Part 9
Maar hij hoorde niets.
„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die het dal beheerscht,” merkte Stephanus Bathory op.
„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf. „Ongetwijfeld reikt de ketting van den bliksemafleider tot aan den grond. Langs dien zullen wij den bodem wel bereiken, zonder gevaar te loopen van te vallen.”
Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die evenwel in het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den bliksemafleider bereikte niet den bodem, maar de wateren van de Foïba.
Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten daar.
„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen. Ik ben de jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst pogen langs dien kabel naar beneden te komen. Voor het geval dat zich een of andere hinderpaal voordoet, dan zal ik wellicht de kracht hebben om mij weer naar boven tot bij het venster te hijschen. Twee minuten later laat gij, Stephanus, u naar beneden glijden om u bij mij te voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas, denzelfden weg volgen. Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren vereenigd zijn, zullen wij naar omstandigheden moeten handelen.”
„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen uitvoeren wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen zult onze schreden te wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het gevaar groot er zal zijn dan het onze....”
„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas Zathmar aan.
„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven gelijke waarde!” antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt, dan moet die de uitvoerder van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden, vrienden, laten wij elkander omhelzen.”
De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene groote geestkracht uit die omhelzing geput hadden.
Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel op post stond om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening die in den muur uitgesneden was. Een oogenblik later was hij buiten en hing hij in het ijle. Toen liet hij zich zakken, terwijl hij met de knieën den ketting van den bliksemafleider omklemde. Hij verplaatste daarbij beurtelings de eene hand onder de andere, terwijl hij met de voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt was, om daarop te steunen.
Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de wind stormde met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet totdat de voorgaande in het hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen kruisten elkander boven den vestingtoren, die haar door zijne eenzame ligging op die hoogte aantrok. De punt van den bliksemafleider schitterde met een witachtig licht, dat er door den electrischen stroom als eene pluim opgehoopt werd, terwijl de stang schudde onder het geweld van den wind.
Men begrijpt welk gevaar er in gelegen was, aan dien geleidketting te hangen, waarlangs de electrische stroom voortdurend afvloeide om zich in de wateren van den Buco te verliezen. Wanneer het toestel in goeden staat geweest ware, dan was er geen gevaar om getroffen te worden; want de volmaakte geleidbaarheid van het metaal vergeleken met die van het menschelijk lichaam, die veel minder is, zou den koenen waaghals, die aan den kabel hing, beveiligen; maar was de punt van den bliksemafleider hoe gering ook afgestompt, was er eene breuk hoe klein ook in den kabel, waardoor de stroom verbroken werd, dan was een ongeluk mogelijk, dan kwamen de twee stroomingen, de negatieve en de positieve te zamen, zelfs zonder dat de bliksem op den geleider insloeg, alleen door de spanning van den stroom, die in het gebrekkige toestel opgehoopt werd.
Zoo werd in 1793 Richeman door eene electrische vonk van de dikte eener vuist gedood, hoewel hij zich op eenigen afstand van den bliksemafleider bevond, waarvan hij het geleidvermogen verbroken had.
Graaf Sandorf was zeer goed bekend met het gevaar, waaraan hij zich blootstelde, maar een gevoel krachtiger dan dat van zelfbehoud deed hem alles trotseeren. Hij daalde langzaam en voorzichtig te midden van de electrische afstrooming, die hem geheel en al omgaf. Zijn voet zocht langs den muur iederen haak en rustte daarop een poos. Dan poogde hij, wanneer een bliksemstraal den afgrond, die onder hem gaapte, verlichtte, er de diepte van te peilen. Maar steeds te vergeefs.
Toen Mathias Sandorf zoo een zestig voeten, sedert hij het venster der cel verlaten had, gedaald was, voelde hij een veiliger steunpunt onder den voet. Dat was een soort banket, slechts weinige duimen breed, hetwelk buiten den voet van den muur uitstak. De bliksemafleider eindigde daar ter plaatse niet, hij daalde lager, en in waarheid,—wat de vluchteling nog niet weten kon,—van dat punt af golfde de ketting in de lucht, nu eens langs den loodrechten rotswand, dan weer slingerde hij in het ijle en klotste daarbij tegen eenige der uitstekende deelen, die boven den afgrond hingen.
Graaf Sandorf hield halt om even adem te scheppen. Zijne beide voeten steunden op het smalle boord van het banket; met zijne handen hield hij steeds den ijzeren kabel vast. Hij begreep dat hij de bovenlaag van het fondament van den vestingtoren bereikt had. Maar van welke hoogte beheerschte dit het beneden-dal? Dat was door hem niet te schatten.
„Dat moet diep zijn,” dacht hij.
Inderdaad, groote vogels, verschrikt en verblind door de schelheid der bliksemstralen, vlogen met angstigen wiekslag rondom hem en doken in de diepte, in stede van hare vlucht opwaarts te richten. De gevolgtrekking daarvan was duidelijk. Er was daar een afgrond onder zijne voeten.
In dit oogenblik vernam hij eenig gerucht aan het boveneinde van den ijzeren kabel. Bij de vluchtige verlichting door eene bliksemstraal, zag graaf Sandorf eene onduidelijke massa, die zich van den muur afscheidde.
Het was Stephanus Bathory, die het venster der cel uitschoof en zich langzaam liet afglijden, om zich bij Mathias Sandorf te voegen. Deze wachtte hem af, terwijl hij de voeten stevig op het steenen uitsteeksel gesteund hield. Daar moest Stephanus Bathory op zijn beurt halt houden, terwijl zijn makker de reis naar beneden verder zou vervolgen.
Binnen weinige oogenblikken waren zij bij elkander, waarbij zij op het banket rustten.
Zoodra het gerommel van den donder een poos ophield, konden zij spreken en elkander verstaan.
„En Ladislas?” vroeg graaf Sandorf.
„Die zal over eene minuut hier zijn.”
„Is er geen onraad boven?”
„Neen.”
„Goed. Ik ga plaats voor Ladislas maken. En gij, Stephanus, gij zult hier wachten tot dat hij u bereikt heeft.”
„Dat ’s afgesproken.”
Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen beiden in dit oogenblik. Zij gevoelden zich alsof de electrische stroom, langs het ijzer vloeiende, tot in hunne spieren gedrongen was en meenden door den bliksem getroffen te zijn.
„Mathias!.... Mathias!....” riep Stephanus onder den indruk van een onnoemelijken en onoverwinnelijken angst uit.
„Kalmte en koelbloedigheid!” antwoordde graaf Sandorf.... „Ik ga verder afdalen.... en gij moet mij volgen!”
Reeds had hij den kabel gegrepen, om zich tot aan den eersten haak naar onderen te laten afglijden. Daar wilde hij wachten tot dat zijn makker ook de reis aanvaard had.
Plotseling werden kreten boven in den vestingtoren vernomen. Zij schenen van den kant van het venster der cel te komen. Duidelijk weerklonken de woorden:
„Vlucht! Redt u!”
Het was de stem van Ladislas Zathmar.
Terstond daarop spoot als het ware een helder licht uit den muur en werd gevolgd door eene kort afgebroken losbranding zonder echo. Het was ditmaal niet de gehakkelde lijn van eene bliksemschicht, die zich op het zwart kleed van den nacht voordeed. Het was geen electrische vonk, die geknetterd had. Het was een geweerschot, dat ongetwijfeld op goed geluk af door het eene of andere schietgat van den vestingtoren gelost was. Of het een signaal voor de gevangenbewaarders of wel een kogel, bestemd voor de vluchtelingen was, om het even, de vlucht was thans ontdekt.
Een schildwacht, die eenig gerucht meende te hooren, had inderdaad om hulp geroepen, waarop vijf of zes gevangenbewaarders de cel binnengestormd waren. Het ontbreken van twee gevangenen was natuurlijk dadelijk ontdekt. De toestand van het venster duidde genoegzaam aan, dat zij slechts langs dien weg hadden kunnen ontsnappen. Het was toen dat Ladislas Zathmar vóórdat men dit had kunnen beletten, zich buiten de vensteropening voorover gebogen en den alarmkreet uitgestooten had.
„De ongelukkige!” riep Stephanus Bathory uit. „Moeten wij hem achterlaten?.... Mathias!.... Zeg.... achterlaten?”
Een tweede geweerschot werd gelost en ditmaal vermengde zich de losbranding met het rollen van den donder.
„God zij hem genadig!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij moeten vluchten.... al ware het maar om hem te wreken!.... Kom Stephanus, kom!”
Het was meer dan tijd. Ook andere vensters van de benedenverdieping van den vestingtoren werden geopend. Nieuwe losbrandingen verlichtten hen. Ook hoorde men luidruchtige stemmen. Het waren misschien gevangenbewaarders, die langs het banket, hetwelk den voet van den vestingtoren omgaf, voortschrijdende, den weg voor de vluchtelingen konden afsnijden! Zij konden ook waarschijnlijk getroffen worden door geweerschoten, die uit andere gedeelten der vesting gelost werden!
„Kom!” riep graaf Sandorf voor de laatste maal.
En hij liet zich afglijden langs den kabel, die daarop dadelijk door Stephanus Bathory gegrepen werd.
Toen eerst bemerkten beiden, dat die kabel onder het banket in het ledige, in het ijle slingerde. Er bestonden geen rustpunten, geen haken meer, die den kabel vasthechtten. Beiden slingerden met dien ketting mede, die hun de handen verwondde. Zij daalden, zij omklemden den kabel met de knieën, maar waren onmachtig hunne snelheid te temperen, terwijl in dat vreeselijke oogenblik hun de geweerkogels langs de ooren floten.
Zoo daalden, neen stortten zij binnen een minuut ruim tachtig voeten naar beneden. Zij vroegen zich af, of die afgrond, waarin zij als het ware vielen, bodemloos was. Het geloei van stormachtig opgezweepte wateren bereikte hun gehoor. Toen begrepen zij dat de geleidketting van den bliksemafleider in den een of anderen bergstroom eindigde. Maar.... om het even.... de dood daar boven, de dood hier beneden.... dan was de laatste voor de rampzaligen het meest verkieselijk.
Een vreeselijke bliksemstraal verscheurde in dit oogenblik te midden van eene machtige electrische verlichting de wolken. Hoewel de stang boven op den vestingtoren niet middellijk door den electrischen stroom getroffen was, zoo was de spanning van dien stroom, die zich voortdurend langs den ketting ontlastte, zoodanig, dat zij de schalmen bij haren overgang wit gloeiend maakte, zooals met een platina draad geschiedt onder de ontlading van eene electrische batterij.
Stephanus Bathory stiet een kreet van smart uit en liet de handen los.
Mathias Sandorf zag hem voorbij zich vallen, waarbij zij elkander schier aanraakten. De ongelukkige had de armen uitgestrekt.
Op zijn beurt moest ook hij den kabel, die hem de handen verschroeide, loslaten. Hij viel van eene hoogte van ruim veertig voeten in den bergstroom van Foïba, in dien onbekenden afgrond van den Buco.
VII.
DE BERGSTROOM VAN FOÏBA.
Het was ongeveer elf uren in den nacht. De onweerswolken begonnen zich in hevige stortregens op te lossen. De regen werd vermengd met dikke hagelsteenen, die de oppervlakte der Foïba mitrailleerden en op de naburige rotsen kletterden.
De geweerschoten, die uit de schietgaten gelost werden, waren gestaakt. Waarom zooveel kogels, zooveel lood jegens de vluchtelingen te verspillen? De Foïba zou slechts lijken weergeven, wanneer zij althans iets weergaf!
Nauwelijks was graaf Mathias Sandorf in den bergstroom gestort en onder de oppervlakte geschoten, toen hij zich plotseling meegesleept gevoelde. Van uit het schitterende licht, waarmede de electrische losbarsting den afgrond vervuld had, was hij overgegaan in den zwartsten nacht. Het geloei der wateren had het geratel van den donder vervangen. De ondoordringbare spelonk liet van buiten, noch geluid, noch licht, noch iets bespeuren.
„Help....”
Opeens werd die kreet vernomen! Het was Stephanus Bathory, die hem geslaakt had. De kilheid van het water had hem tot het leven teruggeroepen; maar hij kon zich niet aan de oppervlakte handhaven. Hij zou zeker verdronken zijn, wanneer hem niet een stevige hand gegrepen had op het oogenblik, dat hij ging verdwijnen.
„Ik ben hier.... Stephanus!.... Houd moed!”
Graaf Sandorf ondersteunde zijn makker met de eene hand, terwijl hij met de andere zwom.
De toestand was zeer kritiek. Stephanus Bathory kon ter nauwernood zijne ledematen bewegen, verlamd als zij waren door den doorgang van den electrischen stroom. Voelde hij ook al de brandwonden aan zijne handen in de koude wateren niet, toch kon hij door die verlamming er zich niet van bedienen. Als graaf Sandorf hem slechts een oogenblik losgelaten had, zou hij onmiddellijk gezonken zijn. En toch had de graaf genoeg met zich zelven te stellen.
Dan nog verkeerde men in volslagen onzekerheid omtrent de richting, die deze bergstroom volgde. In welke streek kwam hij uit? In welke rivier, of in welke zee zou hij uitmonden? Wanneer Mathias Sandorf ook al geweten had, dat die bergstroom de Foïba was, dan nog was zijn toestand even wanhopig geweest, dewijl niemand weet waar zijne wateren blijven, waarin hij zich uitstort. Men had gesloten flesschen bij den ingang van de spelonk in de Foïba geworpen, en nimmer waren zij ergens in een der wateren van het Istrische schiereiland te voorschijn getreden. Het kon zijn, dat zij onderweg gebroken waren bij dien onderaardschen doorgang, maar het kon ook zijn, dat die watermassa hen medegesleept had in de een of andere spleet van de aardkorst.
De vluchtelingen werden intusschen met groote snelheid medegevoerd. Dit was eene omstandigheid, die het hun gemakkelijk maakte om aan de oppervlakte te blijven. Stephanus Bathory had zijn bewustzijn verloren. Hij was als een machteloos lichaam in de handen van graaf Sandorf. Deze kampte voor twee, maar hij gevoelde dat hij weldra uitgeput geraakte. Bij de gevaren om tegen de een of andere vooruitstekende rotspunt, hetzij van de wanden, hetzij hangende van het verwulf te stooten, kwam nog een ander, dat veel grooter genoemd moest worden. Dat was van in een dier draaikolken te geraken, die veroorzaakt werden door de veelvuldige tegenstroomingen, welke daar gevormd worden, waar een wand plotseling afbrak of een vooruitstekend stuk de regelmatige strooming verstoorde. Twintig malen voelde Mathias zich met zijn makker in een van die vloeibare zuigers opgenomen, die hem door hunne ronddraaiende beweging evenals een maalstroom tot zich trokken. Zij werden dan door een rondgaande beweging vervoerd en eindelijk naar den buitenrand van de kolk geworpen, zoo als met een steen uit een slinger zou geschieden, en konden er niet uitkomen dan door een tegenstroom geholpen.
Zoo verliep onder die omstandigheden een half uur, waarin de dood hen iedere minuut, iedere seconde aangrijnsde. Mathias Sandorf, met eene bovenmenschelijke geestkracht begaafd, had nog geen oogenblik van zwakte ondervonden. Het was, alles goed beschouwd, gelukkig, dat zijn makker nagenoeg bewusteloos was. Als het gevoel van zelfbehoud wakker ware geweest, dan zou hij gesparteld hebben. Dan zou er gestreden moeten worden om hem te bedwingen, om hem tot onmacht te noodzaken. En dan zou graaf Sandorf waarschijnlijk genoodzaakt zijn geweest, om hem aan zijn lot over te laten, om niet beiden te verdrinken.
Die toestand kon evenwel niet lang blijven duren. De krachten van Mathias Sandorf begonnen merkbaar af te nemen. In sommige oogenblikken dook zijn hoofd onder, wanneer hij dat van Stephanus Bathory boven de watervlakte ophief. Dan was de ademhaling plotseling verbroken. Dan hijgde hij, dan hoestte, dan kuchte hij, dan werd hij benauwd; want dan had hij te doen met een begin van verstikking.
Hij moest zelfs verscheidene malen zijn makker loslaten, wiens hoofd dan dadelijk onder water dook, maar steeds slaagde hij er in hem weer te vatten en dat te midden van dien zwaren stroom, die door de gezwollen wateren nog sterker dan gewoonlijk was en met afgrijselijk geluid rondom hem loeide.
Graaf Sandorf voelde dan ook weldra, dat hij verloren was. Het lichaam van Stephanus Bathory ontsnapte hem eindelijk geheel... Wel trachtte hij het, als laatste uiting van zijn wilskracht, nog te grijpen; maar hij vond het niet meer en zelf werd hij onder den waterspiegel medegesleept.
Een hevige schok kneusde hem pijnlijk den schouder. Hij stak instinctmatig de hand uit. Zijne vingeren grepen en omsloten een bundel wortels, die in het water hingen.
Die wortels behoorden tot een boomstronk, die door den bergstroom medegevoerd werd. Mathias Sandorf klemde zich stevig aan dat wrakstuk vast en kwam toen aan de oppervlakte der Foïba terug. Hij hield zich vast met de eene hand, maar zocht zijn makker met de andere.
Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen en werkte hem met veel inspanning op den boomstronk, waarna hij naast hem plaats nam. Beiden waren nu buiten dadelijk gevaar van te verdrinken, maar zij waren nu aan het lot van dat wrakstuk verbonden en aan de grillen van de stroomingen en versnellingen van den Buco overgeleverd.
Graaf Sandorf was gedurende een oogenblik buiten kennis geraakt. Zijn eerste zorg was, toen hij weer bijkwam, om maatregelen te nemen dat Stephanus Bathory niet van den boomstam kon glijden. Uit overmaat van voorzorg plaatste hij zich achter hem, zoodanig dat hij hem kon ondersteunen. Toen dat geschied was, keek hij rondom zich, om waar te nemen of niet eenig daglicht in de grot drong. Hij zou dan den toestand bij het verlaten van die spelonk kunnen overzien. Maar niets duidde aan, dat de uitgang van dat eindeloos kanaal nabij was.
Toch was de toestand der vluchtelingen eenigermate verbeterd. Die boomstronk was ongeveer tien voet lang en zijn wortels, die op de watervlakte rustten, moesten verhinderen dat hij zich onverwacht omkeerde. Wanneer zich geene geweldige schokken zouden voordoen, dan scheen zijne stabiliteit verzekerd, hoewel de watermassa met kracht als langs een hellend vlak schoot. Zijne snelheid kon dan ook gerekend worden op tien mijlen in het uur, en was gelijk aan die van den bergstroom, die hen meesleepte.
Mathias Sandorf had inmiddels zijne geheele koelbloedigheid teruggekregen. Hij poogde toen zijn makker, wiens hoofd op zijne knieën rustte, tot bewustzijn terug te brengen. Hij vergewiste zich dat zijn hart nog klopte, maar hij merkte daarbij op, dat hij ter nauwernood nog maar adem haalde. Hij bukte zich over hem heen, sloot zijne lippen op die van zijn vriend en blies zoo meerdere lucht in zijne longen. Misschien zou de eerste inwerking van de ondergane verstikking nog geen onherstelbare verwoestingen op de edele deelen aangericht hebben.
En inderdaad, Stephanus Bathory begon zich te bewegen. Diepere en langere ademhalingen verhieven zijne borstkas en openden zijne lippen. Eindelijk ontsnapten enkele woorden aan zijn mond.
„Mijne vrouw!.... Mijn zoon!.... Mathias!”
Geheel zijn bestaan lag in die woorden opgesloten.
„Stephanus, hoort ge me?.... hoort ge me?” vroeg graaf Sandorf, die te midden van het geloei van den bergstroom, hetwelk de gewelven van den Buco vervulde, schreeuwen moest.
„Ja!.... Ja....!”
„Stephanus!.... Stephanus!.... hoort ge mij?” herhaalde graaf Sandorf, die wellicht de twee woorden van zijn vriend niet verstaan had.
„Ja!.... Ja!....” herhaalde deze. „Ik hoor u!.... Spreek!.... Mijne hand in de uwe!....”
Nu had Mathias verstaan; want hij had zich voorovergebogen en zijn oor bij den mond van zijn vriend gebracht.
„Stephanus,” vervolgde hij, „wij zijn niet meer in onmiddellijk gevaar. Wij hebben een wrakstuk dat ons torscht.... Waarheen?... Dat kan ik niet zeggen. Maar dat stuk hout zal ons niet ontbreken!”
„Mathias.... en de vestingtoren?....”
„Daar zijn wij reeds ver van daan! Men zal in de vesting gelooven, dat wij den dood in de wateren van deze kolk gevonden hebben en men zal er voorzeker niet aan denken om ons te achtervolgen! Waar die bergstroom ook zijne monding heeft, in zee of in eene rivier, zal hij ons toch eene uitkomst leveren en wij zullen dan levend aanlanden. Laat den moed dus niet zinken, Stephanus! Ik waak over je! Rust nog maar en herneem krachten, want die zult ge weldra noodig hebben. Binnen weinige uren zijn we gered!....”
„Gered?....”
„Ja gered!.... en vrij!”
„Gered en vrij?”
„Ja, voorzeker!”
„En Ladislas?”
Graaf Mathias Sandorf beantwoordde die vraag niet.
Wat zou hij er in Gods naam op hebben kunnen antwoorden?
Ladislas Zathmar had slechts tijd gehad om zijne makkers den alarmkreet, dien hij door het venster der cel geslaakt had, te doen hooren. Onmiddellijk daarop was hem de vlucht onmogelijk gemaakt. Hij was gegrepen geworden en werd van toen af streng bewaakt. Als zijne makkers voor hunnen persoon ook in de mogelijkheid daartoe geweest waren, zouden zij toch niets hebben kunnen uitrichten.
Stephanus Bathory had zijn hoofd achterover laten vallen. De physieke kracht ontbrak hem om de loomheid, die hem bevangen had, te overwinnen. Maar Mathias Sandorf waakte over hem en was op alles voorbereid, zelfs om het wrakhout te verlaten, wanneer dat tegen een der hinderpalen, die te midden van de dikke duisternis, welke alom heerschte, niet te voorzien en niet te vermijden waren, mocht verbrijzeld worden.
Het kon ongeveer twee uur in den morgen zijn, toen de snelheid van den stroom en dus ook die van den boomstronk aanmerkelijk scheen te minderen. Ongetwijfeld werd dat onderaardsche kanaal gaandeweg breeder, waardoor de wateren een meer vrijen doortocht tusschen die rotswanden vonden. Hun gang was dan ook meer regelmatig. Men mocht daaruit wellicht de gevolgtrekking maken, dat het uiteinde van dat onderaardsche hol niet ver meer verwijderd kon zijn.
Maar weken de wanden terzijde uit, dan toonde het gewelf ter zelfder tijd eene neiging om te dalen. Wanneer graaf Mathias Sandorf de hand ophief, dan raakte die de onregelmatige krijtlagen en leisteenen, die boven zijn hoofd welfden. Soms hoorde hij een gedruisch als van eene wrijving... dat was de een of andere worteltak van den boom, die, loodrecht omhoog staande, met het uiteinde het gewelf aanraakte. Dan ontstonden hevige schokken, die aan den stam medegedeeld werden, waardoor deze schommelde en zwaaide en waardoor hij telkens van richting veranderde. Nu eens lag hij dwars in den stroom, dan weer draaide hij om zijn lengte-as, dan weer om zijne breedte-as, zoodat de vrees om er afgesleurd te worden niet ongegrond was.
Toen dat gevaar, hetwelk zich herhaaldelijk voorgedaan had, voorbij was, bleef er een ander over, waarvan graaf Sandorf alle de gevolgen koelbloedig berekende. Dat was de waarschijnlijkheid, dat het gewelf der grot van den Buco bleef dalen. De drenkeling had reeds de aanraking met dat rotsgewelf niet anders kunnen ontwijken, dan door zich plotseling achterover uit te strekken, wanneer zijne hand eene uitstekende rots ontmoette. Zou men dus weer in den stroom moeten dompelen? Wat hem betrof, dat zou nog gaan, maar zou hij er in slagen om ook zijn makker boven water of hem zelfs onder de wateroppervlakte bij zich te houden? En als dat onderaardsche kanaal zonder bovenruimte zich over een langen afstand uitstrekte? Zou er dan mogelijkheid bestaan er levend uit te komen? Neen!... neen!... dat zou onherroepelijk het einde zijn, na zooveel doodstrijd reeds doorworsteld te hebben.