Mårbacka

Part 6

Chapter 64,260 wordsPublic domain

Hij had zijn ontslag uit den dienst genomen, alleen omdat hij een reprimande van zijn chef had gekregen om een klein verzuim. Dat was overijld geweest, maar daar treurde hij niet om. Maar wat hem ergerde was, dat hij geen officier van administratie geworden was, toen zijn vader stierf. Dat werk was tusschen vier klerken verdeeld. Een van die betrekkingen had hij gekregen, maar dat was een onbeduidend werk en een onbeduidend honorarium.

Toen had hij de rivier willen uitdiepen. En dat was hem ook mislukt.

Halfweg tusschen Mårbacka en Gårdsjö lag de bron van Ås, een oude badplaats, die hij had ondernomen te moderniseeren, hij had er een nieuw badhuis gebouwd, badmannen en badvrouwen aangesteld en had gehoopt, dat de zieken in menigte daarheen zouden stroomen, maar ook dàt was mislukt. Een en ander zieke stakker kwam wel; maar ’t was niet de moeite waard het badhuis open te houden.

En nu was die groote bouwerij ook weer mislukt. Er moest iets aan hem niet in orde zijn. Hij was zeker minder flink dan anderen. ’t Was maar ’t best, dat hij zich stil hield, zijn plannen opgaf, in zijn schommelstoel ging zitten, zijn courant las en alles liet gaan, zooals het ging.

Toen hij eindelijk thuiskwam, zat zijn vrouw op een van de treden van de trap van ’t balkon op hem te wachten.

Zij leek op haar broer op Gårdsjö. Ze had hetzelfde verstandige gezicht, ’tzelfde heldere hoofd, ’tzelfde eerlijke karakter, dezelfde liefde voor den arbeid, dezelfde onverschilligheid voor genoegens en denzelfden tegenzin tegen al wat onzeker en avontuurlijk was.

De luitenant hield van haar en had bovendien de grootste achting voor haar evenals voor zijn zwager. Maar dezen avond had hij liever gezien, dat zij hem niet had zitten opwachten. Zij werkte hem immers tegen in deze zaak en was het met haar broer eens.

„Wat zei Kalle?” vroeg Mevrouw Lagerlöf toen zij de slaapkamer binnengingen.

„Hij vond, dat ik ’t werk op moest geven, net als jij en alle andere menschen,” antwoordde de luitenant.

Mevrouw Lagerlöf zweeg. Ze was op haar gewone plaats bij haar naaitafeltje gaan zitten en keek naar buiten in den lichten zomernacht, zonder er aan te denken zich uit te kleeden.

De luitenant had zijn jas al uitgegooid.

„Moet je niet naar bed?” vroeg hij. En aan zijn nerveusen toon kon ze hooren hoe gedrukt en geïrriteerd hij was.

„Ik vind,” zei zijn vrouw en zag voor zich uit in den nacht, terwijl ze zacht en eentonig sprak, „dat je hem af moet maken.”

„Wat zeg je?” vroeg de luitenant ongeduldig. Hij had wel gehoord wat ze zei, maar hij kon niet anders denken, dan dat hij ’t verkeerd had verstaan.

„Ik vind,” zei ze weer, „dat je hem af moet bouwen.”

„Spreek je van den koestal?” zei de luitenant, en kwam op haar toe. Haar woorden hadden wat hoop bij hem gewekt, maar hij wist niet of hij haar goed begreep.

Maar Mevrouw Lagerlöf had den heelen avond over deze vraag zitten denken. Ze had bij zich zelf gezegd, dat het niet aanging, dat haar man weer in een onderneming te kort zou schieten. Dat zou niet goed voor hem zijn. ’t Was misschien verstandiger met dit werk op te houden, maar hij zou het zich al te veel aantrekken. Dat konden haar broer en haar vader niet begrijpen, maar zij, zijn vrouw, zij wist het.

Te zien wat er omging in de harten van hen, die ze liefhad was voor Mevrouw Lagerlöf even gemakkelijk als in een boek te lezen, maar haar gedachten uit te spreken in oogenblikken van ontroering, dat was haar even onmogelijk als hebreeuwsch te vertalen.

„Ik ben het niet met Kalle eens,” zei ze, en toen zweeg ze.

„Maar wat wil je dan? Waar praat je over?” zei de luitenant, en hij beefde bijna van ongeduld. Hij durfde nog niet te gelooven, dat zij van gedachten was veranderd en nu aan zijn zij stond.

Toen ze nu hoorde en zag hoe bewogen hij was, deed zij haar uiterste best om te maken, dat hij haar begrijpen zou.

„Ik ben ’t niet met Kalle eens,” zei ze. „Ik vind, dat je den koestal af moet bouwen en dat hij staan moet, waar jij hem wilt hebben. En ik vind, dat we een hypotheek op de hoeve moeten nemen, en zooveel geld opnemen, zoodat we ons kunnen redden zonder Vader om meer geld te vragen.”

Nu eindelijk begreep de luitenant alles. En ’t werd licht in zijn hart. Zie, nu zijn vrouw ’t met hem eens was, waren er immers geen moeilijkheden meer. Nu lagen de fundamenten en de muren zouden verrijzen.

„God zegen je hiervoor, Louise,” zei hij.

Na dit besluit was het, alsof ze zich met nieuwe teerheid bij elkaar aansloten. En in alles, wat het bouwen van den stal betrof, werd sinds dien tijd zijn vrouw geraadpleegd. En toen de deuren eindelijk opengingen, toen de koeien plechtig één voor één werden binnengeleid en vastgebonden, toen de kippen en de ganzen, de kalkoenen en eenden naar hun hokken en de kalveren in hun stallen werden gebracht, toen het licht naar binnen scheen door hooge vensters, en zij zelf in schoone, mooie gangen konden loopen, toen voelden zij, dat er een goed werk was gedaan en zij verheugden er zich in, dat zij beiden er hun deel in hadden gehad.

DE TUIN.

Juffrouw Lovisa had haar broer den luitenant lief en bewonderde hem; maar ze kon toch onmogelijk begrijpen, waarom hij zooveel veranderde en zooveel nieuwigheden invoerde. Ze vond, dat Mårbacka blijven moest, zooals het was in den tijd van haar vader en moeder.

En wat haar ’t allermeest tegenstond was, dat hij een tuin wilde aanleggen aan alle zijden van het woonhuis.

Ze was heel bezorgd geweest, toen hij den Ämtan wou uitgraven, en ze was blij, toen het hem niet gelukte. ’t Was immers zoo mooi, als ze buiten haar oevers trad en er op ’t veld een menigte glanzende meertjes kwamen.

En ze klaagde luid, toen haar broer de oude bloeiende velden wegnam. ’t Was immers zoo’n lust voor de oogen, als de eene wei wit was van groote madelieven, en de ander paars van viooltjes en een derde geel van boterbloemen.

En ’t was echt een ongeluk, dat de koeien niet meer in ’t bosch mochten grazen. Want dat wisten toch alle menschen, dat men nooit zulke dikke room en zulke gele boter kreeg, als de koeien op de wei moesten grazen, dan wanneer ze ’t bosch ingingen.

In den tijd van haar vader, en zeker ook honderd jaren daarvoor, was het gewoonte geweest het jonge hout te hakken en het op het veld te laten liggen om het daar later te verbranden, zoodra het droog genoeg was. Dan zaaide men het eerste jaar rogge in de asch en later groeide er een massa wilde aardbeien en frambozen op zulk een afgebrand veld.

En Juffrouw Lovisa was natuurlijk slecht te spreken, toen ze merkte, dat haar broeder dat gekapte hout niet meer verbrandde: „Let op mijn woorden,” zei ze tegen hem. „Nu zullen de boschbessen wel gauw verdwijnen. Waar moeten die groeien, als ’t bosch niet wordt afgebrand? Stel je voor, dat alle menschen deden als jij,” ging ze voort. „Dan zouden we ’s zomers avonds nooit meer buiten kunnen zitten en naar de mooie vuurtjes kijken rondom het bosch.”

En met den nieuwen stal was ze ook niet blij. Ze had er nu wel niet veel verstand van, zei ze, maar ze had gehoord, dat het vee nooit goed kon tieren in een steenen stal. En dan was ze ook vreeselijk bang, dat haar broer al zijn geld verliezen zou met die bouwerij.

Maar toen de luitenant klaar was met zijn nieuwen stal en de oude was afgebroken, en toen hij over den nieuwen tuin begon te spreken, dien hij nu zou aanleggen, maakte dit Juffrouw Lovisa heelemaal van streek.

„Ik hoop, dat je weet, wat je doet,” zei ze. „Een groote tuin vereischt veel zorg, zoo dat je er wel op rekenen moet, dat je een tuinman hebben moet. Ik vind ten minste, dat het beter is geen tuin te hebben dan een, die vuil en verwaarloosd is.”

De luitenant liet haar waarschuwingen ’t eene oor in- en ’t andere uitgaan. Toen de herfst kwam nam hij eerst alle witte hekken weg, die er nog stonden van uit den tijd van dominee Wennervik. Hij sloopte ze allemaal: de hekken, die den groententuin omheinden en den rozentuin, en die om de plaats vóór en de plaats achter de hoeve stonden.

„Ja, nu is hier alle gezelligheid weg,” zei Juffrouw Lovisa. „Denk eens aan hoe veilig je je voelde binnen die hekken! En denkt eens hoe prettig ’t voor de kinderen was om hard naar buiten te loopen en ’t hek open te doen, als er visite kwam.”

„’t Was niet zoo prettig voor iemand, die al die hekken en palen moest onderhouden,” zei Luitenant Lagerlöf.

Hij ging voort, zooals hij begonnen was. Toen de hekken weg waren, liet hij den ouden groententuin en ’t rozentuintje, en de vastgetrapte plaatsen, en den grond, waarop de oude stal had gestaan, en ook dien waar de kalven op werden gezet, die meer naar ’t zuiden lag, omploegen, opdat de grond open zou liggen en bruikbaar zijn, als in ’t volgend voorjaar de tuin zou worden aangelegd.

„’t Is toch niet waar, dat je den groententuin verleggen wilt?” zei Juffrouw Lovisa. „Ik weet er wel niet veel van, maar ik heb toch gehoord, dat je alleen pleizier van de appelboomen hebt als je er soepgroenten omheen plant. Maar als je er gras onder laat groeien, kun je naar je vruchten fluiten!”

„Maar lieve Lovisa,” zei de luitenant. „Ik dacht, dat je blij zou zijn, als je een mooien tuin kreeg.”

„Blij?” zei Juffrouw Lovisa. „Moet ik blij zijn, omdat je al het oude vernielt? Straks herken je ’t heele Mårbacka niet meer.”

De luitenant vond, dat zijn zuster dezen keer buitengewoon dwaas was, en dat verwonderde hem te meer, omdat ze altijd van bloemen gehouden en alle planten in huis verzorgd had. Maar hij wilde haar in dezen tijd geen onvriendelijk woord zeggen, omdat haar verloving kort geleden verbroken was, en zij haar verdriet nog niet te boven was gekomen. Zij liep den heelen dag heen en weer in haar kamer en hij hoorde haar onrustige voetstappen in de zaal, als hij daar zat te lezen. Hij begreep, dat ze zoo knorrig was, omdat ze zich zelf niet meester was. En hij vond bijna, dat het een goed teeken was, dat ze zich voor iets anders interesseerde dan voor haar eigen verdriet, ’t was beter, dat ze den aanleg van zijn tuin afkeurde, dan dat ze er over bleef tobben, of ze haar verloving te vroeg had verbroken, of dat haar verloofde haar moede was geworden, omdat ze boschbessentakken in de bruidskroon van Kajsa Nilsdochter had gevlochten.

In dien tijd was er in ’t Frijksdal een oude tuinman, die in zijn jonge jaren op verscheiden groote plaatsen den tuin had onderhouden. Nu op zijn ouden dag had hij eigenlijk opgehouden voor anderen te werken; maar hij ging door voor een waar orakel in de tuinbouwkunst, en zoodra er sprake was van het aanleggen van een tuin, riep men zijn hulp in.

De luitenant had hem gevraagd naar Mårbacka te komen en in ’t voorjaar, zoodra de vorst uit den grond was, vertoonde de oude man zich daar met zijn teekeningen en plannen, hij kreeg een groot leger werkers onder zich. Een stapel struiken en boomen, die bij de tuinbouwvereeniging te Götaborg waren besteld, waren al aangekomen en ’t gewichtige werk begon.

Toen ’t veld eerst geëffend was, gingen de tuinman en de luitenant den heelen dag rond om stokken in den grond te steken om de zandpaden en grasvelden af te bakenen.

De tuinman verklaarde den luitenant, dat men niet meer gewoon was den strengen Franschen stijl te volgen. Nu moesten alle paden slingerend zijn en de bedden en grasvelden afgerond in fraaie en vlugge vormen. En wat hij nu op Mårbacka zou doen, noemde hij: Engelsche stijl. Maar de luitenant verdacht er hem van, dat die stijl zijn eigen was en heelemaal niet buitenlandsch.

Midden op de hoeve legden ze een groot rond grasveld en daarin zetten ze aan den eenen kant een groote struikengroep in den vorm van een ei, en aan den anderen kant ook een groote struikengroep, maar in den vorm van een horen van overvloed. Juist in ’t midden van ’t ronde veld plantten zij een treuresch en aan den kant van de waranda maakten zij een bloembed in den vorm van een ster en zetten als wacht daarom heen vier provincierozestruiken elk op een klein rond plekje.

Op de oude zandvlakte vlak voor de keukenvensters zetten ze een grooten driehoek af, dien ze met rozestruiken uit het oude rozentuintje vulden. Ja, rozen konden ze nooit genoeg hebben! Langs de voorzij van het woonhuis zetten zij een haag van lage trosrozen, en twee witte doornrozen kregen een eereplaats: één voor het venster van de slaapkamer en één voor dat van de voorkamer.

De luitenant had zóó’n pleizier in het werk, dat hij den heelen dag met den tuinman meeging, en Mevrouw Lagerlöf sloop menig maal van haar naaitafel weg om naar buiten te gaan en naar den aanleg te kijken. Maar Juffrouw Lovisa kwam niet uit haar kamer. Dit vroolijke lentewerk verergerde haar gedruktheid. Ze had liever de oude vastgetrapte plaats op de hoeve met een enkele kleine rij sneeuwbessenstruiken voor den aardappelkelder willen behouden. Al dat nieuwe was onnoodig.

Ze wist wel, dat het er niets toe deed, wat zij vond of zei; maar vroeger had men toch ook wel op Mårbacka kunnen leven. Dat nieuwe gedoe gaf maar kosten en groote moeilijkheden.

Maar ’t werk ging voort, niettegenstaande haar protesten. Langs den stal zette de tuinman een seringenhaag, langs den vleugel van ’t gebouw een spireahaag en aan den west-, oost- en noordkant van ’t woonhuis weer een seringenhaag. Daarna begonnen de luitenant en de tuinman aan den ouden tuin van Wennervik. De goede appelboomen lieten zij staan; maar ’t veld daaronder werd op de Engelsche manier van den ouden man met slingerpaden en grasveldjes van allerlei verschillende vormen aangelegd. En met veel kunst en overleg werd elk grasveld met langwerpige en driehoekige bloembedden versierd, die met allerlei gewassen werden beplant. Daar bloeiden paarse irissen met een rand gele sleutelbloemen afgezet, goudachtig roode keizerlelies kregen een rand van donkerblauwe hysop en om de roode afrikaantjes slingerde zich een krans van lichte bellis.

De bloembedden werden om het woonhuis bijeen gelegd. Verder in den tuin, aan den noord- en zuidkant, werd plaats gemaakt voor kruisbessen en druiven, voor aardbeienvelden, voor pruimen, peren en een massa kerseboomen. Maar ’t meest naar ’t zuiden, heel afgelegen en heel goed verborgen, lag de groententuin.

’t Verste achteruit naar ’t noorden, stond weer een klein boschje met dunne, dicht opeengedrongen berken in ’t midden, en meidoorn en lijsterbessen aan den kant. Die betrok de oude tuinman in zijn aanleg om op die manier ten minste een aanloopje tot een park te hebben. Hij doorsneed het boschje met ontelbare, kunstig slingerende paadjes en op drie plaatsen rooide hij alle boomen om plaats te krijgen voor banken en tafels. Het eerste open plekje was langwerpig met sofa’s aan alle zijden. Daar moest de huismoeder haar gasten ontvangen en daarom heette dat: de theekamer. ’t Andere was vierkant, met vier sofa’s om een ronde tafel. Dat was voor den eigenaar en zijn bezoekers bestemd en dat noemde de oude man schertsend: de toddykamer. Het derde was niet goed gemeubileerd; men vond er één enkele smalle bank. Dat was het eigendom van de kinderen en zou de kinderkamer heeten.

Maar die heele planterij liet Juffrouw Lovisa koud, ja, men kan bijna zeggen, dat ze dat heele gedoe haatte en verachtte. Ze had nog geen voet in den nieuwen tuin gezet.

Al gauw kwam een licht groen waas over de grasvelden, de pas geplante struiken sproten uit met enkele fijne, aarzelende blaadjes, de verschillende gewassen worstelden zich op uit de aarde in de bloembedden; van de eiken en kastanjes en hooge populieren, die op den grond van den ouden stal waren gezet, begonnen de knoppen te zwellen en ze toonden, dat ze leefden.

Maar midden onder dat vlijtig werken stootte men op een groote moeilijkheid. De oude tuinman moest een paar dagen naar huis om zijn eigen tuin te verzorgen. En dat zou van geen beteekenis zijn geweest, als hij maar geen bak had aangelegd op Mårbacka, om wat asters en violieren voor de perken op de grasvelden te trekken.

„Wie zal op den bak passen, terwijl ik weg ben?” vroeg de oude man. „U weet wel, dat de bak voortdurend verzorging noodig heeft.”

„Dat zal ik zelf doen,” zei de luitenant, want hij voelde zich bij dit werk als een halve tuinman, en hij liet zich door den oude wijzen hoe hij moest luchten en gieten.

Maar op den dag, dat de tuinman vertrokken was, werd het heldere, felle zonneschijn, en midden op den morgen kwam de luitenant heel onrustig ’t huis in en vroeg naar Mevrouw Lagerlöf.

Zij was niet te vinden, en toen stoof hij de kamer achter de keuken binnen bij Juffrouw Lovisa.

„Je moet me even helpen met den bak, Lovisa,” zei hij.

Op ’t zelfde oogenblik dacht hij er aan, dat Juffrouw Lovisa niet naar zijn tuin wou omzien en zich om ’t werk daar niet bekommerde. Nu ja—nu had hij ’t gezegd en ze kon niet meer doen dan weigeren.

Maar ze stond dadelijk vol ijver op en ging met hem meê. Ze had nauwelijks even in den bak gekeken, waar de plantjes slap en verdord neêrhingen, of ze riep uit:

„Er is veel te felle zon; we moeten ze beschutten.”

Toen zorgde ze voor bescherming tegen de zon en redde ze.

Den volgenden dag moest de luitenant op reis om een examen af te nemen, en toen hij goed en wel op weg was, kwam hem de bak in de gedachten. ’t Was dezelfde stekende zon als den vorigen dag. Nu zouden de plantjes wel verbrand zijn.

Zoodra hij thuis kwam, liep hij naar den bak. Daar was alles, zooals ’t wezen moest. De plantjes stonden frisch en rechtop.

Hij was verbaasd en werd nadenkend. Zijn zuster had dus aan die stakkertjes gedacht, die hij vergeten had. Hij besloot dadelijk, dat hij zou vergeten te gieten en den bak ’s avonds te sluiten.

Lang nadat ze ’t avondeten hadden gebruikt, stond hij heel verschrikt op:

„Ik vergeet aldoor dien bak,” zei hij, „die had zeker al lang gesloten moeten zijn.”

Juffrouw Lovisa zei niets, maar liet hem naar buiten gaan om naar den bak te zien. Maar toen de luitenant daar kwam vond hij de ramen gesloten en de matten er op gelegd.

Den volgenden dag zag de luitenant niet naar den bak om, hij had hem heelemaal vergeten. Maar de plantjes leden er niet onder. Juffrouw Lovisa wiedde en hield ze schoon, ze begoot en luchtte ze.

’t Was heel wonderlijk, dat iedereen, behalve zij, dien bak vergat. Niemand sprak er over of keek er naar om. Als zij er niet geweest was, zou alles, wat daar geplant was, dood zijn geweest.

Zij verlangde er natuurlijk naar, dat de oude tuinman terugkwam, om van dat werk af te komen, maar zoolang hij weg was, moest ze het wel voortzetten.

Intusschen duurde het langer dan men eerst dacht, vóór de oude man terugkwam, en de plantjes groeiden te hard. Er was niets anders aan te doen—Juffrouw Lovisa moest ze op de bedden uitplanten.

En toen ze zooveel had gedaan, kon ze niet anders dan doorgaan met wieden en gieten, den heelen zomer door, tot de violieren en petunias, en asters en leeuwenbekjes in vollen bloei stonden.

Maar toen de zorgvuldig aangelegde ster voor de stoep van Mårbacka in volle kleurenpracht stond, was op een wonderlijke manier de felste smart uit Juffrouw Lovisa’s zieke hart verdwenen. ’t Was gekomen door de plantjes, die haar de zorgen, die ze hun had gewijd, vergolden hadden. Ze hadden haar nieuwe belangstelling en een nieuw arbeidsveld gegeven.

En Luitenant Lagerlöf had nooit een tuinman op Mårbacka noodig. Juffrouw Lovisa had den familietrek van de oude Wennerviks geërfd, en zij nam de zorg voor den tuin op zich. De bloemen werden haar vertrouwde vrienden. Zij hadden haar lief zooals zij hen. De menschen verbaasden er zich over, hoe zij ze kon laten bloeien en prijken, zooals nergens anders. Ze wisten niet, dat zij kleuren en schoonheid kregen door haar vervlogen liefde-droom.

DE REIS NAAR DEN BLOKSBERG.

In Grootmoeder’s tijd was er een oude vrouw op Mårbacka. Ze sliep gewoonlijk in de keuken in den winter, maar ze vond misschien, dat het er vol genoeg was met de huishoudster en de vijf meisjes, zoodat ze naar den zolder van de schuur verhuisde en daar sliep, zoodra het zomer werd.

Daar had ze een slaapplaats, een prachtig ledikant gevonden. Ze maakte haar bed op in een oude afgedankte ijzersleê, zulk een sleê, waarin men vroeger jaren lang ruw ijzer (gietijzer) meê haalde voor de fabriek te Kymsberg, van de ijzerhutten in Bergslagen.

Daar sliep ze goed en rustig, weken lang; maar op een nacht gebeurde het, dat ze wakker werd, doordat de sleê zich bewoog. Ze ging overeind zitten en keek rond. Maar ze lag immers niet in de schuur, die er nu is, maar in de oude, die in den tijd van de predikanten was gebouwd en daar waren alleen maar een paar nauwe kijkgaten op den zolder. Buiten was het een lichte zomernacht; maar de arme vrouw lag bijna in volmaakte duisternis en kon niets onderscheiden.

Ze meende, dat ze ’t maar gedroomd had, en ging weer liggen. Alles was stil om haar heen, en ’t duurde niet lang of ze sliep weer in.

Maar was dat niet wonderlijk? Nauwelijks was ’t haar gelukt in te slapen, of ze werd weer wakker, doordat de sleê zich bewoog. En nu kreeg die niet alleen een schok, maar ze begon zich over den vloer voort te bewegen. De sleê gleed heel zacht en voorzichtig voort, maar dat er leven in zat—daar kon ze zich niet in vergissen.

De oude vrouw ging overeind zitten en hield zich met beide handen aan de kanten van de sleê vast. De haren gingen op haar hoofd overeind staan en haar onderkaak beefde.

„Barmhartige God,” jammerde zij. „Barmhartige God! hij kruipt, hij kruipt!”

Hoe in den wereld zat dit toch? Misschien was het wel zoo, dat zoo’n oude sleê, die met ijzerladingen tusschen Kymsberg en de Bergslagen heen en weer had gereden, den eenen winter na den ander, ’s nachts geen rust kon krijgen, maar nu en dan wat beweging nemen moest.

„Barmhartige God,” jammerde de oude vrouw. „Barmhartige God!”

Maar het hielp niet of ze Gods naam al aanriep. De sleê werd er niet kalmer door; die vervolgde haar weg door de heele lange schuurgang. ’t Was immers zomer en er was bijna geen hooi binnen, zoodat niets haar in den weg lag.

Eindelijk stootte ze tegen een muur en stond plotseling stil.

Hier zou ze toch wel blijven staan. Neen, dat deed ze toch niet. Toen ze een paar oogenblikken had uitgeblazen, begon ze zich weer terug te trekken naar den hoek, waar ze eerst stond.

De oude vrouw zei later, dat als ze niet juist op dat oogenblik er achter was gekomen wat de sleê bezielde, ze krankzinnig geworden zou zijn.

’t Waren niet de oude reizen in de Bergslagen die in de sleê spookten; maar er was absoluut zeker een, die haar had „gezalfd”.

Er was een of ander heks op de hoeve of in de streek—maar een naam wilde ze niet noemen, zelfs niet denken,—die op de gedachte was gekomen, dat ze haar reis naar den Blocksberg beter en gemakkelijker kon doen in deze sleê hier, dan op een bezemstok of een huisdeur.

Die leelijke heks wist zeker niet, dat de oude vrouw ’s nachts in die sleê sliep. Ja, hoe dat alles was toegegaan, kon ze zoo gauw niet uitdenken; maar ’t was zeker, dat de sleê uit wou, en op reis gaan. En nu nam die haar, de oude vrouw, meê naar den Blocksberg, in plaats van de heks.

Barmhartige God! Als nu niet de muur van de schuur daar had gestaan, dan was ze al op weg geweest over de weiden en naar beneden, op de kerk aan.

De sleê trok zich steeds terug, maar ze begreep wel, dat het alleen was om een nieuwen aanloop te nemen, zoodat ze uitbreken kon. Als die maar op een of andere manier door den muur kon komen, zou de tocht hoog over boomtoppen en bergvlakten gaan. Ze zou hoog over spiegelblanke meren zweven zonder eenigen angst om er in te vallen, en om de kerktorens zou ze heendraaien als een kraai. Ze zou om de Groote Kil en de Grav-gemeente heen vliegen; maar waar ze eindelijk te land zou komen... daar wilde ze niet aan denken.

Barmhartige God, nu vloog de sleê weer vooruit. Ja, die sleê zou wel kunnen vliegen, als ze maar eerst in de lucht kwam. Die stoof op den wand af met zoo’n vaart, dat ze er zeker van was, dat die zou moeten wijken. Ze ging in de sleê liggen, opdat ze niet midden door geschrapt zou worden, als ze door ’t gat in den muur vloog.