Part 8
En toen ze hem daar een poos had zitten aanstaren, begon ze te vinden, dat hij er zoo griezelig uitzag. Het was zoo onbegrijpelijk, dat men niet met hem over oorlog mocht praten. Daar moest iets akeligs achter steken, wat ze niet begreep. Ze voelde, dat die oude daar een gevaarlijk mensch was. Ze wou maar dat ze van hem weg was. Ze had ’t liefst de deur uit willen loopen.
Ze werd àl banger, en toen Back-Kajsa eindelijk klaar was en ze afscheid namen, was het kleine meisje buiten zich zelf van angst voor dien ouden man.
Maar als hij was geweest als andere oude soldaten en gezegd had, dat oorlog het allervoornaamste was in de wereld, en er op had gepocht, dat hij honderden menschen had doodgeslagen en dorpen en steden verbrand, zou ’t kleine meisje heelemaal niet bang voor hem zijn geweest.
HET LAND DER HOPE.
Daar waren Lars van Londen, en Sven van Parijs en Magnus van Weenen en Johan van Praag, en Peter van Berlijn en Olle van Maggebysäter en de stalknecht en de jongen.
En ze waren geen van allen buitenlanders, maar daglooners op Mårbacka. De zaak was namelijk deze, dat Luitenant Lagerlöf er plezier in had gehad zijn dagloonershutten naar de voornaamste steden van Europa te noemen.
Lars van Londen en Magnus van Weenen hadden den heelen dag loopen ploegen op het veld bij de schuur. Sven van Parijs had de koeien gevoerd, en in den tusschentijd op het aardappelveld gewerkt. Johan van Praag had aardappels gerooid, maar Peter van Berlijn had niets gedaan. Hij had pijn in den rug gehad, zoodat hij niet kon werken, en nu was hij op de hoeve gekomen om wat afleiding te hebben. De stalknecht had in den stal gewerkt en de paarden verzorgd en in den tusschentijd brandhout gehakt. De jongen had in ’t aardappelveld gewerkt. Olie van Maggebysäter had heelemaal niet op de hoeve gewerkt, hij was alleen naar Mårbacka gekomen om een schepel rogge te koopen.
’t Was herfst, met wind en regen, maar nu was het avondrusttijd tusschen half vijf en vijf uur, en ze waren in de knechtenkamer. Hun schoenen zaten vol klei, hun kleeren waren vochtig en de mannen waren uit hun humeur.
Zij maakten een turfvuur op den haard aan, en gingen er omheen zitten. Lars van Londen, die de grootste hut had en de flinkste van alle arbeiders was, nam plaats op het hakblok voor ’t vuur en Magnus van Weenen, die een bijna even goed werker was als Lars van Londen, ging naast hem zitten op een schoenmakersdriepoot. Sven van Parijs, die vond, dat hij even goed was als een ander, hoewel hij in den koestal werkte en het vee verzorgde, ging op den haardsteen zitten met den rug naar ’t vuur, zonder er op te letten dat hij den gloed voor de anderen wegnam. Johan van Praag zat op de andere schoenmakerskruk en de oude man van Berlijn zat op een zaagblok wat achter de anderen. De stalknecht zat op den kant van zijn bed met de beenen te slingeren, en de jongen was op de zaagbank gewipt. Olle van Maggebysäter zat heel bij de deur op een ton met roode verf en hield de voeten op den pas gekochten zak met rogge.
Lars van Londen en Magnus van Weenen en Johan van Praag en Sven van Parijs maakten hun boterhamzakjes open en ieder nam zijn stuk zacht roggebrood met een kluitje boter er midden op. Toen haalden ze de messen voor den dag, die in de leeren scheede onder het voorschoot staken, veegden ze aan de broek af, smeerden de boter over ’t brood, sneden den eenen hap na den ander met het mes af en aten op hun gemak. De jongen werd naar de keuken gestuurd om het avondeten voor zich en den knecht te halen. Hij kwam terug met twee sneden roggebrood, twee kluitjes boter en twee stukken magere kaas. Maar Peter van Berlijn, die dien dag niet op de hoeve had gewerkt, had geen brood bij zich en Olle van Maggebysäter, die gekomen was om rogge te koopen, had ook niets, en zij zaten hen, die aten maar aan te kijken. ’t Vuur knetterde en brandde en de warmte begon zich te verspreiden, de vochtige kleeren droogden en de klompen klei vielen van hun zware schoenen.
Toen de boterhammen op waren, namen Lars van Londen en Magnus van Weenen en Sven van Parijs en Johan van Praag en de stalknecht en de jongen, allen als één man kleine rolletjes tabak uit den broekzak. En hier hoefde de oude man van Berlijn niet achter te blijven: ook hij had zijn rolletje en haalde het te voorschijn als de anderen. Alleen de oude Olle van Maggebysäter had niet eens een beetje tabak in den zak.
Weer haalden de anderen de messen te voorschijn, sneden een stuk tabak af, legden het op hun schootsvel en hakten het in kleine stukjes. Toen namen ze hun korte pijpjes, die ook onder ’t schootsvel zaten en stopten die.
Lars van Londen nam een stokje op van den vloer en stak dat in ’t vuur aan. Daardoor had hij vuur voor zijn eigen pijp en gaf later het stokje aan Magnus van Weenen, Magnus van Weenen gaf het aan Sven van Parijs, Sven van Parijs reikte het aan Johan van Praag; die gaf het weer door aan Peter van Berlijn, die achter hem op het zaagblok zat. Peter van Berlijn rekte zich zoover uit, dat hij het door kon geven aan den stalknecht; de stalknecht stak zijn pijp aan en hield het stokje brandend in de hand, tot de jongen naar hem toe kwam om het te halen. Olle van Maggebysäter had natuurlijk geen vuur noodig, omdat hij geen pijp noch tabak had.
De anderen waren nu warm en verzadigd, zoodat de wereld er voor hen beter uit ging zien.
Olle van Maggebysäter was zeventig jaar oud, en hij was misvormd door de jicht, zoodat zijn vingers als ballen waren en zijn hoofd naar den eenen schouder was gebogen. Hij had een krommen rug en zijn oogen waren zwak; zijn eene been was te kort en zijn lichaamskracht klein. Op zijn verstand kon hij ook niet pochen. Hij was leelijk, had geen tanden meer, in ’t laatste half jaar was hij niet gekamd of gewasschen en zijn baard onder de kin zat vol stroo en stokjes.
Hij bezat een klein hutje ver weg in ’t bosch; maar hij was nooit een bekwaam arbeider geweest en had de armoede niet buiten de deur kunnen houden. Hij was altijd ontevreden en knorrig geweest en nooit had hij vrienden gehad.
Terwijl nu de tabaksrook van de anderen de lucht vulde, zei hij—alsof hij in zich zelf sprak:
„Ik heb het mijn heele leven moeilijk en akelig gehad, maar nu heb ik gehoord, dat er een land is, dat Amerika heet. En daar wil ik heen.”
De anderen zaten in behaaglijke gedachten verdiept en antwoordden niet.
Maar Olle van Maggebysäter ging voort:
„Zie je, Amerika—daar is het zoo, dat als je een stok neemt en op een rots slaat, dan komt er brandewijn uit. En dat land wil ik zien vóór ik sterf.”
De anderen zeiden geen woord. Ze zaten stil voor zich uit te kijken en glimlachten.
Maar Olle van Maggebysäter gaf het niet op.
„Niemand zal het lukken me in ellende en verveling hier vast te houden, als ik weet, dat er een land is, waar de bergen vol brandewijn zijn.”
Nog altijd zeiden de anderen niets, maar geen woord, wat Olle zei, ging voor hen verloren.
„En de bladen aan de boomen in dat land, die zijn niet anders dan goud,” zei de oude, ongelukkige stumper. „Daar hoef je geen dagloonerswerk op een hoeve te doen. Je gaat maar naar ’t bosch en plukt een armvol bladen, en dan kun je koopen wat je wilt. En je zult zien, dat ik daarheen trek, zoo oud als ik ben.”
Ze voelden zich steeds behaaglijker—al die mannen in de knechtenkamer. Zij zagen dat land, waar men brandewijn uit de bergen kon tappen en ’t goud van de boomen plukken, voor hun oogen.
Toen luidde de bel, en de avondrust was uit. Ze moesten weer uit in regen en wind. Lars van Londen ging aan ’t ploegen en Magnus van Weenen ging met hem mee voor ’t zelfde werk. Sven van Parijs en Johan van Praag en de jongen moesten aardappels rooien. Peter van Berlijn ging naar huis, de staljongen moest nog hout hakken en Olle van Maggebysäter trok weer ’t bosch in met den zak rogge op den rug.
Maar geen van hen zag er meer knorrig uit, zooals een half uur geleden. Er was een glimp van licht in hun oogen.
Want ze vonden allen, dat het goed was te weten—ja, al lag het ook zoo ver weg, dat ze er nooit zouden kunnen komen,—doch was het goed te weten, dat er een land was, waar brandewijnbergen verrezen waren en waar gouden bosschen groeiden.
DE 17DE AUGUSTUS.
I.
’t Is niet zoo gemakkelijk te verklaren hoe het kwam, dat de zeventiende Augustus, de verjaardag van Luitenant Lagerlöf, zoo’n groote dag werd, als hij eindelijk was. Maar men moet bedenken, dat als er zooveel begaafde menschen op een plaats als Ooster Ämtervik bij elkaar waren, het immers noodig was, dat ze ten minste eens in ’t jaar konden toonen wat ze konden.
Als er b.v. drie sprekers waren als ingenieur Noreen op Herrestad en de man van den rijksdag Nils Andersson van Bävik en koopman Theodoor Nilsson op Visteberg, van wie de eerste aanleg had in de pathetische, en de tweede in de ernstige en de derde in de poëtische richting, dan zou het toch heel jammer zijn, als ze nooit anders zouden optreden dan op kleine feestjes en gemeentevergaderingen.
En als er een dichter was als de koster Melanoz! Hij hoorde elken dag hoe de kleine kinders spelden en stotterden en zich met moeite door het doolhof van de Zweedsche taal heenwerkten. Hij had behoefte om ten minste eens in het jaar die arme mishandelde taal in hooggestemde huldezangen uit te laten klinken.
En als er in de gemeente een kwartet was, bestaande uit zangers als Gustaaf en Jan Asker, uit het oude speelmansgeslacht en de twee gebroeders Alfred en Tage Schullström, die hun winkel bij de kerk hadden! Wel waren de menschen er hun heel dankbaar voor, zoo dikwijls zij zich lieten hooren, maar voor hen zelf was het immers een vreugde en een opwekking om te mogen zingen in een zoo groot en plechtig oogenblik, voor zulke veeleischende en kritische toehoorders.
En de oude Asker, die dansmuziek op bruiloften placht te spelen, waar niemand er om geeft welke geluiden er uit de klarinet komen, als er maar maat en gang in de muziek is,—hij was altijd heel gelukkig, als hij op den 17den Augustus naar Mårbacka mocht komen; want de jonge menschen daar begrepen immers wat zijn kunst waard was en zeiden hem, dat er geen muziek in de wereld was, waar je zoo heerlijk op kon dansen als op de zijne.
En als er een kopersextet was met den inspecteur van Gårdsjö en Tage Schullström en sergeant Johan Dahlgren en een handelsbediende en twee muzikale onderwijzers van de lagere school, en nu die de onkosten hadden gedragen van instrumenten en muziekboeken, en marschen, walzen en ouverturen, en een bloemlezing uit de volksliederen hadden ingestudeerd, dan zou het toch al heel droevig geweest zijn als er niet een buitengewone feestdag was geweest, waar zij het loon van den triomf voor hun moeite hadden kunnen ontvangen.
En als er nu behalve dat alles onder de familieleden, die op Mårbacka vaak ’s zomers als gasten vertoefden, twee zulke grappenmakers waren als de auditor Oriel Afzelius, die met de zuster van Mevrouw Lagerlöf was getrouwd en haar broer Kristofer Wallroth, dan was het immers goed, dat er zoo diep in ’t boerenland een feestdag was, groot genoeg om het voor hen begeerlijk te maken zich te laten hooren.
En als er bovendien onder de gasten zulk een geboren primadonna was als Mevrouw Hedda Hedberg, de mooie, vroolijke Stockholmsche, die zangeres en tooneelspeelster was, en als voor het tooneel geschapen, hoewel ze getrouwd was met een armen luitenant uit Wermeland, dan kan men toch bijna wel zeggen, dat het goed en héél noodig was, dat er den 17den Augustus op Mårbacka een feest werd gevierd, waar haar talent en dat van al die anderen tot hun recht konden komen.
II.
De eerste jaren, dat Luitenant Lagerlöf op Mårbacka woonde, werd de 17de Augustus alleen maar als een gewone verjaardag gevierd, met bloemen op de koffietafel en een versiering van groen aan het kopje van den luitenant. De naaste buren kwamen feliciteeren en zij werden als gewoonlijk op koffie, limonade, punch en toddy getracteerd en bleven meê ’t avondeten om negen uur gebruiken. Zij amuseerden zich met een gezellig praatje en na het avondeten zetten zij gewoonlijk de tafel uit de zaal en deden een dansje.
Maar ’t gerucht moet zeker door de streek zijn gegaan, dat die verjaarfeesten op Mårbacka heel gezellig waren, en daar er nooit uitnoodigingen werden rondgezonden, maar ieder, die komen wilde, welkom was, kwamen er langzamerhand steeds meer menschen.
De families werden ook grooter en zoodra de kinderen konden spreken en loopen, moesten ze meê naar Mårbacka om Luitenant Lagerlöf te feliciteeren. ’t Gebeurde ook vaak, dat de buren, die er altijd bij waren geweest, gasten hadden en die werden natuurlijk ook meêgenomen.
Eenzame, ongetrouwde jonge heeren, die in dien tijd uren ver konden rijden om wat te dansen, begonnen zich aan te wennen Luitenant Lagerlöf den 17den Augustus te gaan feliciteeren en de familieleden, die veraf woonden en in den zomer op Mårbacka kwamen, richtten het langzamerhand zóó in, dat ze daar op zijn verjaardag waren.
En omdat het altijd mooi weer was op den 17den Augustus, zoolang Luitenant Lagerlöf leefde, waren de gasten gewoon als tijdverdrijf rond te gaan om naar zijn gebouwen en tuinaanleg te kijken. Als er veel jongelui waren, begonnen ze al te dansen vóór het souper. Prettig en gezellig hadden ze het wel, maar toch niet beter dan ergens anders.
Maar toen kwam Luitenant Adolf Hedberg en zijn jonge mooie vrouw om de een of andere reden in Ooster Ämtervik wonen. En den volgenden keer, dat Luitenant Lagerlöf zijn verjaardag vierde, gebeurde het, dat midden op het feest een oude boerenvrouw in de keuken kwam met een mand eieren, die ze wou verkoopen. Ze werd dadelijk afgewezen, omdat niemand tijd had eieren te koopen in de drukte van ’t feest, maar zij verloor daarom den moed niet; zij ging met haar mand naar de veranda, waar de luitenant zat met een grooten kring heeren. Zij werd heelemaal niet verlegen in dit groote gezelschap, maar sprak zoo vlug en levendig en hield zóó aan, dat hij haar eieren moest koopen om haar weg te krijgen. En toen zij ’t geld gekregen had en ’t in haar zak had gestoken, wilde ze nog niet heengaan. Nu moest ze weten wie die andere heeren waren en liet zich zeker wat al te ongegeneerd over hun uiterlijk uit. Eindelijk vond de jonge luitenant Hedberg, die ook in den kring zat, dat de scherts wat te ver ging, zoodat hij zijn zwijgenden mond opende en zei:
„’t Is nu ’t beste, dat je hiermeê maar ophoudt, Hedda,” waarop de oude boerin hard wegliep, en hem een flinken duw gaf, terwijl ze uitriep:
„Maar Adolf, hoe kun je nu zoo leelijk doen en zeggen, dat ik het ben!”
En dat was ook zeker jammer, want ze was zoo goed verkleed, en had zoo prachtig Wermelandsch gesproken, dat niemand op de gedachte was gekomen, dat dit de aardige Stockholmsche mevrouw was.
Maar dat grapje had de andere talenten in beweging gebracht en tegen den avond begon Kristofer Wallroth Erik Bögh’s liederen te zingen. Hij had nu juist geen sterke stem, maar hij deed des te meer zijn best op de voordracht, en al zijn toehoorders waren slap van lachen. En op ’t laatst had de auditeur Afzelius een zijden doekje om ’t hoofd geknoopt en een mantille over de schouders gegooid om „Emilies hartklopping” te zingen en te declameeren. En dat werd natuurlijk het glansnummer van den avond, want de auditeur was uitgelaten, als hij de rol van een jong, hartveroverend meisje speelde.
Terwijl dit alles gebeurde, had zeker de koster Melanoz zich er over zitten ergeren, dat het alleen maar zulke stadsmenschen waren, die er slag van hadden aardige dingen voor den luitenant en zijn gasten te doen. Hij vond, dat dit zijn eer te na was.
’t Volgend jaar was hij het, die groote dingen deed. De luitenant had een heeleboel kleine geweertjes, die op Mårbacka gemaakt waren, aan de school van Östanby ten geschenke gegeven, opdat de schoolkinderen zouden leeren exerceeren. Hij had zelfs een ouden sergeant naar de school gezonden om hun de eerste handgrepen te leeren. En dat gaf den koster aanleiding om met al zijn schoolkinderen op den verjaardag van den luitenant naar Mårbacka te marcheeren.
Ze droegen een vlag vooruit, ze sloegen op een trommel en hadden een geweer op schouder. Ze leken wel een heel leger, toen ze in optocht de laan uitkwamen. Er waren zóó veel, dat de stoet van de waranda naar de knechtenkamer reikte, waar de koster, die de aanvoerder van de schare was, hen halt liet houden.
Eerst zei hij er een paar woorden van, dat deze kinderen waren gekomen om Luitenant Lagerlöf te bedanken, omdat hij er aan had gedacht, dat hun lichaam even goed ontwikkeling noodig had als hun ziel. Toen liet hij hen toonen hoe zij konden marcheeren: links om, en rechts om, en de gelederen sluiten en ’t geweer schouderen.
’t Was een prachtige verrassing, die de koster had bedacht. De luitenant was verrukt en de gasten vonden ’t aardig.
Wat de oude huishoudster, en Juffrouw Lovisa en Mevrouw Lagerlöf er van dachten, toen ze midden onder een groot feest moesten zorgen voor koffie en koekjes voor zestig kinderen, kan men zich ook voorstellen. Iederen volgenden 17den Augustus herinnerden ze zich met schrik dien grooten kinderoptocht, en hoopten maar, dat de koster niet weer met zoo’n groote bende aan zou komen.
Dienzelfden dag, dat de koster met de schoolkinderen aankwam, waren de ingenieur Noreen en zijn vrouw ook op de gedachte gekomen, dat het ongeschikt was, dat alleen menschen buiten de gemeente iets aardigs voor den luitenant zouden bedenken op 17 Augustus. Tegen den avond werd het mooie maneschijn en toen trok de ingenieur een kort zwart fluweel manteltje aan en zette een baret met veer op, en Mevrouw Emilie deed een ouderwetsche japon met hooge pofmouwen aan. En toen speelden ze op het pad voor de waranda een paar tooneelen uit Börjessons Erik XIV. Die voorstelling in den maneschijn was mooier dan men zich kan voorstellen, want Erik Noreen had zich zoo heelemaal in de rol van koning Erik ingeleefd, dat men vond, dat ieder woord uit zijn hart kwam, en zijn vrouw was lief en verlegen en een beetje bang, zooals Karin Månsdochter wezen moest.
’t Volgend jaar waren er den 17den Augustus meer menschen dan ooit op Mårbacka. De eene wagen, tandem en kariool, na de andere reed voor. Een zeventig, ja misschien tachtig menschen kwamen binnenkort bijeen. ’t Bleek duidelijk, dat het overal bekend was geworden, dat men op dien dag op Mårbacka allerlei aardige dingen kon zien, die nergens anders te vinden waren.
Maar dien keer was de luitenant erg verlegen, omdat er niets merkwaardigs was om de gasten aan te bieden. Dien dag ging het op Mårbacka toe als op een gewoon feest. De jongeren begonnen vroeg op den middag te dansen, de heeren zaten bij hun toddy, de oudere dames waren in de voorkamer gaan zitten en smulden van bessen en suikergoed. Niemand verveelde zich, want de auditeur Afzelius en proost Hammargren aan den eenen kant en Mevrouw Hedda Hedberg en Mevrouw Nanna Hammargren aan den anderen kant verstonden de kunst een gezelschap te onderhouden. Maar niemand scheen zich op een of ander voorstelling te hebben voorbereid. Niet eens een gewone verjaardagtoast liep van stapel.
De luitenant keek om zich heen naar alle kanten. Nergens merkte hij geheimzinnige gezichten of drukke voorbereidselen.
Toen het begon te schemeren kwamen er massa’s menschen uit den heelen omtrek naar Mårbacka stroomen. Ze stonden in donkere groepen op de breede paden voor het woonhuis te wachten. De luitenant had medelijden met allen, die de moeite hadden genomen, daarheen te gaan. Er was immers niets te zien.
Toen de avondmaaltijd voorbij was, merkte hij toch, dat er een kleine beweging van spanning en verwachting door ’t gezelschap ging.
Men kwam naar hem toe met een leunstoel, versierd met bloemen en verzocht hem daarin plaats te nemen. En nauwelijks zat hij daar of hij werd omhoog getild door sterke armen. Jan Asker hief een marsch aan, de heeren boden de dames den arm, en in een langen stoet gingen zij uit in den nacht. Maar men liep niet lang in het donker. De weg leidde naar den tuin en zoodra men om den hoek van ’t huis kwam, zag men den heelen omtrek vóór zich, door een massa gekleurde lampions verlicht.
De luitenant werd door de verlichte paden tot het kleine park gedragen. ’t Was voor ’t eerst, dat men op Mårbacka zulk een illuminatie had geprobeerd en hij was er heelemaal verbaasd over, zoo mooi als de tuin er uitzag. Was dat hetzelfde veld, waar hij en de oude tuinman nog maar een paar jaar geleden waren rondgegaan en hadden gemeten en bloemperken afgezet?
Van alle kanten hoorde men uitroepen van verrukking. Wat stonden de struiken daar donker en geheimzinnig, wat waren de lanen oneindig lang en hoog onder ’t bladgewelf. Wat glansden de bloemen mooi in dat wisselend licht en hoe hingen niet de bladeren boven in de boomen als kostbare bontgekleurde draperieën!
De optocht hield stil op een van de open plekken in ’t park. De stoel van den luitenant werd neergezet, en zijn verblinde oogen zagen in een grot van bloemen en groen, waar Flora op een voetstuk stond, met een groote groep kleine nimfen om zich heen, en met een prachtige stem een danklied zong voor den schepper van den tuin.
„Ach, ik had wel kunnen weten, Hedda,” riep de luitenant de schoone bloemengodin toe, „ik had wel kunnen weten, dat je me niet vergeten zou!”
III.
’t Is ongeveer vier uur op den middag, den 17den Augustus, en de jongste meisjes op Mårbacka, Selma en Gerda, zijn bezig om zich voor ’t feest te kleeden, als ’t kamermeisje op de zolderkamer binnen komt, waar ze zijn,—want hun eigen kamer hebben ze natuurlijk afgestaan aan de familieleden, die op Mårbacka logeeren.
„Selma en Gerda! Jelui moeten beneden komen om te ontvangen,” roept ze. „Niemand is nog klaar en de eerste rijtuigen komen al de laan afrijden.”
Nu krijgen de kleine meisjes ’t druk; maar tegelijk voelen ze een trilling van geluk. Stel je voor, nu begint het! Stel je voor, nu begint de 17de Augustus!
Ze knoopen hun jurken dicht, steken de broche op den halsdoek en haasten zich naar beneden. Geen van de volwassenen is nog te zien. Niet eens hun oudste zuster kan hen bij ’t ontvangen helpen, omdat ze bezig is met de laatste repetitie van het tooneelstuk voor den avond.
De gasten zitten al op de waranda. ’t Is mijnheer Nilsson van Visteberg, met zijn vrouw en drie, vier kinderen. Zij komen altijd te vroeg op feesten, maar nooit hebben ze zoo’n haast als op den 17den Augustus. En daar verwonderen de kleine meisjes zich heelemaal niet over. Alle menschen moesten immers verlangen naar Mårbacka te komen op zulk een dag.
’t Duurt misschien wat lang voor de gasten en voor hun kleine gastvrouwen, vóór het volgend rijtuig komt en de huisgenooten zich vertoonen. Maar vandaag is het de 17de, vandaag let men op zulke kleinigheden niet.
Zij, die daarna aankomen, wonen ver weg. ’t Zijn dominee Alfred Unger van Wester Ämtervik en zijn familie. Zij komen in een rijtuig met twee paarden en hebben meer dan twee mijl gereden. ’t Rijtuig is vol vrouwen en kinderen; maar dominee Unger zit zelf op den bok, want hij is een echte paardenliefhebber.
Luitenant Lagerlöf is eindelijk klaar en komt juist naar buiten op de veranda, als dominee Unger de plaats oprijdt.
„Maar lieve hemel, Alfred,” roept hij hem toe. „Wat heb je met je paarden uitgevoerd? Zij lijken op elkaar als twee eieren.”
„Houd je stil, en verraad geen geheimen op je verjaardag,” roept dominee Unger terug.
Zie, de zaak is deze: dat hij twee mooie rijpaarden heeft, die precies op elkaar zouden lijken, als niet de een een bles op ’t voorhoofd had. Maar de dominee heeft bedacht een paar stukken wit leer in ’t hoofdtuig te zetten, waar de riemen elkaar kruisen over ’t voorhoofd van de paarden, zoodat niemand vermoeden kan, dat de paarden niet precies gelijk zijn.
Men zou dat heelemaal niet vermoed hebben, maar dominee Unger was zóó trotsch op zijn bedenksel, dat hij het links en rechts verteld had, en zoo had de luitenant het gehoord.