Mathias Sandorf [2]

Part 11

Chapter 113,795 wordsPublic domain

„Zoo is mijne meening,” ging Sarcany voort. „En in dat geval, zou het dan niet zaak zijn, om onze vijanden voor te zijn?”

„Hen voor te zijn?”

„Om de stad te verlaten, waar gij en ik meer te verliezen dan te winnen hebben?”

„Als er eene bedreiging voor ons in dien brief opgesloten lag,” antwoordde Silas Toronthal, „dan zouden wij van die bedreiging reeds eenige dagen later iets bemerkt hebben, en tot nu toe, dat moet gij erkennen, is aan onzen toestand niets veranderd!”

Sarcany kon op die bewijsvoering niets antwoorden. Wanneer de brief van mevrouw Toronthal inderdaad betrekking had op hunne plannen voor de toekomst, dan had hij nog geen gevolg gehad; zoodat aan een op handen zijnd vertrek nog niet gedacht behoefde te worden. Als het gevaar zoude opdoemen, zou de tijd tot handelen daar zijn.

Zoo gebeurde het, evenwel geheel anders, dan die twee het hadden kunnen gissen, en wel ongeveer veertien dagen na het overlijden van mevrouw Toronthal.

Na den dood harer moeder, had Sava zich steeds afgezonderd gehouden. Zij had hare kamers zelfs niet verlaten. Men zag haar ook niet op de uren der maaltijden. De bankier gevoelde zich onthutst, bekommerd in hare nabijheid en zocht volstrekt niet alleen met haar te zijn; want dan zou hij zich verlegen gevoeld hebben. Hij liet haar dus vrij om te handelen, zooals zij verkoos, en bewoonde voor zijn persoon een ander gedeelte van de groote woning.

Meer dan eens had Sarcany die handelwijze van Silas Toronthal grof en onbehouwen afgekeurd. Hij meende dat de bankier zich zoo niet door de omstandigheden moest laten beheerschen. Ten gevolge van dien staat van zaken had hij volstrekt geene gelegenheid meer om het jonge meisje te ontmoeten. Dat strookte evenwel niet met zijne verdere plannen. Hij had dan ook eene levendige woordewisseling daarover met den bankier. Hoewel er geen sprake kon zijn van eene huwelijksplechtigheid gedurende de eerste maanden van den rouwtijd, wilde hij niet, dat Sava zich met het denkbeeld kon vereenzelvigen, dat haar vader en hij van die vereeniging zouden afgezien hebben.

Eindelijk sprak Sarcany op zoo’n gebiedenden toon, en met zulk een nadruk, dat Silas Toronthal Sava op den 16den Augustus liet verwittigen, dat hij haar dienzelfden avond wenschte te spreken. Daar hij haar liet weten, dat Sarcany verlangde bij dat gesprek tegenwoordig te zijn, verwachtte hij een weigerend antwoord. Dat gebeurde evenwel niet. Sava liet den bankier weten, dat zij zich ter zijner beschikking stelde.

Toen de avond gevallen was, wachtten Silas Toronthal en Sarcany met ongeduld het jonge meisje in het groote salon. Eerstbedoelde was vast besloten zich niet bij den neus te laten rondleiden, daar hij alle rechten voor zich had, die hij aan de vaderlijke macht ontleende. De tweede nam zich voor, bedaard en kalm, ja ingetogen te zijn. Hij wilde veel meer luisteren dan spreken, en zou vooral trachten, de geheime gedachten van het jonge meisje te weten te komen. Hij vreesde steeds, dat zij beter op de hoogte van zekere zaken was dan wel vermoed werd.

Sava trad op het vastgestelde uur de zaal binnen. Sarcany stond eerbiedig van zijn stoel op, toen zij verscheen; maar het jonge meisje beantwoordde den groet, dien hij zoo bevallig mogelijk bracht, zelfs met geen eenvoudigen hoofdknik.

Zij scheen hem niet gezien te hebben, of beter, zij scheen hem niet te willen zien.

Met een gebaar wees Silas Toronthal Sava een stoel aan, waarop zij plaats nam. Daar nu, koud en ijzig, met het gelaat nog witter dan het kraagje, dat op haar rouwgewaad scherp afstak, wachtte zij, totdat eene vraag tot haar gericht zoude worden. Dat wachten duurde een poos.

„Sava,” begon eindelijk de bankier, „ik heb uwe smart over het overlijden uwer moeder geëerbiedigd, en ik heb u in uwe eenzaamheid niet willen storen. Maar in weerwil en zelfs ten gevolge van die droevige gebeurtenissen, bevinden wij ons in de noodzakelijkheid eenige zaken, die geen uitstel gedoogen, te moeten behandelen.... Hoewel gij uwe meerderjarigheid nog niet bereikt hebt, zal het toch goed zijn....”

De bankier aarzelde hier. Sava keek hem met strakken blik aan, maar sprak geen woord. Sarcany gaf hem een teeken.

„Zal het toch goed zijn,” ging Silas Toronthal voort, „dat gij weet, hoe groot uw deel is in de erfenis van....”

„Als hier slechts kwestie is van een vermogen,” antwoordde Sava, „dan valt er niet veel te praten, dan kan het onderhoud zeer bekort worden. Ik meen, dat ik daar niets mede te maken heb.”

Beide mannen keken haar met verbaasden blik aan. Zoo’n geestkracht waren zij van het jonge meisje niet gewoon.

„Hoe zoo?” vroeg Silas Toronthal beteuterd en geheel en al uit het veld geslagen.

„Ik wensch volstrekt geen aanspraak te maken op de erfenis, waarvan gij spreekt,” antwoordde Sava.

Sarcany maakte eene beweging, die van zijn kant als eene heftige teleurstelling kon gelden; maar ook wellicht op eene verbazing kon duiden, die niet van ongerustheid ontbloot was.

„Ik denk Sava,” hernam Silas Toronthal, „dat gij de beteekenis mijner woorden niet goed gevat hebt.”

„Ik heb haar zeer goed begrepen,” zei het jonge meisje.

„Of gij het wilt of niet,” ging de bankier voort, „gij zijt de erfgename van mevrouw Toronthal, uwe moeder.”

„Dat is de vraag nog.”

„En de wet zal mij verplichten....”

„Tot wat?” vroeg Sava.

„Om u rekening en verantwoording af te leggen, wanneer gij meerderjarig zult zijn geworden....”

„Tenzij ik van de erfenis afstand doe,” antwoordde het jonge meisje bedaard en kalm.

„Waarom zoudt gij dat doen?” vroeg Silas Toronthal.

„Ja, waarom?” vroeg Sarcany.

„Omdat ik er ongetwijfeld geen recht op heb,” was het trotsche antwoord op die vraag.

De bankier sprong uit zijn leuningstoel omhoog.

Nimmer had hij dat antwoord verwacht! Neen, nimmer! Eene huivering voer hem door de leden.

Sarcany sprak geen woord. Volgens hem speelde Sava eene rol en hij trachtte eenvoudig een helderen blik in hare bedoelingen te verkrijgen.

„Ik begrijp niet,” hernam Silas Toronthal, die door de koele antwoorden van het jonge meisje ongeduldig werd, „ik begrijp niet wat die woorden beteekenen moeten, en kan ook niet gissen, wie ze u ingeblazen heeft. Ik ben bovendien niet hier gekomen, om rechtskwestiën en jurisprudentie-zaken te behandelen.”

„Wat is dan de reden van uwe komst?” vroeg Sava. „Waarom hebt gij mij dan hier ontboden?”

„Dat zult gij wel hooren, als ge maar geduld hebt. Gij staat onder mijne voogdijschap en gij hebt geen recht, om te weigeren die erfenis te aanvaarden!”

„Niet, dat zullen we zien!” sprak Sava kortaf.

„Neen, gij hebt niets anders te doen, dan u naar den wil van uw vader te schikken, u te buigen voor het gezag dat gij wel erkennen zult.”

„Wie weet?.... Misschien!” antwoordde Sava met ernstige en vast besloten stem. „Wie weet?.... Misschien!”

„Waarlijk,” riep Silas Toronthal uit, die zijne koelbloedigheid geheel en al verloor.

„Waarlijk, wat?” vroeg het jonge meisje.

„Gij praat drie jaren te vroeg, Sava, dat schijnt gij geheel en al uit het oog te verliezen.”

„Dat zal te bezien staan.”

„Wanneer gij uwe meerderjarigheid zult bereikt hebben, dan zult ge kunnen doen met uw vermogen, wat gij verkiest. Tot dat tijdstip zijn uwe belangen mij toevertrouwd. En ik zal die belangen behartigen, zooals ik dat goed zal vinden.”

„Het zij zoo!” antwoordde Sava kalm, hoewel niet veel gelatenheid in hare stem en houding doorstraalde.

„Wat beteekent dat: het zij zoo?” vroeg Silas Toronthal.

„Dat ik zal wachten?”

„En waarop wilt ge wachten?” hernam de bankier ongeduldig, nieuwsgierig en vrij vertoornd.

„Wel, zooals ge zegt, totdat ik mijne meerderjarigheid bereikt zal hebben. De raad is goed. Ik zal hem volgen.”

„Jawel, maar intusschen vergeet ge ongetwijfeld, dat de toestanden gaan veranderen, zoodra de welvoegelijkheid zulks zal gedoogen! Gij hebt te minder recht om zoo luchtig over uw vermogen te denken, daar gij niet meer alleen betrokken zijt in de zaak....”

„Ja!.... de zaak!.... goed uitgedrukt: de handelszaak!” antwoordde Sava met diepe minachting.

„Zijt overtuigd, mejuffrouw....” meende Sarcany te moeten zeggen, wien dat woord, hetwelk met de meest kwetsende bedoeling uitgesproken was, vooral trof, „weest overtuigd dat eervolle gevoelens....”

Sava’s houding duidde aan, dat zij zelfs niet naar hem hoorde en keek alleen den bankier onophoudelijk aan, die haar met vergramde stem toevoegde:

„Neen, niet meer alleen; omdat de dood uwer moeder aan onze plannen niets veranderd heeft.”

„Welke plannen?” vroeg het jonge meisje, alsof zij waarlijk van niets af wist.

„De huwelijksplannen!”

„Welke huwelijksplannen?”

„De huwelijksplannen, die gij veinst vergeten te hebben en die mijnheer Sarcany tot mijn schoonzoon zullen maken.”

„Zijt gij wel zeker dat mijnheer Sarcany door dat huwelijk uw schoonzoon worden zou?”

De bedoeling was thans zoo bepaald, zoo op den man af, dat Silas Toronthal ditmaal opsprong, ten einde naar buiten te snellen, zoo zeer gevoelde hij behoefte om zijne ontsteltenis te verbergen. Maar Sarcany weerhield hem met een gebaar. Deze wilde ten einde toe voortgaan; hij wilde volstrekt weten waaraan zich te houden.

„Luister, vader; want het is voor de laatste maal, dat ik u dien naam geef,” zei toen het jonge meisje en ging met nadruk voort,

„Het is niet voor mijn persoon, dat mijnheer Sarcany mij wil huwen; hij beoogt slechts dat vermogen, hetwelk ik niet meer hebben wil. Hoe groot zijne schaamteloosheid ook zij, dat zal hij wel niet ontkennen! Evenwel, daar men mij herinnerd heeft, dat ik vroeger mijne toestemming tot dat huwelijk gegeven heb, zal mijn antwoord thans gemakkelijk zijn.....”

Sava zweeg een oogenblik als om hare gedachte te verzamelen. Daarna vervolgde zij:

„Ja, ik meende mij te moeten opofferen, toen ik nog gelooven kon, dat de eer mijns vaders in die zaak gemengd was.... Maar, gij weet het zeer goed, dat mijn vader met dien geheelen hatelijken zwendel niets gemeens heeft. Wilt gij dus mijnheer Sarcany verrijken, geef hem dan uw vermogen!.... Dat is alles wat hij vraagt... Hij verlangt niets meer.”

Het jonge meisje was bij die laatste woorden opgestaan en richtte hare schreden naar de deur.

„Sava,” riep toen Silas Toronthal verwoed uit, terwijl hij zich voor haar plaatste.

„Wat wilt ge nog meer van mij?” vroeg zij trotsch en afgemeten. „Zeg, wat wilt ge nog meer?”

„Sava,” vervolgde de opgewonden bankier, „er heerscht in uwe woorden zoo weinig verband, dat ik ze volstrekt niet begrijp, dat.... gij ze ongetwijfeld zelf niet begrijpt....”

„O, wees gerust....”

„Ik stel mij waarachtig de vraag, of de dood uwer moeder....”

„Mijner moeder!.... Ja, het was inderdaad eene moeder voor mij!.... Mijne moeder volgens het hart!” mompelde het jonge meisje.

„.... Of de droefheid over dat overlijden uw verstand niet geschokt heeft,” vervolgde Silas Toronthal, die in zoo’n staat van opgewondenheid verkeerde, dat hij niets of niemand anders meer hoorde. „Ja, zeker, als gij niet krankzinnig zijt....”

„Krankzinnig!”

„Ja, krankzinnig!”

„Dat zoudt ge wellicht wenschen!” hernam Sava opgewonden, terwijl zij op den bankier toetrad.

„Om het even, wat ik besloten heb, moet geschieden!” antwoordde deze niet minder verbolgen.

„Zoo bout!”

„Ja, zoo bout, en eer wij zes maanden verder zijn, zult gij de echtgenoote van Sarcany wezen!”

„Dat nooit!”

„Nooit? Herhaal dat woord nog eens! Dan zullen wij zien!”

„Nooit!”

„Ik zal u wel weten te noodzaken!”

„Dat’s gauw genoeg gezegd, echter minder spoedig volvoerd, hoort ge?”

„Dat zult ge wel ondervinden. Gehoorzamen zult gij mij, als ik beveel!”

„Maar aan welk recht ontleent gij dan toch de macht, om mij te bevelen?” vroeg Sava, die daarbij een gebaar van verontwaardiging niet kon onderdrukken. „Zeg, aan welk recht?”

„Aan mijn recht als vader!” bulderde Silas Toronthal, buiten zich zelven van woede.

„Gij.... gij, mijnheer?”

„Ja, ik! Ik, uw vader! Verstaat ge, Sava?”

„Gij zijt mijn vader niet!”

„Sava!”

„En ik heet niet Sava Toronthal!”

Bij deze laatste woorden deinsde de bankier, die geen antwoord wist te vinden, ontsteld achteruit.

„Neen, gij zijt mijn vader niet!” herhaalde het jonge meisje op nog meer nadrukkelijken toon.

„Sava!”

„En ik ben uwe dochter niet!” sprak het jonge meisje, die nu zonder het hoofd naar den rampzalige om te wenden, de zaal verliet om naar hare kamer terug te keeren.

Sarcany had gedurende dat geheele gesprek bijna niet gesproken. Niet anders dan om met een enkel woord te trachten tegen de beschuldiging van hebzucht te protesteeren. Maar hij had Sava nauwkeurig gadegeslagen en was niets verwonderd over hetgeen hij vernomen had, ook niet over de wijze, waarop dat onderhoud geëindigd was. Dat had hij wel geraden en dat had hij kunnen voorspellen. Wat hij vreesde, was gebeurd. Sava wist, dat zij door geen band van bloedverwantschap aan de familie Toronthal verbonden was. En dit was, zoo als hij bekennen moest, hachelijk genoeg.

Wat den bankier aangaat, die was te meer door dien onverwachten knotsslag vernietigd, daar hij hem niet had zien aankomen en dus geen zelfbeheersching in die omstandigheid had kunnen uitoefenen.

Sarcany wachtte een oogenblik, alsof hij zijne gedachten bijeen verzamelen wilde. Toen nam hij het woord en met zijne gewone scherpzinnigheid en nauwkeurigheid, begrensde hij den toestand.

Silas Toronthal kon niet anders doen dan te luisteren. Hij vermocht zijne gevoelens niet anders te uiten dan door slechts toestemmend te knikken, zoo zeer schenen de beweringen van zijn vroegeren medeplichtige door eene onverbiddelijke logica gekenmerkt te zijn.

„Gij moet er niet meer op rekenen,” sprak deze, „dat Sava ooit, goedschiks ten minste, hare toestemming tot dat huwelijk geven zal. Maar.... ter wille van de redenen, die wij beiden genoegzaam kennen, is het meer dan ooit noodig, dat dit huwelijk tot stand komt. Wat weet zij van ons misdadig verleden? Ik geloof niets; want in het tegenovergestelde geval zou zij het thans wel in hare hartstochtelijkheid uitgekraamd hebben. Wat zij weet, is dat zij uwe dochter niet is.... en dat is alles!.... Kent zij haren vader? Ook dat niet!.... Want, let op, dat zou de eerste naam geweest zijn, dien zij ons naar het hoofd zou geslingerd hebben! Dat is voor mij ontwijfelbaar. Draagt zij reeds lang kennis van haren toestand tegenover u? Wie weet? Maar ik geloof het niet. Voor mij is het zeer waarschijnlijk, dat mevrouw Toronthal haar dat op haar doodbed medegedeeld heeft,.... maar wat mij niet minder zeker voorkomt, dat is, dat de stervende vrouw Sava niet meer heeft willen onderrichten dan noodig was, om haar het recht te verleenen gehoorzaamheid te weigeren aan den man, die haar vader niet is, maar dien zij tot heden als zoodanig beschouwd heeft. Zie, dat is mijne meening. Maar wat zegt gij er van?”

Silas Toronthal zat daar stil en wezenloos en had de redeneering van Sarcany slechts van tijd tot tijd met een lichten hoofdknik beaamd. Nu weet de lezer, dat Sarcany zich niet vergiste, noch omtrent de wijze, waarop het jonge meisje nopens die aangelegenheid onderricht was geworden, noch omtrent het tijdperk, sedert zij die zaken wist, noch eindelijk omtrent het gedeelte van het geheim nopens hare geboorte, hetwelk haar slechts onvolledig medegedeeld was.

„Kunnen wij daaruit nu gevolgtrekkingen opmaken?” vervolgde Sarcany. „Hoe weinig Sava ook af weet omtrent de aangelegenheden, die haar raken, en hoewel zij geheel en al onkundig is omtrent ons verleden, zoo worden wij toch beiden ten ernstigste bedreigd, gij in den eervollen toestand, waarin gij u te Ragusa als eerste bankier bevindt; ik in de onmetelijke belangen, die dat huwelijk voor mij vertegenwoordigt, en waarvan ik volstrekt niet wil afzien. Dat zult ge begrijpen, hoop ik. Dus wij moeten nu uitmaken, wat er gedaan moet worden en dat wel zoo spoedig mogelijk. Ziehier mijne meening: Wij, gij en ik, moeten Ragusa verlaten en dat binnen den kortst mogelijken tijd. Wij moeten Sava medevoeren, voor dat zij tijd heeft om iemand te zien of te spreken. Dat verhuizen moet liever heden dan morgen geschieden; en dan, luister goed, moeten wij niet in deze stad terugkeeren dan nadat het huwelijk gesloten zal zijn, dat wil zeggen wanneer Sava, doordat zij mijne echtgenoote zal zijn, er alle belang bij zal hebben, om te zwijgen. Wanneer wij maar eenmaal buiten ’s lands zullen zijn, dan zal zij zoo volkomen aan iederen vreemden invloed onttrokken kunnen worden, dat wij niets van haar te vreezen zullen hebben. Wat de kwestie betreft, om haar te noodzaken hare toestemming tot dat huwelijk te geven en dat nog wel onmiddellijk na den rouwtijd, door de welvoegelijkheid geboden, evenwel binnen den tijd, die mij de verwachte voordeelen kan verzekeren, dat is uitsluitend mijne zaak. En dat God mij eeuwig straffe, wanneer ik niet slaag!”

Silas Toronthal moest toegeven, dat de toestand werkelijk bestond, zooals hij door Sarcany zoo even geschetst was. Hij dacht er dan ook niet aan, om tegenstribbelingen te maken. Hij werd al meer en meer door zijn medeplichtige beheerscht en kon niet anders meer handelen dan die wel wilde gedoogen.

Waarom zou hij ook anders handelen?

Ter wille van dat jonge meisje, aan wie hij steeds een onoverwinnelijken afkeer ingeboezemd had, en voor wien zijn hart nimmer eenig gevoel gekoesterd had? Zoo iets kon toch in ernst bij hem niet opkomen!

Dien avond werd dan ook stellig overeengekomen, dat het door Sarcany ontworpen plan ten uitvoer gelegd zoude worden, vóórdat Sava de woning in de Stradona-laan zou kunnen verlaten.

Daarna scheidden Silas Toronthal en Sarcany. Het was voor alle partijen een belangrijke avond geweest.

Dat zij geen ongelijk hadden om zich zoo te haasten, zal de lezer weldra bemerken.

Inderdaad den tweeden dag na het voorgevallene, verliet mevrouw Bathory, vergezeld van den ouden Borik, het dorp Vinticello en keerde voor den eersten keer sedert het overlijden van haren zoon Piet, in het huis van de Marinella-straat weer. Zij had besloten om die woning, alsook de stad, die voor haar zoo vol hartverscheurende herinneringen was, te verlaten, en was gekomen om hare toebereidselen tot haar vertrek te treffen.

Toen Borik de deur geopend had, vond hij een brief, die gedurende hunne afwezigheid in de bus, in de deur aangebracht, geworpen was.

Dat was de brief, dien mevrouw Toronthal, daags vóór haar overlijden, in de rijkspostbus gedaan had. De lezer zal zich de omstandigheden nog wel herinneren, waaronder dat plaats had.

Mevrouw Bathory nam den brief, opende hem en keek eerst naar de handteekening. Daarna las ze ademloos, als met een oogopslag, de weinige regels, die door eene stervende hand geschreven waren en het geheim van Sava’s geboorte bevatten.

Welk eene vreemde samenkoppeling van Sava’s naam met dien van Piet vormde zich toen in het brein van mevrouw Bathory!

„Zij!.... Hij!....” riep zij uit.

En zonder een enkel woord te spreken,—hoe had zij dat ook kunnen doen?—zonder antwoord aan haren ouden dienaar te geven, dien zij terugstiet, toen hij haar met de meeste behoedzaamheid wilde weerhouden, vloog zij naar buiten, stormde de Marinella-straat door, stak het geheele Stradonakwartier over en staakte eerst haren driftigen loop voor de woning van den bankier Toronthal.

Begreep zij volkomen de strekking van hetgeen zij thans wilde verrichten?

Begreep zij, dat het wellicht beter zoude zijn met minder overhaasting, dus met meer voorzichtigheid te werk te gaan, en dat in het belang van Sava zelve?

Neen, zij werd onweerstaanbaar naar het jonge meisje toegetrokken, alsof haar echtgenoot, Stephanus Bathory, alsof haar zoon Piet, beiden uit hun graf verrezen, haar toegeroepen hadden:

„Red haar!.... Red haar!”

Mevrouw Bathory schelde aan.

De deur ging open. Een bediende verscheen, die haar vroeg, wat zij verlangde.

Mevrouw Bathory wenschte Sava te zien.

Zij kreeg ten antwoord, dat mejuffrouw niet meer in de woning aanwezig was.

Mevrouw Bathory wenschte den bankier Silas Toronthal te spreken.

De bankier was daags te voren vertrokken. Hij had de stad verlaten zonder te zeggen, waarheen hij trok en had het jonge meisje medegenomen. Voor de buitenwereld kon daarin niets vreemds gelegen zijn. Eene dochter met haren vader!

Mevrouw Bathory werd dermate door die tijdingen geschokt, dat zij wankelde en voorzeker zou ter aarde gestort zijn, wanneer zij niet door Borik opgevangen was geworden, die haar gevolgd was en eindelijk ingehaald had.

Maar toen de oude dienaar haar in hare woning in de Marinella-straat teruggevoerd had, zeide zij hem met fluisterende stem:

„Morgen, Borik, gaan wij te zamen eene luisterrijke huwelijksplechtigheid bijwonen.”

„Eene huwelijksplechtigheid?” vroeg de oude man bekommerd over het uiterlijke der arme vrouw.

„Ja, wij samen!”

„Van Sava met Piet!”

Helaas! mevrouw Bathory was krankzinnig geworden.

Was dat te verwonderen?

VIII.

IN DE OMSTREKEN VAN MALTA.

Piet Bathory zag, terwijl die gebeurtenissen, die hem van zoo nabij aangingen, te Ragusa voorvielen, te Antekirrta zijn gezondheidstoestand van dag tot dag, van uur tot uur verbeteren.

Zijne wond boezemde weldra geene ongerustheid meer in en de genezing zou binnen korten tijd volkomen zijn. Maar hoe ongelukkig moest de jonge man zich gevoelen, als hij aan zijne moeder dacht!

Hoezeer moest hij lijden, wanneer zijne gedachten bij Sava verwijlden, die hij dacht, dat voor hem verloren was.

Zijne moeder!....

Maar het was onmogelijk om haar onder den indruk van dat onware overlijden van haren zoon te laten!

Er was dan ook overeengekomen, dat men haar uiterst voorzichtig omtrent de ware toedracht zoude inlichten, opdat zij zich bij haren zoon te Antekirrta zoude kunnen voegen. Een van de agenten van den dokter had in opdracht, haar gedurende het herstellingstijdperk van Piet niet uit het oog te verliezen, en dat herstel kon niet lang meer uitblijven.

Maar, Sava!....

Piet had zich voorgenomen, nimmer over haar tot dokter Antekirrt te spreken. Maar hoewel hij thans meenen moest, dat zij de echtgenoote van Sarcany was, was het hem niet mogelijk haar te vergeten! Hoe zou dat ook kunnen? Had hij opgehouden haar lief te hebben, hoewel zij voor hem thans de dochter van Silas Toronthal was? Neen, duizendmaal neen! Was Sava schuldig? Was zij verantwoordelijk voor de misdaad van haren vader? En toch, die laaghartige misdaad had Stephanus Bathory, zijn vader, het leven gekost! O, een tweestrijd ontwikkelde zich in de borst van den jongeling, en hij alleen, hij Piet Bathory, zou het verschrikkelijke en onophoudelijke lijden daarvan hebben kunnen mededeelen.

Dokter Antekirrt gevoelde dat. Om dan ook een anderen loop aan de gedachten van den jongen man te verleenen, herinnerde hij hem onophoudelijk de noodzakelijkheid tot uitoefening der rechtspleging die zij op zich genomen hadden en waartoe zij beiden naar gelang hunner krachten moesten medewerken.

De verraders moesten gestraft worden, en dat zouden zij! Niets zou hen daarvoor kunnen vrijwaren!

Maar hoe zou men hen bereiken? Hoe zou men die ellendelingen in handen krijgen?

Daaromtrent was nog niets beslist. Maar men zou hen bereiken! Daaromtrent bestond geen twijfel.

„Er bestaan duizend en meer wegen, daarentegen maar één doel!” herhaalde steeds de dokter.

En als het moest zijn, zou hij duizend wegen volgen, om dat doel te bereiken!

Gedurende de laatste tijden van zijn herstel mocht Piet over en door het eiland Antekirrta wandelen en mocht het bezichtigen, hetzij wandelende te voet, hetzij gemakkelijk gezeten in een rijtuig.

Wie zou inderdaad geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting onder het bestuur van dokter Antekirrt geworden was?