Mårbacka

Part 7

Chapter 74,138 wordsPublic domain

Een geweldig harde bons volgde; maar, stel je voor,—de muur hield het nog uit. Als ’t nu maar zoover kwam, dat de sleê merkte, dat ze haar zin niet kon doorzetten, en zich stil wou houden!

Maar dat moet je niet denken! Nu stoof ze weer achteruit. Die was wel met de echte zalf gesmeerd, die sleê, waar zij in lag. En als ze ’t nu voor de derde maal probeerde, kon ’t wel niet anders zijn of het lukte.

Wat zou ze beginnen, als ze daar tusschen al die heksen en die benden der duisternis kwam? Wel had ze over al die dingen hooren praten; maar ze had het nooit recht willen gelooven. Er is zooveel, dat je niet gelooven wilt, voor je zelf ziet, dat het waar is!

Barmhartige God, leid ons niet in verzoeking! Ze had immers in armoede en minachting heel haar leven doorgebracht, zonder te klagen. Maar als haar nu macht en geld werd geboden, zou ze zoo’n aanbod kunnen afwijzen? Of als zij de woorden zou kunnen leeren, die ziekten genezen bij dieren en menschen, of die de vruchten op den akker konden doen groeien, of liefde wekken bij de jeugd? Zou ze zooiets kunnen afwijzen? Ja, als ze maar de kracht mocht hebben om de verzoeking te weerstaan en de zaligheid voor haar ziel niet te verliezen.

Jawel! nu nam de sleê voor den derden keer een aanloop. Nu stoof die voort zoodat haar de ooren suisden. En ze sloot de oogen om niet te griezelen. Ze wist immers, dat ze een oogwenk later buiten in de vrije lucht zou zijn en hoog boven de aarde zweven als leeuweriken en zwaluwen.

Op eens een gekraak en gedreun! Nu viel de muur zeker!

Maar God zij lof en dank! De flinke muur had stand gehouden. ’t Was maar de sleê, die gebroken was. En op datzelfde oogenblik scheen ze den reislust verloren te hebben, want ze bleef doodstil liggen, zoodat de oude vrouw er uit kon kruipen en zich ter ruste leggen na de reis, op een bos stroo.

Toen zij dit alles ’s morgens vertelde en het langzamerhand Grootmoeder ter oore kwam, vond die, dat het heel wonderlijk klonk. Want wèl geloofde ze vast aan de bovennatuurlijke dingen, maar een beetje orde moest er toch zijn. En dat men naar den Blocksberg kon reizen midden in den lichten zomer, en dat nog wel in een sleê—daar had ze nooit van gehoord. Daarom ging Grootmoeder naar de schuur en bekeek de sleê; en toen zag ze, dat er een paar lange touwen aan waren vastgemaakt.

En toen liet ze den staljongen en een paar van zijn kameraden bij zich komen, nam ze in verhoor, en gaf ze een behoorlijke straf.

DE BELLMANSLIEDEREN.

Om half zeven ’s morgens maakte het kindermeisje de kachel aan op de kinderkamer op Mårbacka, en om zeven uur moesten de kinderen opstaan en beginnen met zich aan te kleeden.

Als ze klaar waren,—dat was ongeveer om half acht,—en de bedden heel vlug waren gemaakt, kwam er een blad uit de keuken, waarop borden met pap en room stonden en groote boterhammen van zelfgebakken knakbrood. Dat was de eerste maaltijd van den dag.

Tot acht uur zaten de kinderen dan aan een groote zwarte tafel, die bij het raam stond, hun lessen te leeren. Ze waren altijd in de kinderkamer. Die moest als school dienst doen; want een schoolkamer was er niet.

Zoodra de klok acht had geslagen, werden de boeken dichtgeslagen, mantels en jassen werden aangetrokken, mutsen en petten opgezet en naar buiten gingen ze in den halfdonkeren wintermorgen. Wat voor weer het was—daar vroegen ze niet naar, ze haastten zich naar buiten om te onderzoeken of het ijs op den vijver al hield, of dat het misschien beter was met de priksleê te rijden in de laan, of dat er misschien een of ander spelletje was in de schuur, of dat ze naar de konijnen mochten kijken of met den hond spelen.

Kort vóór negen uur kwam het ontbijt, dat gewoonlijk bestond uit eieren of uit flensjes of uit gebakken visch met gestoofde aardappelen of uit bloedworst met spek en saus. Bij het ontbijt ging men niet aan tafel. Men kwam beurt om beurt het eten halen en ging dan zitten eten aan de kleine tafeltjes.

Om negen uur moest men klaar zijn, want dan begon de school. Weer gingen de kinderen naar de kinderkamer en gingen aan de groote smalle tafel zitten lezen, rekenen en schrijven tot twaalf uur. De kleine meisjes leerden niet meer bij mijnheer Tyberg, maar hadden Ida Melanoz, de dochter van den koster Melanoz, die zijn helder hoofd en talent van onderwijzen had geërfd, als gouvernante gekregen.

Om twaalf uur gebruikte men het middagmaal aan de ronde tafel in de zaal. Een van de meisjes deed het gebed vóór, een andere na het eten. Als ze klaar waren, kusten ze Vader en Moeder de hand en dankten hen voor den maaltijd. ’t Was nooit stil aan tafel, want Luitenant Lagerlöf hield uit alle macht het gesprek gaande. ’t Was merkwaardig, dat hij altijd iets wist om over te praten. Zelfs als hem niet anders was overkomen, dan dat hij een oude vrouw op weg was tegengekomen, kon hij een heel verhaal van die ontmoeting maken.

Tusschen een en twee moesten de kinderen weer buiten zijn; maar meestal haastten ze zich al vóór tweeën naar binnen om hun lessen nog eens door te zien voor het namiddag-onderwijs begon.

Van twee tot vier zaten ze aan de schooltafel en na vier uur begonnen ze hun lessen te leeren voor den volgenden dag.

Maar langer dan tot vijf uur mochten ze daar toch niet mee doorgaan. Dan moesten ze weer naar buiten, en ze deden dan grooter tochten, naar een ver, ver weg liggenden, heel hoogen heuvel om er met de sleê af te glijden. Een tijd lang hadden ze een grooten hamel voor de sleê en dat was natuurlijk een groot genoegen!

Als ze weer thuiskwamen, hadden ze een prettig uurtje. De haard was dan aan in de zaal, en op ’t opengeslagen speeltafeltje stond brood en boter en een beker met een of ander drank. Om zoo bij den haard te zitten of te liggen en een boterham te eten, vonden de kinderen heerlijk. Ze praatten en maakten plannen. Dat was eigenlijk het eenige uur van den dag, dat ze voor zich zelf hadden. Als de laatste gloeiende kool in den haard was uitgebrand, werd de lamp op de ronde tafel voor de sofa aangestoken. Nu was het Mevrouw Lagerlöf, die het onderwijs leidde en haar dochtertjes leerde naaien, breien en borduren. Ze bezat een exemplaar van H. C. Andersens sprookjes, en als ze vond, dat het werk goed was gedaan, las of vertelde ze gewoonlijk als belooning „de reiskameraad”, „de vuurslag” of „de wilde zwanen”. Er waren ook mooie en grappige teekeningen in dat boek. Het was bijna even prettig die te mogen zien als de verhaaltjes te hooren.

Om acht uur werd het avondeten gebruikt en dan eerst kwam Luitenant Lagerlöf te voorschijn. Al dien tijd had hij beneden in zijn kantoor in zijn groote boeken vol cijfers zitten schrijven.

En nu na dien heelen dag, zóó streng ingedeeld en zoo vol werk, kwamen allen eindelijk los. De kinderen mochten hun werk wegleggen, de luitenant ging in den schommelstoel zitten en vertelde jongensstreken, of hij beschreef hoe wonderlijk mooi Jenny Lind was geweest als Norma of als de Regimentsdochter, of Emilie Högqvist als de Jonkvrouw van Orleans.

Of ook—als hij niet gestemd was tot praten, liet hij Mevrouw Lagerlöf of Juffrouw Lovisa voorlezen uit Tegnér. Iets heerlijker dan de Fritjofssage geloofde hij niet, dat er op de wereld bestond. Hij hield ook veel van Runeberg en hoorde graag Vaandrig Stäl of zijn epische gedichten voorlezen. Maar hij vond ’t toch niet prettig, als iemand zei, dat de Finsche dichter grooter was dan Tegnér.

Nu en dan, en dat was het prettigste van alles, ging hij voor de oude piano zitten, en sloeg een paar accoorden aan. „Kom, kinders,” riep hij, „dan zingen we Bellmansliederen.”

De kleine meisjes lieten zich niet bidden. Ze waren dadelijk bij hem en dan gingen ze met lust en vreugd op Bellman los. Ze begonnen altijd met „den ouden Noach”, en „Joachim uit Babylon”. Dan zongen ze van „Vader Movitz en Mutter op Tuppen” van den dansmeester Mollberg en zijn droevig avontuur in den kelder in Rostock.

Luitenant Lagerlöf zat het accompagnement te hameren en zong zachtjes mee om de maat en de melodie te houden. Maar de kleine kinderen zongen uit volle borst. Ze zongen zóó, dat je het in ’t heele huis door hooren kon.

Dat was leven en beweging. Dàt was vroolijkheid na den dag vol werk. Ze begrepen niet veel van wat ze zongen; maar de melodieën verwarmden hen en wekten hun levensgeesten. Och, het klonk zoo mooi als Ulla danste in sluier en franje, of als Fredman zong, dat het even ver was van nu tot Maandag, als van ’t Noorden naar ’t Zuiden! En ze konden niet anders dan pret hebben, als die stakker van een Mollberg, wien alles tegenliep, in de waschtobbe sprong, waar de waardin haar karpers had; of als de groote taart binnenkwam op de groote bootreis, bestrooid met suiker, kaneel en ansjovis.

Maar ’t beste was toch, dat ze mochten zingen, zooveel ze maar konden. En de luitenant liet ze maar begaan. Hij verbeterde ze nooit, hij stoorde ze nooit door hen er aan te herinneren, dat er zulke dingen waren als modulatie en samenzang. En ze waren volkomen overtuigd, dat ze Bellman heelemaal goed zongen, zooals hij gezongen moest worden.

Aan den wand boven de piano had de luitenant een portret van Karl Mikaël zelf, met de luit in den arm, en gewoonlijk zag hij naar hem op, alsof hij verwachtte, dat de onvergelijkelijke hem een goedkeurenden glimlach zou zenden.

Maar nu gebeurde het eens, dat de vaandrig van Wachenfeldt naar Mårbacka was gekomen. Hij zat in zijn hoekje bij de kachel als gewoonlijk en Juffrouw Lovisa keuvelde wat met hem, terwijl de luitenant bij de piano zat met de kinderen om zich heen, die uit volle borst Bellman zongen en niet beter wisten dan dat ze dat goed deden en juist zooals het behoorde.

„Is ’t niet vreemd, dat geen van de kinderen stem heeft?” zei Juffrouw Lovisa fluisterend tegen den vaandrig.

„Ja, dat ze geen stem hebben, kunnen ze niet helpen,” antwoordde hij even zacht. „Als ze hun ooren ten minste maar gebruikten!”

„’t Is vreemd, omdat de beide ouders muzikaal zijn. Vindt u ook niet?” zei Juffrouw Lovisa met een zucht. „Ik begrijp niet hoe Gustaaf het verdraagt!”

„Hij hoort het niet, zooals ’t voor onze ooren klinkt,” zei de vaandrig. „Hij heeft die kinderen boven alles lief.”

„Ja, de menschen praten van een zien met de oogen der liefde,” zei Juffrouw Lovisa. „Misschien is er ook iets, dat je kunt noemen: „hooren met de ooren der liefde”.”

„Ja, daar kunt u van op aan,” zei de vaandrig van Wachenfeldt, en hij wist wat hij zei.

’t Gebeurde, dat een van de kleine zangeressen dit gesprek hoorde en later aan de andere oververtelde, en dat was wel een van de redenen, dat langzamerhand het zingen van Bellmansliederen op Mårbacka ophield.

Maar lang daarna, hun heele leven lang zit de liefde voor de Bellmansliederen nog in ’t hart van alle Mårbacka-kinderen. Zij hebben ze niet alleen lief om hun vroolijkheid, en hun weemoed en hun teere schoonheid, zij hebben ze niet alleen lief ter wille van henzelf, maar omdat de kleinste toon van de Bellmansche luit in hun herinnering de nooit zwichtende teerheid terugroept, die hun kindsheid gelukkig heeft gemaakt.

JONGENS EN MEISJES.

In den zomer van 1866 was een ongewoon groote schare kinderen bijeen op Mårbacka.

Daar waren ten eerste Daniël en Johan Lagerlöf, zonen des huizes en dan waren er Theodoor en Otto en Hugo Hammargren, hun neven van vaderszijde, die de zomervacantie met hun ouders op Mårbacka doorbrachten. Verder waren er Ernst en Klaas Schenson, neven van moederszijde, die ook den heelen zomer op Mårbacka waren. Maar dat was nog niet genoeg; want men kon ook nog Herman en Bernhard en Edvin Milén, die op de hoeve daar naast woonden, bij ’t gezelschap rekenen, en ook Adolf Noreen, die op Herrestad bij de kerk woonde, maar een paar keer per week naar Mårbacka wandelde om met andere jongens te spelen en pleizier te maken.

Bovendien waren er ook nog Anna en Selma en Gerda Lagerlöf. Maar Gerda was niet ouder dan drie jaar, dus die telde niet meê; en Anna en Selma—die hadden ook niet veel te beteekenen, nu er zoo’n groote troep jongens bij elkaar was.

In dien zomer hadden de jongens een prettiger en beter tijdverdrijf uitgevonden dan ooit te voren. De eerste weken hadden ze geleefd als altijd. Ze hadden bessen geplukt en op den schommel gezeten, in ’t groene gras geslapen, met pijl en boog geschoten, raket gespeeld en springspelen gedaan. Maar op een schoonen dag begon hen dat alles te vervelen. Ze vonden zeker, dat ze te veel leegen tijd en verstrooiing hadden, en ze begonnen er over te spreken, dat ze eens aan moesten pakken en een ernstig werk doen, waar je wat aan hadt.

Hun oog viel op een veldje in ’t bosch, dat dicht bij de groote laan lag, en aan de eene zij door den weg en de sloot, en aan de andere door den loodrecht opstijgenden Åsberg was begrensd. Langs het noorden liep een hek en langs ’t zuiden een diepe kloof vol grint, zoodat het heele gebied, dat ongeveer een zestiende ton land groot was, goed afgebakend en eenzaam daar lag.

Toen de jongens het nader onderzochten, vonden ze, dat het rijkelijk voorzien was van groote steenblokken, en dat de plantengroei voornamelijk bestond uit eenbesstruiken, jonge dennen en varens. In ’t noorden liep een beek door het veldje, die wel midden in den zomer droog werd, maar waarvan de oevers met enkele prachtige elzestruiken waren versierd. In de spleten van den Åsberg groeide wilde boekweit, waar de jongens zeer op waren gesteld; ver in ’t zuiden stonden vier volwassen dennen en midden op het veld prijkte een groote spar met veel takken; ’t heele stuk grond was nog onbebouwd en had geen andere bewoners dan eekhorens, boomspechten en mieren.

De jongens vonden nu, dat deze wildernis de zegeningen der beschaving moest genieten en besloten daarheen te trekken als landontginners. Hun eerste maatregel was nu woonplaatsen te kiezen. Theodoor Hammargren, die zestien jaar oud was en de eigenlijke leider der onderneming, legde beslag op een hoog rotsblok, dat als een toren opschoot en een heerlijk uitzicht gaf over de heele kolonie. Daniël Lagerlöf, die vijftien jaar was en de tweede in ouderdom en aanzien, eigende zich de vier denneboomen toe en een mooien rotswand daarachter. Johan Lagerlöf en Otto Hammargren, die buitengewoon goede vrienden en schoolkameraden waren, waren compagnons geworden, en besloten het noordelijk gebied met de uitgedroogde beek en de elzestruiken te kiezen. Ernst Schenson, die maar twaalf jaar was, vergenoegde zich met een knobbelig rotsblok; niemand begreep wat hij daaraan hebben zou. Zijn broer Klaas, die nog maar een kleine jongen was, koos ook een steenblok, maar men hield het er voor, dat hij een beter keus had gedaan dan zijn broer, omdat hij een eenbesstruik, die schaduw gaf, in de buurt had. Hugo Hammargren begeerde voor zich den eenen grooten spar en niemand benijdde hem dien. Herman Milén, die tien jaar was, zocht een grooten, omgevallen den uit, die met zijn wortels omhoog lag en den stam vol kleine takken had. Zijn broertjes Bernhard en Edvin, die tweelingen waren en pas acht jaar oud, hadden bijna niets gekregen, maar ten slotte werd aan ieder een dennestronk toebedeeld.

Adolf Noreen was dien dag niet op Mårbacka geweest, toen de verdeeling plaats had, en er ontstond een groote opschudding, toen hij kwam en zijn aandeel aan den buit begeerde, want nu waren immers alle goede plaatsen bezet. Gelukkig bedacht Theodoor Hammargren hem een terrasje op den bergwand toe te wijzen en daardoor kwamen de gemoederen weer tot rust.

Maar als Anna en Selma gehoopt hadden ook een woonplaats op de ontginning te krijgen, dan werden ze wreed bedrogen. Ze waren immers maar meisjes, en er was zeker niet één van de jongens, die er ook maar even aan dacht, dat ze meê hadden willen doen.

De jongens hadden zoo oneindig veel pleizier op hun ontginning. Theodoor Hammargren verzamelde mos op zijn toren, zoodat hij een gemakkelijke zitplaats kreeg en bouwde een steenen trap, zoodat hij gemakkelijk naar boven en naar beneden kon komen. Daniël Lagerlöf groef den grond af tusschen de dennen en den bergwand, en maakte een kleine salon met steenen banken, die hij met mos bekleedde aan drie zijden, en dat werd de gezelligste inrichting van alle. Johan en Otto bouwden in hun elzenboschje een half-ronde sofa van plaggen. Dat werd ook geprezen als een heel goed geslaagde woning. Ernst Schenson maakte een breede mosbank met een steenblok als rugstuk; maar zijn broer Klaas was een kleine luibuis en ging op den grond onder zijn eenbesstruik liggen, zonder de moeite te nemen steenen en mos bij elkaar te sleepen voor een bank. Hugo Hammargren had een paar planken van de timmerlieden van Luitenant Lagerlöf afgebedeld en spijkerde die bovenaan in den denneboom vast, zoodat hij een uitnemende zitplaats kreeg. Adolf Noreen maakte een bed van mos boven op zijn rotsterrasje en had het daar best, als hij maar eenmaal naar boven was geklauterd. Herman Milén had een grot onder de wortels van den boom uitgegraven, en zelfs de kleine tweelingen hadden wat mos op hun boomstronkjes gelegd.

Maar Anna en Selma,—die hadden immers niets te bouwen en in orde te brengen. Ze liepen beneden in den tuin, heelemaal alleen en verlaten en wisten niet wat ze zouden bedenken om zich meê te vermaken.

De jongens hadden ’t hoe langer hoe prettiger, hoe meer hun samenleving zich ontwikkelde. Ze begonnen al gauw behoefte te voelen aan een geordend bestuur en wetgeving, en zij kozen Theodoor Hammargren als hoogste bestuurder en rechter. Daniël de Lange werd hoofd van het muntwezen en schreef papieren muntjes. Johan werd commissaris van politie en Otto Hammargren burgemeester. En toen ze geld hadden voor hun ondernemingen, begonnen zij steenen en kiezels, mos en steenblokken en grond te koopen en te verkoopen. En enkelen van hen maakten goede zaken en werden rijk, maar Hugo Hammargren en Herman Milén waren echte verspillers en maakten zich buitendien schuldig aan ’t zich toeëigenen van boekweit op andermans grond, zoodat de commissaris van politie hen in arrest moest zetten in de oude smidse, die zoo geschikt bij de hand lag aan den kant van den weg.

Anna en Selma liepen heelemaal alleen beneden in den tuin. En Anna Lagerlöf zei, dat als de jongens haar weer vroegen een bal voor hen te maken, dan zou ze „neen” zeggen, en ze zou hen ook niet meer helpen bij het knakbroodpap koken. En Selma Lagerlöf, die nog maar zeven jaar was, wist niet wat ze zou bedenken om de jongens te ergeren; maar zij zou hun ten minste niet meer toestaan kiezel te rijden in haar wagentje.

’t Leven boven in die kolonie werd zoo spannend, dat alle jongens verzekerden, dat ze nog nooit zooveel pleizier hadden gehad. B.v. ze kwamen gewoonlijk bijeen voor een vergadering om over de aangelegenheden van den staat te overleggen. En ze namen besluiten over het aanleggen van wegen en het bouwen van een groote steenen brug over de sloot, die de kolonie van de buitenwereld scheidde. En ’t werk zou zoo worden uitgevoerd, dat alle jongens boven de twaalf jaar steenhouwers en ontginners zouden worden, maar alle kleintjes moesten kiezel aandragen. Maar later bleek het, dat Herman Milén en Hugo Hammargren niet bij het werk wilden helpen, en daardoor ontstonden ernstige verwikkelingen. Hugo en Herman werden als de onbruikbaren in de maatschappij beschouwd, die zich aan geen wetten of bepalingen stoorden. Ze waren niet eens bang voor de smidse, zoodat men niet wist welke maatregelen men tegen hen nemen moest.

Maar Anna en Selma liepen beneden in den tuin en probeerden zich te vermaken met het schieten met de door de jongens achtergelaten boog en pijlen, en het spelen met hun raketten. En zij zeiden, dat ze ’t precies even prettig vonden als ’t winter was, en alle jongens naar school gingen. En Anna beloofde, dat nooit meer een jongen haar groote pop zou mogen zien, die ze van haar tante had gekregen, en die een el lang was, die kousen en schoenen, een corset en een crinoline droeg, en een eigen bed had met kussens en lakens en een eigen kleerkast met alles wat je maar bedenken kon.

Maar daarboven in de kolonie ontwikkelde zich de samenleving steeds rijker. En op een schoonen dag werd er in de vergadering voorgesteld een restauratie te openen.

’t Voorstel werd aangenomen en het hoofd van het muntwezen, Daniël Lagerlöf, werd als restaurateur aangesteld, omdat hij de ruimste woning had.

Maar de nieuwe restaurateur moet het moeilijk gevonden hebben om aan de eischen van zijn klanten te voldoen, die zelfgebrouwde suikerdranken, boschbessen, onrijpe appels en boekweit verlangden. Op eens herinnerde hij zich, dat hij een paar zusters had.

Hij ging dadelijk naar den tuin en vond ze bij den vijver, waar ze zich vermaakten met spelen met de schuitjes van de jongens, en er over praatten, dat ze nooit meer met één van de jongens zouden spelen, neen, ze zouden zelfs nooit meer naar hen kijken!

„Meisjes, jelui moogt boven komen om kellnerinnen in mijn restauratie te worden,” zei hun broer.

En Anna en Selma lieten de schuitjes zeilen waarheen ze wilden. Ze zeiden er geen woord van, dat ze tot nu toe waren vergeten en aan zich zelf overgelaten. Ze gingen maar gauw mee naar de kolonie van de jongens en waren gelukkig en verrukt.

DE OUDE SOLDAAT.

’t Was een mooie herfstavond, toen Back-Kajsa, die niet meer als kindermeisje op Mårbacka was, maar haar brood met weven verdiende, door het bosch aankwam.

Ze moest naar het hutje boven op de boschvlakte, waar ze geboren was, om er een boodschap voor Luitenant Lagerlöf te doen, en omdat ze nog steeds bijzonder goede vrienden met de kleine Selma Lagerlöf was, had ze haar op dien tocht meêgenomen.

Ze hadden geen haast. Ze aten boschbessen, die langs den weg groeiden, ze bekeken met verwondering de mooie paddenstoelen, en ze plukten hun boezelaars vol met mooi mos, dat ze mee naar huis wilden nemen om er een echte goede tochtlat voor ’t binnenvenster van de kinderkamer van te maken. Back-Kajsa was blij, omdat ze weer in ’t bosch was, waar ze ieder graszoodje en iederen steen kende.

Toen ze eindelijk bij het hek gekomen waren, dat om de plaats liep, waar het hutje stond, en over het brugje zouden loopen, zei Back-Kajsa:

„Denk er om, Selma, dat het niet aangaat over oorlog te praten, zoodat Vader het hoort.”

’t Kleine meisje was daar héél verbaasd over. Ze wist, dat de vader van Back-Kajsa soldaat was geweest, en dat hij bij Leipzig tegen Napoleon had gevochten; maar dat je daar niet met hem over praten kon, had ze zich nooit kunnen voorstellen.

„Waarom mag ik niet met hem over oorlog praten?” vroeg ze.

„Dat moet je nooit doen met iemand, die in een echten oorlog geweest is,” antwoordde Back-Kajsa op onderwijzenden toon.

’t Kleine meisje werd steeds meer verbaasd. Ze dacht aan Fritjof, aan Hjalmar en Hector en alle oude goden en helden, waarover ze in haar sagenboeken had gelezen, en ’t begon in haar hoofd te warrelen.

Intusschen kwamen ze in de hut, en daar zat de vader van Back-Kajsa bij ’t vuur en warmde zijn rug aan den gloed. Hij was een man uit den ouden tijd; dat kon je aan zijn broek zien, die maar tot de knieën reikte; en hij droeg geen laarzen, maar schoenen, hij was lang en mager, en had een grof, gerimpeld gezicht en droeg een buitengewoon vuilen schapenpels; maar eigenlijk zag hij er niet veel belangwekkender uit dan andere oude boeren.

Maar zoolang ze in de hut waren, staarde het kleine meisje onafgebroken den ouden man aan, die niet over oorlog wou hooren spreken. Zelf wist ze niets wat zoo prettig was om over te hooren of te lezen dan verhalen over oorlog. Wat jammer, dat je hem niet mocht vragen naar alles wat hij had beleefd!

Ze durfde niet te praten of te antwoorden, terwijl ze daar zat; ze wist, dat als ze haar mond opendeed, ze zich zou verspreken en iets over oorlog zeggen, en dan zou de oude soldaat haar misschien doodslaan.