Mathias Sandorf [1]

Part 4

Chapter 43,864 wordsPublic domain

Evenwel was het toch mogelijk, zooals Sarcany tot Zirone gezegd had, dat de zaken van Silas Toronthal toentertijd eenigermate belemmering ondervonden, ten minste voor het oogenblik. Dat hij zeven jaren vroeger den weerslag ondervonden had van de verwarring bij de Bank en op de beurs teweeg gebracht door den oorlog van Frankrijk en Italië tegen Oostenrijk, daarna en nog slechts kort geleden, door den veldtocht, die met de ramp van Sadowa beëindigd werd, dat hij op dat tijdstip zware verliezen geleden had door de daling der fondsen op de voornaamste plaatsen van Europa, maar vooral op die van het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk, zooals Weenen, Pest en Triëst, dat kon niet anders. Toen zou hij, wanneer hij verplicht ware geworden, de kapitalen, die bij hem in rekening-courant waren gedeponeerd, terug te betalen, in ernstige ongelegenheid zijn geraakt. Maar dat was niet geschied en hij had zich voorzeker weer na die crisis hersteld. Maar wanneer het waar was, wat Sarancy beweerde, had hij gewaagde speculatiën moeten ondernemen, waardoor de soliditeit van zijn huis op losse schroeven gesteld zoude zijn.

En inderdaad sedert eenige maanden was Silas Toronthal—zedelijk althans—veel veranderd. Hoezeer hij de uitingen zijner gevoelens ook in bedwang had, zoo was zijn uiterlijk toch zijns ondanks gewijzigd. Kenteekenen begonnen hem te verraden. Hij was niet meer zooals vroeger. Opmerkers zouden bespeurd hebben, dat hij de menschen niet meer openlijk in het gelaat durfde aanschouwen, zooals hij vroeger gewoon was te doen; maar hen van ter zijde aankeek, met half gesloten oogen. Die beginnende kenmerken waren zelfs aan mevrouw Toronthal niet ontsnapt, die eene ziekelijke vrouw was zonder eenige geestkracht, daarenboven zeer onderworpen aan den wil van haren echtgenoot en die slechts weinig en dan nog zeer oppervlakkig met zijne zaken bekend was.

Nu kon er op gerekend worden, en het moet wel bekend worden, dat wanneer een ramp zijne bankierszaken bedreigde, Silas Toronthal geen medelijden van de openbare meening te verwachten had. Dat hij vele klanten zoowel in de stad als in het rijk had, was waar; maar hij had weinig vrienden. Het hooge gevoel, dat hij van zijne maatschappelijke positie koesterde, zijne aangeboren ijdelheid, het voorkomen van meerderheid, hetwelk hij jegens iedereen en bij alles aannam, dat alles was niet geschikt om de menschen buiten den kring zijner zaken aan te trekken. Daarenboven de Triëstenaren hielden hem voor een vreemdeling, daar hij afkomstig van Ragusa, dus een Dalmaat van geboorte was. Geen familiebanden bonden hem derhalve aan die stad, waarin hij een vijftiental jaren geleden gekomen was om er de grondslagen van zijn vermogen te vestigen.

Zoo was toen de toestand van het huis Toronthal. Hoewel Sarcany te dien opzichte eenige achterdocht koesterde, zoo bestond er nog niets, hetgeen veroorloofde het gerucht te beamen, dat de zaken van den rijken bankier ernstig bedreigd werden. Zijn crediet was evenwel volstrekt niet aangetast, openlijk althans. Graaf Mathias Sandorf had dan ook geen oogenblik geaarzeld, na zijne fondsen te gelde gemaakt te hebben, hem eene zeer aanzienlijke som toe te vertrouwen, eene som die steeds ter zijner beschikking moest gehouden worden, op voorwaarde, dat vier en twintig uren te voren gewaarschuwd moest worden, wanneer uitbetaling verlangd werd.

Misschien zal de lezer zich verwonderen, dat punten van aanraking, ja dat betrekkingen hadden kunnen ontstaan tusschen dat bankiershuis, hetwelk onder de meest geachte aangeteekend stond, en een persoon als Sarcany was. Toch was het zoo, en die betrekking dagteekende reeds van twee of drie jaren geleden.

Op dat tijdstip had Silas Toronthal zeer belangrijke zaken te verhandelen gehad met het regentschap Tripoli. Sarcany, die een soort makelaar in allerhande zaken en zeer ervaren in de kunst van cijferen was, slaagde er in om als tusschenpersoon in die zaken op te treden, die—het moet er bij gezegd worden—van zeer verdachten aard waren. Er waren daarbij transactiën gesloten, die het daglicht niet mochten zien, omtrent omkoopingen, omtrent twijfelachtige commissieloonen, omtrent weinig eerlijke heffingen, waarin de Triëster bankier niet in persoon had willen optreden. In die omstandigheden was Sarcany op den voorgrond getreden. Hij werd agent bij die knoeierige combinatiën en bewees daarbij en ook bij andere zaken van denzelfden aard, goede diensten aan Silas Toronthal. Daaruit werd heel natuurlijk de gelegenheid geboren om toegang tot het bankiershuis te hebben. Hij had er voet, werd gezegd, hij had er de hand: ware beter uitgedrukt. En inderdaad, nadat die smerige zaken afgeloopen waren en hij Tripoli verlaten had, hield Sarcany niet op eene soort geldafpersing op den Triëster bankier toe te passen. Niet dat Silas Toronthal geheel en al aan de genade van dien schoft overgeleverd was. Van die compromitteerende operatiën bestond geen enkel feitelijk bewijs. Maar de toestand van een bankier is van teederen aard. Eén enkel woord kan hem benadeelen. En nu wist Sarcany genoeg, om het geraden te achten, rekening met hem te houden.

En dat deed Silas Toronthal ook. Het kostte hem zelfs belangrijke sommen, die zoo bijzonder vlug opgemaakt en voornamelijk in kroegen verspild werden, als dat slechts door een gelukzoeker geschieden kan, die omtrent de toekomst geene zorgen hoegenaamd koestert. Sarcany werd eindelijk, nadat hij den bankier tot in Triëst opgezocht had, zoo lastig, zoo veeleischend, dat het den bankier begon te vervelen en deze hem eindelijk ieder crediet weigerde. Sarcany dreigde. Silas Toronthal hield vol. En daarin had hij gelijk, daar die volleerde geldafperser eindelijk bij zichzelven tot de bekentenis moest komen, dat hij bij gebrek aan deugdelijke bewijzen, tamelijk ongewapend tegenover den bankier stond.

Ziedaar de redenen waarom Sarcany en zijn eerlijke makker Zirone zich sedert eenigen tijd zonder middelen bevonden, en zoodanig zonder geld waren, dat zij in de onmogelijkheid waren de stad te verlaten om elders hun geluk te beproeven. Maar men weet ook, dat Silas Toronthal, met het doel om zich geheel en al van hen te ontdoen, hen eene som gelds als laatste hulp had toegezonden. Die som zou hen in staat stellen om Triëst te verlaten en naar Sicilië weer te keeren, waar Zirone geaffiliëerd was aan een schrikwekkend gezelschap, dat de oostelijke en de middenprovinciën van dat eiland exploiteerde. De bankier mocht dus hopen zijn makelaar in Tripolitaansche zaken nimmer weer te zien, en dat hij nimmermeer van hem zou hooren spreken. Daarbij vergiste hij zich, wat hem bij andere zaken ook wel eens overkwam.

Het was in den avond van den 18den Mei dat de tweehonderd gulden, vergezeld van het bekende korte briefje door Silas Toronthal verzonden en door de twee gelukzoekers in hun logement, alwaar zij verblijf hielden, ontvangen waren.

Zes dagen later, dus den 24sten van dezelfde maand, belde Sarcany bij het bankiershuis aan en verzocht om Silas Toronthal te spreken; zijn aandringen was van zoodanigen aard, dat deze inwilligde hem te ontvangen.

De bankier was op zijn kantoor, waarvan Sarcany de deur zorgvuldig sloot, zoodra hij binnengekomen was.

„Gij alweer! En nog hier!” riep Silas Toronthal eerst uit. „Wat komt gij hier doen? Ik heb u voor de laatste maal eene som geld toegezonden, die toereikend moet zijn om Triëst te kunnen verlaten. Gij zult nimmermeer iets van mij krijgen, wat gij mij ook zult willen vertellen of wat gij ook uitvoeren wilt! Waarom zijt gij niet vertrokken? Ik waarschuw u, dat ik mijne maatregelen zal nemen om uwe lastige bezoeken voortaan tegen te gaan!—Wat wilt ge thans van mij?”

Sarcany had dien woordenvloed, waarop hij voorbereid was, koelbloedig aangehoord. Zijne houding was dezelfde niet meer, welke hij gewoonlijk aannam, namelijk brutaal en uitdagend, zooals hij bij zijne laatste bezoeken aan het bankiershuis geweest was.

Hij bleef zichzelven niet alleen geheel en al meester, maar hij bleef ook ernstig. Hij greep een stoel, zonder dat hij de uitnoodiging ontvangen had om te gaan zitten; nam plaats en wachtte daarna dat de booze luim van den bankier zich in luidruchtige verwijtingen lucht gegeven en uitgeput zoude hebben om hem te antwoorden.

„Welnu, zult ge spreken?” hernam Silas Toronthal, die, na zijn kabinet eenige malen op en neer geloopen te hebben, op zijn beurt was gaan zitten, evenwel zonder er in geslaagd te zijn meer bedaard te worden.

„Ik wacht tot gij kalmer zult zijn,” antwoordde Sarcany vreedzaam, „en ik zal al den tijd wachten, die daartoe noodig zal zijn.”

„Of ik kalm ben of niet, wat kan dat schelen? Voor de laatste maal, wat wilt gij van mij?”

„Silas Toronthal, ik heb u eene zaak voor te stellen.”

„Eene zaak?”

„Ja.”

„Ik wil over geen zaken spreken met u, ik wil geen zaken met u doen of daarover onderhandelen!” riep de bankier uit. „Wij hebben niets gemeens meer met elkander en ik wil dat gij Triëst terstond, heden nog verlaat, om er nooit terug te komen.”

„Ik denk te vertrekken en Triëst te verlaten,” antwoordde Sarcany, „maar ik wil niet vertrekken zonder mijne schuld aan uw huis aangezuiverd te hebben.”

„Uwe schuld?.... Aanzuiveren!.... Gij?.... mij betalen?”

„Ja, u betalen interest, kapitaal, alles, ongerekend een deel in de winsten van....”

Silas Toronthal trok verachtelijk de schouders op bij dat onverwachte voorstel, komende van Sarcany.

„De sommen, die ik u voorgeschoten heb, heb ik op mijne verliesrekening gebracht,” zeide hij. „Ik scheld u die kwijt en heb dus niets van u te vorderen.”

Sarcany glimlachte.

„Ik ben boven die nietigheden verheven,” ging de bankier voort.

„Maar als het mij belieft uw schuldenaar te blijven?”

„Dat kan slechts gelden, als het mij belieft uw schuldeischer te zijn!”

Bij die woorden keken Silas Toronthal en Sarcany elkander in het gelaat. Daarop trok deze laatste op zijne beurt de schouders op.

„Volzinnen slechts, niets anders dan volzinnen! Woorden, anders niets,” hernam Sarcany. „Ik herhaal, dat ik u eene zeer ernstige zaak kom voorstellen.”

„Even smerig als ernstig, ongetwijfeld?”

„Hé, hé, het zou voor de eerste maal niet zijn, dat gij u tot mij wendet, om....”

„Sarcany!” riep de bankier uit.

„Neen, niet de eerste maal, dat gij mijne....”

„Woorden, niets dan woorden,” herhaalde Silas Toronthal op zijne beurt. Hij wist niets anders te zeggen om de brutale uiting, die den anderen op de lippen lag, te stuiten.

„Hoor naar mij,” zei Sarcany, „ik zal kort zijn.”

„En daar zult ge goed aan doen.”

„Indien hetgeen ik u ga voorstellen, niet van uwe gading zal zijn, zullen wij er niet meer over spreken en zal ik van hier vertrekken.”

„Van hier of van Triëst?”

„Van hier en van Triëst!”

„Morgen reeds?”

„Heden avond reeds!”

„Spreek dan.”

„Ziehier wat het geldt.” zei Sarcany. „Maar....” voegde hij er bij, terwijl hij overal rondkeek, „zijt gij er zeker van dat niemand ons hooren kan?”

„Gij staat er dus op, dat ons onderhoud geheim zal blijven?” antwoordde de bankier met ietwat spotachtigs in zijne stem.

„Ja, Silas Toronthal, want wij beiden, gij en ik, zullen het leven van hooge personen in de hand hebben!”

„Gij misschien! Ik, neen!”

„Oordeel er over! Ik ben op het spoor van eene samenzwering. Wat haar doel is? Dat weet ik nog niet. Maar sedert de partij, die te midden van de vlakte van Sadowa afgespeeld werd, sedert den slag van Sadowa heeft ieder niet-Oostenrijker fraai spel tegen Oostenrijk. Nu heb ik wel redenen om te meenen, dat eene beweging voorbereid wordt, eene beweging ten voordeele van Hongarije, waaruit wij munt kunnen slaan.”

Silas Toronthal vergenoegde zich deze enkele woorden op spottenden toon tot antwoord te geven:

„Er valt niets te halen van eene samenzwering.”

„Waarachtig wel! Meer dan waarschijnlijk.”

„Hoe dan?”

„Door haar te verraden.”

„Komaan, laat hooren. Verklaar u nader.”

„Luister dan,” zei Sarcany.

Daarop verhaalde hij, wat er op het oude kerkhof van Triëst gebeurd was, hoe hij eene reisduif bemachtigd had, de wijze waarop het briefje in geheimschrift—waarvan hij een afschrift gehouden had—in zijne handen gevallen was en hoe hij met de woning van hem, voor wien het briefje bestemd was, bekend was geworden. Hij voegde er bij dat hij en Zirone de laatste vijf dagen doorgebracht hadden met alles te bespieden, zoo niet wat binnen dat huis omging, dan toch het uiterlijke en den omtrek daarvan. Eenige personen, die altijd dezelfde waren, kwamen er steeds des avonds bijeen en traden niet zonder groote voorzorgen binnen. Andere duiven waren van daar vertrokken, andere waren weer aangekomen. De eerste vlogen noordwaarts, de overigen kwamen daar vandaan. De deur dezer woning werd door een ouden dienstbode bewaakt, die haar ongaarne ontsloot en steeds de naderenden nauwgezet gadesloeg. Sarcany en zijn makker hadden zelfs met eene zekere omzichtigheid moeten te werk gaan, om de aandacht van dien man niet te trekken. En nog vreesden zij, zijne achterdocht sedert eenige dagen te hebben opgewekt.

Silas Toronthal begon meer aandacht aan het verhaal te wijden, dat Sarcany hem deed. Hij vroeg zich af, wat er waars kon zijn in dat alles. Zijn oude makelaar was niet zoo geheel te vertrouwen. Hij vroeg zich ook af op welke wijze deze meende dat hij zich in de zaak zou mengen, om er eenig voordeel uit te behalen.

Toen het verhaal uit was en toen Sarcany nogmaals en voor den laatsten keer verzekerd had, dat het eene samenzwering tegen den Staat betrof en dat het zeker gewin moest opleveren, wanneer men de geheimen van dat komplot zoude weten te benuttigen, vergenoegde zich de bankier hem de navolgende vragen te stellen:

„Waar is dat huis gelegen?”

„In de Acquedottolaan.”

„Nummer?”

„Nummer 89.”

„Aan wien behoort die woning?”

„Aan een Hongaarsch edelman.”

„Een Hongaar?”

„Ja.”

„En die heet?”

„Graaf Ladislas Zathmar.”

„En welke personen bezoeken hem?”

„Het zijn voornamelijk twee.”

„Slechts twee?”

„Ja. Beiden zijn van Hongaarsche afkomst.”

„En de eene heet?”

„De eene is een professor hier ter stede en heet Stephanus Bathory.”

„En de andere?”

„Graaf Mathias Sandorf.”

„Weet gij dat zeker?”

„Ja, zeer zeker.”

Bij dien laatstgenoemden naam was een licht gebaar van verwondering aan Silas Toronthal ontsnapt, hetgeen Sarcany niet ontging. Wat die drie namen betreft, die deze laatste genoemd had, het was hem gemakkelijk gevallen die te weten te komen. Hij was beiden gevolgd, professor Stephanus Bathory zoowel als graaf Sandorf, den eersten, toen hij naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat wederkeerde, den andere toen hij zich naar het hôtel Delòrme begaf.

„Gij ziet het, Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „dat zijn namen, die ik geen oogenblik geaarzeld heb u te openbaren. Gij zult daaruit wel willen ontwaren, dat ik u niet wil bedriegen, of ook maar tegenover u wil veinzen.”

„Dat alles is wel nevelachtig en onbestemd,” antwoordde de bankier, die klaarblijkelijk meer van de zaak wenschte te weten, alvorens er op in te gaan.

„Nevelachtig en onbestemd?” vroeg Sarcany.

„Zeker! Gij hebt eigenlijk niets wat op een daadwerkelijk bewijs gelijkt.”

„En dit dan?”

„Wat?”

„Dat briefje?”

Daarbij reikte Sarcany het afschrift van het geheimschrift aan Silas Toronthal over.

„Dat vod?”

De bankier bekeek en onderzocht het niet zonder nieuwsgierigheid, hoe onverschillig hij de woorden „dat vod” ook had uitgesproken; maar die geheimzinnige woorden konden geen zin voor hem hebben en er was geen enkele aanwijzing, dat zij de belangrijkheid bezaten, die Sarcany hen toeschreef. Wanneer die zaak van zoodanigen aard was om zijne belangstelling op te wekken, dan was het dat zij graaf Mathias Sandorf betrof, die een goede klant van zijn huis was en wiens toestand van schuldeischer jegens hem, hem verontrustte, wanneer deze een dadelijke uitkeering der fondsen, bij het bankiershuis gestort, vergde.

„Welnu?” vroeg Sarcany, nadat Silas Toronthal het papier had ingekeken.

„Welnu,” antwoordde deze, „mijne meening is, dat de zaak nevelachtig en onbestemd is en door dat biljet dat al meer en meer wordt.”

„Mij dunkt integendeel, dat zij duidelijk en helder is,” was het wederantwoord van Sarcany, die zich door de aangenomen houding van den bankier niet liet uit het veld slaan.

„Hebt gij dat geheimschrift kunnen ontraadselen?”

„Neen, Silas Toronthal, maar....”

„Maar wat?”

„Ik zal het weten te lezen als de tijd daar zal zijn.”

„En hoe?”

„Ik heb mij wel meer met dergelijke evenals ook met andere zaken beziggehouden,” antwoordde Sarcany, „en ik heb nog al brieven en stukken, in geheimschrift gesteld, in handen gehad, dat verzeker ik u. Nu heeft een nauwgezet onderzoek van dit briefje mij helder en klaar overtuigd, dat de sleutel er van noch op een getal, noch op een vooraf overeengekomen alphabet berust, die aan ieder der letters eene andere beduidenis dan hare ware verleent. Ja, in dit biljet is een s een s, een p een p en een r een r; maar deze letters zijn in eene volgorde gesteld die niet kan hersteld worden dan door middel van een rooster.”

De lezer weet reeds dat Sarcany zich niet vergiste. Dat was inderdaad het stelsel hetwelk bij die briefwisseling gebruikt was. Hij weet ook, dat het daardoor des te moeilijker was, dat geheimschrift te ontraadselen.

„Ik wil aannemen,” sprak de bankier, „en niet loochenen, dat gij gelijk hebt; maar zonder dien rooster is het toch onmogelijk dat briefje te lezen.”

„Inderdaad.”

„En hoe zult gij u dien rooster verschaffen?”

„Dat weet ik nog niet,” antwoordde Sarcany; „maar wees gerust, ik zal hem mij wel verschaffen.”

„Waarlijk?” vroeg de bankier spottend.

„Ongetwijfeld,” antwoordde de andere ernstig.

„Welnu, Sarcany, als ik in uwe plaats was, dan zou ik mij zoo veel moeite niet geven.”

„Ik zal er de moeite toe nemen, die noodig is.”

„Waartoe zou dat dienen? Ik zou mij eenvoudig vergenoegen met aan de politie uwe meeningen en achterdocht mede te deelen en haar dat briefje overhandigen.”

„Op zijn tijd zal ik dat doen, Silas Toronthal, maar niet op eenvoudige vooronderstellingen,” antwoordde Sarcany koeltjes. „Wat ik wil trachten te erlangen, alvorens te spreken, dat zijn daadwerkelijke en derhalve onbetwistbare bewijzen. Ik heb mij in het hoofd gezet, mij meester van die samenzwering te maken, ja, meester! meester in de volle beteekenis van het woord, om er al de voordeelen uit te trekken, die ik u aanbied samen te deelen. En.... wie weet of het nog niet het voordeeligst zoude zijn ééne lijn met de samenzweerders te trekken, in plaats van ons tegen hen te stellen!”

Een zoodanige taal kon Silas Toronthal niet verwonderen. Hij wist, waartoe Sarcany met zijn schranderen kop, maar met zijn slecht hart, in staat was. Maar als die man niet aarzelde zich zoo tegenover den Triëster bankier uit te laten, dan was dat met de wetenschap van zijn kant, dat men alles aan Silas Toronthal kon voorstellen, daar diens rekbaar geweten op iedere zaak, hoe schurkachtig ook, inging, wanneer zij maar grove winsten beloofde. Daarenboven, het kon niet genoeg herhaald worden, Sarcany kende hem al sedert lang, en hij had buitendien redenen om te gelooven, dat de toestand van het bankiershuis sedert eenigen tijd verward en wankelend was. Zou nu de onthulling van die samenzwering, behendig gebezigd, hem niet kunnen veroorloven zijne zaken te herstellen? Het was op dergelijke beschouwingen, dat Sarcany eenigermate rekende.

Van zijn kant poogde Silas Toronthal in dit oogenblik gesloten spel met zijn vroegeren makelaar in Tripolitaansche zaken te spelen. Dat er eene kiem van samenzwering tegen het Oostenrijksche gouvernement bestond en dat Sarcany die op het spoor was, kon hij wel aannemen. Dat huis van graaf Ladislas Zathmar, waarin de geheime samenkomsten plaats hadden, die briefwisseling in geheimschrift, de buitensporig groote som geld bij hem door graaf Sandorf gestort, met aanbeveling haar steeds ter zijner beschikking te houden, dat alles begon hem zeer verdacht voor te komen. Sarcany had zeer waarschijnlijk bij die omstandigheden de zaken juist ingezien. Maar de bankier, er nog meer van wenschende te vernemen en meer inzicht in het spel van den gelukzoeker wenschende te hebben, wilde nog niet dadelijk toetreden. Hij vergenoegde zich dan ook zoo onverschillig mogelijk te antwoorden:

„En daarna, aangenomen dat gij er in slaagt dat geheimschrift te ontraadselen, waaraan ik twijfel, dan zult gij zien, dat het eenvoudig particuliere zaken, zaken zonder eenig belang betreft, en waaruit dan noch voor u noch voor mij eenig voordeel zal zijn te halen.”

„Neen!” riep Sarcany met al het vuur eener vast gevestigde overtuiging uit. „Neen! Ik ben op het spoor van eene zeer ernstige en zeer gewichtige samenzwering, die door mannen van hoogen rang en hooge maatschappelijke positie aangevoerd wordt en ik voeg er bij, Silas Toronthal, dat gij er evenmin aan twijfelt als ik.”

„Maar wat wilt gij dan eindelijk van mij?” vroeg de bankier, ditmaal recht op den man af.

Sarcany stond op en antwoordde met zacht fluisterende stem, terwijl hij den bankier strak in de oogen keek:

„Wat ik van u wil,” en hij legde bijzonderen nadruk op dit laatste woord. „Ziehier: Ik wil zoo spoedig mogelijk toegang tot het huis van den graaf Ladislas Zathmar hebben, onverschillig onder welk voorwendsel, om daarna zijn vertrouwen te winnen. Eenmaal in de plaats genesteld, waarin mij niemand kent, zal ik dien rooster wel weten machtig te worden en dat raadselschrift ontcijferen, om er dat gebruik van te maken, hetwelk het meest met onze belangen zal overeenkomen.”

„Met onze belangen?” herhaalde Silas Toronthal.

„Ja, onze belangen.”

„Waarom zijt gij er zoo op gesteld mij in die zaak te mengen?”

„Omdat zij der moeite waard is, en....”

„Oho!” riep de bankier uit.

„En gij er groote voordeden bij behalen zult!”

„Waarom onderneemt gij die zaak niet alleen?”

„Waarom?”

„Ja, waarom?”

„Wel, omdat ik uwe medewerking noodig heb.”

„Mijne medewerking?”

„Inderdaad.”

„Kom dan toch tot verklaring.”

„Luister. Om mijn doel te bereiken, heb ik tijd noodig; en om te kunnen wachten, moet ik in de gelegenheid zijn te kunnen leven. Ik heb dus geld noodig. En dat bezit ik niet meer!”

„Uw crediet bij mij is uitgeput, dat weet ge.”

„Ja; maar....”

„Maar wat? Maak toch voort.”

„Gij kunt mij een ander crediet openen!”

„Wat zal ik daarmee kunnen winnen?”

„Dit: Van die drie mannen, die ik u straks noemde, zijn twee zonder vermogen, dat zijn graaf Zathmar en professor Bathory; maar de derde is rijk, buitengewoon rijk zelfs. De goederen, die hij in Transsylvanië bezit, zijn zeer aanzienlijk. Nu weet gij zeer goed, dat wanneer hij als samenzweerder gevat en veroordeeld wordt, zijne verbeurd verklaarde goederen voor het grootste gedeelte hun toegewezen worden, die de samenzwering ontdekt en aangebracht hebben!.... En dat zullen wij zijn, ik en gij, Silas Toronthal. Geloof mij, wij zullen eerlijk deelen.”

Sarcany zweeg. De bankier antwoordde niet. Hij overpeinsde hetgeen men van hem als inzet van die partij eischte. Hij was daarenboven de man niet, om zich persoonlijk in eene zaak van dien aard bloot te geven. Maar hij gevoelde dat Sarcany als zijn agent wel mans genoeg was om de taak van hun beiden op zich te nemen. Wanneer hij mocht besluiten aan die kuiperij deel te nemen, dan zou hij dezen wel zoodanig door een contract weten te verbinden, dat hem geheel en al aan zijne genade zou overleveren, dat hij, hoewel op den achtergrond blijvende, het grootste deel der winsten zou opstrijken.... Toch aarzelde hij. Maar alles wel beschouwd, wat waagde hij toch? Hij zou in die verachtelijke daad niet optreden, hij zou er alleen de winst van genieten, groote winst, die den toestand van zijn huis geheel zou kunnen herstellen.

„Welnu?....” vroeg Sarcany.

„Gij vraagt mijne beslissing?”

„Ja.”

„Welnu, neen,” antwoordde Silas Toronthal, vooral afgeschrikt door het denkbeeld zulk een deelgenoot te hebben, of om een beter woord te bezigen: zoo’n medeplichtige.

„Gij weigert?”

„Ja, ik weiger.... Ik geloof bovendien niet aan den goeden uitslag van uwe combinatiën!”