Part 13
„En heeft Kaap Matifou zijn eerste ontbijt genuttigd? En heeft dat gesmaakt?”
„Ja, heer dokter!” antwoordde de reus, „en ik moet bekennen, dat het heerlijk was.”
„En wat hebt gij verorberd?” vroeg de dokter belangstellend. „Kom, laat hooren.”
„Een soepkom met lekkere koffie gevuld en twee kilogrammen scheepsbeschuit.”
„Drommels! Een weinig hard, die beschuit, niet waar,” merkte Piet Bathory lachende op.
„Bah! Dat’s kinderwerk voor iemand, die vroeger keisteenen onder het eten als versnapering fijnmaalde en verzwolg,” zei Pescadospunt op zijne beurt uitschaterende.
Kaap Matifou knikte zachtkens met zijn dik hoofd,—zijn gewone manier om met de antwoorden van zijn makker in te stemmen,—en grinnikte heel behagelijk.
Intusschen stoomde de Ferrato, op bepaald bevel van dokter Antekirrt, volle kracht en deed twee machtige waterkrullen, gekuifd met verblindend wit schuim, voor zijn scherpen boeg opsteigeren.
Haast en spoed mochten in het tegenwoordige geval niet anders dan voorzichtigheid heeten.
Reeds had kapitein Köstrik zich afgevraagd, en had hij dan ook den dokter er over geraadpleegd, of het niet noodig zou wezen om een oppertje achter het eiland Malta te zoeken, welks kustlichten, tegen acht uur des avonds ongeveer, binnen den gezichtskring moesten verschijnen. Een oppertje wordt door de zeelieden genoemd: eene gedekte stelling tegen den wind bij noodweer. En inderdaad, de toestand van den dampkring werd al meer en meer dreigend.
De barometer daalde onrustbarend, in weerwil van de heerschende noordwester bries, die bij het dalen der zon steeds aanwakkerde; dikke wolkengevaarten doemden uit het oosten op en verbreidden zich toen reeds over drie vierden gedeelten van het uitspansel. Bij den gezichteinder, langs de oppervlakte der zee, trok een grauwe band voorwaarts, die een loodkleurig aanzien had, en een uitermate matte kleur vertoonde, maar zwart als inkt werd, wanneer eene zonnestraal er in slaagde, tusschen de scheuren van de wolkenlaag door te glijden. Reeds schoten, hoewel nog zonder dondergerommel, scherpe bliksemschichten door het luchtruim, als trachtte zij die electrische wolkenmassa’s te verscheuren, waarna de bovenrand zich in dikke ronde krulvormige koppen met scherp afgebakende grenzen vertoonde.
Terzelfder tijd was het alsof de strijd losbarstte tusschen de westen- en oostenwinden, welke laatste in de beneden luchtlagen door de menschen nog niet gevoeld werden, maar waarvan reeds de zee, bij hare pogingen om haar evenwicht te herstellen, den invloed ondervond.
De golven werden grooter en steigerden tegen de heerschende deining in, klotsten en begonnen over het dek van het jacht te krullen. Het werd zaak, om aan boord alles vast te zetten, wat gevaar kon loopen over boord gespoeld te worden.
Tegen zes uren evenwel viel de nacht in, een zwarte donkere nacht, veroorzaakt door het gewelf van donkere wolken, dat het uitspansel van het eene einde tot het andere bedekte. De donder begon te grommen en schel schitterende bliksemstralen doorkliefden die dikke duisternis, maar maakten, doordat zij de oogen verblindden, die duisternis als het ware nog donkerder. Onder zoodanige omstandigheden werd de nacht ingetreden. De barometer bleef dalen.
„Gij hebt volkomen vrijheid van handelen!” zei dokter Antekirrt tot den gezagvoerder.
„Ja. En dat is noodig ook, heer dokter,” antwoordde kapitein Köstrik. „Op de Middellandsche zee heeft men steeds met uitersten te doen. Uitnemend fraai weder of woeste gevaarlijke storm! Oosten- en westenwinden voeren thans krijg om den voorrang, wie de overhand behouden zal. En ik vrees, dat met behulp van het onweder de eerstbedoelde de overwinning zal behalen. De zee zal zeer woest worden, wanneer wij de eilanden Gozzo of Malta zullen zijn te boven gekomen, en het is wel mogelijk, dat wij met moeielijkheden te kampen zullen hebben. Ik stel u niet voor, om de havenplaats La Valletta aan te doen; maar wel om een oppertje, een toevluchtsoord tot hedenavond onder de westkust van een der beide genoemde eilanden te zoeken. Wat denkt gij er van? Het is inderdaad een goede raad, dien ik u geef.”
„Doet, kapitein, wat gij denkt dat gedaan moet worden,” antwoordde dokter Antekirrt, kalm en bedaard.
Het stoomjacht bevond zich toen op ongeveer dertig mijlen ten westen van het eiland Malta. Op het eiland Gozzo, dat een weinig ten nood-westen van Malta gelegen is, en waarvan het gescheiden wordt door twee kanalen, smalle vaarwaters, die door een klein centraal eiland gevormd worden, verheft zich een vuurtoren van den eersten rang, die een boog verlicht met een straal van zeven en twintig mijlen. Dat verlichtingstoestel was dus op een grooten afstand zichtbaar.
In weerwil van de onstuimigheid der zee, moest de Ferrato evenwel binnen het tijdsverloop van een uur, binnen den cirkel van dien lichtstraal aangekomen zijn. Na den stand van het schip zorgvuldig bepaald te hebben, kon de kapitein, zonder evenwel roekeloos te zijn, den wal genoegzaam naderen, om daaronder gedurende eenige uren een toevluchtsoord te vinden.
Zoo deed kapitein Köstrik, evenwel niet zonder de voorzorg genomen te hebben, de snelle vaart van zijn schip te matigen, ten einde iedere averij, zoowel aan den romp als aan de machine van de Ferrato, te voorkomen. Dat was niets anders dan plicht van een degelijk maar voorzichtig zeeman.
Evenwel het gestelde uur verstreek en nog werd de vuurtoren van Gozzo niet waargenomen. Het was onmogelijk den wal te ontwaren, hoewel de nok van de steile oevers zich hoog boven de oppervlakte der zee verhief. Was men uit de goede richting gedwaald? Was men uit den koers geraakt? Hoe kon dat mogelijk zijn?
Het onweder woedde toen met volle kracht. Oorverdoovend kraakte de donder over de wateroppervlakte, gillend floot de wind door het want.
Een warme regen vloot met stralen neer. De dikke dampen, die den gezichteinder benevelden, werden thans door den wind voortgesleurd en vlogen door de lucht met eene ongeëvenaarde snelheid. Tusschen de scheuren, welke zij lieten ontwaren, schitterden van tijd tot tijd plotseling eenige sterren, die evenwel dadelijk uitgedoofd werden; terwijl de nevelbanken langs de oppervlakte der zee scheerden en haar als met ommetelijke bezems schenen te willen aanvegen. Het waren als overgroote spookgestalten, die over de watervlakte voortijlden.
Drie dubbele bliksemstralen troffen soms de deininggolven op drie verschillende plaatsen te gelijk en omgaven dan het stoomjacht met een bleeke naargeestigen lichtkring, die evenwel spoedig weer uitdoofde, terwijl de lucht onder de electrische ontladingen als het ware trilde.
Tot nu toe was de toestand wel zeer moeielijk geweest; maar hij zou nu hand over hand onrustbarend worden.
Kapitein Köstrik, die gissen moest, dat hij zich op minstens twintig mijlen van en dus binnen het bereik van den vuurtoren van Gozzo moest bevinden, durfde het eiland niet verder naderen. Hij begon zelfs te vreezen, dat de hoogte der kustlijn hem belette het licht te zien. In dat geval zou hij reeds te veel genaderd zijn. En stooten op de loodrecht uit zee oprijzende rotsen, die aan den voet van die steile oevers aangetroffen worden, dat was het verderf! Dan bleef er geen stuk van het vaartuig over. Neen, hoe stevig ook van ijzer en staal vervaardigd, daartegen was het niet bestand.
Tegen half tien ongeveer, nam de gezagvoerder het besluit om bij te leggen en de machine slechts halve kracht te laten werken. Hij stopte niet geheel en al, maar liet de schroefbladen slechts zooveel omwentelingen maken, om voldoende stuur in het schip, en den voorsteven op de aanrollende golf te kunnen houden. Het vaartuig stampte onder die omstandigheden vreeselijk, maar het liep zoo geen gevaar om op het strand te worden gezet, en dat was in den bestaanden toestand het voornaamste!
Zoo gingen drie uren voorbij en werd ongeveer het middernachtsuur bereikt.
Op dat tijdstip verergerde de toestand, toch al zeer hachelijk, nog, als het kon.
Zooals dat dikwijls bij zulke onweders geschiedt, hield de strijd tusschen de tegenovergestelde winden uit het westen plotseling op. De wind kromp snel en keerde naar de kompasstreek terug, waaruit hij den geheelen dag geblazen had, maar volvoerde dien sprong met de hevigheid van een uitschieter. Zijn geweld, dat gedurende eenige uren door de tegenovergestelde luchtstroomingen bedwongen was geweest, trad weer in, terwijl de hemel helder werd, het wolkendak scheurde en de sterren allerwege zichtbaar werden.
„Een licht, stuurboord vooruit!” riep een der wachthebbende manschappen, die in den fokkemast op uitkijk zat.
„Een licht, stuurboord vooruit!” werd door een der wachthebbende officieren op het achterschip herhaald.
„Het roer bakboord te boord!” commandeerde kapitein Köstrik, die zich van de kust wilde verwijderen. Ook hij had dat licht gezien. De tusschenpoozende schitteringen daarvan gaven duidelijk aan, dat het de vuurtoren van Gozzo was. Het was waarachtig tijd, om den tegenovergestelden kant uit te stevenen; wat de tegenwind ontketende met ongekend geweld. De toestand van het schip was inderdaad gevaarvol.
De Ferrato toch bevond zich toen nog slechts op een afstand van twee mijlen van de rotspunt, waarop de vuurtoren plotseling verscheen. Het was een ijzingwekkend gezicht, dat licht bij dat weer zoo in de nabijheid te ontwaren.
De machinist kreeg bevel om de stoomspanning te vermeerderen: maar nauwelijks had hij gehoorzaamd, of de machine vertraagde, liet een doordringend ratelend geluid hooren, en stond weldra geheel stil.
Dokter Antekirrt, Piet Bathory, het état-major en de geheele bemanning waren op het dek in de hevigste spanning en in de verwachting van de dingen, die thans komen zouden.
En werkelijk, een ongeval was geschied. De klep van de luchtpomp was onklaar geraakt; de condensor werkte een oogenblik onregelmatig en spoedig daarna niet meer. Nog eenige omwentelingen, die onder het achterschip als kanonschoten weerklonken, en daarna stond de schroef stil. Zij was niet meer in beweging te brengen.
Een zoodanig ongeval kon een ramp worden, omdat dit onklaar worden der luchtpomp onherstelbaar was, ten minste in de omstandigheden, waarin men zich bevond. Die pomp zou uit elkander genomen moeten worden en die arbeid zou verscheidene uren vereischt hebben.... en in twintig minuten kon het stoomjacht, voortgezweept door de noordwesten-windvlagen, gestrand zijn. En op welk rotsig strand dan nog! Ja, de toestand was gevaarvol!
„Kluiver hijschen!.... Fok- en marszeilen bijzetten!.... Klaar bij het barkzeil!”....
De gegeven bevelen werden door de equipage met vlijt en met bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. Dat Pescadospunt met zijne vlugheid en Kaap Matifou met zijne kracht meehielpen, zal wel niet behoeven gezegd te worden. De katrollen en blokken zouden eerder uit elkander gesprongen zijn, dan dat Kaap Matifou zou toegegeven hebben.
Maar de toestand, waarin de Ferrato zich bevond, was intusschen zeer gevaarvol te noemen. Een stoomschip met zijne ranke vormen, zijn gebrek aan breedte, zijn weinigen diepgang, met zijn in den regel onvoldoend zeiltuig, is niet gebouwd om te laveeren. Als het scherp bij den wind moet zeilen, loopt het bij stormachtige zee gevaar af te vallen en de volle deining dwars in te krijgen, waardoor het in zeer noodlottigen toestand geraakt.
En zoo gebeurde het met de Ferrato. Behalve dat het schip groote moeielijkheden ondervond bij het zeil zetten, was het onmogelijk om het naar het westen door den wind te doen gaan. Langzamerhand viel het af en werd naar den voet der rotsachtige kust gedrongen. Weldra scheen er niets anders meer over te blijven dan de plek te kiezen, waar de stranding onder de minst nadeelige omstandigheden zou kunnen plaats vinden.
Ongelukkig was de nacht zoo zwart, dat kapitein Köstrik niets van de kustgesteldheid kon ontwaren. Hij wist wel, dat twee vaarwaters ter weerszijden van het centraal eilandje, Gozzo van Malta scheidden, het eene North Comino en het andere South Comino geheeten. Maar hoe hunne monding te midden van die dikke duisternis te vinden? Hoe te midden van die woedende zee daarin te stevenen, om een toevluchtsoord op de oostkust van het eiland te vinden, om de havenplaats La Valletta te bereiken? Was dat wel mogelijk?
Een loods, een vakkundige zou alleen een zoo gevaarvolle manoeuvre hebben kunnen beproeven. Maar welke loods, welke visscher zou het bij dien dikken dampkring, in dien regen- en nevelachtigen nacht, bij het bulderen van dien storm, durven wagen, om naar het in nood verkeerende vaartuig te stevenen? Daarop viel immers in het geheel niet te hopen.
Intusschen liet de stoomfluit haar gegil te midden van het oorverdoovend gehuil van den stormwind vernemen; terwijl bovendien nog drie kanonschoten achtereenvolgens gelost werden.
Plotseling werd aan de landzijde een zwart punt te midden der mistvlagen opgemerkt. Het was een klein vaartuig, dat met dicht gereefde zeilen naar de Ferrato toestevende. Ongetwijfeld was het een visscher, die door den storm genoodzaakt was geworden, in de kleine kreek van Melléah een toevlucht te zoeken. Daar had hij, terwijl zijn vaartuig, voor de rotsen beveiligd in de bewonderenswaardige Calypso-grot, die met de Fingalgrot op de Hebridische eilanden vergeleken kan worden, ten anker gelegen had, de alarmfluit en de noodschoten van de Ferrato gehoord. Toen die signalen gegeven werden, bevond het in nood verkeerend stoomjacht zich reeds zeer nabij de branding en stampte en slingerde hevig.
Onmiddellijk had die visscher zonder aarzeling en met gevaar van zijn leven zich gehaast, om het stoomjacht, dat reeds gedeeltelijk ontmast en onttakeld was, ter hulp te snellen.
Wanneer de Ferrato nog te redden was, dan kon zij het slechts door hem worden.
Het visschersvaartuig naderde langzamerhand. Een tros werd aan boord gereed gehouden, om den koenen zeevaarder toe te werpen, wanneer hij langs boord zoude komen. Zoo gingen eenige minuten voorbij, die oneindig lang schenen te duren. Men was toen nog maar op eene halve kabellengte van de klippen verwijderd.
De tros werd in dit oogenblik toegeworpen; maar een vreeselijk hooge golf tilde toen het vaartuigje op en kwakte het tegen den romp van de Ferrato aan. Het werd aan splinters verbrijzeld en de visscher, die zich daar aan boord bevond, zou voorzeker omgekomen zijn, wanneer Kaap Matifou hem niet gegrepen en met gestrekten arm vastgehouden had. Hij zette hem op het dek neer, zooals hij met een kind zoude gedaan hebben.
Toen zonder een woord te uiten,—daartoe zou hij waarlijk ook geen tijd gehad hebben,—sprong de visscher op de brug, greep het stuurwiel, en op hetzelfde oogenblik dat de Ferrato met zijn voorsteven naar de rotsen gericht, er zich op zou gaan verbrijzelen, hield zij af, schoot het smalle vaarwater van North Comino in, stevende er met den wind vlak van achteren door en bevond zich twintig minuten later achter de oostkust van Malta in veiliger en stiller water. Dat was eene koene wending geweest, die kalm en zonder aarzeling ten uitvoer gebracht was.
Vervolgens, bij den wind komende, schoor het schip op minder dan een halve mijl langs de kust. Toen tegen vier uren de tinten van den dageraad ontwaard werden aan den oostelijken gezichteinder, die zich over volle zee uitstrekte, stevende ’t het vaarwater in dat naar La Valletta voerde, en liet het anker vlak bij de Senglea-kade, dicht bij den ingang der militaire haven, vallen. De Ferrato was gered. Uit aller borst steeg een zucht van verlichting ten hemel.
Dokter Antekirrt klom toen op de brug en zich tot den jeugdigen zeeman wendende:
„Gij hebt ons gered, vriend,” zeide hij, terwijl hij den zeeman de hand toereikte.
„Ik heb slechts mijn plicht gedaan,” antwoordde deze op eenvoudigen toon.
„Dat is waar, maar met levensgevaar!”
„Wij zeelieden zijn steeds in gevaar, althans als wij ons op zee bevinden.”
„Zijt gij loods?” vroeg dokter Antekirrt vervolgens, terwijl hij den jongen man scherp aankeek.
„Neen, ik ben slechts visscher,” antwoordde deze, terwijl hij dien blik rustig doorstond.
„Des te verdienstelijker is uwe daad!”
„Gij zijt wel goed!.... Maar mij dunkt, dat wanneer men zooveel menschenlevens kan redden....”
„En hoe heet gij?”
„Hoe ik heet?”
„Ja! Hoe is uw naam? Gaarne wenschte ik onzen redder nog nader te leeren kennen.”
„Mijn naam?.... Luigi Ferrato!”
„Luigi Ferrato!!!” kreet de dokter.
IX.
MALTA.
Het was dus de zoon van den visscher van Rovigno in Istrië, die daar zijn naam aan dokter Antekirrt medegedeeld had. Door een toeval, door eene bestiering der Voorzienigheid, was het Luigi Ferrato, wiens behendigheid het stoomjacht met zijne passagiers en zijne geheele bemanning gered had, gered van een zekeren ondergang! Gered! Ja, toen de Ferrato de verderf aanbrengende rotsen reeds nabij was, en er schier reeds op zat!
De dokter was op het punt om Luigi om den hals te vliegen, ten einde hem in zijne armen te sluiten, hem te omhelzen.... maar hij hield zich in.... Hij bedacht zich.... Het zou graaf Mathias Sandorf geweest zijn, die zich zoo aan den aandrang van zijne gevoelens van dankbaarheid zou overgegeven hebben, en.... graaf Mathias Sandorf was dood, dood zelfs voor den zoon van Andreas Ferrato,.... dat mocht hij niet uit het oog verliezen.
Maar al was Piet Bathory ook door dezelfde redenen tot dezelfde terughoudendheid genoopt, hij zou ze vergeten hebben, wanneer dokter Antekirrt hem niet met een blik, met een enkelen oogopslag weerhouden had. Beiden daalden vervolgens de sierlijke trap van het achterschip af en gingen naar het salon, waarheen Luigi uitgenoodigd werd hen te volgen.
Toen zij daar aangekomen waren, wees hem de eigenaar van het schip een stoel en vroeg hem:
„Mijn vriend, zijt gij de zoon van een visscher, die in vroegere jaren te Rovigno in Istrië woonde?”
„Ja, mijnheer,” antwoordde de jonge zeeman, terwijl hij dokter Antekirrt met open blik aankeek.
„Die Andreas Ferrato heette?” was de tweede vraag van den dokter, die dat gelaat welgevallig gadesloeg.
„Ja, mijnheer, mijn goede vader heette Andreas Ferrato. Hij was een Corsikaan van geboorte.”
„Hadt gij niet een zuster?”.... ging dokter Antekirrt met zijn onderzoek voort.
„Voorzeker, wij wonen te zamen, hier op het eiland te La Valletta, in de Manderaggio.”
„Hoe heet uwe zuster?”
„Zij heet Maria.—Maar”, vroeg hij met eene merkbare aarzeling in zijne stem, „hebt gij mijn vader gekend?”
„Uwen vader!....” antwoordde dokter Antekirrt en stokte, alsof hij zich bedacht.
Luigi Ferrato keek hem verwonderd aan. Hij kon zich die aarzeling niet goed verklaren.
„Uw vader,” ging de dokter eindelijk voort, „had eens—het is nu vijftien jaren geleden—eene schuilplaats in zijn woning te Rovigno verleend aan twee vluchtelingen. Die rampzaligen, die door zijne opoffering en toewijding niet konden gered worden, behoorden tot mijne vrienden, maar die toewijding heeft Andreas Ferrato de vrijheid en het leven gekost, daar hij ter zake van zijne menschlievende handeling naar het bagno van Stein gezonden werd, waar hij gestorven is....”
„Ja, hij is gestorven,” antwoordde Luigi, „maar zonder een oogenblik berouw gevoeld te hebben over hetgeen hij gedaan heeft.”
Antekirrt keek hem met doordringenden blik in de oogen en was op het punt iets te vragen.
„Dat kan ik betuigen, heer dokter,” voegde de jonge visscher er bij, zonder den blik neer te slaan.
De dokter greep den jongen man bij de hand, klemde die met de grootste aandoening in de zijne.
„Luigi,” sprak hij, „mij hebben mijne vrienden de taak achtergelaten, om die schuld der dankbaarheid, die zij jegens uwen vader aangegaan hebben, te delgen, wel te verstaan, wanneer zulks mogelijk ware. Sedert vele jaren heb ik getracht te vernemen, wat van u en uwe zuster Maria geworden was. Ik heb daartoe inderdaad hemel en aarde bewogen. Helaas, alles te vergeefs! Sedert uw vertrek van Rovigno had men uw spoor verloren en was dat maar niet terug te vinden. Dat God dus gedankt en geprezen zij, dat Hij u ter onzer redding hierheen zond! Het vaartuig, dat gij onder zoo gevaarvolle omstandigheden binnengeloodst hebt, draagt den naam van Ferrato ter herinnering aan de moedige daad van Andreas Ferrato, uwen vader!.... Mijn kind, mijn jongen, laat ik u omhelzen! Laat ik den zoon van zulk een edel vader aan mijn hart klemmen!”
En terwijl dokter Antekirrt hem aan zijne borst drukte, voelde Luigi de tranen in zijne oogen schieten.
Bij dat roerende tooneel kon Piet Bathory zich ook niet meer bedwingen. Het was eene ontspanning van zijn geheel zielsbestaan, eene uitstorting van zijn geheele wezen, van heilige gevoelens, die hem naar dien jongen man, die nagenoeg van zijn leeftijd was, naar dien braven zoon van den visscher van Rovigno heensleurden. Op zijne beurt trad hij dan ook op den jongen visscher toe.
„En ik!.... en ik dan!....” riep hij met uitgestrekte armen uit. „En ik!.... en ik dan!....”
„Gij.... mijnheer?” vroeg Luigi bedremmeld, terwijl hij dien derden persoon in het gesprek verwonderd aankeek.
„Ja, ik.... ik de zoon van Stephanus Bathory! Ik, de zoon van een der martelaren!”
„Piet! Piet!” riep de dokter uit. Hij stak de hand uit, alsof hij Bathory’s mond wilde sluiten.
Maar het was reeds te laat; de beide jongelieden lagen in elkaars armen. Snikkend omhelsden zij elkander.
Zou dokter Antekirrt de bekentenis betreurd hebben, die aan Piet Bathory ontsnapt was?
Neen, volstrekt niet! Luigi Ferrato zou niet minder goed een geheim weten te bewaren, dan dat Pescadospunt en Kaap Matifou deden. Aan zijn uiterlijk was onmiskenbaar te zien, dat men met een eerlijk man te doen had.
Aan Luigi werd toen alles medegedeeld, en vooral vernam hij welk doel dokter Antekirrt najoeg.
Een enkele bijzonderheid werd voor den jeugdigen visscher verzwegen, namelijk dat hij zich in tegenwoordigheid van graaf Mathias Sandorf bevond. Dat behoefde hij vooreerst niet te weten.
De dokter verlangde dadelijk bij Maria Ferrato gebracht te worden. Hij was ongeduldig om haar weer te zien; maar vooral om haar in haar karakter, in haar handel en wandel gade te slaan en te leeren kennen. Haar leven was ongetwijfeld een ellendig bestaan, daar zij door den dood van Andreas op zeer jeugdigen leeftijd zonder vermogen, zonder bijstand met een jongeren broeder ten hare laste achtergebleven was. Voor dien knaap, die te jong was om het verlies te beseffen, dat de beide kinderen geleden hadden, had zij vlijtig en onafgebroken moeten werken.
„Dat is goed, heer dokter” antwoordde Luigi, „laten wij dadelijk ontschepen, daar gij zulks verlangt. Maria moet thans zeer ongerust over mij zijn. Het is meer dan acht en veertig uren geleden, ja, waarlijk, meer dan twee etmalen, dat ik haar verlaten heb, om in de kreek van Melléah te gaan visschen, en zij kan meenen, dat mij gedurende den storm van heden nacht een ongeluk overkomen is! Het is inderdaad meer dan tijd, dat ik mij naar huis moet spoeden!”
„Houdt gij veel van uwe zuster?” vroeg dokter Antekirrt, aangedaan door den innig bewogen toon, waarop die woorden door den jongen Luigi uitgesproken waren.
„Zou ik niet, heer dokter?” antwoordde de jonge visscher, met iets vochtigs in de oogen.
„Zij is dan goed voor u?”
„Zij is mijne moeder en mijne zuster tegelijkertijd! En dat is zij mijn geheele leven lang geweest.”
Het eiland Malta, dat op ongeveer honderd kilometer van Sicilië gelegen is, behoort, geographisch gesproken, eerder tot Afrika dan tot Europa, hoewel het daarvan op twee honderd vijftig kilometers verwijderd ligt. Dat is een vraagstuk, hetwelk tot hartstochtelijke betoogen van den kant der aardrijkskundigen geleid heeft, en daartoe nog zeer lang aanleiding geven zal.
Maar wat er ook van aan zij, nadat het door Karel den Vijfde aan de Hospitaal-ridders geschonken was, die door Sultan Soleiman van het eiland Rhodos verjaagd waren, en zich toen onder den naam van Malta-ridders vereenigden, behoort het nu aan de Engelschen, wien men het waarachtig moeielijk ontnemen zal, zoo sterk hebben die het gemaakt.