Part 2
’t Was nu een jaar geleden, dat het been van het kleine meisje ziek geworden was en zij kon er nog altijd niet op staan. Nu was het de bedoeling een ernstige poging te doen voor haar herstel, door met haar naar de Westkust te gaan. Zij was de eenige zieke in ’t reisgezelschap, maar een zomer baden te nemen kon voor allen goed zijn.
Zij zelf had haar heele ziekte vergeten, toen zij daar op den bok zat. Zij dacht aan niets anders, dan dat zij met Back-Kajsa samen wegreed en dat het kleintje thuis bleef. En nu verwachtte ze, dat die gelukkige dagen uit het verleden, die ze nooit vergeten had, weer terug zouden komen.
Ze drukte zich dicht tegen Back-Kajsa aan, sloeg de armen om haar hals en vroeg haar telkens of ze er niet blij om was, dat zij beiden nu ongestoord samen zouden zijn.
Back-Kajsa antwoordde niet; maar daar lette ze niet op: Back-Kajsa zei nooit heel veel.
De groote weg naar Karlstad was dien tijd, juist als nu bijzonder rijk aan heuvels. Daar was de hoekige Bäviksheuvel en de Gunnar stadsheuvel, die een halve mijl lang was en de heuvel naar den Sundgårdsberg, die ontzettend steil was en daar was de Kleva, die de gevaarlijkste van allen was, omdat die aan een afgrond lag; die was zóó hoog, dat ’t was alsof men tusschen hemel en aarde reed. Luitenant Lagerlöf had drie paarden voor den wagen laten zetten, opdat de tocht gemakkelijker zou gaan; maar aan dezen maatregel waren de koetsier noch de paarden gewend.
Als iets nog de vreugde van ’t kleine meisje, omdat ze Back-Kajsa nu heelemaal alleen had, kon verhoogen, dan was het wel, dat ze met haar op den bok mocht zitten, en naar de drie onstuimige paarden kijken, die den zwaren wagen als speelgoed voorttrokken en zoo snel een hoek omsloegen, dat het rijtuig op twee wielen stond. ’t Ging telkens weer anders; nu eens stonden de paarden met stijve pooten en gleden op de gewrichten aan de achterpooten den heuvel af, dan weer, als de helling al te steil was, moest Magnus opstaan en de zweep fel over de paarden leggen om er hen toe te brengen hard te loopen, zoodat ze den hoogen wagen niet over zich heen zouden krijgen.
Midden op zulk een heerlijke helling wendde het kleine meisje zich weer tot het kindermeisje: „Ben je niet blij, dat je met mij alleen ben, Back-Kajsa? Ben je niet blij, dat het kleintje niet meeging?”
Ook nu kwam er geen antwoord, en toen ze verwonderd omkeek, zoodat ze het kindermeisje kon aanzien, zag ze dat Back-Kajsa met strakke oogen zat te staren, vaalbleek, de lippen op elkaar gedrukt en zich stijf aan den bok vasthield.
„Ben je niet blij, Back-Kajsa?” zei het meisje. Maar ze zag op ’t zelfde oogenblik, dat Back-Kajsa heelemaal niet blij was; en dat was voor haar zoo’n teleurstelling, dat ze bijna begon te schreien.
Maar nu antwoordde Back-Kajsa eindelijk.
„Stil, Selma. Je moet niet praten, als je midden in zoo’n gevaar bent. Nooit heb ik iets ergers beleefd; en als ’t niet om jou was zou ik al lang uitgestapt zijn.”
’t Kleine meisje bleef stil over dit antwoord nadenken. Zij was nooit bang, als ze bij Back-Kajsa was. Ze vond, dat Back-Kajsa ook niet bang moest wezen, als ze bij haar was. ’t Was mooi van haar, dat ze niet uitstapte en naar huis ging; maar ’t zou nog mooier zijn geweest, als ze zóó blij geweest was, dat ze geen angst voelde.
IN DE HUT OP DE UDDEHOLM.
De bewoners van Mårbacka waren nog altijd op reis. Maar nu zaten zij niet langer in de groote koets, maar waren aan boord van een mooie stoomboot, die de Uddeholm heette.
Ze hadden den heelen dag in Karlstad doorgebracht met bezoeken aan familieleden en ’t doen van inkoopen; en tegen den avond waren ze de stad uitgereden en hadden lang staan wachten op een langen steiger, die recht in het groote Weenermeer uitliep. En Back-Kajsa was dadelijk bang geworden, omdat het meer aan den eenen kant in ’t geheel geen strand had, zoodat het haar toescheen, dat daar het eind van de wereld was.
Wonderlijk was ’t geweest om te zien voor haar en de anderen hoe de mooie witte boot juist uit dat strandlooze gedeelte was komen opduiken en naar den steiger was gevaren om hen aan boord te nemen.
Back-Kajsa was meêgegaan, toen zij zag, dat de luitenant en zijn vrouw en Juffrouw Lovisa, en Johan en Anna zonder de minste aarzeling over de loopplank aan boord gingen. Ze geloofde wel, dat Luitenant Lagerlöf zooveel geweten bezat, dat hij niet met opzet zijn kleine kinders aan doodsgevaar zou blootstellen; maar hoe ’t gaan moest, als zij aan ’t eind van de wereld kwamen, dat begreep zij ten minste niet.
Ze had graag op ’t dek willen blijven, om te zien of ’t water recht naar beneden in een afgrond stortte, of waar het heen liep.
Maar zoodra het begon donker te worden, werden alle vrouwen en kinderen verzocht naar beneden, onder het dek te gaan. Ze werden in een vertrek gebracht, dat een hut werd genoemd en dat het kleinste kamertje was, dat ze ooit gezien hadden; en daar begonnen ze zich voor den nacht gereed te maken.
Op een smalle sofa, die den heelen langen wand innam, lag Mevrouw Lagerlöf—heelemaal gekleed—en vlak over haar op een zelfde soort sofa lag Juffrouw Lovisa. Boven Mevrouw Lagerlöf lag Johan op een soort plankje, en op precies zoo’n plankje lag Anna boven Juffrouw Lovisa. Op den vloer tusschen de sofa’s in lag Back-Kajsa op een deken met het zieke meisje naast zich, en daarmeê was het heele kamertje vol, zoodat er niet het kleinste plekje meer over was om te zitten, te liggen, of zelfs maar te loopen.
’t Licht was uitgegaan; allen hadden goeden nacht gezegd en zich neergelegd om te slapen. Een heele poos was het doodstil en rustig geweest. Maar zoo langzamerhand begon de vloer, waar Back-Kajsa en ’t kind lagen, op een wonderlijke manier op en neer te gaan, en ’t kleintje rolde als een bal eerst naar de sofa van Mevrouw Lagerlöf en dan weer terug naar Back-Kajsa. Dat was alleen maar grappig en ’t hinderde ’t kleine meisje heelemaal niet. Ze kon alleen niet begrijpen, waarom de vloer zich niet stil hield.
Na een poosje hoorde ze, dat haar mama en tante Lovisa met elkaar begonnen te fluisteren.
„Ik heb zeker te veel van dien vetten zalm gegeten bij de Sjösteds,” zei Mevrouw Lagerlöf.
„Ik vond, dat ze een heel verkeerd maal hadden gekozen. Ze wisten toch, dat we over ’t Weenermeer moesten,” zei Juffrouw Lovisa.
„Ja, dat Weenermeer is niet zoo best,” zei Mevrouw Lagerlöf met een zucht.
Ook Back-Kajsa begon te fluisteren.
„Zeg u eens, Mevrouw,” vroeg ze, „zijn we nu daar gekomen, waar het meer ophoudt, en ’t water in den afgrond valt?”
„Lieve mensch! ’t meer houdt den heelen nacht niet op,” antwoordde Mevrouw Lagerlöf, die niet begreep wat ze bedoelde.
’t Werd weer stil; maar niet rustig. De vloer ging op en neer en ’t kleine meisje rolde steeds heel genoeglijk heen en weer.
Nu streek Mevrouw Lagerlöf een zwavelstok aan en stak licht aan.
„Ik moet eens zien of de kinderen wel op die plankjes kunnen blijven liggen,” zei ze.
„Goddank, dat je licht maakte,” zei Tante Lovisa. „Er is immers geen denken aan slapen.”
„Voelen Mevrouw en Juffrouw Lovisa niet, dat we al verder en verder naar beneden gaan?” jammerde Back-Kajsa. „Och, hoe komen we ooit weer uit die diepte, hoe komen we ooit weer thuis!”
„Wat bedoelt ze toch?” vroeg Juffrouw Lovisa haar schoonzuster.
„Ze zegt, dat we aan de uiterste grens gekomen zijn,” antwoordde Mevrouw Lagerlöf, die er even weinig van begreep.
Weer lagen ze stil, ieder in zijn eigen gedachten verdiept. ’t Kleine meisje had een gevoel, dat ze bang waren. Zelf had ze het uitstekend. ’t Was alsof ze in een groote wieg lag.
Maar nu was er iemand bij de deur. Een rood gordijn werd op zij geschoven, en Luitenant Lagerlöf stond lachend in de open deur en keek in de hut.
„Hoe is het, Gustaaf? Komt er storm?” vroeg Mevrouw Lagerlöf snel.
„Zoo! zijn jelui wakker?” zei Luitenant Lagerlöf. „Ja, ’t waait een beetje,” gaf hij geruststellend toe. „De kapitein vond, dat ik eens naar beneden moest gaan en zeggen, dat het niet erger zal worden dan nu.”
„Wat ga je doen?” vroeg Tante Lovisa. „Ga je niet liggen?”
„Waar vind je, dat ik moest gaan liggen, lieve Lovisa?” vroeg Luitenant Lagerlöf.
En er was zooiets trouwhartigs en oerkomieks over hem, zooals hij daar stond rond te zien naar een ligplaats in die overvolle hut, dat ze allen begonnen te lachen. Mevrouw Lagerlöf en Juffrouw Lovisa, die zoo pas nog angstig en een beetje zeeziek waren, gingen overeind zitten om beter te kunnen lachen, Johan en Anna lachten daar boven op hun plankjes, zoodat ze er bijna afrolden; Back-Kajsa vergat, dat ze gauw bij die gevaarlijke plek zouden komen, waar ’t meer ophield, en lachte meê en ’t kleintje naast haar schaterde het uit.
Luitenant Lagerlöf schaterde zelden, maar hij stond heel vergenoegd in de deur. Verder kon hij immers niet komen.
„Nu, ik zie, dat jelui ’t nog al goed hebben,” zei hij, toen ze wat tot rust waren gekomen.
„Ik ga maar weer naar boven, een praatje met den kapitein maken.”
Toen zei hij goeden nacht, en ging heen.
In de hut deden angst en gevoelens van zeeziekte weer hun intocht en Mevrouw Lagerlöf deed weer vergeefsche pogingen om Back-Kajsa gerust te stellen, die steeds verwachtte bij den afgrond te zullen komen. Maar het kleine meisje moet ingeslapen zijn, want ze herinnerde zich niets meer, van wat er dien nacht verder gebeurde.
’T GRAUWE EILAND.
Ze hadden geen zorgen voor ’t middagmaal, toen ze in Strömstad waren, ze konden maar naar de markt gaan en koopen wat ze noodig hadden. Zij hoefden niet ongerust te zijn of het gras voor de koeien wel goed was of over de haver, die niet groeien wilde. Ze leefden tusschen kale rotsen en water en hadden vergeten, dat er akkers en weiden in de wereld waren. Ze hoefden niet in de warme keuken te staan om een feestmaal voor gasten te bereiden, die van verre kwamen, of zich het hoofd te breken met de vraag hoe ze met logeerkamers en beddegoed zouden toekomen. Of ’t vee ziek was, of de huishoudster met de dienstmeisjes kibbelde—zij wisten er niets van. Zij trokken vrij en frank rond en mochten voor hun gezondheid zorgen en zonder angst of bekommeringen voor hun genoegen leven.
Nooit hadden zij zulke goede dagen gehad. Mevrouw Lagerlöf, die wat mager en uitgeteerd in Strömstad was gekomen, werd gevulder en kreeg meer kleur. Zij zag er opeens tien jaar jonger uit en zoo voelde zij zich ook. Juffrouw Lovisa, die dik en zwaar was en zoo verlegen, dat zij liever haar mond niet open deed, waar vreemden bij waren, werd magerder, zag er aantrekkelijker uit en werd gemakkelijker in den omgang.
Johan en Anna kregen veel vriendjes onder de kleine kinders in Strömstad en Johan was zóó verrukt over het krabben visschen, en Anna was er zoo gelukkig meê, dat ze vriendschap gesloten had met een paar kleine meisjes, die dochters van den koekenbakker waren en vaak op ulevellen tracteerden, dat zij verklaarden, dat ze heelemaal niet naar huis wilden.
Wat het kleine, zieke meisje betrof, kon men niet merken, dat zij beter en sterker werd, maar dat trok zij zich in ’t geheel niet aan; ze was even gelukkig als alle anderen. Zij had het volkomen naar haar zin. Back-Kajsa en zij waren weer onafscheidelijk. Zij mocht over haar den baas spelen en werd door haar verwend, zooals in de eerste onvergetelijke dagen van haar ziekte.
Maar wie het ’t allerbeste had—dat was toch Luitenant Lagerlöf. Wel kreeg hij de eerste week veel strenge blikken en onvriendelijke antwoorden, als hij met iedereen, die hij tegenkwam, begon te praten, juist zooals hij op den weg in de buurt van Mårbacka deed. Maar hij liet zich niet afschrikken. Het was zijn eer te na, dat hij geen goede vrienden met de bewoners van Strömstad zou worden. En op den duur konden zij hem ook niet weerstaan. Er ging een glimlach over ’t gezicht van de stugge stoere vrouwen, als hij ze op straat ontmoette, want hij was bij haar in haar huisjes geweest, had naar haar man gevraagd, haar kinderen geprezen en zich op koffie laten tracteeren. Een heele bende kleine jongens liep hem meestal na, omdat zij ontdekt hadden, dat hij altijd den zak vol kopergeld had. Met de visschers was ’t hem gelukt zulke goede vrienden te worden, dat nu de een, dan de ander hem vroeg, of hij niet meê wou uitzeilen om makreel te vangen. Alle oude gepensionneerde zeekapiteins, die zich thuis zaten te vervelen en naar zee verlangden, noodigden hem op grog in hun kleine waranda’s, en vertelden hem van hun vroegere avonturen en doorgestane gevaren.
Luitenant Lagerlöf hield van de menschen en wilde weten hoe ze leefden in deze streek, en hij had niet ’t minste respect voor standsverschil. Nooit ontbrak het hem aan een onderwerp voor een gesprek, en hij zag er zoo goedhartig en vriendelijk uit, dat het waarlijk geen wonder was, dat de menschen in Strömstad van hem hielden.
Maar niemand moet denken, dat hij zich van zijn macht niet bewust was.
Het was de bewoners van Mårbacka met alles meêgeloopen op deze reis. Onder anderen hadden ze goede oude vrienden uit Wermeland ontmoet, waar ze dagelijks meê samen waren. Dat was een Dr. Tobiaeson met zijn vrouw en twee zusters, en een ongetrouwde Dr. Lundström, die tot hun vriendenkring hoorde.
Met deze menschen samen huurden zij een boot, en iederen dag of om den anderen dag maakten zij lange zeiltochten. Die tochten vonden de kinderen heerlijk. Dan vertelde Luitenant Lagerlöf gewoonlijk van al het grappige, wat de menschen in Strömstad tegen hem zeiden. Zij hoorden van menschen, die hem een onvriendelijk antwoord hadden gegeven, en van anderen, die hadden gezegd, dat het zonde en jammer was, dat een man als hij geen schipper was geworden. Dan waren er ook meestal een paar groote hengselmanden aan boord, en als het gezelschap het zeilen moe was, gingen zij gewoonlijk aan land en hielden feest op een of ander rotsachtig eilandje. Dan gingen de kleintjes schelpjes zoeken. Zulke als hier hadden ze nog nooit gezien; ze waren er verbaasd over, dat ze zooveel konden oprapen als ze wilden, van zulke schatten; ze waren er even verrukt over als over de bloemen en dieren op ’t veld.
Ze waren op een van die zeiltochten. ’t Was mooi weer, er stond juist genoeg wind; de hengselmanden waren in de boot. Luitenant Lagerlöf was vol verhalen en allen hoopten op een prettigen avond.
In een ongelukkig oogenblik merkte een van allen op, dat ze nog niet aan land waren geweest op een klein eiland, vlak buiten Strömstad, dat het grauwe eiland werd genoemd en dadelijk werd er besloten, dat zij na den zeiltocht daar zouden aanleggen en hun klein gastmaal daar houden.
Nu was het zoo, dat voor eenige honderden jaren op dat grauwe eiland de beruchte heks de grijze Tita woonde, die machtiger was dan de Booze zelf; en zoo lang zij leefde, stond zij niemand toe op het eiland aan land te gaan. Als iemand dat probeerde, kreeg hij dadelijk een ongeluk, brak een arm of een been, of rolde langs de steile rotswanden naar beneden in zee.
Nu de grijze Tita al lang dood en weg was, kon het toch niet gevaarlijk zijn naar het grauwe eiland te gaan, maar de schipper waarschuwde hen er toch voor. ’t Vorige voorjaar was hij met een paar andere mannen dwars over het eiland geloopen, en een van hen was in een kloof gevallen en had zijn been gebroken, eer ze er vandaan kwamen.
Maar dat maakte het eiland nog bekoorlijker voor de reizigers. Zij verlangden des te meer op het grauwe eiland te komen.
De boot laveerde op het eiland toe en gleed onder tegen den rotswand aan. De schipper zocht naar een geschikte landingsplaats.
Op dat oogenblik trok Anna haar moeder aan den arm.
„Mama!” zei ze. „Selma schreit.”
En dat was werkelijk waar. ’t Zieke meisje zat te schreien. Ze was tot nu toe nog niet bang geweest. Ze had het even prettig gevonden als de anderen om op het grauwe eiland aan land te gaan, maar nu ze bij den rotswand waren gekomen, zag die er zoo donker en griezelig uit. Anders was er niet. Ze schrikte alleen van den rotswand.
De anderen vroegen haar, waarom ze schreide, maar ze wilde niets zeggen. Ze kon toch niet vertellen, dat ze bang was voor een rotswand.
Maar al gauw hield het vragen op, omdat de schipper een landingsplaats had gevonden en allen iets anders kregen om aan te denken.
Zoodra de boot aanlag, stond Dr. Lundström uit Filipstad op en sprong met den tros aan land. Maar juist, alsof er een onzichtbaar wezen aan den wal stond en hem een stoot voor de borst gaf, stoof hij achteruit en viel van den steen, waarop hij stond, regelrecht naar beneden in zee.
Verbazing, schrik, allerlei uitroepen! Maar de angst duurde niet lang. De schipper reikte, vlug als een visschende meeuw over de reling, pakte den jaskraag van den langen dokter en trok hem op uit het water, druipnat, maar volkomen ongedeerd.
Natuurlijk waren allen hevig ontroerd door het schrikkelijk gezicht: een man regelrecht in de levensgevaarlijke diepte te zien vallen. Hoewel het gevaar voorbij was, konden zij niet meer in hun vorige luchthartige stemming komen.
Dr. Lundström zelf stelde voor, dat het heele gezelschap aan land zou gaan, zoodat hij naar Strömstad terug kon varen en zich verkleeden. Dat was immers niet zoo ver, en wanneer zij maar wilden, kon de boot terugkomen om hen te halen.
Maar dat wilden ze niet. Zij hadden genoeg van het grauwe eiland. Niemand had lust op dien steilen steenen oever aan land te gaan, of naar boven te klauteren langs dien dreigenden rotswand.
Men zeilde dus naar Strömstad terug, en allen zaten er over na te denken of er toch iets van waar was—van die oude verhalen. Was dat niet vreemd? Zij waren bijna op alle eilanden in de scheren bij Strömstad geweest en alles was goed gegaan.
„Ik vond het griezelig, dat het kind begon te schreien,” zei een van de dames Tobiaeson. „Toen begreep ik, dat er iets zou gebeuren.”
„Ja, wat zegt nu Luitenant Lagerlöf hiervan?” vroeg haar zuster en wendde zich tot hem.
„Wat ik zeg?” antwoordde hij. „Ik zeg, dat het wel niet anders kon gaan, toen we zoo’n schoolmeester aan land stuurden. Hij was geen man voor de grijze Tita.”
„U meent,” zei juffrouw Tobiaeson, „dat als we een ander hadden gestuurd—als u zelf aan land was gesprongen, dan zouden we beter ontvangen zijn?”
„Ja, natuurlijk meen ik dat,” zei Luitenant Lagerlöf.
Lieve hemel, wat lachten zij! De sombere stemming in de boot was op eens weg. Zij stelden zich de ontmoeting tusschen Luitenant Lagerlöf en de grijze Tita voor.
Ja, ja—hij wist wel, dat hij onweerstaanbaar was.
Lieve hemel, wat lachten zij!
DE PARADIJSVOGEL.
Ze woonden in een klein, klein huisje heel in ’t begin van de Karlstraat, en zij voelden zich daar zoo thuis, dat Luitenant Lagerlöf en de kinderen overeenkwamen het „klein Mårbacka” te noemen. Dat was wel de hoogste eeretitel, die een huis in een vreemde stad ooit kon krijgen.
Voor het huisje was een tuintje met een veld, ingesloten door een rustiek hek, en onder de lommerrijke boomen op het veld ontbeten ze gewoonlijk en gebruikten er het avondeten, dat thuis gebruikt werd. Achter het huis was nog een stukje grond met een paar aardappelveldjes en daar boven, dicht bij den steilen berg, lag een hutje, dat niet veel grooter was dan de hut op de „Uddeholm”. In dat hutje woonde hun gastvrouw, de vrouw van Kapitein Strömberg.
Zij hadden ontdekt, dat de kapteinsche ’s winters zelf in het groote huis woonde, maar ’s zomers verhuurde zij het aan badgasten en verhuisde zelf naar dat kleine kajuitje. Daar zat ze van den morgen tot den avond, met groote bloeiende oleanders om zich heen, en alle tafels en plankjes waren vol merkwaardige dingen uit vreemde landen, die Kapitein Strömberg had meêgebracht.
Als Mevrouw Lagerlöf en Juffrouw Lovisa op koffievisite gingen bij hun vrienden, en Luitenant Lagerlöf uitgezeild was om makreel te vangen, en Anna bij de dochters van den koekenbakker was, en Johan bij de krabben, dan nam Back-Kajsa haar kleine meisje op den arm en ging naar Mevrouw Strömberg in het kleine kajuitje.
Zij was een bijzonder goede vriendin van hen. ’t Was even gezellig bij haar onder den oleander te zitten, als bij Grootmoeder op de sofa in den hoek op Mårbacka. Mevrouw Strömberg kon geen verhalen vertellen, maar zij had veel zonderlinge dingen om hen te laten zien. Groote schelpen vol geluid, die gonsden, als je ze tegen de ooren hieldt, porseleinen mannetjes met lange staartpruiken en lange knevels, die uit China moesten gekomen zijn, en twee reuzengroote schalen, waarvan de eene de dop van een struisvogelei was, en de andere die van een kokosnoot.
Back-Kajsa en Mevrouw Strömberg spraken meestal over ernstige en godsdienstige onderwerpen, die het kind niet begreep; maar nu en dan kwam het gesprek op eenvoudiger dingen. Mevrouw Strömberg vertelde van haar man en zijn reizen. Zij hoorden, dat hij een groot, mooi schip had, dat „de Jakob” heette en dat hij nu juist een reis deed naar St. Ybis in Portugal, om zout te halen.
Back-Kajsa verwonderde er zich over dat Mevrouw Strömberg een oogenblik rust kon hebben, als ze wist, dat haar man ronddreef op die verschrikkelijke zee. Maar Mevrouw Strömberg antwoordde, dat er Een was, die haar man beschermde. Ze was niet meer bezorgd over hem, als hij aan boord was van zijn schip, dan wanneer hij thuis in de straten van Strömstad liep.
Dadelijk daarna wendde zich de vriendelijke Mevrouw Strömberg tot het kleine meisje en zei, dat ze hoopte, dat haar man gauw thuis zou komen, want er was iets op de Jakob wat zij zeker graag zou willen zien. Daar was een paradijsvogel.
’t Kind was dadelijk vol belangstelling.
„Wat is dat?” vroeg zij.
„Dat is een vogel uit het Paradijs,” antwoordde Mevrouw Strömberg.
„Je hebt Grootmoeder toch wel van ’t Paradijs hooren vertellen?” zei Back-Kajsa.
Ja zeker, nu herinnerde zij ’t zich. Grootmoeder had haar van het Paradijs verteld en ze had zich voorgesteld, dat het er daar uitzag als in den kleinen rozentuin aan den westkant van Mårbacka. Op eens werd het haar duidelijk, dat het Paradijs iets met God te maken had, en hoe dat nu kwam—zij kreeg den indruk, dat hij, die den man van Mevrouw Strömberg beschermde, zoodat ze even gerust over hem was, wanneer hij aan boord was van de Jakob als wanneer hij thuis in Strömstad wandelde—de paradijsvogel moest zijn.
Ze zou werkelijk héél graag dien vogel willen zien. Die zou haar misschien kunnen helpen. Alle menschen vonden het immers zoo jammer voor haar papa en mama, dat ze niet beter werd. Zoo’n dure reis als zij hadden gedaan om harentwil!
Ze had heel graag Back-Kajsa of Mevrouw Strömberg willen vragen of ze geloofden, dat de paradijsvogel iets voor haar zou willen doen, maar ze was te verlegen. Ze was bang, dat ze haar zouden uitlachen.
Maar dat gesprek vergat ze niet. Elken dag verlangde ze, dat de Jakob toch maar kwam, zoodat de paradijsvogel naar land zou kunnen vliegen.
Een paar dagen later hoorde ze, dat de Jakob werkelijk gekomen was.
Dat was een groote vreugd, maar ze sprak er met niemand over. Voor haar was er iets heel plechtigs over dit alles. Ze herinnerde zich hoe ernstig Grootmoeder was geweest toen ze van Adam en Eva vertelde. Ze wilde tegen Anna en Johan niet zeggen, dat er aan boord van de Jakob een vogel uit het Paradijs was en dat ze van plan was hem te vragen haar beenen beter te maken. Neen, niet eens tegen Back-Kajsa.
’t Was vreemd, dat de vogel zich niet vertoonde. Telkens als ze bij Mevrouw Strömberg binnenkwamen verwachtte zij dat hij in een oleander zou zitten zingen. Maar hij was er niet.
Ze vroeg Back-Kajsa naar den vogel, maar die dacht, dat hij nog aan boord van de Jakob was.
„Maar je zult hem gauw zien,” zei ze. „De luitenant heeft gezegd, dat we morgen allemaal aan boord van de Jakob zullen gaan.”
Back-Kajsa had werkelijk gelijk. Nauwelijks was Kapitein Strömberg een dag thuis geweest of hij en Luitenant Lagerlöf waren goede vrienden geworden. De luitenant was verscheiden keeren op de Jakob geweest en vond het daar heerlijk. Nu moest de heele familie er heen, om te zien hoe prettig het daar was.