Mathias Sandorf [1]

Part 5

Chapter 53,717 wordsPublic domain

„Pas op, Silas Toronthal!” riep Sarcany, zonder zich ditmaal te bedwingen, op dreigenden toon uit.

„Oppassen, voor wat, alsjeblieft?”

„Ik weet zekere zaken....”

„De deur uit, Sarcany!” antwoordde de bankier.

„Ik zal weten u te noodzaken....”

„De deur uit!”

In dit oogenblik werd licht op de deur van het kantoor getikt. Terwijl Sarcany zijn gelaat vlug naar den kant van het venster gewend had, was de deur opengegaan op het „binnen” van den bankier. Een bediende verscheen en sprak met luider stem:

„Graaf Sandorf verzoekt den heer Silas Toronthal een oogenblik gehoor!”

Daarna ging hij heen.

„Graaf Sandorf?” riep Sarcany uit.

Van den eenen kant kon de bankier niet anders dan zeer verstoord zijn, dat Sarcany van dat bezoek onderricht werd, en van den anderen kant begreep hij dat groote moeilijkheden gingen voortvloeien uit die onverwachte komst van den graaf.

„He! he! wat komt graaf Sandorf hier doen?” vroeg Sarcany op scherp spotachtigen toon. „Staat gij dus in betrekking met de samenzweerders van het huis Zathmar. Inderdaad, ik geloof dat ik mij tot een hunner gewend heb.”

„Zult gij eindelijk heengaan?”

„Neen, Silas Toronthal, ik zal niet heengaan. Ik wil weten wat graaf Sandorf hier komt doen!”

Toen hij die woorden uitgesproken had, wierp hij zich ijlings in een kabinet, dat aan het kantoor grensde en welks voorhang achter hem neerviel.

Silas Toronthal was op het punt om iemand te roepen, teneinde den indringer te doen wegjagen, toen hij plotseling van gedachte veranderde.

„Neen,” zei hij, „het is, alles wel beschouwd, waarschijnlijk beter, dat Sarcany hoore wat hier gesproken zal worden.”

De bankier schelde den bediende en beval hem graaf Sandorf onmiddellijk binnen te geleiden.

Mathias Sandorf trad het kantoor binnen en beantwoordde geheel overeenkomstig zijn karakter, de beleefde buigingen van Silas Toronthal koel. Daarna nam hij in een leuningstoel plaats, dien de bediende bijgeschoven had.

„Heer graaf,” zei de bankier, „ik mocht op de eer van uw bezoek niet hopen, daar ik meende dat gij niet te Triëst waart. Maar gij weet het, in het huis Toronthal zijt gij steeds welkom en uwe tegenwoordigheid wordt hier hoogst gewaardeerd.”

„Mijnheer,” antwoordde Mathias Sandorf, „ik ben slechts een der meest bescheidene uwer klanten, daar ik, zooals gij weet, geene zaken drijf. Toch ben ik u dank schuldig dat gij wel de fondsen, die ik disponibel had, in deposito hebt willen nemen.”

„Heer graaf, vergeef mij wanneer ik u herinner,” hernam Silas Toronthal, „dat die fondsen in rekening courant door mij opgenomen zijn, zoodat gij niet vergeten moogt, dat zij u renten opbrengen.”

„Ik weet het, mijnheer....” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar ik herhaal wat ik u destijds zeide, dat ik geene geldbelegging bij uw huis beoogde, slechts een eenvoudig deposito.”

„Het zij zoo, heer graaf,” hernam Silas Toronthal. „Maar het geld is in deze tijden duur en het zou niet billijk wezen, wanneer het uwe improductief bleef liggen. Een finantieele crisis dreigt over het geheele land zich uit te strekken. De toestanden zijn in het binnenland zeer moeilijk. De zaken zijn als het ware geheel verlamd. Eenige bankbreuken van belangrijke huizen hebben het openbaar crediet geschokt, terwijl er nog andere verwacht worden....”

„Maar uw huis is solied, nietwaar, mijnheer?” vroeg Mathias Sandorf en vervolgde zonder antwoord daarop af te wachten: „Ik weet uit goede bron, dat het slechts zeer weinig geleden heeft door de reactie van die bankbreuken.”

„O, zeer weinig,” antwoordde Silas Toronthal met de grootste kalmte. „De handel op de Adriatische zee verzekert ons bovendien een stroom van maritieme zaken, die der huizen van Pest of van Weenen ontvalt, zoodat de crisis ons slechts weinig gedeerd heeft. Wij zijn dus niet te beklagen, heer graaf en beklagen ons ook niet.”

„Ik kan niet anders dan u geluk wenschen, mijnheer,” betuigde Mathias Sandorf. „Ik meen u evenwel te moeten vragen, of tengevolge van die crisis zich binnenslands geene verwikkelingen voorgedaan hebben?”

Hoewel graaf Sandorf die vraag gesteld had op een toon, alsof hij er geen het minste belang in stelde, zoo wekte zij toch de aandacht van Silas Toronthal op, die den graaf dan ook meer nauwkeurig gadesloeg. Die vraag kon toch inderdaad betrekking hebben op hetgeen hij van Sarcany vernam.

„Ik weet niets dienaangaande,” antwoordde Silas Toronthal, „en ik heb niet vernomen dat het Oostenrijksche gouvernement te dien opzichte eenige vrees koesterde. Zoudt gij, heer graaf, redenen meenen te hebben om te denken dat aanstaande gebeurtenissen....”

„Volstrekt niet!” viel Mathias Sandorf in; „maar in hooge sferen van het bankwezen is men soms met zaken bekend, die het publiek eerst later verneemt. Ziedaar de reden, waarom ik u die vraag stelde, maar uwe vrijheid onaangetast liet om haar, al naar dat u geraden voorkwam, met ja of met neen te beantwoorden.”

„Ik heb in dien zin niets vernomen,” hernam Silas Toronthal. „Wees intusschen verzekerd, heer graaf, dat ik mij niet het recht zou mogen aanmatigen om met een klant als gij zijt, geheimzinnig of stilzwijgend te zijn, daar uwe belangen daardoor zouden kunnen lijden!”

„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf, „en ik meen uwe gevoelens te kunnen deelen, dat er noch van het binnenland, noch van het buitenland iets te vreezen is. Ik ga dan ook Triëst weldra verlaten om in Transsylvanië weer te keeren, waarheen mij dringende zaken roepen.”

„Zoo, gaat gij heen, heer graaf?” vroeg Silas Toronthal met levendigheid.

„Ja.... zoo omstreeks over veertien dagen, op zijn laatst.”

„Maar gij komt toch naar Triëst terug?”

„Dat geloof ik niet, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf. „Maar vóórdat ik vertrek, wenschte ik de geheele comptabiliteit van het kasteel Artenick, die eenigszins in de war is, in orde te brengen. Ik heb van mijn intendant tal van nota’s, pachtcedulen, boschcontracten ontvangen, die ik haast geen tijd heb om na te gaan. Kent gij geen comptabel, of zoudt gij niet een uwer geëmployeerden kunnen missen, die mij dien dienst zou willen bewijzen?”

„Niets zal gemakkelijker gaan, heer graaf.”

„Inderdaad?”

„Ja, zeker.”

„Ik zal u wel verplicht wezen.”

„O, de verplichting is aan mijn kant. Wanneer hebt gij dien comptabel noodig?”

„Zoo gauw mogelijk.”

„En waar moet hij zich aanmelden?”

„Zich aanmelden?”

„Ja, bij wien?”

„Bij mijn vriend graaf Zathmar, wiens huis in de Acquedottolaan nummer 89 gelegen is.”

„Hoe zegt ge.... nummer....?”

„Nummer 89 van de Acquedottolaan.”

„Dat ’s afgesproken.”

„Het zal een werk van een tiental dagen wezen, en ik zal, wanneer die zaken behoorlijk geregeld zijn, daarna naar het kasteel Artenick kunnen vertrekken. Ik verzoek u dus om de fondsen, die ik bij u heb staan, ter mijner beschikking te houden.”

Silas Toronthal kon bij die woorden een gebaar van schrik niet weerhouden. Gelukkig zag de graaf het niet.

„Op welken dag verlangt gij, dat u die fondsen zullen worden ter hand gesteld, heer graaf?” vroeg de bankier.

„Op den 8en van de volgende maand.”

„Dan zult gij ze hebben.”

Daarop stond graaf Sandorf op en ging heen terwijl de bankier hem tot aan de deur van het vertrek begeleidde.

Toen Silas Toronthal in zijn kantoor terugkeerde, vond hij er Sarcany, die slechts deze woorden sprak:

„Ik moet binnen twee dagen in het huis van graaf Zathmar werkzaam zijn.”

„Ja, dat moet inderdaad!” antwoordde Silas Toronthal.

IV.

HET GEHEIMSCHRIFT.

Sarcany was inderdaad twee dagen later in het huis van graaf Ladislas Zathmar geïnstalleerd. Hij was door Silas Toronthal aanbevolen geworden bij graaf Sandorf, die met de plaatsing van dien man onmiddellijk genoegen had genomen.

Zoo was de medeplichtigheid van den bankier met zijn agent bij de kuiperijen, door hem op ’t getouw gezet, behoorlijk tot stand gekomen. Hun doel was: de ontdekking van een geheim, die het leven van de hoofden van de samenzwering kon kosten. Het resultaat dat verwacht werd, zou zijn: dat als prijs hunner aanbrenging een vermogen hun ten deel viel, voor de helft aan een gelukzoeker, die tot alles in staat was om zijn zak gevuld te krijgen; voor de andere helft aan een bankier, die zoover gekomen was, dat hij niet meer aan zijne verbintenissen kon voldoen.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat een verdrag tusschen Silas Toronthal en Sarcany gesloten was, waarbij de waarschijnlijk geachte winsten in twee gelijke portiën verdeeld werden. Bovendien zou Sarcany al het geld ontvangen, benoodigd om met zijn makker Zirone fatsoenlijk te Triëst te kunnen leven en om zijne onkosten te kunnen betalen, die zijne bemoeiingen in die zaak vereischen zouden. Daartegenover had hij als waarborg de copie van het briefje, dat het geheim der samenzwering bevatte, waaraan hij niet twijfelde, aan den bankier moeten overgeven.

Men zal misschien geneigd zijn graaf Mathias Sandorf van onvoorzichtigheid te beschuldigen. En inderdaad, in zulke omstandigheden een vreemdeling binnen te leiden in dat huis, waarin zulke gewichtige belangen behandeld werden, in den vooravond van den dag waarop het sein tot uitbarsting van een komplot ieder oogenblik kon gegeven worden, kon niet anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Maar het was slechts door de ijzeren noodzakelijkheid, dat de graaf zoo gehandeld had.

Vooreerst toch had hij er een dringend belang bij, dat zijne personeele zaken in orde gebracht werden, op een oogenblik dat hij zich in die gevaarlijke zaak stortte, waarin hij zijn leven, op zijn allerminst zijne verbanning waagde, wanneer hij bij nietslagen gevangen genomen of tot de vlucht genoodzaakt zou worden. Van een anderen kant meende hij door het opnemen van een vreemdeling in het huis van graaf Zathmar, juist de achterdocht, die mocht gerezen zijn, af te wenden. Hij had sedert eenige dagen meenen te zien—en de lezer weet dat het juist is—dat eenige spionnen in de Acquedottolaan rondslopen. Die spionnen waren niemand anders dan Sarcany en Zirone geweest. Maar de graaf vroeg zich af, of de politie hem en zijne vrienden gadesloeg en hunne handelingen nauwgezet naging? Mathias Sandorf moest het gelooven, ja vreezen. Wanneer de vergaderplaats der samenzweerders, die tot dien dag voor alle oningewijden hermetisch gesloten was gebleven, achterdocht opwekte, dan was er geen beter middel om de verdenking op een valsch spoor te brengen, dan door die afsluiting op te heffen, en het huis voor een commies te openen, die er zich inderdaad slechts met comptabiliteits-zaken onledig zou houden. Zou de tegenwoordigheid van dien commies een gevaar voor graaf Ladislas Zathmar en voor zijne makkers kunnen daarstellen? Neen, in geen geval. Er werden geene brieven in geheimschrift tusschen Triëst en de andere steden van het Hongaarsche koninkrijk gewisseld. Al de papieren, die op de ophanden zijnde beweging betrekking hadden, waren vernietigd. Er bleef geen enkel geschreven spoor van de samenzwering over. De maatregelen waren genomen, daaraan was niets meer te veranderen. Er behoefden geen nieuwe genomen te worden. Graaf Sandorf had slechts het sein te geven, wanneer het gunstige oogenblik daar zou zijn. Dus de aanneming van een nieuwen geëmployeerde in dat huis zou, wanneer het gouvernement achterdocht koesterde, iedere verdenking verwijderen.

Ja, de redeneering was juist en de voorzorg zou goed genomen moeten genoemd worden, wanneer die commies niet Sarcany en zijn borg niet Silas Toronthal geweest waren!

Sarcany, die een meester in dubbelhartigheid was, genoot evenwel de voordeelen van zijn uiterlijk. Hij had toch een openhartig en vrijmoedig gelaat, terwijl zijn geheele persoon eenvoudigheid en trouwhartigheid scheen te kenmerken. Graaf Sandorf en zijne vrienden werden er door bedrogen en beetgenomen. De jeugdige comptabel betoonde zich ijverig, dienstvaardig, vriendelijk en uiterst behendig bij het nazien van die rekeningen en nota’s, die hij moest in het reine brengen. Niets bovendien zou hem hebben kunnen doen gissen, wanneer hij het niet geweten had, dat hij zich in tegenwoordigheid van de hoofden eener samenzwering bevond, die gereed was het Hongaarsche ras tegen het Duitsche op te zweepen. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar schenen zich slechts bij hunne bijeenkomsten met wetenschappelijke vraagstukken of met kunstkwestiën bezig te houden. Geen geheime briefwisselingen meer, geen geheimzinnig heen en weer loopen rondom het huis. Dat alles was uit. Maar Sarcany wist waaraan zich te houden. De gelegenheid, die hij zocht, moest zich voordoen en hij wachtte diensvolgens geduldig.

Toen Sarcany het huis van Ladislas Zathmar betrad, had hij slechts ééne gedachte, namelijk den rooster machtig te worden, die diende om het geheimschrift te ontcijferen. Nu er evenwel geen dergelijke stukken meer te Triëst aankwamen, vroeg hij zich af of die rooster niet uit overmaat van voorzichtigheid kon vernietigd zijn. Dat denkbeeld verontrustte hem, want het geheele gebouw zijner kuiperijen berustte daarop, dat hij het briefje door de reisduif aangebracht, en waarvan hij afschrift genomen had, zou kunnen lezen.

Dus terwijl hij zich onledig hield met de zaken van Mathias Sandorf te regelen, keek hij rond, nam hij waar, bespiedde hij alles. De toegang tot het kantoorvertrek, waarin Ladislas Zathmar en zijne makkers te zamen kwamen, was voor hem niet afgesloten. Hij werkte er zelfs somtijds geheel alleen in. En dan waren zijne oogen en zijne handen met geheel iets anders bezig, dan met het onder elkander stellen van cijfers of met rekeningen uit te pluizen. Hij snuffelde dan in de papieren, hij opende de laden met een soort haak, dien Zirone hem als zaakkundige bij dergelijke bedrijven, ter hand had gesteld na dien zelf gemaakt te hebben. Hij nam toch intusschen zeer goed in acht, dat hij bij dien arbeid niet door Borik zoude bespeurd worden; want hij ontveinsde het zich niet, dat hij dezen niet de geringste sympathie inboezemde.

Gedurende de vijf eerste dagen waren Sarcany’s nasporingen volkomen vruchteloos. Hij trad iederen morgen dat huis binnen bezield met de hoop van te zullen slagen; en iederen avond keerde hij naar zijn hôtel terug met het bewustzijn, een vergeefschen dag doorgebracht te hebben. Hij begon aan het welslagen zijner onderneming te wanhopen. En inderdaad, de omwenteling, wanneer het eene samenzwering gold,—en daaraan twijfelde hij geen oogenblik—kon iederen dag uitbreken, dat wil zeggen: alvorens hij haar ontdekt en bij gevolg aangebracht had.

„Eerder dan het voordeel van die aanbrenging te verliezen,” zeide Zirone, „zal het verkieselijk zijn, al is het zonder bewijzen, de politie te waarschuwen en haar daarbij het afschrift in handen te spelen.”

„Ja,” antwoordde Sarcany, „dat zal ik doen, als het noodig wordt.”

Het zal wel overbodig zijn te vertellen, dat hij Silas Toronthal op de hoogte van zijne nasporingen hield, dat hij waarlijk veel moeite had om diens ongeduld te temperen.

Maar het toeval zou hem te hulp komen. Dat had hem een eerste maal gediend door hem het geheimzinnig briefje in handen te spelen; het zou hem andermaal dienen door hem in staat te stellen dat raadselschrift te ontcijferen.

Men was op het einde van de maand Mei gekomen, en het was ongeveer vier uren in den namiddag. Sarcany zou volgens gewoonte, tegen vijf uren het huis van graaf Ladislas Zathmar verlaten. Hij was te meer kregelig, daar hij niet verder gevorderd was dan op den eersten dag dat hij in dienst van graaf Sandorf trad, om diens comptabiliteit in orde te brengen, een arbeid dien hij bijna geëindigd had. Wanneer hij daaraan de laatste hand zou gelegd hebben, dan zou hij ongetwijfeld betaald en bedankt worden; waardoor hem de gelegenheid ontvallen zou om zich voortaan in dat huis te kunnen vertoonen.

In dat gegeven oogenblik bevonden zich Ladislas Zathmar en zijne beide vrienden buitenshuis. Er was niemand in de woning aanwezig dan Borik, die toen in een zaal op de eerste verdieping bezig was. Sarcany had volledige vrijheid tot handelen en besloot dan ook om de slaapkamer van graaf Zathmar binnen te dringen,—waarin hij nog nimmer geweest was—om daar zijne nasporingen op het nauwkeurigst voort te zetten.

De deur was gesloten, maar met zijn haak slaagde Sarcany haar te openen, waarna hij binnentrad.

Tusschen de beide vensters, die op de straat uitzagen, stond een secretair-bureau, waarvan de verjaarde vorm een liefhebber van oude meubelen verrukt zoude hebben. Het schuifblad van den cilinder was neergeslagen, zoodat van de innerlijke inrichting niets kon bespeurd worden.

Dat was wel de eerste maal, dat het Sarcany vergund was om dit meubelstuk te onderzoeken en hij was er de man niet naar, om die gelegenheid te laten ontsnappen, om de verschillende laden er van te kunnen doorsnuffelen, hetgeen hij met zijn haak ten uitvoer bracht, zonder dat daarvan eenig spoor op het slot zichtbaar was.

In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren, die voor hem waardeloos waren, een soort kaart, die onregelmatig van vierkante gaten voorzien was. Die kaart boeide dadelijk zijne aandacht.

„De rooster!” zei hij tot zichzelven.

Hij vergiste zich waarlijk niet.

De eerste gedachte, die hem inviel, was om die kaart mede te nemen. Maar na eenig beraad zei hij tot zichzelven, dat het verdwijnen van dien rooster achterdocht kon opwekken, wanneer graaf Ladislas Zathmar dit bespeurde.

„Kom,” sprak hij, „ik heb wel afschrift van het briefje genomen, waarom zou ik dien rooster niet kunnen namaken? Dan kunnen Toronthal en ik de dépêche geheel op ons gemak lezen.”

Die rooster was eenvoudig een vierkant van bordpapier van zes centimeters lang en even zoo breed, die in zes en dertig gelijke ruiten verdeeld was, welke ieder een vierkante centimeter groot waren. Van die zes en dertig ruiten of vakken, die op zes horizontale en zes verticale rijen geplaatst waren, evenals die van een tafel van Pythagoras, welke voor zes cijfers ingericht zoude zijn, waren zeven en twintig vol en negen leeg—dat wil zeggen, dat ter plaatse van die negen vakken de kaart op negen plaatsen uitgeknipt was.

Waarvan Sarcany zich het eerst moest vergewissen, dat was eerstens: van de nauwkeurige oppervlakte van dat blad bordpapier of rooster en tweedens van de juiste plaatsing daarop van de negen ledige vakken.

De oppervlakte bracht hij over, door met een potlood den omtrek op een vel wit papier na te trekken, waarbij hij zorg droeg op de plaat de plek te merken, waar een kruisje met inkt gemaakt was, hetgeen den bovenkant van den rooster scheen aan te duiden.

De plaats der negen vakken bracht hij over door het papier, waarop hij den omtrek nageteekend had, op de gewilde plekken, die zichtbaar waren, door te prikken. Dat waren op de eerste rij drie ledige plekken, die de vakken 2, 4 en 6 lieten ontwaren; op de tweede rij een ledige plek, die vak 5 innam; op de derde rij een ledige plek die vak 3 innam; op de vierde rij twee ledige plekken, die de vakken 2 en 5 innamen; op de vijfde rij een ledige plek, die vak 6 innam; en eindelijk op de zesde of laatste rij een ledige plek, die vak 4 liet zien.

Ziehier bovendien dien rooster, in natuurlijke grootte, waarvan Sarcany en zijn medeplichtige, de bankier Silas Toronthal, een zoo misdadig gebruik zouden maken. In dezen afdruk stellen de witte vakken de uitgeknipte en de zwarte de gevulde vakken voor. Dat is duidelijk, nietwaar?

Eenige minuten waren voor Sarcany voldoende om het volgende figuur te verkrijgen.

+ +---+---+---+---+---+---+ |###| |###| |###| | +---+---+---+---+---+---+ |###|###|###|###| |###| +---+---+---+---+---+---+ |###|###| |###|###|###| +---+---+---+---+---+---+ |###| |###|###| |###| +---+---+---+---+---+---+ |###|###|###|###|###| | +---+---+---+---+---+---+ |###|###|###| |###|###| +---+---+---+---+---+---+

Hij twijfelde er niet aan, dat met behulp van dien rooster, dien hij gemakkelijk uit een stuk bordpapier, dat hij uitknippen zou, vervaardigen kon, het hem zou gelukken nu het afschrift van het briefje, dat hij in handen van Silas Toronthal achtergelaten had, te ontraadselen. Hij plaatste dus den rooster weer in de lade onder de papieren, die hem bedekt hadden, en verliet daarna de slaapkamer van Ladislas Zathmar en vervolgens het huis. Hij had haast om in zijn hôtel weer te keeren.

Zirone zag hem een kwartieruur later hunne gemeenschappelijke kamer met zulk een zegevierend uiterlijk binnenstappen, dat hij niet nalaten kon luidkeels uit te roepen:

„Wat is er toch aan de hand, kameraad? Neem je in acht! Gij weet meer behendig een verdriet dan wel een vreugde te bemantelen, en men verraadt zich zelven even zoo goed door zich over te geven aan....”

„Schei uit met je gezeur, Zirone,” antwoordde Sarcany, „en aan het werk zonder eene minuut verloren te laten gaan.”

„Vóór ons avondmaal nog?”

„Ja!”

Zirone zuchtte, maar Sarcany stoorde zich daaraan niet. Deze nam een stuk bordpapier van geringe dikte. Hij sneed dat volgens zijne calque, zoodanig dat hij een vierkant verkreeg, die zuiver de afmeting had van den rooster en vergat daarbij niet het kruisje bij den bovenrand te plaatsen. Daarna nam hij eene liniaal en verdeelde zijn vierkant in zes en dertig vakken allen van gelijke grootte.

Toen werden van die zes en dertig vakken negen gemerkt ter plaatse, welke zij op de calque innamen. Daarna werden die met de punt van een pennemes zoodanig uitgesneden, dat zij in hunne ontstane ledige plekken de letters of teekens lieten bespeuren van het een of andere briefje of stuk, waarop de zoo verkregen rooster neergelegd werd.

Zirone stond voor Sarcany en keek met groote verwonderde oogen toe, terwijl hij van nieuwsgierigheid trilde. Hij stelde te meer belang in dien arbeid, daar hij zeer goed het stelsel van geheimschrift begrepen had, waarop de onderhavige briefwisseling berustte. Alleen hij bezat den sleutel niet.

„Het is vernuftig,” zei hij, „uiterst vernuftig en zoo iets kan mij dienen! Als ik bedenk, dat de waarde van ieder van die vakken een millioen kan bedragen....”

„En meer!” antwoordde Sarcany.

Toen het werk beëindigd was, stond Sarcany op, na het uitgesneden stuk bordpapier in zijn brieventasch opgeborgen te hebben.

„Morgen ochtend zal ik zoo vroeg mogelijk bij Toronthal zijn,” zei hij.

„Hij moge oppassen voor zijn kas!”

„Als hij het briefje heeft, dan heb ik den rooster!”

„Dat is waar, maar....”

„Geen maren; dat is ontegenzeggelijk!”

„En ditmaal zal hij wel moeten afschuiven!”

„Ja, dat zal hij moeten!”

„Kunnen wij dus thans avondmalen?”

„Ja, dat kunnen wij.”

„Welnu, aan den gang!”

En Zirone, die steeds eetlust had, deed het heerlijke maal, dat hij met zorg besteld had, alle eer aan.

Den volgenden morgen, den 1sten Juni, vertoonde Sarcany zich reeds te acht uren aan het bankiershuis. Hoe vroeg het ook nog was, toch gaf Silas Toronthal bevel om hem dadelijk bij zich in zijn kabinet toe te laten.

„Daar is de rooster,” vergenoegde zich Sarcany slechts te zeggen, terwijl hij het stuk bordpapier overreikte, dat hij te voren uitgesneden had.

De bankier nam het aan, draaide en keerde het, terwijl hij het hoofd schudde, hetgeen te kennen moest geven, dat hij het vertrouwen van zijn deelgenoot niet erg deelde.

„Laten wij maar probeeren!” zei Sarcany.

„Dat kunnen wij altijd doen.”

Silas Toronthal nam het afschrift van het briefje, dat in een der laden van zijn schrijftafel opgesloten lag, en plaatste het op de tafel.