Part 11
De brigadier werd evenwel een oogenblik later naar buiten geroepen, zoodat hij het vertrek verliet, zonder er iets verdachts bespeurd te hebben. De vier maréchaussées, die op verkenning uitgezonden werden, waren op de pachthoeve teruggekeerd. In weerwil van hunnen ijver, hadden zij van de vluchtelingen geen spoor ontdekt in die geheele streek, besloten tusschen de kust en het kanaal van Léma. Zij kwamen evenwel niet alleen terug. Een man vergezelde hen.
Dat was een Spanjool, die dagelijks in de zoutpannen in den omtrek arbeidde. Hij was op weg om naar de stad terug te keeren, toen de maréchaussées hem ontmoet hadden. Daar hij hen vertelde dat hij de landstreek tusschen de stad en de zoutpannen doorgetrokken was, besloten zij hem bij hunnen brigadier te brengen, opdat deze hem zou kunnen ondervragen.
Die man weigerde volstrekt niet om hen te volgen.
Toen hij in de tegenwoordigheid van den brigadier gekomen was, vroeg deze hem of hij of andere zoutmakers de aanwezigheid van twee vreemde personen opgemerkt hadden.
„Neen, brigadier,” antwoordde de man, „maar heden ochtend, een uur nadat ik de stad verlaten had, heb ik twee mannen waargenomen, die bij de punt van het kanaal van Léma aan wal kwamen.
„Twee mannen, zegt ge?” vroeg de brigadier.
„Ja; maar daar men in den omtrek meende dat de terechtstelling hedenochtend in de vesting van Pisino had plaats gehad en daar men van de ontsnapping nog niets wist, heb ik geene aandacht aan die mannen gewijd. Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen waren.”
Graaf Sandorf en Stephanus, steeds in hun donker vertrek verscholen, hoorden woord voor woord dat gesprek, hetwelk zoo belangrijk voor hen was. Dus op het oogenblik, dat zij op den oever van het kanaal Léma voet aan wal zetten, waren zij bespeurd geworden.
„Hoe heet ge?” vroeg de brigadier.
„Ik?”
„Ja, gij.”
„Wat hebt ge met mijn naam te maken? Ik ben niet ontvlucht.”
„Om het even. Ik moet dien weten.”
„Welnu, ik heet Carpena.”
„En uw beroep?”
„Mijn beroep?” vroeg Carpena aarzelend.
„Ja, uw beroep. Kom, maak voort.”
„Ik ben arbeider in de zoutpannen van dit land.”
„Uw geboorteland?”
„Wat hebt ge daar toch mee te maken?”
„Antwoord slechts, het waarom gaat u niet aan.”
„Welnu, ik ben Spanjaard.”
„Waar geboren?”
„Te Catana, eene plaats aan de Middellandsche Zee.”
De brigadier, die schrijfgereedschap voor den dag gehaald had, teekende dat alles op.
„Zoudt gij die mannen herkennen?” ging hij voort met vragen.
„Welke mannen?”
„Houd je nu niet dom. Die mannen, die ge hedenochtend op den oever van het kanaal van Léma gezien hebt?”
„Herkennen?.... Dat is maar zoo wat.”
„Herinner je goed.”
„Ik heb hen zoo niet gadegeslagen.”
„Kom, met wat goeden wil.”
„Nu, ik meen ja.”
„Ja, wat?”
„Dat ik ze herkennen zou.”
„Welnu, dan moet ge naar de stad gaan en daar uwe verklaring bij de politie afleggen en u ter harer beschikking stellen.
„Maar....”
„Doe wat ik je beveel.”
„Ik zal het doen.”
„Weet ge dat er vijfduizend gulden belooning uitgeloofd zijn...”
„Vijfduizend guldens,” vroeg Carpena verbaasd.
„Ja, vijfduizend gulden, voor hem die de vluchtelingen opspoort”.
„Het is een mooie som,” sprak de Spanjaard met hebzuchtige stem.
„En de galeien voor hem, die hen eene schuilplaats verleent.”
„Drommels, dat is geen gekheid.”
„Neen, zeker niet.”
„Het is goed dat ik het weet.”
„Ga nu,” zei de brigadier.
„Maar die vijfduizend guldens....”
„Kom, geen praatjes,” zei de vertegenwoordiger der openbare macht, „ga nu dadelijk naar de stad.”
De mededeeling door den Spanjaard gedaan, had tot dadelijk gevolg dat de maréchaussées zich verwijderden.
De brigadier gelastte zijne manschappen om op te stijgen. Daarna vertrok hij, in weerwil dat de nacht reeds ingevallen was, om de boorden van het kanaal van Léma meer nauwgezet te gaan doorzoeken.
Wat Carpena betrof, deze ging dadelijk den weg naar de stad op, terwijl hij in zichzelven mompelde, dat met een beetje geluk, de gevangenneming van de vluchtelingen hem een aardige som geld kon opbrengen, die wel op den inboedel van graaf Sandorf gevonden zou worden.
Mathias Sandorf en Stephanus Bathory bleven evenwel nog een geruimen tijd verscholen en verlieten het donkere vertrek niet, dat hun tot schuilplaats gestrekt had.
Zij dachten na. En daarvoor bestonden waarlijk alle redenen. De maréchaussées zaten hen achterna, zij waren gezien geworden en konden herkend worden. De Istrische provinciën boden hun dus geene veiligheid aan. Zij moesten derhalve dit land binnen den kortst mogelijken tijd verlaten, hetzij door de Adriatische zee over te steken om zich naar Italië te begeven, hetzij door Dalmatië en de militaire grenzen door te trekken, om zoo buiten de landpalen van Oostenrijk te geraken.
Het eerste plan bood veel meer kansen van welslagen aan, wanneer namelijk de vluchtelingen zich van een vaartuig konden meester maken, of dat zij den een of anderen visscher konden overreden om hen naar de Italiaansche kust over te zetten.
Dat plan werd dan ook aangenomen en tot die poging besloten.
Om dat ten uitvoer te brengen, richtten graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory zich, nadat zij tegen half acht ongeveer, toen de duisternis dik genoeg was, den bouwval van de pachthoeve verlaten hadden, westwaarts, met het doel om de kust van de Adriatische zee te bereiken. Zij waren reeds dadelijk verplicht om den weg te volgen, ten einde niet in de moerassen van de Léma te geraken.
Wanneer zij evenwel die hun onbekende baan volgden, zouden zij dan niet in de stad terecht komen, die natuurlijk in verbinding stond met het binnenland van Istrië?
Gingen zij daardoor niet het grootste gevaar tegemoet?
Zeker, was het dat. Maar hoe konden zij anders handelen?
Het was omstreeks negen uur, toen de zwarte omtrekken eener stad zich ongeveer op een kwartmijl afstand in het donker voordeden. Het zou moeilijk geweest zijn dat niet te ontwaren.
Het was eene opeenhooping van huizen, die zich lomp verhieven op eene rotsmassa, die de zee beheerschte als ook een havenkom, die diep in de kust ingesneden was. Het geheel werd beheerscht door een soort vlot, dat zich, in somberen stijl gebouwd, vertoonde en waaraan de duisternis onmogelijke afmetingen verleende.
Mathias Sandorf was vast besloten om die stad niet binnen te treden, waar de aankomst van beide vreemdelingen dadelijk bekend zoude worden.
Het kwam er dus op aan om haar om te trekken, om zoo mogelijk een der kustpunten te bereiken.
Maar dat kon niet uitgevoerd worden, zonder dat de beide vluchtelingen buiten hun medeweten gevolgd werden door dienzelfden man, die hen reeds op den oever van het kanaal van Léma bespied had, toen zij voet aan wal zetten. Dat was dezelfde Carpena, wiens verklaring aan den brigadier van de maréchaussées zij hadden hooren afleggen. Inderdaad had de Spanjaard, verlekkerd door de uitgeloofde premie, zich ter zijde opgesteld, toen hij naar huis wilde terugkeeren, om zoo den weg beter waar te nemen. Het toeval was hem gunstig, voor de arme vluchtelingen echter ongunstig geweest; want het lot had hem op het spoor der rampzaligen gebracht.
In hetzelfde oogenblik bijna dreigde een bende politie-agenten, die door een der stadspoorten naar buiten stapten, de vluchtelingen den weg af te snijden. Zij hadden ternauwernood den tijd om zich ter zijde te werpen. Daarna richtten zij zich ijlings naar het strand, daarbij den buitenmuur der buitenhaven volgende.
Daar stond eene bescheiden visschershut met hare kleine vensters, waardoor het licht scheen. De deur stond op een kier open.
Wanneer Mathias Sandorf en Stephanus Bathory daar geene schuilplaats vonden, wanneer men weigerde hen op te nemen, dan waren zij reddeloos verloren.
Daarin eene toevlucht zoeken, was waarlijk alles op één worp wagen!
Maar konden zij, mochten zij in de omstandigheden, waarin zij zich bevonden, aarzelen?
Graaf Sandorf en zijn lotgenoot liepen naar de deur toe en bleven op den drempel stil staan.
In het binnenvertrek hield een man zich onledig bij het scherpe licht eener lantaarn, met het herstellen van netten. Hij scheen bij zijn werk te mijmeren; want hij schrikte als het ware op toen eene stem zich liet hooren:
„Vriend....” sprak graaf Sandorf.
„Wat.... wat is er?”
„Vriend, hoe heet deze stad?”
„Deze stad?”
„Ja.”
„Dat is Rovigno.”
„In wiens huis zijn wij hier?”
„Waarom wilt gij dat weten?”
„Zeg het ons maar.”
„Als ik u daarmede genoegen kan doen?....”
„Voorzeker, doet ge dat.”
„Wel, ik heet Andreas Ferrato.”
„Wat is uw beroep?”
„Ik ben visscher en dit huis is het mijne.”
Dat werd met eene onnavolgbare kalmte en fierheid gezegd. Een vorst zou met niet meer waardigheid het: ik ben koning hebben kunnen uitspreken. Toch geschiedde het met den meesten eenvoud en natuurlijkheid.
„Zou de visscher Andreas Ferrato ons voor dezen nacht een onderdak willen verleenen?”
Andreas Ferrato keek hen met een doordringenden blik aan. Daarna stond hij op, stapte, naar de deur en keek naar buiten. In dat ondeelbare oogenblik bespeurde hij de bende politie-agenten, die den hoek van den havenmuur omsloegen. Toen raadde, toen begreep hij ongetwijfeld alles. Hij zag in wie zij waren, die hem gastvrijheid afsmeekten. Hij zag met een oogopslag, dat wanneer hij eene seconde draalde met hun te antwoorden, die mannen verloren waren.
„Komt binnen,” sprak hij.
De twee vluchtelingen haastten zich intusschen niet om dien deurdrempel te overschrijden.
„Vriend,” zei graaf Sandorf....
„Wat is er? Ik zeg u om binnen te komen.”
„Vriend, er zijn vijfduizend gulden belooning uitgeloofd aan hem, die de gevangenen, welke den vestingtoren van Pisino ontvlucht zijn, uitlevert.”
„Ik weet dit.”
„De galeien staan er op, voor hem die hun eene toevlucht verleent.”
„De galeien?”
„Ja, vriend, de galeien!”
„Ik weet dit.”
„Gij kunt ons overleveren....”
„Ik?....”
„De som is niet gering....”
„Ik!.... een verrader!....”
„En het gevaar is groot!....”
„Ik heb u gezegd: komt binnen, ik herhaal die uitnoodiging!” antwoordde de visscher.
Beiden traden binnen.
Andreas Ferrato sloot juist zijne deur dicht, toen de bende politiedienaren zijn huis voorbijtrokken.
VIII.
DE HUT VAN DEN VISSCHER FERRATO.
Andreas Ferrato was Corsicaan van oorsprong en geboren te Santa Manza, eene kleine havenplaats in het arrondissement Sartène, die achter eene ombuiging van de zuidelijke punt van het eiland gelegen was.
De havenplaats met die van Bastia en die van Porto Vecchio waren de eenigen, die ettelijke duizenden jaren geleden toegang tot de oostkust van het eiland gaven, welks kustlijn daar toen zoo grillig en fantastisch ingesneden was, maar die nu meer effen geworden is door het voortdurend afknabbelen èn door de bergstroomen èn door de zeegolven, die allengs de voorgebergten en kapen hebben doen instorten en hen verzwolgen, waardoor zijne baaien en kreeken uitgewischt werden.
Het was daar te Santa Manza dat Andreas Ferrato, op dat gedeelte der Middellandsche zee, hetwelk zich tusschen Corsica en het Italiaansche vasteland uitstrekt, zijn visschersbedrijf uitoefende. Hij waagde zich soms te midden van de rotsen van de Straat van Bonifacio op de kusten van Sardinië.
Het visschersbedrijf is een ruw, moeitevol leven, vooral wanneer de koraalvisscherij aan de vischvangst gepaard gaat. De koralen toch moeten op de onderzeesche banken op de slechtste plaatsen van de Straat of van de zeeëngten gezocht worden.
Maar Andreas Ferrato was een moedige kerel, die bovendien stevig gebouwd en onvermoeibaar was. Hij wist zich even behendig van zijne vischnetten te bedienen, als van zijne dreg. Zijne zaken bloeiden dan ook. En geen wonder! Zijne vrouw was arbeidzaam en schrander, en stond als eene ware heldin aan het hoofd van het kleine gezin van Santa Manza. Beiden konden lezen, schrijven en rekenen en waren bijgevolg betrekkelijk goed onderwezen, althans wanneer men hen vergeleek met de honderd vijftig duizend ongeletterden, die nog steeds door de statistiek opgegeven worden onder de twee honderd zestig duizend bewoners van het eiland.
Bovendien was Andreas Ferrato—misschien wel tengevolge van die meerdere kennis—in zijne denkbeelden en in zijn hart zeer Franschgezind, hoewel hij, zooals zijn naam reeds aanduidt en zooals trouwens alle Corsicanen zijn, van Italiaanschen oorsprong was. Die Franschgezindheid had hem op dat tijdstip menige vijandschap in het kanton op den hals gehaald.
Dat kanton, dat op het zuidelijk uiteinde van het eiland, ver van Bastia, ver van Ajaccio, ver van de administratieve en rechterlijke middelpunten gelegen is, moet inderdaad als zeer weerstrevend wegens ieder die niet Italiaansch of Sardinisch gezind is, beschouwd worden. Dit is eene betreurenswaardige staat van zaken, die niet eindigen zal dan tengevolge van eene betere opvoeding der latere geslachten.
Zooals gezegd is, bestond er steeds eene verborgen vijandschap jegens het gezin Ferrato. Nu is op Corsica de afstand tusschen vijandschap en haat niet groot en van haat tot gewelddadigheden is hij nog minder. Eenige omstandigheden verergerden dien toestand nog.
Op een dag dat Andreas Ferrato zijn geduld uitgeput gevoelde, had hij in eene opwelling van drift en toorn, eene „huid gesneden,” een „knoopsgat gemaakt.” Hij doodde een schavuit uit die streek, maar... was toen verplicht te vluchten.
Andreas Ferrato was er evenwel de man niet naar om zich in de bergen te verschuilen, om daar in dagelijkschen strijd te leven zoowel tegen de politie als tegen de verwanten, makkers en vrienden van den gedoodde, en daardoor de reeks wraaknemingen, die ook de zijnen zouden treffen, te vergrooten. Hij besloot dadelijk om zijn vaderland te verlaten. Hij vertrok heimelijk van Corsica, om eene schuilplaats op de Sardinische kust te zoeken. Toen zijne vrouw hunne geringe bezittingen had te gelde gemaakt, het huis overgedaan en de meubels, het vaartuig en vischnetten verkocht had, vertrok zij ook derwaarts met hare dochter.
Andreas Ferrato had het besluit genomen, om nooit meer in zijn vaderland terug te keeren.
Daarenboven drukte die moord, hoewel hij uit zelfverdediging geschied was, het geweten van Andreas Ferrato. Met zijn eenigszins bijgeloovig karakter, zijnen landaard zoo eigen, stelde hij zich tot taak die daad te vergoeden. Hij meende dat de moord van dien man hem niet zou vergeven worden, dan wanneer hij het leven van een ander mensch met gevaar van zijn eigen bestaan zou gered hebben. En hij was vast besloten dat te doen, wanneer de gelegenheid zich daartoe zou aanbieden.
Andreas Ferrato was evenwel, nadat hij Corsica verlaten had, slechts korten tijd in Sardinië gebleven, waar hij gemakkelijk ontdekt en herkend kon worden. Hij was een moedig en geestkrachtvol man. Hij beefde dan niet voor zijn persoon, maar wel voor de zijnen, die door de weerwraak van de verwanten van den verslagene getroffen konden worden.
Hij wachtte het oogenblik af, dat hij zich verwijderen kon, zonder achterdocht op te wekken, en trok toen Italië door. Toen hij te Ancona aangekomen was, deed zich eene gelegenheid voor om de Adriatische zee over te steken en de Istrische kust te bereiken. Hij nam haar gretig waar.
Ziedaar de redenen waarom en de omstandigheden waarin die Corsicaan zich bij de kleine havenplaats Rovigno gevestigd had. Hij woonde daar sedert zeventien jaren, en had er het visschersbedrijf hervat. Dat had tengevolge dat hij de vroeger genoten gegoedheid terug verdiende. Negen jaren na zijne aankomst was hem een zoon geboren, die Luigi genoemd werd, en wiens geboorte zijne moeder het leven kostte.
Sedert hij weduwnaar was, leefde Andreas Ferrato slechts voor zijne dochter en zijn zoon. Maria was toen achttien jaren oud en strekte den jongeren broeder, die toen zijn achtste jaar bereikte, tot moeder. En ware het de droefheid niet geweest, van zijne wakkere levensgezellin verloren te hebben, die zich steeds nijpend deed gevoelen, dan zou die visscher van Rovigno zoo gelukkig geweest zijn als iemand het kan zijn, die door zijn arbeid zijn brood verdient en die de genoegdoening gevoelt zijnen plicht gedaan te hebben.
De lezer weet dat hij ten rechte geroemd werd als zeer behendig in het uitoefenen van zijn handwerk. Te midden van die lange rijen rotsen, die de stranden van Istrië dekken, had hij zijne vischvangst in de baai Santa Manza of in de Straat van Bonifacio niet te betreuren. Daarenboven was hij goed bekend geworden in die streek, waar dezelfde taal als in Corsica gesproken werd.
De voordeelen, welke hij behaalde door schepen te loodsen op de kust van Pola af tot Triëst, werden nog vermeerderd met de verdiensten van het visschersbedrijf in die vischrijke wateren. In zijn huis vonden de arme lieden dan ook altijd een onderkomen of een goede aalmoes, en in die liefdadigheidswerken werd hij zooveel slechts mogelijk was geholpen door zijne dochter Maria.
Maar de visscher van Santa Manza vergat daardoor de gelofte niet, die hij weleer afgelegd had: leven om leven! Hij had het leven aan een wezen ontnomen; hij zou het leven van anderen redden. Ziedaar de reden waarom hij zonder de minste aarzeling tot de vreemdelingen zei: „Komt binnen,” toen zij zich aan zijne deur vertoonden, hoewel hij raadde wie zij waren en hoewel hij wist aan welke straf hij zich blootstelde.
Ja, dat „komt binnen” had hij flinkweg uitgesproken; maar in zijn binnenste had hij er bijgevoegd:
„En dat God ons onder Zijne hoede neme!”
Intusschen was de bende politie-agenten de deur van het huis van Andreas Ferrato voorbijgestapt, zonder er op te houden. Graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory konden dus meenen dat zij voor ettelijke nachtelijke uren in het huis van den Corsicaanschen visscher in betrekkelijke veiligheid waren.
Dat huis was niet in de stad gebouwd, maar op een afstand van ongeveer vijfhonderd passen van de stadsmuren en buiten de haven, op eene rotsbedding, die het strand beheerschte. Daar buiten die strook, waar, op minder dan eene kabellengte, de golven tegen de klippen van het kustland braken, strekte zich de onmetelijke gezichteinder der zee uit. Naar den kant van het zuidwesten werd het voorgebergte ontwaard, dat in een afgeronde en omgebogen punt eindigde en door welker kromming de kleine reede van Rovigno op de Adriatische Zee omsloten wordt.
Het geheele huis van Andreas Ferrato bevatte slechts eene gelijkvloers verdieping, die bestond uit vier kamers, twee aan de voorgevelzijde en twee aan den achterkant, en een getralied houten bijgebouwtje, waarin men de gereedschappen tot de vischvangst opborg.
Zijn visschersboot was een soort logger, slechts voorzien van één mast. Dat vaartuig was dertig voet lang, maar had een breeden bijna vierkanten voorsteven, hetgeen voor de koraalvisscherij met de dreg zeer gemakkelijk was. Wanneer het vaartuig niet gebezigd werd, lag het binnen en volkomen vrij van de rotsen geankerd, en werd de gemeenschap met den wal onderhouden door eene kleine jol, die thans aan het strand op het droge getrokken was.
Achter dat huis strekte zich een omheinde tuin van een halven bunder uit, waarin eenige groenten te midden van moerbeziënboomen, olijfboomen en van wijnstokken geteeld werden. Eene dichte heg scheidde dien tuin van eene beek, die vijf of zes voeten breed was en de grens aan den kant van het veld vormde.
Ziedaar de nederige gastvrije woning, waarin de Voorzienigheid de vluchtelingen gevoerd had.
Ziedaar de gastheer, die zijne vrijheid waagde, om hun een toevluchtsoord te verschaffen.
Zoodra de deur achter hen dicht gesloten was, keken graaf Sandorf en Stephanus Bathory rond in de kamer, waarin de visscher hen ontvangen had.
Dat was wel het voornaamste vertrek van de geheele woning. Het was slechts spaarzaam gemeubeld; maar wat er in stond, was zindelijk onderhouden en duidde de hand en den smaak aan van eene degelijke en zorgzame huisvrouw.
„Vóór alles moet gij thans eten, niet waar?” vroeg Andreas Ferrato.
„Ja, wij sterven van honger,” antwoordde graaf Sandorf. „Wij hebben hoegenaamd geen voedsel in de laatste vier en twintig uren gehad.”
„Ge hoort het, Maria?” hernam de visscher.
„Ja, vader,” sprak het meisje.
En een oogenblik later had zij een stuk gezouten varkensvleesch, een schotel gekookte visch, eene flinke portie brood, een flesch landwijn met twee glazen, een schoteltje rozijnen, een helder wit tafellaken en twee borden met de noodige vorken en messen op de tafel geplaatst.
Een „reglione,” eene soort olielamp met drie pitten, verlichtte het vertrek.
Graaf Sandorf en Stephanus Bathory namen dadelijk aan tafel plaats. Zij waren waarlijk op het punt van in onmacht te vallen.
„En gij?” vroegen zij aan den visscher.
„Ik?”
„Ja, gij. Doet gij niet mede?”
„Wij hebben reeds geavondmaald,” antwoordde Andreas Ferrato.
Die twee uitgehongerden verslonden—ja, dat is het woord,—de spijzen, die hun met zooveel eenvoud en zoo goedhartig voorgezet waren.
Maar terwijl zij aten, sloegen zij voortdurend den visscher, zijne dochter en zijn zoon gade, welke laatste in een hoek gezeten was. Allen keken de vreemdelingen aan, zonder evenwel een woord te spreken.
Andreas Ferrato kon toen twee en veertig jaar oud zijn. Het was een man met een ernstig, ja zelfs eenigszins droevig gelaat. Hoewel zijn gezicht door de zon gebruind was, had hij gelaatstrekken vol uitdrukking, waarbij zwarte oogen met levendigen blik. Hij droeg de kleeding der visschers van de Adriatische zee, waaronder een edele borst klopte, terwijl zich daarin eene flink ontwikkelde gestalte liet ontwaren.
Maria—welker gestalte en gelaat aan die harer moeder herinnerde—was groot van stuk, welgemaakt en zeer schoon. Zij had vurige zwarte oogen, bruine haren en eene huid, die door het Corsicaansche bloed, dat door hare aderen vloeide, warm getint was. Zij had een ernstig karakter, als gevolg van de verplichtingen, die zij van hare prilste jeugd op zich had voelen rusten. In hare houding, in hare bewegingen spreidde zij die kalmte ten toon, die eene bedachtzame geaardheid eigen is. Alles duidde bij dit jonge meisje op eene geestkracht, die haar nimmer in den steek zou laten, welke ook de omstandigheden zouden zijn, waarin zij zich zou kunnen bevinden.
Zij was herhaaldelijk door jeugdige visschers uit den omtrek ten huwelijk gevraagd, maar zij had daaraan nimmer het oor geleend. Behoorde haar leven niet aan haren vader toe, en aan dat kind, dat zij zoo innig, innig liefhad?
Wat Luigi betrof, dat was een flinke vastberaden jongen, een moedig en degelijk visscher. Hij was reeds volkomen met den werkkring van zeeman bekend. Hij vergezelde Andreas Ferrato, zijn vader, bij zijne visscherijen en bij zijne loodsdiensten en was daarbij steeds blootshoofds, onverschillig of het waaide en of het regende. Hij beloofde een stevige, gezonde kerel te zullen worden, die meer dan stoutmoedig, die koen ja roekeloos zou zijn. Hij was tegen alle guurheden van het weder gehard en had hoegenaamd geen oog voor eenig gevaar. Hij had zijn vader lief en aanbad zijne zuster.
Graaf Mathias Sandorf had die drie wezens, die door zoo innige banden aan elkander verbonden waren, nauwkeurig gadeslagen. Hij koesterde dan ook geen twijfel, dat hij zich bij eerlijke, brave lieden bevond, die hij volkomen vertrouwen kon.
Toen het maal afgeloopen en de honger verzadigd was, stond Andreas Ferrato op en naderde graaf Mathias Sandorf.
„Gaat nu slapen, heeren,” zei hij op eenvoudigen toon.
„Slapen?” vroegen de vluchtelingen.
„Ja, slapen, rusten,” hernam de visscher.
„Dat kunnen wij niet.”
„Niemand weet dat gij hier zijt.”
„Dat ’s waar; maar....”
„Morgen zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.”
„Neen, Andreas Ferrato, neen!” antwoordde graaf Sandorf.
„Dat kan niet.”
„Wat kan niet?”
„Dat wij heden nacht hier blijven.”
„Ah bah!”
„Onze honger is gestild. Onze krachten zijn weergekeerd. Wij moeten nu dadelijk dit huis verlaten!”
„Daar valt niet aan te denken!”
„Onze tegenwoordigheid veroorzaakt voor u en de uwen te groot gevaar!” zei Mathias Sandorf.