een gouverneur-generaal, die in het oude paleis van den Grootmeester der Orde van de Maltezer ridders gevestigd is; er is een admiraal, bevelvoerder der marine en der havenplaatsen; men treft er ook een garnizoen van vijf of zes duizend manschappen aan. Men vindt er ook Italianen, die er zich zoo gaarne te huis zouden willen gevoelen; vervolgens ook nog eene vlottende bevolking, die cosmopoliet is als die van Gibraltar; en eindelijk zijn er ook nog de Maltezers.
De Maltezers zijn Afrikanen. Dat is buiten kijf. In de havenkommen varen zij met hunne vaartuigen, die veelkleurig beschilderd, bevlagd en bewimpeld zijn; in de straten rijden zij met hunne rijtuigen langs wegen met duizelingwekkende hellingen; op de markten verkoopen zij vruchten, groenten, vleeschsoorten, visch, enz., en dat alles onder de bescherming van een lampje ter eere van een bont geschilderd heiligenbeeld en te midden van een oorverdoovend spectakel.
Men zou zeggen, dat daar alle mannen op elkander gelijken. Zij bezitten dezelfde gebruinde huidskleur, dezelfde zwarte eenigszins gekroesde haren, dezelfde vurige oogen, dezelfde middelmatige maar stevige en krachtige gestalte, dezelfde gebogen neus, die onwillekeurig aan het Semitische ras doet denken; dezelfde fijne dunne lippen, die zich onder een vrij langen knevel verschuilen.
Men zou zweren, dat alle vrouwen tot een en dezelfde verwantschap behooren, met hare groote oogen met lange wimpers, met haren donkeren haardos, met hare bekoorlijke handen, met hare fijn gevormde beenen, met haar lenig keurs, met hare zekere soort van „morbidessa”, gepaard aan eene blanke huidskleur, welke door de zon onder hare „falzetta,” een soort van manteltje van zwarte zijde, geheel naar de Tunische mode opgemaakt, en door alle klassen gedragen en tegelijkertijd tot kapsel, mantilje en zelfs tot waaier dienende, niet gebruind wordt.
De Maltezers bezitten in de volste mate het meest uitgebreide koopmansinstinct. Men ontmoet ze overal, waar wat te koopen of te verkoopen valt. Zij zijn arbeidzaam, spaarzaam, zuinig, nijver, matig; maar daartegenover zijn zij ook heftig, wraakzuchtig en jaloersch. Vooral het mindere volk geeft den opmerker gelegenheid hunnen volksaard gade te kunnen slaan. Zij spreken een soort plat taaleigen, waarvan het grondbestanddeel uit de Arabische taal bestaat, als een overblijfsel van de overheersching, die den val van het Romeinsche Keizerrijk ten gevolge had. Dat taaleigen is levendig, bezielend, schilderachtig en leent zich uitstekend tot overdrachtelijke uitdrukkingen, tot beeldspraak en vooral tot dichterlijke omschrijvingen. Het zijn onovertroffen zeelieden, wanneer men er in slaagt, hen in dienst te houden, en stoutmoedige visschers, die door de veelvuldige stormen in die zeeën gehard en met het gevaar volkomen vertrouwd gemaakt zijn.
Op dat eiland oefende Luigi thans zijn ambacht met dezelfde stoutmoedigheid uit, alsof hij Maltezer van geboorte ware, en het was daar dat hij nu sedert bijna vijftien jaren met zijne zuster Maria Ferrato woonde.
La Valletta en hare onderhoorigheden, werd hierboven gezegd. En terecht, want er bestaan inderdaad zes steden op zijn minst, die zich achtereenvolgens langs de beide havenkommen van de Groote Mars en van de Quarantaine uitstrekken. Floriana, La Senglea, La Cospiqua, La Vittoriosa, La Sliema, La Misida zijn niet als voorsteden te beschouwen; men kan ze zelfs geen huizengroepen noemen die slechts door de behoeftige of arbeidende klasse bewoond zouden zijn. Neen, het zijn ware steden, met prachtige woningen, met hôtels en met kerken en kapellen, die iedere hoofdstad in het geheel geen oneer zouden aandoen. De geheele hoofdstad La Valletta telt vijf en twintig duizend zielen en biedt den verwonderden reizigers paleizen ter bewoning aan, die de „herbergen” van Provence, van Castilië, van Auvergne, van Italië en van Frankrijk genoemd worden. Grootscher en weelderiger kan het waarlijk niet! Het is evenwel slechts vervlogen grootheid.
Daar te La Valletta woonden dus broeder en zuster. Het ware evenwel juister uitgedrukt: onder La Valletta; want zij bewoonden een soort onderaardsch kwartier, de Manderaggio geheeten, wiens ingang in de Strada San Marco aangetroffen wordt, en onder den beganen grond voert.
Daar was het hun gelukt, een verblijf te vinden, dat met hun schamel inkomen overeenkwam, en daar in dat krot bracht Luigi dokter Antekirrt en Piet Bathory, zoodra het stoomjacht ten anker was gekomen.
Alle drie ontscheepten, nadat zij honderden vaartuigen afgewezen hadden, die hen met dienstaanbiedingen overlaadden en lastig vielen, op de kade van de groote Mars-haven.
Zij traden toen de Marine-poort binnen en werden als het ware verdoofd door het geklingel en getjangel van verscheidene carillons, alsook door het geklep van verscheidene klokken, die als het ware de hoofdstad van het eiland Malta in een geluidrijken dampkring hullen. Nadat zij onder het dubbel gecasemateerde fort waren doorgegaan, hetwelk den hoofdingang verdedigt, klommen zij weer langs eene scherpe helling naar boven en sloegen een smalle straat in, die in den vorm van een trap langzaam naar boven steeg. Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, miradore’s en met nissen, waarin voor heiligenbeelden lampen ontstoken waren, kwamen zij tot voor de cathedraalkerk van Sint Jan, die te midden van het meest geraasmakende kwartier van het luidruchtigste volk der wereld gelegen is.
Toen zij den nok van dien heuvel, zoowat ter hoogte van de cathedraal bereikt hadden, daalden zij weder en sloegen den weg in, die naar de Quarantaine-haven voerde. Daarna sloegen zij de Strada San Marco in, en hielden ter halverwege de helling voor een trap halt, die rechtsaf naar de onderaardsche diepten der stad voerde.
De Manderaggio is een stadskwartier, dat zich tot onder de wallen uitstrekt. Het heeft uiterst smalle straten, waarin de zon nimmer kan doordringen, hooge bruin-geelachtige muren, die met duizenden gaten doorboord zijn, welke den dienst van vensters moeten verrichten en waarvan een gedeelte aan de lucht vrijen toegang verleent, terwijl de anderen zwaar getralied zijn. Overal wenteltrappen, die naar wezenlijke mestvaalten afdalen, lage deuren, vochtig en smerig, als die der huizen eener Kasbah, ravijn-achtige mijngangen, sombere tunnels, die den naam van slop niet zouden verdienen. En bij al die openingen, bij al die luiken, bij al die vensters, op al die uit ’t lood hangende portalen, op al die wankelende traptreden krioelde eene afschrikwekkende bevolking: oude vrouwen met troniën als tooverkollen, moeders met bleek bloedarmig gelaat, verzwakt en uitgeteerd door den kwaden, stinkenden dampkring; meisjes van iederen leeftijd, schier half naakt en slechts in vodden en lompen gehuld, jonge ziekelijke kerels, die zich ook half naakt in de afzichtelijke modder wentelden; bedelaars, die de meest mogelijke, verscheidenheid van walgelijke wonden, of de meest afschuwwekkende wanstaltigheden te zien gaven, om maar tot medelijden en tot milddadigheid op te wekken; mannen, lastdragers of visschers, allen met woeste gelaatstrekken en dan ook in staat om iedere misdaad te begaan of iederen arbeid, hoe vies ook, te ondernemen. Te midden van dat wanstaltig gekrioel, stapten deftig eenige flegmatieke politiedienaren, die aan die onverkwikkelijke omgeving niet alleen gewoon, maar daarmede vertrouwd geraakt waren en daarmede omgingen als ware het geen modder. Een ware Cour des Miracles, zooals Parijs in de middeleeuwen te zien gaf, maar thans overgebracht te midden der meest verbazingwekkende omgeving, welks vertakkingen uitkwamen op de getraliede openingen, die in de dikte der muren gebroken waren en uitzicht verleenden op de Quarantaine-kade, die in het verblindend zonlicht lag te schitteren en frissche lucht, door de heerlijke zeebries aangebracht, genoot.
In een der afzichtelijke woningen van dit kwartier, op de bovenste verdieping daarvan, woonden Maria en Luigi Ferrato. Daar hadden zij slechts twee vertrekken. Meer konden zij niet bekostigen.
Dokter Antekirrt werd wel is waar getroffen door de armoede, die dat ellendige verblijf verried, maar ook door de netheid en reinheid, die er in weerwil van die ellende heerschten. Men vond er overal de hand in terug van de zorgzame huismoeder, die vroeger aan het hoofd van het huis van den visscher van Rovigno stond. Waarlijk, Maria Ferrato deed hare moeder geen oneer aan.
Toen de dokter en Piet Bathory binnentraden, stond Maria op, en op haren broeder toetredende:
„Mijn jongen!.... Mijn Luigi!” riep zij vroolijk uit. „Waar zijt gij toch zoo lang gebleven?”
Men begrijpt, hoe groot hare angsten moesten zijn geweest gedurende dien stormachtigen nacht.
Luigi omhelsde zijne zuster en stelde haar de personen voor, die hem vergezelden.
Dokter Antekirrt vertelde met weinige woorden en zoo beknopt mogelijk, onder welke omstandigheden Luigi zijn leven gewaagd had om een schip in nood te hulp te komen. Toen dat verhaal geëindigd was, noemde hij den naam van Piet, den zoon van Stephanus Bathory en sloeg daarbij het meisje aandachtig gade.
Terwijl de dokter sprak, bekeek Maria hem met zooveel oplettendheid, met zooveel geroerdheid zelfs, dat de dokter de vrees voelde ontkiemen, dat zij geraden had, dat hij graaf Mathias Sandorf was.
Maar dat was slechts als een bliksemschicht, die even snel, even spoedig in de schoone oogen van het jonge meisje uitdoofde, als hij verschenen was. Hoe zou zij na een tijdsverloop van vijftien jaren den persoon herkend hebben, die slechts gedurende weinige uren de gast van haren vader geweest was? Daarenboven was zij toen nog maar een kind te noemen.
De dochter van Andreas Ferrato was nu drie en dertig jaren oud. Zij was nog steeds zeer schoon, zoowel door de zuiverheid van de lijnen harer gelaatstrekken als door de vurigheid van hare groote oogen. Eenige zilverdraden te midden van haren gitzwarten haardos verkondigden genoegzaam, dat zij meer van de hardheid van het noodlot geleden had, dan dat zij gebukt ging onder den last der jaren. De ouderdom kon natuurlijk niet in rekening gebracht worden bij het beschouwen van die vroegtijdige verkleuring van haren. Die was te wijten aan de moeite, aan de rampen, aan het lijden, aan de ontberingen, die sedert den dood van den visscher van Rovigno, het hoofd moesten geboden worden. En waarlijk, het meisje had sedert dien ongelukkigen stond treurige dagen doorgebracht.
„Uwe toekomst en die van Luigi zijn thans onze zaak,” zei dokter Antekirrt bij het eindigen van zijn verhaal. „Thans zult gij onbezorgd het leven kunnen genieten.”
Beide kinderen van Andreas Ferrato glimlachten en keken de twee mannen hoopvol aan.
„Waren mijne vrienden niet de schuldenaars van uwen vader?” sprak dokter Antekirrt met aandoening.
„Dat waren zij!” antwoordde Piet Bathory met ernstige stem. „Dat valt niet te ontkennen.”
„Gij zult dus toestaan, Maria,” vroeg dokter Antekirrt, „dat Luigi ons niet meer verlaat?”
„Heeren,” antwoordde Maria, „mijn broeder heeft slechts volvoerd, wat hij doen moest.”
Luigi knikte met het hoofd. Zijne zuster gaf zijne gedachten in woorden vorm.
„Hij heeft slechts zijn plicht gedaan,” ging zij voort, „toen hij u ter hulp snelde, en ik dank den hemel, dat hem die goede gedachte werd ingegeven. Hij is de zoon van een man, die slechts ééne zaak ter wereld kende, namelijk: zijn plicht; en die bij het volvoeren van dien plicht het leven verloren heeft.”
„En wij kennen ook slechts één plicht, niet waar, Piet Bathory,” sprak dokter Antekirrt bewogen, „namelijk dat het onze plicht en ons recht is daarenboven, om onze dankbaarheidsschuld te kwijten aan de kinderen van hem, die....”
Hij bleef steken. Zijne aandoening overmeesterde hem. Hij kon niet verder. Het was of zijn keel dichtgeschroefd was.
Maria keek hem op nieuw oplettend aan en die blik doorboorde hem als het ware. Hij meende te veel gezegd te hebben, waarlijk dat jonge meisje scheen hem te herkennen. Althans zij bracht hem geheel van streek.
„Maria,” hernam toen Piet Bathory, „gij zult Luigi toch niet willen beletten, mijn broeder te zijn?”
„En gij, gij zult niet weigeren mijne dochter te zijn?” vulde dokter Antekirrt aan, terwijl hij haar de hand toestak.
Maria moest toen haren levensloop van af hun vertrek van Rovigno verhalen, hoe haar bestaan door de bespieding der Oostenrijksche agenten en spionnen ondragelijk gemaakt werd; waarom zij op de gedachte gekomen was, om naar Malta te trekken, waar Luigi gelegenheid zoude vinden, om zich, terwijl hij visscher bleef, in het zeemansvak al meer en meer te bekwamen. Dat alles verhaalde de wakkere zuster; zoo ook hoe zij die lange, lange jaren doorgebracht hadden, die voor hen beiden een eindeloozen en hopeloozen strijd vertegenwoordigden tegen de ellende; want het weinige, dat zij bezeten hadden, was al zeer spoedig verteerd.
Maar Luigi wedijverde weldra niet alleen in stoutmoedigheid, maar ook in behendigheid met de Maltezers, wier roem als koene zeelieden overal langs de boorden der Middellandsche zee verspreid is.
Evenals die mannen was Luigi een bewonderenswaardig zwemmer, zoodat hij zich inderdaad zou hebben kunnen meten met dien befaamden Nicolo Pescci, geboren te La Valletta, die, zoo als verhaald wordt, depêches bracht van Napels naar Palermo, terwijl hij de Eolische zee moest overzwemmen en daarbij geen andere bakens had, om zich op te richten, dan het eiland Stromboli, dat hij links moest laten liggen, en de Monte Peregrino, waarop hij rechtstreeks af moest gaan. Hij vond het dan ook niets moeilijk, om jacht te maken op die watervogels en wilde duiven, wier nesten gezocht moesten worden binnen de onbereikbare grotten, welker nadering door de branding der zee steeds zoo gevaarlijk, soms geheel onmogelijk gemaakt wordt.
Luigi was een stoutmoedig visscher. Nimmer was hij met zijn vaartuig teruggedeinsd voor eene windvlaag of voor een uitschieter, wanneer het gold zijne netten te gaan werpen of zijne vischlijnen uit te zetten. En het was onder die omstandigheden, dat hij zich den vorigen nacht in eene kreek van het eiland Melléah voor den storm had moeten bergen, toen hij de signalen vernam van het stoomjacht, dat inderdaad in vreeselijken nood verkeerde.
Maar te Malta zijn de zeevogels, de visschen, de schelpdieren, de weekdieren zoo overvloedig, dat dit zijn invloed op de prijzen doet gevoelen, zoodat het visschersbedrijf daar geen voordeelig baantje kan genoemd worden. In weerwil van al zijn vlijt en al zijne inspanning had Luigi dan ook veel moeite, om in de behoeften van het kleine huisgezin te voorzien, hoewel Maria van haren kant hem wakker ter zijde stond, door zich vlijtig met naaiwerk onledig te houden. Om het zeer bescheiden budget te kunnen bestrijden, hadden die beiden dan ook hunne toevlucht in het kwartier Manderaggio moeten zoeken, waar de onkosten voor huishuur uiterst bescheiden waren. En dat kwam hen wel te pas.
Terwijl Maria dien levensloop verhaalde, kwam Luigi uit zijne kamer, waarbinnen hij voor een oogenblik getreden was, en hield een brief in de hand. Het waren de weinige regelen, die Andreas Ferrato vóór zijn verscheiden geschreven had.
„Maria,” werd daarin gezegd, „op mijn doodbed beveel ik u uwen broeder aan! Weldra zal hij niemand anders meer bezitten in de wereld, om voor hem te zorgen, dan u. Over hetgeen ik gedaan heb, lieve kinderen, gevoel ik geen berouw hoegenaamd; tenzij de teleurstelling als zoodanig opgenomen kan worden, dat ik in mijne poging niet geslaagd ben, zelfs met opoffering van mijne vrijheid en van mijn leven, om hen te redden, die zich aan mij toevertrouwd hebben! Wat ik gedaan heb, zou ik thans nog doen.
„Vergeet nimmer uwen vader, die alvorens naar hoogere gewesten over te gaan, niet nalaten kan, u nogmaals een bewijs van zijn liefde te doen toekomen! Maria, verlies uwen broeder nimmer uit het oog! Vergeet uwen vader niet!
„Andreas Ferrato”.
Bij het lezen van dat briefje kon Piet Bathory zijne aandoening niet weerhouden en deed daartoe dan ook geene pogingen. Dokter Antekirrt wendde het gelaat af, om aan den doordringenden blik van Maria, die hem als het ware zocht, te ontkomen.
„Luigi!” sprak hij plotseling met eene gemaakte ruwheid in den toon zijner stem, die de anderen deed opzien.
„Wat verlangt gij van mij?” vroeg de jeugdige visscher.
„Uw vaartuig is bij het aan boord loopen van het jacht dezen nacht verbrijzeld geworden, niet waar?”
„Het was reeds oud en versleten, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman verontschuldigend.
„Maar, toch.... Het was uwe eenige bezitting, niet waar? Uwe broodwinning?”
„Voor ieder ander dan voor mij zou het geen noemenswaardig verlies zijn,” antwoordde Luigi.
„Dat kan zijn, Luigi. Maar juist, juist voor u is het zeker een groot verlies.”
„Het is zoo, heer. Maar wat is daaraan te doen? Het is hier de plaats om te zeggen: de Heer heeft gegeven....”
„Maar gij zult mij veroorlooven, om dat gezonken vaartuig door een ander te vervangen.”
„Door een ander? Maar, heer dokter, het was oud en versleten. En daarom mag ik....”
„Zwijg,.... ja,.... door een ander, en wel door dat, hetgeen gij gered hebt. Dat zal wel de beste oplossing zijn.”
„Wat.... gij wilt?.... Maar zoo iets is niet mogelijk!.... Zoo iets is ongehoord!....”
„Wilt gij eerste officier zijn aan boord van de Ferrato?.... Wilt ge?”
„Maar. Hoe kan dat?”
„Ik heb een man noodig,” ging dokter Antekirrt voort, „die jong, ijverig en goed zeeman is.”
„Maar, heer dokter!....” herhaalde de jonge zeeman met verrukten blik, maar met twijfel in zijne stem.
„Neem aan, Luigi, neem aan! neem aan!” riep Piet Bathory uit. „Neem aan, Luigi!.... Wat de dokter u biedt, is welgemeend.”
„Maar.... mijne zuster?....” prevelde de zeeman nog tegenspartelende. „Mijne zuster?....”
„Ja juist, zijne zuster?....” vroeg Piet Bathory op zijn beurt.
„Waar moet die blijven?”
„Uwe zuster,” antwoordde de dokter, „zal deel uitmaken van die groote familie, die te Antekirrta gevestigd is. Uw beider bestaan, uw lot behoort mij voortaan, en ik zal het zoo gelukkig maken, dat gij, behalve het verlies van uwen vader, niets ten opzichte van het verleden te betreuren zult hebben. Hebt gij beiden goed verstaan?”
„Heer dokter!” riep Maria uit. „Is het mogelijk?.... Zoo’n toekomst!.... En dat voor ons?....”
„Heer dokter!” sprak Luigi, zonder zijne aandoening te kunnen bedwingen, waartoe hij trouwens geen moeite aanwendde.
Hij greep hartstochtelijk de handen van dokter Antekirrt, drukte ze, kuste ze, terwijl zijne zuster Maria hare dankbaarheid slechts door hare tranen kon toonen, die dan ook overvloedig vloeiden.
„Heer dokter!” herhaalden beiden, terwijl zij hem bewogen de hand drukten.
„Ik wacht u morgen aan boord!” zei dokter Antekirrt, terwijl hij zich aan die dankbaarheidsbewijzen ontwrong.
„Morgen?”
„Ja,” knikte dokter Antekirrt, zonder een enkel woord te kunnen spreken.
En onvermogend om zijne aandoening langer te bedwingen, stormde hij het vertrek uit, na eerst Piet Bathory een teeken gegeven te hebben, om hem dadelijk te volgen.
„Oh!” zei hij toen hij buiten was tot dezen, „zulke oogenblikken zijn heerlijk, mijn zoon!....”
„Ja, heerlijk!” bevestigde Piet. „Vooral, niet waar, nu het zulke edele harten geldt.”
„En wat doet het goed, te kunnen beloonen!” vulde dokter Antekirrt aan.
„Ja, beter dan te moeten straffen! Och, dat het in de wereld niet anders ware!”
„Dat is waar!.... Dat zou wenschelijk zijn. Maar.... waar noodig, moet gestraft worden!” antwoordde dokter Antekirrt ernstig.
Den volgenden ochtend zat de dokter aan boord Maria en Luigi Ferrato af te wachten.
Kapitein Köstrik had reeds alle noodige beschikkingen getroffen, opdat de herstellingen aan de machine van het stoomjacht binnen den kortst mogelijken tijd en zonder uitstel of vertraging te ondervinden, uitgevoerd werden. Dank zij de hulp van de heeren Samuel Grech en Cie., scheepsagenten, wonende op de Strada Levante te La Valletta, aan welke firma het schip geconsigneerd was geweest, spoedde de arbeid onvertraagd voort. Toch werden vijf of zes dagen voor die herstelling vereischt; want men moest de luchtpomp geheel en al, en de condensor, wiens pijpen onvoldoende werkten, gedeeltelijk uit elkander nemen, om de herstelling afdoend uit te voeren.
Die vertraging kon niet anders dan dokter Antekirrt zeer teleurstellen; want hij was toch zeer ongeduldig om op de Siciliaansche kust aan te komen. De lezer weet waarom.
Een oogenblik dacht hij er aan, om zijne goelet Savarena naar Malta te doen komen; maar daarvan zag hij toch af. Het was inderdaad veel beter eenige dagen langer te wachten, om Sicilië niet anders aan te doen dan met een snelstoomend en goed gewapend vaartuig, waarop in tijd van nood te rekenen viel. Eevenwel werd als voorzorgsmaatregel en om niet overvallen te worden door gebeurlijkheden die voorkomen konden worden, een telegram afgezonden langs den overzeeschen telegraafkabel, die Malta met Antekirrta in verbinding stelde. Door middel van dat telegram werd bevel gegeven aan de Electriek 2, om onmiddellijk op de kust van Sicilië tusschen kaap Portio di Palo en Kaap Murro di Porio te gaan kruisen.
Een sloep bracht tegen negen uur in den voormiddag Maria Ferrato en haren broeder aan boord van het stoomjacht. Beiden werden door dokter Antekirrt met blijken van de grootste hartelijkheid ontvangen.