Mathias Sandorf [2]

Part 12

Chapter 123,653 wordsPublic domain

Vooreerst was men steeds bezig met aan de vestingwerken te arbeiden, die de stad, welke aan den voet van den kegelberg gebouwd was, alsook de haven en het geheele eiland zelf tegen eene gewelddadige aanranding moesten beschermen. Wanneer die werken voltooid zouden zijn, wanneer die batterijen bewapend zouden zijn met zware kanonstukken van groote dracht, die overal, maar vooral op de meest blootgestelde punten kruisvuren zouden daarstellen, dan zou de nadering van ieder vijandelijk vaartuig onmogelijk gemaakt zijn.

De electriciteit zou eene belangrijke rol bij dat verdedigingsstelsel vervullen, zoowel om de torpedo’s te doen ontploffen, waarmede het vaarwater, dat toegang tot het eiland verleende, bezaaid was, als tot ontbranding der kanonstukken zelven. De dokter had de meest verrassende uitkomsten bekomen van dit middel, hetwelk de toekomst zoowel ten goede als ten verderve zal beheerschen.

Een centrale inrichting, waar door middel van stoom de noodige beweegkracht voortgebracht werd, en waartoe dan ook een zeker getal stoomketels aanwezig waren, bediende twintig dynamo-werktuigen van een geheel nieuw stelsel, dat de volkomenheid zeer nabij kwam. Daar werden stroomingen opgewekt, die door bijzondere accumulatoren van eene buitengewone spankracht opgegaard en zoo ten behoeve van de verschillende diensten op Antekirrta verstrekt werden, zooals van de waterleiding over het geheele eiland, van de verlichting der stad, van het telegraaf- en telephoon-wezen van de beweegkracht over stalen sporen rondom de stad en door het innerlijke van het eiland. In één woord, de dokter, voorgelicht door de ernstige studiën in zijne jeugd verricht, had een der droombeelden van de moderne wetenschap verwezenlijk, namelijk om de electriciteit als beweegkracht op verre afstanden te bezigen.

Daar nu had hij, dank deze zoo practische toegepaste beweegkracht, zijne vaartuigen, waaromtrent hierboven reeds met een enkel woord gesproken is, zijne buitengewoon snelvarende Electrieks kunnen laten vervaardigen, die hem gedoogden met grootere snelheid dan die van een sneltrein, van het eene uiteinde der Middellandsche zee naar het andere te ijlen. Vooral deze vinding mocht onschatbaar heeten.

Daar evenwel de steenkolen onontbeerlijk waren voor de stoomwerktuigen, die dienen moesten om de stroomingen op te wekken, zoo was er steeds een belangrijke voorraad van dîe brandstof in de kolenloodsen van het eiland Antekirrta aanwezig, en die voorraad werd voortdurend aangevuld door een kolenschip, dat te Newcastle in Schotland of te Swansea, of Cardiff in Engeland laden ging. Zoo was doelmatig in dezen dienst voorzien.

De havenkom, langs welker binnenbaai de kleine stad zich amphitheatersgewijs op den heuvelachtigen oever verhief, was een natuurlijk bekken in den bergwand ingesneden, maar door belangrijke werkzaamheden zeer verbeterd geworden. Twee kaden, een pierdam en een golfbreker, verleende er alle veiligheid aan, van welken kant de wind ook woei. Overal was de diepte in de haven voldoende, zelfs tot vlak bij de kademuren. Dus bij alle heerschende winden bestond er volkomen veiligheid voor de flotilje van Antekirrta. Die flotilje bestond vooreerst uit de goelet Savarena, welke wij reeds kennen, uit het stoomschip, dat bestemd was om de steenkolen te Swansea, Cardiff of Newcastle te gaan innemen, uit een stoomjacht, de Ferrato genaamd, hetwelk zeven of acht honderd tonnen meette, en uit drie Electrieks, waarvan twee als torpedobooten ingericht waren, die dus uiterst krachtdadig en zeer nuttig het hunne tot de verdediging van het eiland konden bijbrengen. Het zeewezen van het eiland was dus zoo volmaakt mogelijk.

Antekirrta zag dan ook onder den invloed van den dokter zijne weerstandsmiddelen met den dag vermeerderen. De zeeschuimers van de Tripolitaansche en van de Cyrenaïsche streken wisten dat zeer goed en hielden zich ook voorzichtigheidshalve op eerbiedigen afstand.

Toch was het hun grootste wensch,—en dat was wel te begrijpen,—dat eiland te kunnen bemachtigen; want het bezit daarvan zou de plannen van den grootmeester der broederschap van het Senousismus, Sidi Mohammed El Madi, uitermate begunstigd hebben.

Maar die dweeper was bekend met de moeielijkheden, aan zulk eene onderneming verbonden, en daarom wachtte hij een gunstig oogenblik, om handelend op te kunnen treden, met dat geduld, hetwelk een der voornaamste kenmerkende eigenschappen van het Arabische karakter uitmaakt. Dat geduld zou evenwel nog hard op de proef gesteld worden.

Het was den dokter niet onbekend, dat die dweeper het oog op zijn schoon Antekirrta geslagen had, en daarom bevorderde hij zijne verdedigingswerken zoo veel hem maar mogelijk was. Om die vestingwerken aan te kunnen tasten, wanneer zij voltooid zouden zijn, zou men die moderne vernielingswerktuigen moeten bezigen, die de ballistische vindingrijkheid der XIXde eeuw kenmerkt. En die werktuigen bezaten de Senousisten nog niet. De mannelijke bewoners van Antekirrta, van achttien jaren tot veertig jaren, waren reeds in compagniën ingedeeld, bezaten voortreffelijke en snelvurende zekerheidswapenen en werden ijverig geoefend in de behandeling van het geschut, waarbij zij aangevoerd werden door chefs, uit hun midden gekozen. Die militie telde eene sterkte van vijf- of zeshonderd mannen, en dat was eene macht, waarop in tijd van nood gerekend kon worden en waarmede alsdan niet te spotten viel, of die zelfs niet te minachten was.

Eenige volksplanters bewoonden wel is waar ettelijke hoeven, die in de vlakte verspreid lagen; maar het meerendeel der ingezetenen bewoonde de kleine stad, die den Transylvanischen naam van Artenak ontvangen had, als vaderlandsche herinnering aan het feodale domein, hetwelk graaf Mathias Sandorf op de hellingen van het Karpathisch gebergte bezeten had.

Artenak had een zeer schilderachtig voorkomen. Dat stadje evenwel, hetwelk hoogstens een paar honderd huizen bevatte, in plaats van op Amerikaansche wijze schaakvormig met rechtlijnige lanen en straten, alsof zij langs een touwtje gebouwd zijn, aangelegen te zijn, had eene geheel andere bouworde. De woningen verhieven zich vrij ordeloos uit hunne frissche tuinen op de oneffenheden van den bodem en verborgen hunne daken onder de dichte schaduwen van hoog geboomte. Eenige waren van Europeeschen bouwtrant, anderen bootsten de Arabische vormen na. Het was een mengelmoes, dat zich verhief langs de murmelende beek, die door de hoogdrukwerktuigen van heerlijk helder water voorzien werden en steeds overvloedig voorzien bleven.

Dat alles was frisch, bevallig, aantrekkelijk en bekoorlijk. Het was eene stad in de bescheiden beteekenis van het woord—waarin de bewoners, leden eener zelfde familie, aan het gemeenschappelijk leven deelnamen, zonder de vrede verstoord te zien en zonder de huiselijke onafhankelijkheid prijs te geven.

Ja, zij waren gelukkig, die ingezetenen van het eiland Antekirrta! Zoo gelukkig als ooit een volksstam geweest is en zijn zal.

Ubi bene, ibi patria! Waar men het goed heeft, daar is het vaderland!

is ongetwijfeld eene weinig vaderlandslievende uiting; maar men zal haar die brave lieden wel willen vergeven, die op de roepstem van dokter Antekirrt daar samengevloeid waren, maar die voorheen ellendig en rampzalig in hunne geboorteplaatsen een kommervol leven voortsleepten, en nu het geluk en een onbekrompen bestaan op dat gastvrij eiland vonden.

Wat de woning van het hoofd der kolonie, van dokter Antekirrt betrof, de volksplanters noemden haar het Stadhuis, dat eigenlijk meer het gemeentehuis was. Daar woonde niet de meester, maar de primus inter pares, de eerste onder zijns gelijken. Dat was een van die overheerlijke Moorsche woningen met hare miradora’s, met hare moucharaby’s, met haar innerlijke patio’s, met hare galerijen, met hare zuilen, met hare portieken, met hare fonteinen, met hare zalen en vertrekken, die door kunstvaardige werklieden, welke daartoe opzettelijk uit de Arabische provinciën overgekomen waren, versierd werden. Tot bouwstoffen waren de meest kostbare materialen gebezigd, als marmer, onyxsteenen, die uit den zoo rijken berg Filfilla, langs de baai van Numidië op weinige kilometers van Philippeville gelegen, door een wetenschappelijk mijnbouwkundige, met een ware kunstenaarsziel begaafd, ontgind waren. Die koolzure kalkverbindingen hadden zich uitstekend geleend om de dichterlijke opvattingen van den kunstvaardigen bouwmeester te verwezenlijken, en onder het weelderig Afrikaansch klimaat hadden zij reeds die rijke tinten, die vergulde schakeering aangenomen, die de zon als met een penseel er over gestreken, met den punt harer stralen aan die kunstschatten in het Oosten verleend had.

Op den achtergrond werd Artenak beheerscht door den bevalligen klokketoren van een klein bedehuis, waarvoor dezelfde steengroeve haar wit en zwart marmer geleverd had, en die zich tot alle doeleinden, zoowel van de beeldhouwkunst als van de bouwkunst, voortreffelijk leende. De blauwachtige turquinos, de gele aderen en vertakkingen van die marmersoort, kwamen overheerlijk uit en maakten haar tot eene geduchte mededingster van de voortbrengselen der mijngangen van Carare en van Paros, de beroemdste der geheele aarde.

Buiten de stad verhieven zich op de naburige heuvelvormingen andere woningen, die een meer onafhankelijken vorm vertoonden, eenige villa’s, een klein hospitaal, dit laatste in een hoogeren luchtstreek, waarheen de dokter, de eenige geneesheer van de kleine volksplanting, zijne zieken wilde zenden, wanneer hij er namelijk zou hebben. Vervolgens verrezen langs de hellingen, die naar den zeekant afdaalden, andere fraaie woningen en vormden daar eene werkelijke badplaats. Een der best ingerichte onder die woningen, maar stevig en beknopt als een klein blokhuis gebouwd, en dicht bij den pier gelegen, verrukte den blik en zou men de villa Pescados of villa Matifou hebben kunnen heeten.

Het was daar inderdaad dat de twee onafscheidelijke vrienden gehuisvest waren, in gezelschap van een saïs, een Arabische bediende, die hun toegevoegd was en waarover zij zich zeer tevreden betoonden.

Neen, nooit zouden zij vroeger zulk eene gelukkige toekomst hebben durven droomen!

„Wij leven lekkertjes hier,” herhaalde Kaap Matifou voortdurend, terwijl hij zich de handen wreef.

„Hoe meent gij?”

„Lekkertjes! Zie je, wat men noemt lekkertjes, mijn waarde Pescadospunt!”

„Al te lekker!” meende Pescadospunt, „en het is waarlijk boven onzen stand, vrees ik.”

„Hoe bedoelt gij dat?”

„Ziet ge, Kaap Matifou, iets hindert mij. En dat nog wel zeer sterk.”

„Wat dan, in Gods naam?” vroeg de reus, die in de lucht staarde, alsof hij zocht, waar dat hinderlijke zijn mocht.

„Wij moeten onderwijs genieten....”

„Onderwijs?”

„Ja, wij moeten naar school gaan, prijzen behalen in de spelkunst en de spraakkunst....”

„He!.... in de spraakkunst?.... Alsof gij niet praten kunt...”

„Wij moeten diploma’s van knapheid erlangen! Getuigschriften, dat wij....”

„Maar gij zijt onderwezen, Pescadospunt,” antwoordde de trouwhartige Hercules. „Gij kunt lezen, schrijven, rekenen....”

„Dat is waar, maar....”

Inderdaad, met zijn reusachtige kameraad vergeleken, kon de kleine Pescadospunt voor een wetenschappelijk man doorgaan. Maar in werkelijkheid gevoelde de arme drommel maar al te zeer, wat aan zijne vorming ontbrak. Waar en wanneer zou hij iets geleerd hebben, hij die nimmer eene andere school bezocht had dan het Lyceum van de karpers in de vijvers te Fontainebleau, of zooals wij Nederlanders zouden zeggen, dan de Hoogere Burgerschool van de herten in de Koekamp te ’s Gravenhage.

Maar hij was thans een trouwe bezoeker van de openbare boekerij te Artenak, hij trachtte te leeren, hij las, hij blokte, terwijl Kaap Matifou zich den tijd ten nutte maakte om met verlof van dokter Antekirrt veel zand te verzetten, veel rotsen op het strand op te stapelen, ten einde eene kleine visschershaven aan te leggen, die hoogst noodzakelijk was.

Overigens moedigde Piet Bathory Pescadospunt zeer aan, wiens ongemeen schrander brein hij had leeren waardeeren. Hij begreep dat zulke geestvermogens slechts oefening vereischten. Hij had zich tot professor van den gewezen potsenmaker opgeworpen, en leidde zijn onderwijs zoodanig, dat zijn leerling een volledig en grondig elementair onderricht deelachtig werd. Deze maakte snelle vorderingen, dat moet gezegd worden; maar er waren nog andere redenen waarom Piet zich aan Pescadospunt hechtte.

Was hij niet belast geweest met de opdracht, om de woning van de familie Toronthal gade te slaan?

Was hij niet in de Stradona-laan aanwezig, toen Sava, bij het voorbijrijden van zijn begrafenisstoet, bewusteloos naar binnen gedragen was geworden?

O, Pescadospunt had natuurlijk meer dan eens het verhaal moeten leveren van die droevige gebeurtenissen, waaraan hij een onmiddellijk aandeel gehad had!

Hem, hem alleen, kon Piet Bathory dus daarover onderhouden. En dat hij er over sprak, wanneer zijn gemoed vol was en hij niet alles binnen de grenzen van zijn hart besluiten kon, wie zal dat kunnen wraken?

Maar daardoor werd een innige band geboren, welke die beide mannen aan elkander verbond.

Het oogenblik naderde evenwel, dat dokter Antekirrt zijn dubbel plan ten uitvoer zou leggen.

Dubbel plan, ja!

Eerst beloonen; daarna straffen!

Wat hij helaas niet had kunnen volbrengen voor Andreas Ferrato, die weinige maanden na zijne veroordeeling in het bagno van Stein overleden was, dat wilde hij ten uitvoer leggen jegens zijne kinderen. Dat was eene treurige verplichting, hem door de dankbaarheid opgelegd.

Ongelukkig, welke nasporingen zijne agenten ook in het werk gesteld hadden, welke moeite zij zich ook gegeven hadden, zoo waren zij er nog niet in geslaagd om te weten te komen wat er van Luigi en van zijne zuster geworden was. Beiden hadden, na den dood van hunne vader, Rovigno en zelfs de provincie Istrië verlaten en waren dus voor den tweeden keer de ballingschap te gemoet getreden.

Waarheen waren zij getrokken?

Dat wist niemand, en dat kon ook niemand zeggen.

Dat was wel eene reden van kommer voor den dokter. Hij gaf evenwel den moed niet op om de kinderen terug te vinden van den man, die zich voor hem opgeofferd had. Op zijn bevel werden dan ook de nasporingen onophoudelijk voortgezet, terwijl geene kosten voor dat doeleinde gespaard werden.

Wat mevrouw Bathory betrof, koesterde hij slechts één wensch en die was, dat zij naar Antekirrta mocht komen. Maar de dokter wilde de voordeelen benuttigen van den vermeenden dood van Piet, zoo als hij inderdaad partij trok van zijn eigen vermeend overlijden. Hij bracht den jongen man aan het verstand, dat het noodzakelijk was, om met de uiterste omzichtigheid te werk te gaan. Dat begreep Piet Bathory volkomen.

Van den eenen kant daarenboven wilde de dokter ook wachten, totdat de herstellende jongeling genoegzaam krachten zou herkregen hebben, om den veldtocht mede te kunnen maken, dien hij ontworpen had; en van den anderen kant,—hij wist dat door het overlijden van mevrouw Toronthal het huwelijk van Sava met Sarcany uitgesteld was,—had hij besloten niets te ondernemen voor dat dit voltrokken was. Anders zouden zijne berekeningen wel eens kunnen falen. Een zijner agenten, die te Ragusa was, hield hem trouw op de hoogte van alles, wat daar ter stede omging. Deze moest het huis van mevrouw Bathory in de Marinella-straat met dezelfde nauwkeurigheid gadeslaan als de woning in de Stradona-laan.

Zoo was toen de toestand.

De dokter wachtte met ongeduld, dat iedere oorzaak van vertraging uit den weg geruimd zoude zijn. Hij wist nog niet, wat er van Carpena geworden was; diens spoor had men na zijn vertrek van Rovigno verloren. Maar Silas Toronthal en Sarcany waren steeds te Ragusa gevestigd, die konden hem dus niet ontsnappen.

Wanneer dat alles goed begrepen is, dan zal de lezer oordeelen kunnen, wat dokter Antekirrt ondervinden moest, toen hij op den 20sten Augustus, een telegram langs den electrischen draad over Malta naar Antekirrta op het Stadhuis ontving, die eerst het vertrek van Silas Toronthal, van Sava en van Sarcany, alsook de verdwijning van mevrouw Bathory en van Borik meldde, die allen Ragusa verlaten hadden, zonder dat men hen op het spoor kon komen, zonder dat men wist, waarheen zij zich begeven hadden.

Toen wilde de dokter niet langer dralen. Hij moest, hij zou handelend optreden.

Hij liet Piet bij zich komen en verheelde hem niets van de tijding, die hij zoo even vernomen had. Welke slag dat voor den jongen man was, laat zich begrijpen. Zijne moeder verdwenen, Sava, God weet waarheen gesleurd! En door wien? Door dien Silas Toronthal, die haar, daaraan viel niet te twijfelen, dien laaghartigen Sarcany in handen wilde spelen!

„Wij vertrekken morgen,” zei dokter Antekirrt, terwijl hij den jongen man aankeek.

„Waarom morgen? Neen, heden nog!” riep Piet uit.

„Dat kan niet, mijn zoon.”

„O, vergeef mij.... Maar waar zullen wij mijne moeder zoeken?.... Waar zullen wij....”

Hij haperde en voleindigde zijn gedachtengang niet.... De naam van Sava lag op zijne lippen.

Dokter Antekirrt, die raadde wat er in hem omging, haastte zich hem in de rede te vallen, door te zeggen:

„Ik weet niet, of er een eenvoudig toeval het samenvallen van die twee gebeurtenissen aan te nemen is. Hebben Silas Toronthal en Sarcany de hand in de verdwijning van mevrouw Bathory? Dat zullen wij wel te weten komen; maar wij moeten ons in de eerste plaats tot die twee ellendelingen wenden.”

„Maar waar hen op te sporen?”

„Waar?.... Wel in Sicilië,” antwoordde dokter Antekirrt.

De lezer zal zich het gesprek nog wel herinneren, dat tusschen Sarcany en Zirone gevoerd werd in den vestingtoren van Pisino en dat door Mathias Sandorf afgeluisterd werd.

Zirone had toen van Sicilië gesproken als van het tooneel zijner gewone heldenbedrijven, terwijl hij zijn makker uitgenoodigd had daarheen te stevenen, wanneer de omstandigheden dat vroeg of laat noodzakelijk zouden maken.

Dokter Antekirrt had die bijzonderheid zorgvuldig onthouden zoowel als Zirone’s naam. Dat was, men moet ’t beamen, slechts eene zwakke aanwijzing, maar bij gebrek aan eenige andere, kon zij er toe leiden om de wrekers op het spoor van Silas Toronthal en Sarcany te voeren.

Er werd dus tot onverwijld vertrek besloten. Dat was voor Piet Bathory althans iets.

Pescadospunt en Kaap Matifou werden gewaarschuwd, dat zij den dokter zouden vergezellen en moesten zich gereed houden om op het eerste teeken te vertrekken. Pescadospunt vernam toen, wie Silas Toronthal, Sarcany en Carpena waren.

„Die schurken!” zei hij. „Ik dacht het wel!.... En in mijne meening heb ik mij zelden vergist.”

En tot Kaap Matifou fluisterde hij:

„Gij zult, denk ik, ten tooneele moeten verschijnen. Ik meen dat de tijd gaat komen.”

„Weldra?”

De kleine man knikte bevestigend; bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen:

„Maar wacht op het slotwoord.”

Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats.

De Ferrato lag met stoom op en steeds gereed om zee te kiezen. Levensmiddelen waren er steeds aan boord, hare kolenhokken waren steeds stampvol, hare kompassen steeds nauwkeurig geregeld, de waterruimen gevuld, de kruitkamer goed voorzien.... Het sloeg acht uren toen eindelijk het anker gelicht werden en het vaartuig wegstoomde.

Van uit het binnenste gedeelte van de Groote Syrte tot aan de zuidelijkste punt van het Sicilië, dat wil zeggen: tot vlak tegenover Kaap Portio di Palo, kan gerekend worden op negen honderd mijlen. Om dien afstand af te leggen, had het vlugge stoomjacht, wiens snelheid achttien mijlen in het uur bedroeg, slechts anderhalf etmaal noodig. Dat was waarlijk een kort tijdsbestek.

De Ferrato, die kruiser van de Antekirrtsche zeemacht, was een bewonderenswaardig vaartuig. Het was in Frankrijk, op de scheepstimmerwerven van de Loire gebouwd, en kon eene daadwerkelijke kracht van ongeveer vijftienhonderd paarden ontwikkelen. Zijne ketels waren volgens het stelsel Belleville vervaardigd, een stelsel waarbij de buizen het water en niet de vlammen van den oven bevatten,—en hadden het voordeel van weinig steenkolen te verbruiken, van een schelle stoomontwikkeling toe te laten, van gemakkelijk eene verhoogde stoomspanning in het leven te roepen, zelfs tot van vijftien en twintig kilogrammen, zonder dat gevaar van springen van den ketel te vreezen was. De afgewerkte stoom, door zoogenaamde herverwarmers opgevangen, werd zoo de krachtdadige agent van eene mechanische werking van eene buitengewone spanning en verleende aan het stoomjacht, hoewel het minder smal en rank was dan de adviesbooten van de Europeesche oorlogssmaldeelen, eene zoodanige snelheid, dat het voor geen dier vaartuigen behoefde onder te doen. Het kon zich in waarheid meten met de beste van de geheele aarde.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de Ferrato met het meest mogelijke comfort ingericht was, en dat zij haren passagiers alle gemakken, die maar te bedenken waren, aanbood. Het vaartuig voerde bovendien vier stalen kanons van het achterlaadstelsel, die overbanks konden vuren, bovendien nog twee revolverkanons van het stelsel Hotchkiss en twee Gatling mitrailleuses. Behalve dat, was het voorschip nog bewapend met een lang jaagstuk, dat op een afstand van zes kilometers een conisch projectiel van dertien centimeter kon voortdrijven. Eene zeer eerbiedwaardige bewapening dus.

Het état-major bestond uit een kapitein, een Dalmatiër van geboorte, die Köstrik heette, uit een eersten officier, onderbevelhebber, en uit twee luitenants ter zee.

De machine werd gedreven door een eersten en een tweeden werktuigkundige, door vier stokers, die daarenboven nog bijgestaan werden door twee kolenruimwerkers.

Voor den dienst der kombuis en tot bediening der salons en hutten waren vooreerst aanwezig: een uitmuntend hofmeester, dan twee koks, ware specialiteiten in hun vak, en drie saïs of bijloopers, terwijl de bemanning bestond uit een constabel, twee kwartiermeesters en dertig matrozen.

In het geheel dus vier officieren en zeven en veertig manschappen, alle flinke borsten.

Gedurende de eerste uren werd het verlaten van de baai van Sidra onder vrij gunstige omstandigheden volvoerd.

Hoewel de wind tegen was en vrij hard uit het noordwesten blies, zoo kon de gezagvoerder van de Ferrato toch eene merkwaardige snelheid verleenen en die ook volhouden. Hij kon echter van zijn zeiltuig, zooals van fok, fokkemars, fokkebram, grootzeil, grootmars- en grootbramzeil en barkzeil geen gebruik maken.

Gedurende den nacht konden dokter Antekirrt en Piet Bathory in hunne elkander grenzende hutten, die zij in het achterschip betrokken hadden, en Pescadospunt en Kaap Matifou in hunne hutten in het voorschip, de meest gewenschte rust genieten, zonder zich te verontrusten over de bewegingen van het stoomjacht, dat evenals elk snelvarend vaartuig tamelijk slingerde. De slaapplaatsen waren evenwel van veerkrachtige toestellen voorzien, die de slingeringen zooveel mogelijk neutraliseerden.

Om evenwel der waarheid getrouw te blijven, moet verteld worden dat al ontbrak de slaap niet aan de beide gewezen acrobaten, evenwel dokter Antekirrt en Piet Bathory ten gevolge van ongerustheid, die zij ondervonden, geen oog sloten.

Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen, waren gedurende de twaalf uren, die sedert het vertrek van het eiland Antekirrta verstreken waren, meer dan honderdtwintig mijlen afgelegd. De bries woei steeds uit denzelfden hoek, namelijk uit het noordwesten, en toonde waarlijk neiging, om nog aan te wakkeren. Bij het opkomen der zon zag de gezichteinder er somber, dreigend en stormachtig uit, terwijl de drukkende dampkring, door den barometer duidelijk aangegeven, eene worsteling der elementen deed voorzien.

Pescadospunt en Kaap Matifou wenschten dokter Antekirrt en Piet Bathory goeden morgen.

„Dank je, vrienden,” hernam de dokter. „Hebt gij een goeden nacht in uwe kooien doorgebracht?”

„Als mollen met een gerust geweten,” antwoordde Pescadospunt vroolijk en opgeruimd.