Mathias Sandorf [2]

Part 10

Chapter 103,800 wordsPublic domain

„En gij wist dat? Hoe is dat mogelijk? Zeg mij toch, graaf Sandorf!”

„Ik wist het!”

„Gij wist het? Gij, de makker van Stephanus Bathory! Gij, die aan zijn zoon bescherming beloofdet! Gij, wien ik het geheim mijner liefde bekend heb! Gij, die deze liefde aangemoedigd hebt! Gij hebt dien laaghartige, dien eerlooze toegang laten verkrijgen in het huis van Silas Toronthal! Gij hebt die misdaad toegelaten!.... Ja, die misdaad, waardoor dat ongelukkige jonge meisje aan dien Sarcany overgeleverd is!”

„Ja, Piet, dat alles heb ik gedaan!” sprak dokter Antekirrt met eene vreeselijke woestheid in zijne stem.

„En waarom?”

„Omdat dat jonge meisje uwe echtgenoote niet kon worden! Ziedaar de reden!”

„Zij! Zij niet?”

„Neen, vooral zij niet!”

„O, waarom? Zeg, waarom?”

„Omdat wanneer Piet Bathory juffrouw Sava Toronthal gehuwd had, dat eene nog afzichtelijker misdaad zou geweest zijn dan het gepleegde verraad. Hoort ge?”

„Maar waarom?.... Waarom toch?” kreet Piet, die ten toppunt van zenuwachtige overspanning verkeerde.

„Omdat Sarcany een medeplichtige had!....” sprak graaf Sandorf somber en schier sissend.

„Een medeplichtige?....”

„Ja een medeplichtige bij dat schandelijke verraad, dat uwen vader aan den dood overleverde!”

„En die medeplichtige? Wie is hij? O, ik smeek u, heb medelijden met mij! Noem mij zijn naam.”

„Die medeplichtige?.... Ja, het is noodzakelijk, dat gij hem eindelijk leert kennen!....”

„Dat is de Triëster bankier, Silas Toronthal!”

Piet had het gehoord, en had het begrepen!.... Hij slaakte geen kreet; hij sprak geen woord. Het was alsof eene ijzeren vuist hem de keel dichtkneep. Een zenuwachtige lach trok zijne lippen te zamen en misvormde zijn gelaat. Hij zou tegen den grond geslagen zijn,—want zoodanig had de afschuw zijne spieren verlamd en verstijfd,—wanneer dokter Antekirrt hem niet in zijne armen opgevangen had. Hij staroogde en het was alsof zijn blik in ondoordringbare duisternissen boorde.

Die toestand duurde slechts kort, slechts weinige seconden, toch lang genoeg om dokter Antekirrt tijd te gunnen, zich met schrik af te vragen of de patiënt niet bezwijken zou na de schrikkelijke operatie, welke hij hem had laten ondergaan.

Maar Piet Bathory bezat een krachtig gestel. Hij slaagde er in om al de oproerige bewegingen zijner ziel te beheerschen. Eenige tranen ontsnapten eindelijk aan zijne branderige oogleden.... Daarna liet hij zich in zijn leuningstoel neervallen en liet zijne hand in die van den dokter rusten.

„Piet,” zei deze met eene teedere, maar hoogst angstige stem, „Piet, voor de geheele wereld zijn wij beiden dood. Ik ben thans geheel alleen op aarde; ik heb geen vriend, ik heb geen kind meer!... Zeg, wilt ge mijn zoon zijn?”

„Ja!.... vader....” antwoordde Piet Bathory snikkend. „Ja, zeker wil ik uw zoon zijn!”

En inderdaad het was wel een soort vaderlijk gevoel van den eenen, gepaard aan een zeker kinderlijk gevoel van den anderen, hetwelk die twee mannen in elkanders armen deed vallen.

VII.

WAT ER INMIDDELS TE RAGUSA GEBEURDE.

Terwijl die gebeurtenissen op het eiland Antekirrta voorvielen, was Ragusa het tooneel van andere voorvallen.

Ziehier wat er gebeurde.

Mevrouw Bathory was toen reeds niet meer in de stad. Zij had haar verlaten.

Na den dood van haren zoon was Borik, geholpen door een paar vrienden, er in geslaagd, haar dat huis in de Marinella-straat te doen ontruimen. Gedurende den eersten tijd had men gemeend, dat het brein van de ongelukkige moeder dien laatsten schok niet zou kunnen weerstaan. En werkelijk, hoe geestkrachtvol die bewonderenswaardige vrouw zich ook betoonde en betoond had, zoo deden zich toch eenige teekenen van geestesstoornis voor, die den geneesheer en nog al bezorgdheid inboezemden. Onder die omstandigheden en op aanraden en aandringen van de mannen der wetenschap, werd mevrouw Bathory ten huize van een vriend van hare familie in het kleine dorp Vinticello genaamd, opgenomen. Dat dorpje was op eenigen afstand van Ragusa gelegen.

Daar zouden haar de goede zorgen en eene doelmatige verpleging waarlijk niet ontbreken.

Maar welken troost zou men die arme moeder, die rampzalige echtgenoote, die zoo herhaaldelijk in hare liefde voor haren echtgenoot, in hare toegenegenheid voor haren zoon aangetast was geworden, hebben kunnen bieden?

Haar innig genegen dienaar, haar oude Borik, had haar niet willen verlaten. Toen dan ook het huis in de Marinella-straat gesloten was, volgde hij haar, om de nederige, bescheiden en toewijdingsvolle vertrouweling van zooveel smarten te zijn.

Wat Sava Toronthal betrof, de rampzalige moeder van Piet Bathory had haar gevloekt en nimmer was er sedert meer sprake van haar in het huisje te Vinticello geweest. De beide bewoners wisten zelfs niet, dat haar huwelijk tot een later tijdstip uitgesteld was.

Daarenboven de toestand, waarin het jonge meisje zich bevond, maakte haar weldra bedlegerig. Haar was een even onverwachte als wreedaardige slag toegebracht.

Hij, dien zij lief had, was dood.... ongetwijfeld gestorven uit wanhoop!.... En het was zijn lijk, dat men naar het kerkhof droeg, juist op het oogenblik, toen zij hare woning verliet, om de bruid te zijn en die hatelijke vereeniging te gaan voltrekken.

Sava verkeerde gedurende tien dagen, dat wil zeggen tot den 16en Juli, in zeer ontrustbarenden toestand. Hare moeder verliet haar in dit tijdperk niet. Het waren daarenboven de laatste zorgen, die mevrouw Toronthal aan hare dochter zoude wijden; want zij zelve zou weldra op hare beurt doodelijk aangetast worden.

Welke gedachten hielden gedurende die lange uren van het nachtwaken naast het ziekbed, moeder en dochter bezig? Och, die zal de lezer wel raden, zonder dat daarop gewezen zal behoeven te worden. Twee namen werden herhaaldelijk te midden van snikken en tranen herhaald: de naam van Sarcany, om met verwenschingen overstelpt te worden, en de naam van Piet Bathory, die nog slechts op een steenen gedenkteeken op het kerkhof voorkwam, om beweend te worden!

Uit deze gesprekken, waaraan de bankier Silas Toronthal nimmer deel nam,—hij vermeed zelfs om zijne dochter in hare vertrekken op te zoeken of te zien,—vloeide een laatste poging voort van mevrouw Toronthal bij haren echtgenoot, om hem over te halen van dat huwelijk af te zien, waarvan het denkbeeld alleen voldoende was, om Sava een schrik, eene oprechte walging op het lijf te jagen.

Maar de bankier bleef onverzettelijk in zijn voornemen. Daartoe meende hij redenen te hebben.

Misschien zou hij, wanneer hij aan zich zelf overgeleverd gebleven was, wanneer hij onttrokken had kunnen blijven aan vreemden invloed, aan vreemden dwang, dan zou hij wellicht gehoor hebben gegeven aan de opmerkingen, die hem gemaakt werden, aan de wroegingen, die zijn geweten hem deed ondervinden. Maar hij werd beheerscht door zijnen medeplichtige meer dan hij zelf meende. Hij weigerde dan ook gehoor te leenen aan mevrouw Toronthal en was op dat punt inderdaad onverbiddelijk.

Tot Sava’s huwelijk met Sarvany was besloten en het zou voltrokken worden, zoodra de gezondheid van het jonge meisje die belangrijke gebeurtenis veroorloven zoude.

De woede van Sarcany, toen dat toeval plaats had en alle plannen verijdelde, laat zich wel beseffen. Met weinig vermomden toorn, zag hij die verwarring aan, die in zijne plannen aangebracht werd. Hij overlaadde Silas Toronthal met drangredenen om toch, in weerwil van alles, voort te maken.

Het was waar, het gold ongetwijfeld slechts een uitstel; maar wanneer dat uitstel aanhield of verlengd werd, dan kon het den grondslag in gevaar brengen, waarop zijne geheele toekomst gesteund was. En dat moest vermeden worden.

Hij besefte aan den anderen kant, dat Sava slechts een onoverkomelijken afschuw voor hem kon gevoelen.

En waartoe zou die afschuw overgaan, zich vervormen, wanneer het jonge meisje ooit zou vernemen, dat Piet Bathory bezweken was onder het dolkmes van den man, dien men haar tot echtgenoot opdrong!

Van zijn kant evenwel wenschte hij zich innig geluk bij die gelegenheid zijn medeminnaar uit den weg geruimd te hebben. Geene wroeging drong daarenboven die ziel binnen, die voor ieder menschelijk gevoel hermetisch gesloten was. Hij kon in den volsten zin des woords een gewetenlooze aterling genoemd worden.

„Het is inderdaad gelukkig,” zei hij eens tot Silas Toronthal, toen die dood ter sprake kwam, „dat die lummel op de gedachte gekomen is, zelfmoord te plegen. Hoe minder er van dat ras van de Bathory’s overblijven, hoe beter dat voor ons zal uitkomen.

„Waarlijk, het schijnt dat de hemel ons beschermt!”

En inderdaad, wie bleef er thans van de drie familiën Sandorf, Zathmar en Bathory over?

Niemand anders dan eene stokoude vrouw, die afgeleefd en welker dagen bijgevolg geteld waren.

Ja, zeker, God scheen die ellendelingen te beschermen! En Hij zou zijne bescherming tot de uiterste grens opgevoerd hebben, wanneer Sarcany tegelijkertijd én de echtgenoot van Sava Toronthal én de baas van haar kolossaal vermogen ware geworden!

Toch scheen diezelfde God hem door het oefenen van geduld te willen beproeven; want het uitstel van dat huwelijk scheen niet te eindigen. Het was voor dien woesteling ondragelijk.

Toen het jonge meisje hersteld en ter been was,—lichamelijk hersteld althans—en zij eenigszins van dien schrik bekomen was; toen Sarcany de meening begon te koesteren, dat het tijd werd, om de oude plannen weer op te rakelen, werd mevrouw Toronthal op hare beurt ziek. De levensdraden waren bij die goede vrouw versleten. Dat zal wel niemand der lezers verwonderen, die nagegaan hebben, welk leven zij geleid had na de gebeurtenissen van Triëst, nadat zij vernoemen had aan welk onwaardig man haar bestaan vastgeketend was. Daarop waren hare pogingen, die wel een voortdurenden strijd mochten genoemd worden, in het belang van Piet Bathory gevolgd, om ten minste zoo eenigermate het onrecht te vergoeden, hetwelk die familie aangedaan was. Hare vergeefsche smeekingen tegenover den onverbreekbaren invloed van Sarcany, die zoo onverwachts te Ragusa teruggekeerd was, hadden haar geheel en al geknakt. Hare geestkracht was thans uitgeput. Zij moest het opgeven.

Van den eersten dag van dien strijd af was het duidelijk, dat haar levensader onvermijdelijk geknakt was. Thans konden de geneesheeren nog slechts weinige dagen beloven, dat was alles. Volgens hen was mevrouw Toronthal onherstelbaar. Zij stierf tengevolge van uitputting, en niets had haar meer kunnen redden, al ware Piet Bathory ook uit het graf opgestaan om de echtgenoot van hare dochter te worden! En van zulk eene uitkomst was het ver af, al was de jonkman ook al uit den dood verrezen, hetgeen zij natuurlijk niet weten kon.

Toen kon Sava de zorgen vergelden, die zij van haar ondervonden had. Het jonge meisje verliet noch des daags noch des nachts de sponde van de arme vrouw. Als de meest ijverige pleegzuster zat zij naast dat ziekbed.

Het is te begrijpen, wat Sarcany bij dat nieuwe uitstel moest ondervinden. Hij bestormde den bankier letterlijk met drog- en drangredenen. Maar dat alles was te vergeefs. Door die ziekte was ook deze tot onmacht gedoemd. Wat zou de wereld zeggen, wanneer onder zulke omstandigheden een huwelijk gesloten werd?

De afloop van dien toestand kon zich evenwel niet lang meer laten wachten. Dat was voor een ieder duidelijk.

Tegen den 29sten Juli, dat wil zeggen weinige dagen na het hier boven verhaalde, scheen mevrouw Toronthal weer eenige krachten te zullen terugkrijgen. Er scheen nieuw leven in te komen.

Het was evenwel eene heete koorts die ze haar verschafte. De hevigheid van dat ziekteverschijnsel zou haar evenwel binnen de tweemaal vier en twintig uren aan den rand van het graf brengen.

Gedurende die koorts ijlde de arme vrouw in hooge mate; zij sprak voortdurend volkomen wartaal, volzinnen die geheel en al onbegrijpelijk waren. Sava sloeg er weinig acht op.

En toch één woord—één naam, die steeds op de lippen der zieke zweefde,—was wel geschikt, om Sava te verbazen. Het was de naam van Bathory, niet de naam van den jongeling, maar de naam zijner moeder, welke de zieke met bange stem in hare ijlende koorts riep, terwijl zij haar voortdurend smeekte, alsof zij door de bitterste wroeging overstelpt was:

„Vergeving, mevrouw!.... O, vergeving!.... Als ge wist, wat ik geleden heb!.... O, wend het gelaat niet af!”

En wanneer het jonge meisje bij het intreden van heldere oogenblikken hare moeder ondervroeg, dan antwoordde deze met den grootsten schrik en de grootste ontsteltenis:

„Zwijg stil!.... Sava!.... O, zwijg stil!.... Spreek er geen mensch over! Ik heb niets gezegd!”

Eindelijk trad de nacht van den 30sten op den 31sten Juli in. Een oogenblik hadden de geneesheeren de meening kunnen koesteren, dat de ziekte van mevrouw Toronthal, na haar toppunt van hevigheid bereikt te hebben, tot staan gebracht was niet alleen, maar ook dat zij zou beginnen af te nemen.

Dien dag toch was de toestand veel beter geweest. Geen der gewone aandoeningen had zich voorgedaan en er was inderdaad reden om verbaasd te zijn over zulk een onverwachte wijziging in den ziektevorm van de waardige vrouw. De nacht beloofde zoo rustig mogelijk, althans niet minder te zijn dan de toestand gedurende den dag. Alles voorspelde zulks.

Het was zoo, dat viel niet te ontkennen. Maar het was de laatste flikkering van de wegstervende levensvlam. Op het punt van te overlijden, voelde mevrouw Toronthal eene geestkracht in zich herleven, die men onmogelijk van zoo’n uitgeput lichaam verwachten kon. De reden daarvan was, dat, na hare rekening met God afgesloten te hebben, zij een besluit genomen had en slechts de gelegenheid afwachtte, om daaraan, als het haar mogelijk was, uitvoering te geven.

Nu zij zich zoo wel bevond, verlangde zij dat het jonge meisje dien nacht gedurende eenige uren rust zou nemen. Wat Sava er ook tegen inbracht, zij moest hare moeder gehoorzamen, nu deze daar zoo uitdrukkelijk op stond.

Sava begaf zich tegen elf uren des avonds naar hare kamer en mevrouw Toronthal bleef alleen in haar vertrek. Allen sliepen in de groote ruime woning, waarin die stilte toen heerschte, welke men terecht de „stilte des doods” genoemd heeft.

Toen stond mevrouw Toronthal op, en diezelfde zieke, die iedereen meende, dat zij door zwakte en uitputting onbekwaam zoude zijn om ook maar de geringste beweging uit te voeren, ontwikkelde thans genoegzame kracht, om zich te kleeden en plaats te nemen aan eene kleine dames-schrijflessenaar, die in een hoek van het vertrek stond.

Daar nam zij een vel postpapier en schreef daarop met bevende hand slechts weinige regels, die zij daarna onderteekende. Vervolgens stak zij dien brief in eene enveloppe, welke zij verzegelde en waarop zij het navolgende adres schreef:

„Mevrouw Bathory Marinella-straat, in de voorstad Stradona, Ragusa.”

In weerwil van de vermoeidheid, die zij voelde dat haar aangreep, en door dien arbeid veroorzaakt was, stond mevrouw Toronthal op, opende de deur van hare kamer, daalde langs de groote trap af, stak de binnenplaats der woning over, deed niet zonder moeite de kleine deur open, welke toegang naar buiten verleende en bevond zich eindelijk in de Stradona-laan.

Maar dat geheele kwartier der Stradona was somber en eenzaam in dit uur, want het was voorzeker meer dan middernacht. Niets werd er vernomen, alleen heel in de verte het wegstervend geluid van een rijtuig.

Mevrouw Toronthal sleepte zich met wankelende schreden de stoep op en volgde die ongeveer veertig passen, terwijl zij tegen de huisgevels leunde, bleef voor een brievenbus stilstaan, liet haren brief daarin glijden en keerde toen naar hare woning terug.

Maar al de kracht, die zij bijeenverzameld had, om die laatste handeling van haren wil ten uitvoer te leggen, was thans uitgeput. Zij viel bewegingloos neer op den drempel van de koetspoort harer woning.

Daar werd zij een uur later door eenige voorbijgangers gevonden. Haastig kwamen Silas Toronthal en Sava op het geklop naar buiten, om haar te herkennen. Vandaar werd zij, zonder dat zij bij kennis gekomen was, naar haar vertrek gedragen. De arme Sava was wanhopend.

Daags daarna verhaalde Silas Toronthal alles wat er gebeurd was, aan Sarcany. Geen van beiden konden evenwel gissen, dat mevrouw Toronthal dien nacht een schrijven in de brievenbus van de Stradona-laan was gaan werpen.

Maar waarom had zij hare woning verlaten? Wat zou zij buiten te verrichten hebben gehad?

Dat konden zij natuurlijk niet verklaren en dat was voor hen eene wezenlijke bron van onrust.

De zieke kwijnde nog gedurende vier en twintig uren. Zij gaf geen ander teeken van leven meer dan enkele zenuwachtige trekkingen, als laatste inspanning van de ziel, die op het punt stond het gesloopte lichaam te verlaten. Sava had hare hand gegrepen, alsof zij haar in het leven had willen terughouden. Och! zij zou zich na dat sterfgeval zoo verlaten in dit tranendal gevoelen! De mond harer moeder bleef evenwel stom, hare lippen bleven gesloten. De naam van Bathory werd niet meer door de stervende uitgesproken. Ongetwijfeld was haar geweten, na hare volbrachte daad, gerustgesteld en had mevrouw Toronthal niets meer te vragen en geene vergiffenis meer te verwerven.

Den volgenden nacht maakte de stervende vrouw tegen drie uur des morgens eene beweging, terwijl Sava alleen bij haar in het vertrek was. Hare hand raakte daarbij die van het jonge meisje aan.

Bij die aanraking opende zij ten halve hare oogen, die zij gesloten had. Daarna richtte zich haar blik naar Sava. Die blik was zoo vragend, dat Sava zich daarin niet kon vergissen. De stervende wilde haar iets zeggen.

„Moeder?”

Het oog der stervende schitterde.

„Moeder.... moeder, zeg, wat verlangt ge?”

Mevrouw Toronthal wenkte als het ware met de oogen. Zij knipte althans herhaaldelijk met de oogleden.

„Wilt ge spreken?”

„Ja,” antwoordde mevrouw Toronthal duidelijk verstaanbaar met de oogen.

„Ik luister, moeder.”

Sava bukte zich over het boveneinde van het bed.

„Is het zoo goed, moeder? Zeg, is het zoo goed?”

De stervende gaf een teeken om nog nader te treden. Nog en nog nader, wenkte haar oog.

„Zoo dan, moeder?”

En Sava lei haar hoofd naast dat harer moeder op het kussen.

„Ja,” knikte de stervende.

„Ik luister, moeder,” herhaalde het jonge meisje.

„Kindlief, ik ga sterven!....”

„Moeder!.... moeder!....”

„Stil, kind;.... ik ga sterven! Dat moet u niet ontstellen. Wij allen moeten vroeg of laat sterven!....”

„Moeder!” kreet Sava met een verscheurenden snik. „Gij.... gij vergist u voorzeker....”

„Zachter!....” mompelde mevrouw Toronthal, „veel zachter!.. Dat niemand ons hoore!”

„O, niemand hoort ons, moeder! Niemand kan ons hooren. Allen slapen thans in dit huis.”

De zieke spande zich zichtbaar in. Zij snakte naar adem.

„Sava,” zei zij, „ik moet u vergiffenis vragen....”

„Moeder!”

„Vergiffenis vragen voor het leed, dat ik u berokkend heb.... voor het kwaad, dat ik den moed niet gehad heb te verhinderen!”

„Gij moeder! Gij!”

„O, vergeving, Sava!”

„Gij moeder!.... Gij mij leed berokkend?.... Hoe zou dat mogelijk zijn? O.... het is de koorts....”

De zieke schudde het hoofd.

„Vergeving!....” prevelde zij.

„Gij mij vergeving vragen?”

„Geef mij een laatsten kus, Sava!....”

Het meisje omhelsde hare moeder. Deze ging snikkend voort:

„Ja,.... de laatste!.... Die kus is voor mij het bewijs, dat gij mij vergeeft!”

Het meisje drukte andermaal zacht hare lippen op het voorhoofd der stervende.

„Wees gerust!” stamelde zij.

Deze had nog de kracht om den arm om den hals van Sava te slaan. Daarop richtte zij zich overeind, keek haar met een schrikkelijke strakheid aan. De oogen waren reeds verglaasd.

„Sava!....” zeide zij, „Sava, hoort gij mij?”

„Ja, dierbare moeder!”

„Sava.... ge zijt de dochter niet van Silas Toronthal, gij zijt mijne dochter niet!.... Uw vader is....”

Zij kon niet eindigen. Een zenuwtrilling wierp haar uit Sava’s armen, terwijl hare ziel met de laatst uitgesproken woorden aan hare lippen ontvlood.

Het jonge meisje bukte zich over de doode!.... Zij poogde hulp aan te brengen!.... Zij poogde met alle middelen, die haar ten dienste stonden, het leven terug te roepen.... Alles was vruchteloos.

Toen schelde zij, toen riep zij. Men kwam nu van alle kanten aanloopen. Silas Toronthal was een der eersten in het vertrek zijner echtgenoote verschenen.

Toen Sava hem ontwaarde, werd zij door zoo’n gevoel van afkeer bevangen, dat zij voor dien man terugdeinsde als voor een vergiftig dier. O, zij had thans het recht om hem te verachten, hem te haten; want hij was haar vader niet! De doode had het gezegd en men sterft niet met eene onwaarheid op de lippen. Daarvan was zij overtuigd, dat gevoelde zij.

Sava ontvluchtte daarna dat vertrek, verschrikt en ontsteld over hetgeen de ongelukkige vrouw haar medegedeeld had, die haar als hare eigene dochter gekoesterd en liefgehad had.

Maar eigenlijk was zij nog meer verschrikt over hetgeen de stervende haar niet had kunnen zeggen!

Den derden dag na het overlijden had de lijkdienst en de begrafenisplechtigheid plaats, die met de meeste uiterlijke pracht geleid werden. De menigte van vrienden en bekenden, die ieder rijk man bezit, omringden den vermogenden bankier bij die gelegenheid.

Naast hem stapte Sarcany, die zoo door zijne tegenwoordigheid eene soort bevestiging verleende aan de meening, dat niets omtrent de huwelijksplannen gewijzigd was, die hem in de familie Toronthal moesten brengen. Dat was en bleef inderdaad zijne hoop; maar zou die ooit verwezenlijkt worden, dan moesten toch nog zeer vele moeielijkheden te boven gekomen worden.

Sarcany dacht evenwel, dat de omstandigheden niet anders dan gunstig konden zijn tot volvoering zijner plannen, daar zij Sava veel meer aan zijne genade of beter aan zijne willekeur overleverden.

Intusschen zou de vertraging, door de ziekte van mevrouw Toronthal veroorzaakt, door haar overlijden verlengd worden. Gedurende den rouwtijd der familie kon er van een huwelijk geen sprake zijn. De welvoegelijkheid eischte, dat minstens verscheidene maanden na de begrafenis moesten voorbijsnellen.

Natuurlijk kon dat niet anders dan Sarcany, die gehaast was om zijn doel te bereiken, teleurstellen en verbitteren. Maar wat er aan te doen? Hij was gedwongen de gebruiken te eerbiedigen, hoewel dat niet geschiedde, zonder dat er levendige woordenwisselingen tusschen hem en Silas Toronthal plaats hadden. En die woordenwisselingen eindigden steeds met dien volzin, die door den bankier tot vervelens toe herhaald werd:

„Ik wil en vermag in deze omstandigheden niets te doen; daarenboven, wanneer dat huwelijk maar binnen vijf maanden voltrokken wordt, dan bestaat er hoegenaamd geen reden om u ongerust te maken!”

Klaarblijkelijk begrepen die twee personen elkander volkomen. Een misverstand tusschen hen scheen niet mogelijk.

Maar hoewel Sarcany die aangevoerde reden moest toegeven, zoo kon hij niet nalaten eenige verbittering te laten blijken, die soms de heftigste tooneelen veroorzaakte.

Beiden waren daarenboven niet geheel en al zonder ongerustheid, sedert de onverklaarbare handeling van mevrouw Toronthal, daags voor haren dood. En zelfs rees de gedachte bij Sarcany op, dat de stervende wellicht een brief in de bus had willen werpen, een brief, waarvan zij de bestemming had willen geheim houden.

Ja, dat was mogelijk!

Ook de bankier, wien Sarcany dat denkbeeld mededeelde, kon dat vermoeden niet afdoende tegenspreken en begon er zelfs aan te gelooven.

„Wanneer dat zoo is,” herhaalde Sarcany voortdurend, „dan is die brief eene onophoudelijke en ernstige bedreiging voor ons. Uwe vrouw heeft steeds de partij van Sava gekozen, met haar geheuld en tegen mij gestookt. Is dat zoo niet? Zij beschermde zelfs mijn medeminnaar, en wie weet of zij niet, op het punt van te sterven, eene geestkracht ontwikkeld heeft, waartoe wij haar niet meer in staat achtten, om ons aan onze vijanden te verraden.”

„Zoudt ge denken?” vroeg Silas Toronthal ontzet. „Dat komt mij schier onmogelijk voor.”