Mårbacka

Part 5

Chapter 54,264 wordsPublic domain

Ze begreep dadelijk, dat ze aan de verkeerde la was. De bruidstooi lag immers in de la aan den linkerkant, daarnaast. Maar ze bleef toch een oogenblik staan en keek in die lade. Het sneed haar door de ziel, dat haar arme tante de dingen, die daar lagen, niet had mogen gebruiken. Ze wist, dat zij jaren lang getreurd had, zonder zich te willen laten troosten. Men was bang geweest, dat ze krankzinnig zou worden.

Een oude herinnering kwam bij haar op. In den tijd, dat haar tante ’t meest bedroefd en ongelukkig was geweest, was zij op een dag in haar kamer gekomen. Daar had Tante gezeten met een berg boschbessentakken voor zich en was bezig er een kroon van te maken.

Op dat oogenblik was Mevrouw Lagerlöf binnengekomen.

„Maar Lovisa, wat doe je daar?” had ze gevraagd en ze had er heel verschrikt uitgezien.

„Ik dacht...” zei Juffrouw Lovisa, „als ik tevreden was met een kroon van boschbessengroen... Ja—dat is immers dom...” Ze stond heftig op en schoof de kroon en de boschbessentakken weg.

„Ik weet immers wel, dat het voorbij is”, zei ze, begon de kamer op en neer te loopen, en wrong de handen. „Er is niets meer aan te doen.”

„Lieve Lovisa,” zei Mevrouw Lagerlöf, „het kwam immers door de ziekte.”

Maar Juffrouw Lovisa bleef in groote angst en onrust heen en weer loopen.

„Als ik maar geen boschbessentakken in de bruidskroon van Kajsa Nilsdochter had gestoken,” zei ze.

„Neen, dat mag je niet denken, Lovisa,” begon Mevrouw Lagerlöf. Maar op ’t zelfde oogenblik zag ze het kind, dat daar met wijd opengesperde oogen stond.

„Ga naar de groote kamer, Selma,” zei ze, „Tante Lovisa heeft verdriet, en dan mogen jelui, kinders, niet hier komen en haar storen.”

DE ZEVENTIEN KATTEN.

In de laatste jaren, dat Grootvader op Mårbacka was, hadden zij daar een stalmeid, die Britta Lambert heette. Ze was klein en leelijk, haar gezicht was bruin als leer, en ze had maar één oog. Ze was zuur en verbitterd, als ze onder menschen was, maar ze was een prachtige stalmeid, die het vee liefhad. Als ze verwachtte, dat een koe in den nacht zou kalven, maakte zij een bed op in den koestal en sliep daar. Elken dag warmde ze water in ’t brouwhuis en sleepte dat in groote kuipen naar den koestal om de koeien warm eten te geven, en als het hooi op raakte op den hooizolder, zoo tegen ’t midden van April en de koeien op roggestroo moesten knabbelen, was ze niet te goed om in den paardenstal te sluipen en hooi van de paarden te stelen.

De koestal, waar zij alles bestuurde was oud en zoo donker, dat men er bijna geen hand voor oogen kon zien, als men binnen kwam. De gangen waren smal en er waren veel kuilen in den vloer; de koeien stonden er in kleine nauwe hokjes en Britta Lambert had er niet veel slag van ze schoon te houden. Maar alles ging altijd uitstekend in den koestal. Er was nooit sprake van, dat een koe te veel zou eten of iets verkeerds zou binnen krijgen, of dat het met het kalven verkeerd zou gaan. Er was melk genoeg en kalven waren er in overvloed; over den koestal hoefde de huismoeder op Mårbacka nooit bezorgd te zijn.

Toch was er een diersoort, waar Britta Lambert nog meer van hield dan van koeien, en dat waren katten. ’t Was alsof ze meende, dat die een soort macht hadden om haar en het vee te beschermen, en ’t ergste, wat men haar kon vragen, was nu en dan een jong katje te verdrinken, opdat ze niet eindelijk meer katten dan koeien te verzorgen zou krijgen. Wie in den koestal kwam, zag van alle kanten de groene kattenoogen vonkelen. De katten sprongen hem over de voeten en sommigen namen een aanloop en sprongen hem op den schouder, want dat had Britta Lambert hun aangewend.

Toen Luitenant Lagerlöf het bestuur over Mårbacka van zijn vader overnam, waren er niet minder dan zeventien katten in den stal. Alle waren rood-gestreept; geen enkele was wit of zwart of grijs; want Britta Lambert meende, dat alleen de rood-gestreepte geluk aanbrachten.

Nu hield de luitenant zeker veel van dieren, en hij had niets tegen katten, maar zeventien stuks in den stal herbergen en voeden,—dàt vond hij toch àl te dwaas. Ze dronken immers zóóveel melk, dat het voor drie kalveren genoeg zou zijn, en wel was het waar, dat ze orde hielden onder ratten en waterratten; maar ze hadden ook zoo geweldig jacht gehouden op de vogels, dat er bijna geen musch meer over was op Mårbacka.

Intusschen is het niet prettig om zich van katten te moeten ontdoen, en om Britta Lambert of de andere vrouwen op de hoeve niet te verontrusten, zei de luitenant geen woord tegen haar van zijn plannen, hij gaf alleen kleinen Bengt, den ouden stalknecht, die nog op de hoeve woonde en hier en daar nog wat kleine werkjes deed, een wenk.

Van dien dag af begonnen de stalkatten op een wonderlijke manier te verdwijnen, niet op eens; maar zoo langzamerhand.

Britta Lambert meende op te merken, dat de eene na de andere, waar ze ’t meest van hield, zich niet meer vertoonde, maar ’t was niet zoo gemakkelijk het met zekerheid te zeggen, want de katten leken zoo op elkaar in vorm en kleur. Ze probeerde ze te tellen, als ze melk kwamen drinken, maar dat was ook niet zoo gemakkelijk. Ze verdrongen elkaar om den melkbak en dan was ’t ook bijna pikdonker in den stal.

Ze klaagde haar nood aan de oude huishoudster en aan de jonge mevrouw.

„Zie je, ik ben maar zoo bang, als de roode katten weggaan, dat het dan uit is met ’t geluk in den stal,” zei ze. „’t Is geen goede manier van besturen, als je ondankbaar ben tegenover hen, die je tot nu toe geholpen hebben.”

Maar Mevrouw Lagerlöf en de huishoudster bezworen, dat zij geen booze plannen tegen haar katten gesmeed hadden. Ze dachten wel, dat zij ze alle zeventien gauw terug zou hebben.

Maar het kon haar niet ontgaan, dat er al minder en minder katten waren. Ze verdacht nu de een, dan de ander; maar niemand wilde schuld bekennen. De eenige, dien ze nooit van iets zóó zondigs kon verdenken, als de katten kwaad te willen doen, dàt was de luitenant. Ze was er zeker van, dat de oude mevrouw hem wel beter had geleerd.

„Dat gaat nooit goed, luitenant,” zei ze, telkens als hij in den stal kwam. „De katten loopen weg. U weet niet hoe bezorgd ik ben!”

„Mij dunkt, ze springen me over de voeten, zooals altijd,” zei de luitenant.

„Als er nog dertien over zijn, is ’t al veel,” zei het stalmeisje. „Ik zou niet graag in de schoenen staan van wie dat doet. En ’t ergste is, dat het op de hoeve neer zal komen.”

Ja, nu was Luitenant Lagerlöf in die dagen een jong, krachtig man en een vlijtig landheer. Hij had groote plannen met Mårbacka. Wel was de hoeve niet bijzonder groot, maar de grond was goed, dat wist hij. En de akkers breidden zich dicht aanéén uit, effen en vrij van steenen. Aan hem zou ’t niet liggen, als zijn hoeve niet een van de beste in ’t Fryksdal werd.

Geld had hij om te gebruiken, want zijn schoonvader, patroon Wallroth in Filipstad, was een vermogend man. Hij vond het prettig, dat zijn schoonzoon ondernemend en flink was, en gaf hem allen steun, dien hij noodig had.

De luitenant gaf zich dus alle moeite om de hoeve voor wisselbouw in te richten. Hij groef diepe greppels en zaaide klaver en thimoty in de weiden, opdat er niet alleen veldbloemen zouden groeien. Hij kocht een dorschmachine, zoodat de knechts niet den heelen winter op den dorschvloer hoefden te slaan. Hij kocht ook volwassen vee van de heerenhoeven op Näs en liet de koeien niet in ’t bosch gaan en zoowat honger lijden van de lente tot den herfst, maar zond ze naar ’t open veld op de wei.

Alles wat hij maar bedenken kon om de hoeve vooruit te brengen, pakte hij aan. Hij voerde lange onderhandelingen met de boeren aan den westkant van het dal om grond van hen te koopen en zijn bezittingen af te ronden. Hij bouwde en zorgde voor zijn arbeiders, zoodat ze behoorlijke woningen kregen met een schuur en een stuk grond, waarop ze een koe en een varken konden houden.

Zijn werk was ook niet te vergeefs. Binnen weinig jaren gaf de hoeve alles terug, wat hij er in gestoken had. Al gauw wist hij niet waar hij ’s winters zijn hooi bergen moest. Als hij erwten kweekte, kreeg hij twintig ton terug voor de eene, die hij had uitgezaaid, en als hij rapen pootte, kwamen ze op met zoo’n overvloed, dat hij ze met zijn eigen menschen niet oogsten kon, maar een boodschap naar de buren moest zenden of ze met paard en kar naar Mårbacka wilden komen en zooveel rapen meênemen, als ze maar uit den grond konden halen.

Maar er was één ding, dat hem leelijk in den weg zat, bij zijn plannen om de hoeve te verbeteren. Dat was het riviertje Ämtan, dat in alle mogelijke mooie bochten en slingers door het dal liep, waar hij zijn weiden had. Gewoonlijk was het niet grooter dan een boschbeekje, maar zoodra er een flinke regenbui kwam, trad het buiten zijn oevers en maakte zijn klaverbedden en haverveldjes tot kleine heldere meertjes.

De luitenant had geen rust voor hij aan dat riviertje beginnen kon. En voor zoover het door zijn land liep, groef hij het om, zoodat het een rechte en diepe bedding kreeg om door te stroomen. Maar daar had hij niet veel pleizier van. De boeren, die het land onder Mårbacka bezaten, lieten de rivier in zijn oude slingerende en ondiepe bedding blijven, waar ’t water zich bijna niet roeren kon, en zoodra het flink regende, kwam het water boven de oevers bij hen èn bij hem.

Hij kon dit niet langer uithouden. Wat was daar nu aan: in den grond te werken, als ’t water elk oogenblik zijn hooihoopen en roggeschooven meespoelen kon? Hij kon onmogelijk zijn hoeve vooruitbrengen zooals hij wilde, vóór hij die rivier de baas was.

Hij sprak er over met zijn buren en zij schenen niet ongenegen de rivier behoorlijk te laten uitbaggeren. Een landmeter werd geroepen, die teekeningen maakte en de kosten berekende en toen alles klaar was en goed voorbereid, werden allen, die iets met de zaak te maken hadden voor een vergadering op het gemeentehuis bijeengeroepen.

Er waren niet weinig bezwaren en moeilijkheden, die overwonnen hadden moeten worden, eer men zoover gekomen was, en dien morgen toen de luitenant naar die bijeenkomst zou gaan, was hij heel blij, want nu dacht hij, dat het zwaarste werk gedaan was.

Maar toen hij in zijn wagentje zou stappen, bleek het, dat een van de roode stalkatten midden op de zitbank zat en hem vlak in ’t gezicht staarde.

Nu, dat was niet zoo vreemd, want alle stalkatten wilden graag meêrijden. Britta Lambert placht ze in den kruiwagen te zetten en ze rond te rijden, van dat ze heel klein waren af, en zoo waren de roode katten even verzot op rijden, als de kinderen, en sprongen in alle werkwagens. Maar in de rijtuigen van de familie waagden ze zich gewoonlijk niet.

„Ah zoo, wil je meê naar de vergadering,” zei de luitenant tegen de kat en zette haar uit den wagen. Die verwaardigde zich ook heen te gaan, maar eerst zond zij den luitenant een blik, zóó sluw en onheilspellend, dat het hem waarlijk onaangenaam aandeed.

Voor de luitenant op den weg kwam, moest hij drie hekken door en dien morgen zat er een rood gestreepte kat op elken hekpaal. Dat was ook niet zoo vreemd, want de katten zaten graag op de hekpalen om zich in de zon te koesteren en op alles te letten, wat zich beneden op het veld bewoog. Zij zagen hem onheilspellend en spottend aan, alsof ze, beter dan hij, wisten hoe zijn reis zou afloopen. Hij begon bijna te gelooven, dat Britta Lambert gelijk had, en dat ze duiveltjes of kabouters waren in kattengedaante.

Nu is het immers geen goed teeken om zooveel katten tegen te komen, als men op reis gaat, maar de luitenant spuwde drie keer op den grond bij iedere kat, zooals zijn moeder hem had geleerd, en dacht niet verder aan hen, terwijl hij voortreed. Hij dacht nog eens over zijn plannen van ’t uitbaggeren, en bereidde zich voor om de zaak duidelijk en overtuigend uit te leggen.

Maar hij dacht onwillekeurig aan de katten, toen hij de kamer binnentrad. Want daar kwam hem een atmosfeer van angst en voorzichtigheid te gemoet. Alle boeren zaten daar met onbeweeglijke, als ’t ware met gesloten gezichten.

Hij begon te vermoeden, dat zij spijt hadden. En dat was ook zoo.

Zij stemden tegen al zijn voorstellen.

„We begrijpen wel, dat dit baggeren goed voor Mårbacka zou zijn,” zeiden ze. „Maar voor ons blijft het ’t zelfde.”

Een ander antwoord kon hij niet uit hen krijgen.

Toen hij van de vergadering thuis kwam was hij heelemaal moedeloos. Nú was die zaak voor langen tijd van de baan. De rivier zou kwaad blijven doen. Als er een vreemde kudde op zijn akker kwam, kon hij die wegdrijven; maar de rivier zou ongestoord blijven verwoesten en bederven.

Toen hij een poos over zijn vervlogen hoop had zitten nadenken, stond hij op en ging naar de knechtenkamer, naar kleinen Bengt.

„’t Ging niet,—dat met de rivier, Bengt,” zei hij.

„Dat is toch vervelend, luitenant,” zei de oude man. „Uw vader zei altijd, dat de hoeve tweemaal zooveel waard zou worden als je die rivier maar weg kon krijgen.”

„Luister eens, Bengt,” zei de luitenant, en sprak heel zacht, „nu zijn er zeker niet meer zooveel katten in den koestal. ’t Is misschien ’t best Britta de katten, die er nu zijn, maar te laten houden.”

„Ja, zooals u wilt, luitenant,” zei kleine Bengt.

De luitenant zei nog zachter, alsof hij bang was, dat de oude wanden van de knechtenkamer zouden hooren wat hij zei:

„Waar verdronk je ze gewoonlijk Bengt?”

„Ik ging met hen naar de rivier,” zei kleine Bengt. „Ik was bang, dat ze boven zouden komen en gezien worden als ik ze in den vijver verdronk.”

„Ja zoo, in de rivier,” zei de luitenant. „Dat dacht ik wel.” Hij stond lang in gedachten. „Er is toch veel vreemds in de wereld,” barstte hij uit.

„Ja, dat is er zeker, luitenant,” zei de oude man.

Zoolang hij leefde, moest Luitenant Lagerlöf verdragen, dat de rivier vrij spel had op zijn mooie akkers. Jaar na jaar zag hij, hoe ze buiten haar oevers trad en een rij van kleine meertjes maakte op Mårbacka en door ’t heele dal.

En telkens als hij ’t zag, sprak hij over de roode katten, die op de hekpalen hadden gezeten, toen hij naar de vergadering reed. Zou het mogelijk zijn, dat zij wisten, dat het hem dien morgen zou tegenloopen? En was het waar, dat hij, die zich aan katten vergrijpt, gestraft wordt? Hij kon niet laten daarover te denken heel zijn leven lang.

DE NIEUWE KOESTAL.

Niet alleen wilde Luitenant Lagerlöf Mårbacka tot een vruchtbare en wel onderhouden hoeve maken. Hij wilde ook, dat het een mooie en deftige plaats zou worden met groote tuinen aan alle zijden van het woonhuis.

Maar nu lag de oude leelijke koestal met zijn ingezonken stroodak, zijn kleine vensters en zijn grauwe houten wanden aan de overzij van de plaats, vlak over de woning. Daar stond een rij van honderdjarige ahornen met gele, korte stammen en rijk loof buiten den stal en bedekte dien voor ’t oog, zoodat de hoeve er toch niet zoo leelijk van werd, maar de luitenant vond, dat hij Mårbacka nooit het aanzien van een heerenhoeve kon geven, als die koestal niet weg kwam.

’t Eerste jaar, dat hij op Mårbacka woonde, had hij intusschen de handen vol met den akkerbouw, en ’t was eerst na de reis naar Strömstad, en nadat de oude Mevrouw Lagerlöf overleden was, dat hij aan ’t bouwen van een nieuwen koestal begon, want die moest er immers zijn vóór hij den oude kon afbreken.

Om nu den nieuwen koestal zoo min mogelijk in ’t gezicht te hebben van uit het groote gebouw, besloot hij, dat die op den vlakken akker zou komen vlak onder tegen den zandheuvel, waarop alle andere gebouwen van Mårbacka stonden. Alle vrouwen op de hoeve werden wanhopig, toen zij daarover hoorden spreken. Denk eens aan hoe ver dat zou zijn om naar de koeien in den stal te gaan zien, en wat een last ’t wezen zou voor de stalmeid en haar kameraad, om drie keer per dag de melk den steilen heuvel op naar de melkkamer te dragen! Maar daar wilde Luitenant Lagerlöf niets van hooren. Hij was van plan alle gebouwen, en de melkkamer ook, naar de vlakte te verzetten, en als alles daar bij elkaar stond zou ’t oneindig gemakkelijker zijn voor de menschen en ook voor de dieren.

Maar hoewel de koestal daar in een verborgen hoekje zou staan, zou hij toch mooier gebouwd worden dan eenige koestal in de heele streek. Hij zou in den vorm van een kruis worden opgetrokken, met tegels bemetseld worden tot aan den dakrand en er zou plaats zijn voor minstens vijftig koeien. Alleen een gewelfd dak ontbrak er aan om hem op een kerk te doen lijken.

De luitenant sprak met zijn schoonvader over zijn bouwplannen, en patroon Wallroth had genoeg van den ouden stal gezien om te begrijpen, dat er een nieuwe komen moest. Hij gaf hem dus een aanzienlijke som geld om voor te bouwen, en toen begon de luitenant aan ’t voorbereidend werk. Een paar winters liet hij steenen houwen in de Åsberger steengroeve, die voor de fondamenten moesten dienen. Een paar zomers had hij een steenbakkershut bij den eendenvijver op Mårbacka, waar de steenen gebakken werden, die later in de zon lagen te drogen tot ze vast en hard waren; een paar jaar in den herfst zond hij menschen uit, die hout hakten in zijn eigen bosch, zoodat hij behoorlijke dakbalken en leggers kon laten maken.

Eindelijk was hij zoover gekomen, dat hij de plaats kon afbakenen en de fondamenten laten uitgraven. ’t Was een plechtig oogenblik voor hem, toen de grondwerkers de spa in den grond staken om de bovenste aardlaag weg te nemen.

Men begon met het uitgraven en leggen van de fondamenten aan de oostzij, die het dichtst bij de hoeve lag. Daar ging alles goed. De grond was vast en de steenen bleven liggen, waar ze gelegd werden.

Maar toen de fondamenten aan den langen kant in ’t oosten en aan den westergevel klaar waren, begon men aan den langen kant in ’t westen, die op de akkers beneden uitzag. En nu kwam de groote teleurstelling. Zoodra de bovenste aardlaag was weggenomen, stootte men op losse en zachte blauwe klei. Daar bleven de steenen niet op liggen, maar ze zonken er in weg en verdwenen.

’t Was wel een groote fout, dat de luitenant ook niet op die plaats den grond had laten onderzoeken, vóór hij begon te bouwen; maar nu de fondamenten voor de eene zij al gelegd waren, vond hij dat hij voort moest bouwen op de eenmaal afgebakende plaats. Een oude grondwerker raadde hem ’t gebouw hooger op den heuvel te leggen, want de blauwe klei was niet gemakkelijk om meê te doen te hebben; maar daar wilde hij niet van hooren. ’t Zou toch wel lukken om ook in de blauwe klei fondamenten te leggen. Die moest toch ook wel een bodem hebben, en steenen om die meê op te vullen had men volop. Zij hadden den heelen Åsberg om steenen uit te halen.

Hij liet de eene lading steenen na de andere in de klei leggen, al gauw had hij een breeden steenen dam, die vast en stil lag en wel voldoende moest zijn om er de fondamenten op te leggen. Maar toen kwamen er een paar geweldige regenbuien, en dadelijk vertoonden zich kloven in den steenen dam. Den volgenden morgen begon die te zinken en in een paar uur was hij heelemaal verdwenen.

Nu raadden de grondwerkers en andere menschen den luitenant om den koestal op een andere plaats te bouwen; maar hij wilde niet toegeven. Hij had zooveel werk op deze plaats laten doen, en dat moest allemaal worden overgedaan, als ’t gebouw verzet zou moeten worden. En behalve dat, wilde hij ook, dat de koestal daar zou liggen, waar hij het bepaald had. Hij kon zich geen andere plaats denken, waar hij beter verborgen en toch in de buurt zou liggen.

Maar nu moest hij ook den heelen zomer voortgaan met steenen in de blauwe klei te leggen, en toen de herfst kwam was men nog niet zeker, dat de fondamenten zouden houden, maar er werd besloten, dat het opmetselen zou worden uitgesteld, tot het volgend jaar, zoodat men zien kon, hoe de klei zich zou houden, als ’t voorjaar kwam en de vorst uit den grond was.

Zoodra de sneeuw van ’t veld begon te verdwijnen, ging Luitenant Lagerlöf naar de bouwplaats om naar zijn muur te zien. Nog stond die vast en zonder barsten; maar de echte lentedooi was ook nog niet begonnen.

Elken dag, en dikwijls op één dag ging hij daarheen. Nog altijd stond de muur. Eindelijk scheen de groote dooi voorbij. De fondamenten stonden nog op dezelfde plaats, en hij waagde het een boodschap naar den metselaar en zijn knechts te zenden met het bericht, dat zij aan het werk konden gaan.

Zij kwamen en begonnen de muren aan den oostkant en den noordkant op te trekken, opdat de onzekere grond aan den westkant nog wat langer tijd zou hebben zich te zetten.

Tegen ’t midden van den zomer begonnen zij aan de gevaarlijke zij te metselen, en alles scheen goed te gaan. Zij kwamen tot aan den muurkrans in ’t midden van Juli; want metselaars zijn voortvarende menschen; maar toen merkten ze een paar barsten in den muur. En opeens begon alles te zakken. Ze moesten in groote haast verscheidene steenlagen van ’t metselwerk afbreken, vóór ’t zakken ophield.

Nu begon het er werkelijk leelijk uit te zien voor Luitenant Lagerlöf. Hij wist niet wat hij nu doen moest.

Om dien tijd toen het metselen gestaakt moest worden, was juist de som op, die hij van zijn schoonvader voor ’t bouwen van den koestal had gekregen. Maar patroon Wallroth was een royaal èn een verstandig man. Had de luitenant hem voor een paar dagen geschreven en hem uitgelegd, waarom ’t gebouw duurder was geworden, dan hij berekend had, en had hij hulp gevraagd om het af te kunnen maken, dan zou hij die zeker gekregen hebben. Maar nu, na die nieuwe verzakking, aarzelde de luitenant te schrijven. Hij moest immers bekennen, dat hij nog niet aan ’t dak of den vloer—ja, niet eens aan de muren toe was, maar dat hij met nieuwe fondamenten moest beginnen.

Zijn schoonvader moest wel denken, dat hij zijn werk heel slecht had gedaan. Hij zou hem niet meer vertrouwen.

De luitenant had bijna ’t meeste lust ’t heele bouwplan op te geven. Maar dat stuitte hem ook tegen de borst. Al zijn plannen vielen in duigen. En de oude stal was bovendien heelemaal onbruikbaar.

Hij had immers ’t heele gebouw al lang op een andere plaats moeten brengen; maar om dat nu te doen, nu de muren half klaar waren.... ’t Was de vraag wat het meest zou kosten, op een nieuwe plek te beginnen of op de oude voort te gaan.

Er is in Ooster Ämtervik een kleine fabriek, Gårdsjö, die maar een halve mijl van Mårbacka ligt. Daar woonde in dien tijd een broer van Mevrouw Lagerlöf, Karl Wallroth, een verstandig en voorzichtig man, waar de luitenant meer vertrouwen in stelde dan in iemand anders. Naar hem ging hij om zijn nood te klagen en om raad te vragen.

Karl Wallroth raadde hem ten sterkste aan ’t heele plan op te geven. „’t Is niet verstandig om Vader weer geld hiervoor te vragen,” zei hij. „Hij wil immers graag helpen, maar hij wil, dat het geld goed gebruikt zal worden. En geld op te nemen om je stal klaar te krijgen, zou ik je niet raden. Je weet immers niet hoe dikwijls je nog weer van voren of aan met metselen zult moeten beginnen. Zoo kun je wel doodarm worden.”

Na dit gesprek bleef de luitenant den heelen avond op Gårdsjö, bij zijn zwager en schoonzuster. Er was geen sprake van, dat hij naar huis mocht gaan vóór het avondeten. Hij probeerde te zijn als altijd en hen op te vroolijken met opgewekte gesprekken, maar hij voelde zich alsof zijn ziel verlamd was. Hij begreep, dat zijn zwager gelijk had, en hij was niet boos op hem, maar het was zulk een drukkende nederlaag voor zijn zelfrespect, dat hij een begonnen stal niet zou kunnen afmaken.

Op weg naar huis kwamen sombere en zonderlinge gedachten bij hem op. Hij vroeg zich af of hij een van die menschen was, wien alles tegenliep bij wat ze ondernamen.

Er was wel een tijd, dat hij meende, dat hij een echte geluksvogel was. Dat was toen hij zijn vrouw had gewonnen en Mårbacka had overgenomen; maar sinds dien tijd had hij veel tegenspoed ondervonden.