Part 10
Hoe geestkrachtvol Mathias Sandorf ook was, hij voelde de doodsangst hem de keel dichtsnoeren. Hij begreep dat het kritiekste oogenblik, het uiteinde naderde. De wortels van den boomstam wreven krachtiger tegen de rotssteenen van het gewelf en soms werd hij met het vooreinde zoodanig onder water geduwd, dat zijne geheele oppervlakte overstroomd werd.
„Toch kan de uitgang van die spelonk thans niet ver meer zijn!” mompelde graaf Sandorf in zich zelf.
En dan trachtte hij uit te kijken, of geene lichtstraal daar voor hem uit de dikke duisternis doorbrak. De nacht zou nu wel reeds zoo ver gevorderd zijn, dat de duisternis daarbuiten zoo sterk niet meer was. Misschien verlichtten de bliksemstralen nog het ruim daarbuiten den Buco. In dat geval zou wel een weinig licht in dit kanaal kunnen indringen, dat de afgevoerd wordende wateren der Foïba niet meer scheen te kunnen bevatten.
Maar niets! Steeds niets!
Steeds volkomen duisternis.
Steeds het geloei van den bergstroom, welks schuim nog altijd zwart bleef.
Plotseling werd een vreeselijke schok ondervonden. De boomstronk had met zijn vooreinde tegen een grooten steen, die van het gewelf afhing, gestooten. Onder dien stoot keerde de boom geheel en al om, maar graaf Sandorf liet hem niet los. Met de eene hand klemde hij zich wanhopig aan de wortels vast, met de andere hand had hij zijn makker gegrepen juist op het oogenblik, dat deze op het punt was om medegesleept te worden. Daarna liet hij zich in het water glijden, dat thans tegen het gewelf brak.
Zoo ging eene minuut voorbij. Mathias Sandorf had een gevoel alsof hij verloren was. Instinctmatig weerhield hij zijn adem, om het weinigje lucht, dat in zijne longen nog besloten was, zooveel mogelijk te sparen.
Plotseling ondervond hij te midden van de watermassa, hoewel hij de oogen gesloten hield, een gevoel, alsof een schel licht op zijne oogleden inwerkte. Een bliksemstraal had geschitterd en werd onmiddellijk daarop gevolgd door het geratel van den donder.
Eindelijk!.... daar was licht!
De Foïba had inderdaad dat sombere onderaardsche kanaal verlaten en stroomde thans onder den blooten hemel. Maar naar welk punt der kust stroomde zij? In welke zee zou hare monding uitkomen?
Dat was steeds het onoplosbare vraagstuk.
En toch was ’t het vraagstuk van leven en dood.
De boomstam was ook op de wateroppervlakte teruggekomen. Stephanus Bathory werd steeds stevig vastgehouden door Mathias Sandorf, die er eindelijk door eene buitengewone krachtsinspanning in slaagde om hem weer op het wrakstuk uit te strekken en achter hem plaats te nemen.
Daarna keek hij vooruit, rondom zich, boven zich.
Achter hem begon eene zwarte massa in de nevelen te verdwijnen, alsof zij uitgewischt werd. Dat was de kolossale rotsklomp, die den Buco vormt en waardoor het onderaardsche hol liep, hetwelk doorgang aan de wateren der Foïba verleende. De dag werd reeds door een zwak licht aangekondigd, dat in het zenith waargenomen werd, en nog ijl was als die sterren-nevelvlekken, welke het oog ter nauwernood gedurende de helderste winternachten kan bespeuren. Van tijd tot tijd werden de achtergelegen vakken van den gezichteinder door bliksemstralen verlicht, terwijl de donder statig maar dof rolde. Het onweer verwijderde zich of was uitgeraasd, nadat het al de electrische stof, in het ruim voorhanden, verbruikt had.
Mathias Sandorf liet zijne blikken niet zonder angst rechts en links rondwaren. Hij kon toen bemerken, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen steile rotswanden voortstroomde.
Het was dus eene stroomversnelling, die de vluchtelingen te midden van stroomingen, tegenstroomingen en kolken medevoerde. Maar het uitspansel, het oneindige strekte zich boven hun hoofd uit en niet meer dat lage gewelf, hetwelk hen ieder oogenblik dreigde den schedel te verbrijzelen. Er was evenwel geen oever, geen strand, waarop zij vasten voet zouden kunnen verkrijgen, zelfs geen talud, geene helling, waarop zij aan land hadden kunnen gaan. De Foïba was als het ware tusschen twee steile muren ingekist. Het was een smal kanaal met loodrechte wanden, die door de wateren glad geschuurd waren.
De laatste indompeling had tot gevolg gehad, om Stephanus Bathory tot bewustzijn te doen terugkeeren. Zijne hand had die van Mathias Sandorf gezocht en natuurlijk gevonden.
Deze boog zich over zijn vriend en sprak hem toe:
„Gered!”
Maar.... had hij wel het recht dat woord uit te spreken?
Gered?.... Hij wist niet eens waarheen die bergstroom hen voerde!
Gered?.... Hij wist niet eens door welke landstreek zij dreven!
Gered?.... Hij kon niet weten, wanneer hij dat wrakhout zou kunnen verlaten!
En toch, de graaf was zoodanig door geestkracht bezield, dat hij, terwijl hij zich overeind op den boomstronk oprichtte, drie malen met krachtige stem dat woord herhaalde:
„Gered! Gered! Gered!”
Ja, die woorden klonken luid. Maar om het even, wie zou ze hier hooren? Niemand was op de naakte rotsen te ontdekken, waarop zelfs ietwat humus, ietwat teelaarde ontbrak, en waarop slechts rotssteenen, keien en leisteenen aangetroffen werden, waar zelfs niet zooveel grond aanwezig was, om eenige struikjes te voeden. De landstreek, die zich achter die hooge oevernokken uitstrekte, kon geen enkel menschelijk wezen lokken. Het was eene rampzalige streek, waardoor de Foïba stroomde, die ingekerkerd was, zooals slechts een afwateringskanaal tusschen zijne granietmuren kan zijn. Geen enkel beekje kwam onderweg den stroom voeden. Geen vogel schoor over de watervlakte, zelfs geen enkele visch waagde zich in die te snelvlietende wateren. Hier en daar staken boven de oppervlakte groote rotsen uit, welker volkomen droge brokken genoegzaam aanduidden, dat het heerschende geweld van dien waterstroom slechts aan eene kortstondige rijzing te danken was, welke door de laatstgevallen regens veroorzaakt werd.
In gewone tijden kon de bedding der Foïba niets meer dan een diep ingesneden ravijn zijn.
Het was daarenboven niet te vreezen, dat de boomstronk op de rotstoppen geworpen werd. Hij vermeed ze uit zichzelven, door den stroomdraad te volgen, die er omheen voerde. Het zou ook onmogelijk geweest zijn het vervoermiddel der vluchtelingen uit dien stroomdraad te brengen, ook om zijne snelheid te remmen, om bijvoorbeeld eenig punt des oevers aan te doen, voor het geval dat de mogelijkheid bestond om aan wal te gaan.
Zoo ging in die omstandigheden nog een uur voorbij, zonder dat men zich om een onmiddellijk gevaar had te bekommeren. De laatste bliksemschichten waren van den hemel verdwenen. In de verte werd van het onweder niets anders vernomen, dan een dof gerommel, dat door de hoogere wolken, die boven aan het uitspansel lange vederachtige strepen vormden, afgestompt werd.
Het daagde reeds bij de kim en een wit licht bleekte het donkere azuur van de lucht, die door de nachtelijke buien geheel gezuiverd was.
Stephanus Bathory zat half overeind en rustte in de armen van graaf Sandorf, die voor hem waakte.
In dit oogenblik werd eene verwijderde losbranding in zuidwestelijke richting vernomen.
„Wat kan dat zijn?” vroeg Mathias Sandorf zich af. „Is het een kanonschot, dat de dageraad en de opening van de een of andere haven aankondigt?”
In dat geval zouden zij niet ver van de kust verwijderd zijn. Dat moest hij erkennen.
Welke haven kon dat wezen? Triëst?
Neen! want daar is het oosten, daar aan dien kant, waar de zon op het punt is te verschijnen.
Zou het Pola zijn, de haven, die op het zuidelijke uiteinde van Istrië gelegen is?
Maar... dan is...
Een tweede losbarsting weerklonk en werd dadelijk daarop door eene derde gevolgd.
„Drie kanonschoten?” vroeg graaf Sandorf zich zelven af. „Zou dat het sein niet eerder zijn van een embargo voor de schepen, die uit zeilen willen?”
En na eenig nadenken, mompelde hij:
„Zou dat in verband staan met onze ontvluchting?”
Dat was inderdaad te vreezen.
De autoriteiten hadden voorzeker geen enkele voorzorg verwaarloosd om de vluchtelingen het verdere ontsnappen te beletten, wanneer het hun gelukken mocht een vaartuig te bereiken.
„Dat God ons thans te hulp kome!” mompelde graaf Sandorf. „Hij alleen kan ons helpen!”
De hooge rotswanden, die de Foïba omgaven, begonnen langzamerhand lager te worden, terwijl zij zich verder van elkander verwijderden. Toch was er nog niets van het omliggende land te verkennen. Plotselinge buigingen, scherpe hoeken maskeerden den horizon en begrensden den gezichtskring tot eenige honderden voeten. Onder die omstandigheden was het oriënteeren totaal onmogelijk.
Het bed der rivier, dat thans zeer verbreed was, bleef steeds stil en eenzaam en veroorloofde de wateren met minder snelheid voort te stuwen. Eenige boomstammen, die bovenstrooms ontworteld waren, volgden den stroomdraad statig en bijna langzaam. Die Juni-ochtend was vrij frisch. De vluchtelingen klappertandden en bibberden onder hunne doornatte kleeding. Het werd hoog tijd dat zij eene schuilplaats vonden, waar de zon hunne vodden kon drogen.
Tegen vijf uur werden de laatste uitloopers van het gebergte vervangen door lage oevers, die zich in eene effen en kale landstreek ontwikkelden. De Foïba liep toen langs eene bedding, die zeker eene halve mijl breed was en ging weldra in eene groote uitgestrektheid water over, die den naam van meer of ten minste van meertje verdiend zou nebben. Geheel aan het uiteinde in het westen werden eenige visschersvaartuigen ontwaard, sommige nog voor anker liggende, andere bezig met zeil te zetten om van de lichte morgenbries gebruik te maken; zij schenen er op te wijzen dat dit meertje een havenkom was, die breed uitgesneden in de kust voorkwam.
De zee kon dus niet ver meer af zijn, het was dus onze vluchtelingen als aangewezen om haar op te zoeken. Het zou evenwel niet voorzichtig genoemd kunnen worden eene schuilplaats aan die visschers te gaan verzoeken. Zich aan hun toevertrouwen, zou, voor het geval zij van de ontvluchting kennis droegen, groot gevaar opleveren, om aan de Oostenrijksche maréchaussées, die toch de landstreek doorzoeken moesten, uitgeleverd te worden.
Graaf Mathias Sandorf wist waarachtig niet waartoe te besluiten, toen de boomstronk tegen een anderen stiet, die ternauwernood met de wateroppervlakte gelijk bij den linkeroever van het meertje in de modder vastgeklonken lag en bewegingloos bleef liggen, alsof hij voor anker gekomen was. Zijne wortels verwarden zich zoo stevig in een boschje struikgewas, dat zij daarin vast bleven zitten en de boomstronk langs den oever gleed als eene sloep, die het touw, waarmede zij vastgelegd is, strak loopt.
Graaf Sandorf stapte op den oever over, evenwel niet zonder eenige voorzorgsmaatregelen genomen te hebben. Hij verzekerde zich, dat niemand hem kon bespeuren.
Zoo ver zijn blik ook droeg, zag hij geen enkel menschelijk wezen, visscher of iemand anders op of langs dit gedeelte van het meertje.
En toch lag er een man op het zand op minder dan tweehonderd passen uitgestrekt, die vandaar de beide vluchtelingen zeer goed kon waarnemen.
Toen graaf Sandorf vermeende, dat hij veilig was, stapte hij weer op den boomstronk, tilde zijn makker in zijne armen op en lei hem zacht op den oever neer, steeds zonder iets te weten van de streek, waarin hij zich bevond, noch van de richting die men zou moeten inslaan.
De uitgestrektheid water, die de Foïba tot monding strekte, was noch een meertje, noch een meer, maar een haft. Men noemt haar daar ter plaatse het kanaal van Léma. Het heeft gemeenschap met de Adriatische zee door eene smalle insnijding, welke tusschen Orsera en Rovigno op de westkust van het Istrische schiereiland gelegen was. Maar men wist toen niet dat het de wateren der Foïba waren, die, na de spelonk van den Buco doorstroomd te hebben, dat haft kwamen voeden.
Op weinige passen van den oever stond eene jagershut. Graaf Sandorf en Stephanus Bathory traden er in, om eenige rust te genieten en om hunne krachten te herstellen. Daar ontdeden zij zich van hunne kleederen, die in de stralen van de warme Juni-zon spoedig zouden gedroogd zijn. Daarna wachtten zij.
De visschersvaartuigen hadden het kanaal van Léma verlaten en, zoover het oog peilen kon, was de kust eenzaam en stil.
In dit oogenblik stond de man, die dat schouwspel gadegeslagen had, op, naderde de hut, alsof hij er de ligging goed van wilde opnemen; daarna verdween hij in zuidelijke richting, terwijl hij een ietwat verheven kusthoek omsloeg.
Drie uren later hadden graaf Sandorf en zijn makker hunne kleederen weer kunnen aantrekken, die evenwel nog vochtig waren. Maar het werd tijd om te vertrekken.
„Wij kunnen niet langer in die hut blijven,” zei Stephanus Bathory.
„Voelt ge u sterk genoeg om de reis te aanvaarden?” vroeg Mathias Sandorf.
„Ik ben flauw en uitgeput door den honger.”
„Laten wij de kuststrook volgen. Wellicht dat wij er in slagen ons eenig voedsel te verschaffen, ook om ons in te schepen! Kom, Stephanus!”
Beiden verlieten de hut, maar gevoelden zich klaarblijkelijk meer verzwakt door de ontbering dan door de vermoeienis.
Het plan van graaf Sandorf was, om den zuidelijken oever van het kanaal van Léma te volgen, teneinde de zeekust te bereiken.
Maar was ook al de landstreek eenzaam en verlaten, zoo krioelde zij toch van beken, die allen naar het haft stroomden. Onder den invloed van dat vochtige net, was dit gedeelte van den oever slechts een vast moeras, waarvan de papachtige bodem geen enkel steunpunt aanbood. Men moest dat dus omtrekken door zuidwaarts af te houden. Die richting was gemakkelijk waar te nemen bij de klimmende baan der zon. De vluchtelingen schreden zoo gedurende twee uren voort, zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten, maar ook zonder den honger, die hen teisterde, te kunnen stillen.
Later werd het land langzamerhand minder schraal. Een weg vertoonde zich, die van het oosten naar het westen liep. De vluchtelingen bespeurden een mijlsteen, die niets omtrent de landstreek, waarin zich graaf Sandorf en Stephanus Bathory blindelings waagden, te kennen gaf. Evenwel eenige moerbeziënheggen en verder een sorgho-veld veroorloofde hen zoo niet hunnen honger te stillen, dan toch de behoefte van hun maag bedriegelijk tevreden te stellen. De rauwe sorgho, die zoo maar uit de vuist verorberd werd, de frissche moerbeien waren evenwel voldoende om te beletten van honger neer te vallen, vóórdat zij de kust bereikt hadden.
Maar nu die landstreek meer bewoonbaar werd, nu eenige akkers bewezen dat een menschenhand aan het werk geweest was, nu moest men ook verwachten bewoners te ontmoeten.
Dat gebeurde inderdaad zoo tegen het middaguur.
Vijf of zes voetgangers verschenen op den weg. Voorzichtigheidshalve wilde graaf Mathias Sandorf zich niet laten bemerken. Gelukkig ontwaarde hij eene heining om den bouwval van eene pachthoeve, die op ongeveer vijftig passen ter linkerzij van den weg gelegen was. Daar vonden hij en zijn makker, nog vóórdat zij ontdekt waren, eene schuilplaats in een donker vertrek. Er bestond veel kans, dat zij niet ontdekt werden wanneer de een of andere voorbijganger bij die pachthoeve stil hield, en zij konden er desnoods, tot de nacht ingevallen was, blijven.
Die voetgangers waren boeren en zoutvervaardigers. De meesten hunner dreven troepen ganzen naar de markt van eene stad of van een dorp, dat niet ver verwijderd van het kanaal van Léma lag. Mannen en vrouwen waren volgens de Istrische mode gekleed met de juweelen, medailles, oorbellen, borstkruizen, horlogekettingen met aanhangselen, die de kleederdrachten der beide geslachten versierden. Wat de zoutvervaardigers betrof, zij waren eenvoudig gekleed; zij droegen een randsel op den rug, een knuppel in de hand, en begaven zich naar de naburige zoutpannen, wellicht naar de meer belangrijke te Stagnon of te Pirano, in het westen van de provincie gelegen.
Sommigen stonden, bij de pachthoeve aangekomen, een oogenblik stil, anderen zetten zich op den drempel neder en praatten niet zonder levendigheid met elkander, evenwel slechts over zaken, die op hunnen handel betrekking hadden.
De beide vluchtelingen, in hun hoek verscholen, luisterden.
Misschien droegen die lieden reeds kennis van hunne ontvluchting en zouden zij er over praten.
Misschien zouden zij zich ook woorden laten ontvallen, waaruit graaf Sandorf kon opmaken in welke landstreek van Istrië zijn makker en hij zich bevonden.
Geen enkel woord evenwel werd over dat onderwerp gewisseld en men moest zich dus steeds met gissingen tevreden stellen.
„Daar de lieden over onze ontvluchting niet spreken,” zei graaf Sandorf, „valt daaruit op te maken, dat zij nog niet ter hunner kennis gekomen is.”
„Dat zou als bewijs kunnen opgenomen worden, dat wij reeds ver van de vesting verwijderd zijn.”
„Ja, zeker!”
„Rekent men de snelheid van den bergstroom, die ons door zijn onderaardsche gang gedurende zes volle uren meesleurde, dan kunnen wij er niet verbaasd over zijn.”
„Neen zeker niet!” antwoordde graaf Sandorf.
„En het moet zoo zijn,” sprak Bathory.
Evenwel twee uren later hoorden zij eenige zoutvervaardigers, die de pachthoeve voorbij stapten, zonder zich op te houden, praten over eene brigade maréchaussées, die zij bij de poort van de stad ontmoet hadden.
Welke stad?....
Die werd niet genoemd.
Dat bericht was volstrekt niet geschikt, om onze vluchtelingen gerust te stellen.
Wanneer maréchaussées de streek doorkruisten, dan was dat waarschijnlijk met het doel om hen op te sporen.
„En toch,” zei Stephanus Bathory, „naar de omstandigheden, waaronder wij ontsnapt zijn, moet men meenen dat wij dood zijn en van eene opsporing afzien....”
„Men zal slechts aan onzen dood gelooven, wanneer men onze lijken gevonden zal hebben,” antwoordde Mathias Sandorf.
Hoe het ook zij, dat was buiten kijf, dat de politie op de been was en de vluchtelingen zocht. Zij besloten dan ook om in de pachthoeve verscholen te blijven, totdat de nacht ingevallen zou zijn. De honger kwelde hen; maar zij durfden hunne schuilplaats niet verlaten en daar deden zij goed aan.
Dien avond tegen vijf uren, naderde inderdaad een kleine ruiterbende. Men kon den hoefslag op den weg hooren weerklinken.
Graaf Sandorf, die, over den grond kruipende, de deur van de omheining genaderd was, keerde haastig naar zijn makker weder en trok hem met zich voort tot in den donkersten hoek van het vertrek.
Daar schuilden beiden onder een hoop struiken weg en hielden zich zoo onbewegelijk mogelijk.
Een zestal maréchaussées, aangevoerd door een brigadier, reden langs den weg en richtten zich oostwaarts. „Zouden zij bij de pachthoeve stil houden?” vroeg graaf Sandorf zich niet zonder angst af. Wanneer de maréchaussées dien bouwval doorzochten, dan kon het niet missen, of zij moesten de verscholenen ontdekken.
Zij hielden bij die plaats stil. De brigadier commandeerde halt. Twee maréchaussées en hij stegen van het paard, terwijl de anderen in het zadel bleven.
Deze kregen bevel om de streek in de nabijheid van het kanaal van Léma te doorzoeken en daarna op de pachthoeve terug te trekken, waar men hen tot des avonds zeven uren wachten zou.
De vier maréchaussées verwijderden zich en reden den weg op. De brigadier en de twee anderen bonden hunne paarden aan de spijlen van een half vergane omheining vast, die de pachthoeve omgaf. Daarna gingen zij buiten het gebouw zitten en begonnen te praten. De vluchtelingen konden van uit het vertrek, waar zij verscholen waren, alles hooren.
„Ja, hedenavond moeten wij naar de stad terugkeeren,” antwoordde de brigadier op eene vraag, die door een zijner maréchaussées gedaan was. „Daar zullen wij instructies voor den nachtdienst erlangen. De telegraaf zal waarschijnlijk wel nieuws van Triëst aangebracht hebben.”
De besproken stad was dus Triëst niet. Dat was eene bijzonderheid, die graaf Sandorf niet ontging.
„Is het niet te vreezen, dat de vluchtelingen, terwijl wij hen hier zoeken, het kanaal van Quernaro bereikt hebben?” vroeg een der maréchaussées.
„Dat’s zeer goed mogelijk,” antwoordde de andere.
„Waarom?” vroeg de brigadier.
„Omdat zij daar beter in veiligheid zijn dan hier.”
„Als zij daarheen getrokken zijn, loopen zij hetzelfde gevaar om ontdekt te worden als hier.”
„Meent ge, brigadier?”
„Voorzeker; want de geheele kust van het eene einde van de provincie tot het andere wordt bewaakt.”
Een tweede bijzonderheid, die niet vergeten mocht worden. Graaf Sandorf en zijn makker bevonden zich dus wel degelijk op de westkust van Istrië, dat wil zeggen bij den oever van de Adriatische zee en niet op den oever van het tegenovergelegen kanaal, dat tot Fiuma en waarschijnlijk verder reikt.
„Ik denk dat men ook wel nasporingen in de zoutpannen van Pirano en van Capo d’Istria zal verrichten,” hernam de brigadier. „Men kan zich daar gemakkelijker schuil houden, en een vaartuig bemachtigen om de Adriatische zee over te steken.”
„Ho, ho! brigadier!” riep een der maréchaussées uit.
„Rimini of Venetië zijn niet ver.”
„Zij hadden beter gedaan, stil den dood in hunne cel af te wachten,” antwoordde de andere maréchaussée wijsgeerig.
„Ja”, meende de andere, „vroeg of laat zal men hen toch wel snappen, als men hunne lijken niet uit den Buco opvischt! Dan was het uit. En dan hadden wij bij die hitte het land niet af te loopen, wat geen baantje is.”
„En wie zegt je dat het niet uit is?” hernam de brigadier. „De Foïba heeft zich waarschijnlijk belast met de terechtstelling, en de veroordeelden konden geen slechteren weg dan dien kiezen om uit den vestingtoren van de citatel van Pisino te geraken, dan toen de wateren zoo gezwollen waren!”
De Foïba, dat was dus de naam der rivier, die graaf Sandorf en zijn lotgenoot meêgesleurd had.
De citadel van Pisino, dat was de vesting waarin zij, na hunne gevangenneming, gekerkerd, verhoord en veroordeeld waren!
Daar was het, dat zij zouden zijn doodgeschoten.
Het was uit den vestingtoren van die citadel, dat zij ontsnapt waren!
Graaf Sandorf kende de stad Pisino goed. Hij was dus omtrent dit voor hen zoo belangrijke punt ingelicht en het zou alzoo aan het toeval overgelaten moeten worden, hoe en waarheen zij het Istrische schiereiland doortrekken zouden, wanneer namelijk de vlucht nog mogelijk geoordeeld werd.
Het gesprek der maréchaussées ging niet verder; maar door die weinige woorden hadden de vluchtelingen alles vernomen wat belangrijk voor hen was te weten. Alleen hadden zij nog niet vernomen, welke stad het meest nabij het kanaal van Léma op de kust van de Adriatische zee gelegen was.
De brigadier was intusschen opgestaan. Hij stapte langs de omheining van de pachthoeve op en neer en keek of de uitgezonden manschappen nog niet terugkwamen. Hij trad twee of drie malen in de bouwvallige woning en bezocht er al de kamers van, eer uit gewoonte aan zijn vak eigen, dan uit achterdocht. Hij kwam zelfs tot bij de deur van het vertrek, waarin de vluchtelingen zaten, en zij zouden zeker ontdekt zijn, wanneer er geen dikke duisternis geheerscht had. De brigadier trad zelfs binnen en raakte met het benedeneinde van zijn sabelschede lichtelijk den hoop struiken aan, waaronder zij verscholen waren. In dit oogenblik ondervonden graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory eene afwisselende reeks van angstige gevoelens, die onmogelijk te beschrijven zijn.
Zij waren evenwel vast besloten om hun leven zoo nadrukkelijk mogelijk te verdedigen, wanneer zij zouden ontdekt worden. O, in dat geval zouden zij voor niets terugdeinzen. Zij zouden zich dan op den brigadier werpen, zij zouden dan van zijne verrassing en schrik gebruik maken om hem zijne wapens te ontrukken, zij zouden hem en zijne manschappen aanvallen, hen dooden of zelf vallen. Dat alles dwarrelde door hun brein.