Part 1
MÅRBACKA
NAAR HET ZWEEDSCH VAN SELMA LAGERLÖF
DOOR MARGARETHA MEYBOOM
GEAUTORISEERDE UITGAVE AMSTERDAM H. J. W. BECHT
HET KINDERMEISJE.
Eens hadden zij op Mårbacka een kindermeisje, dat Back-Kajsa heette. Ze was zeker drie el lang, ze had een groot grof gezicht met strenge, sombere trekken; haar handen waren hard en vol groeven, waar ’t haar van de kinderen in vast bleef zitten als ze hen kamde, en haar stemming was ernstig en droefgeestig.
Zulk een mensch scheen juist niet bijzonder geschikt voor kindermeisje, en Mevrouw Lagerlöf had ook lang geaarzeld voor zij haar aannam. Zij was nog nooit in betrekking geweest, en had geen goede getuigen om over te leggen, en ze was niet beschaafd in den omgang, omdat ze was opgegroeid in de armoedige hut Backarna: in ’t bosch op een heuvel boven Mårbacka, waar geen mensch in de buurt woonde. Maar er was zeker niemand anders te vinden geweest, en dus had zij moeten komen. Dat ze geen bed kon opmaken, of geen kachel aanleggen, of geen bad in orde maken—daar was Mevrouw Lagerlöf op voorbereid en dat leerde zij vrij gemakkelijk. Ook had zij er niet op tegen de kinderkamer iederen dag te dweilen of de kinderkleeren uit te schuieren en te wasschen. Maar wat Mevrouw Lagerlöf haar heelemaal niet kon leeren, was met kinderen om te gaan. Ze wilde niet met hen spelen; ze zei nooit een vriendelijk woord tegen hen, ze wist geen enkele vertelling en kende geen enkel liedje. Ze bedoelde zeker niet leelijk tegen hen te doen; maar ze was nu eenmaal zoo geschapen, dat ze niet van leven maken en stoeien en lachen hield. Zij zou het liefst willen, dat de kinderen stil, ieder op hun stoel zaten zonder te praten of zich te bewegen.
Nu ja, Mevrouw Lagerlöf was toch nog tevreden over haar. Of nu ook het kindermeisje geen verhaaltjes wist, de kinderen op Mårbacka hadden hun grootmoeder nog. Die kwam elken morgen zoodra zij gekleed was, naar de slaapkamer en ging op de sofa in den hoek zitten. En dadelijk had zij alle kinderen om zich heen en ze zong en vertelde tot het middag was. En ze hadden ook iemand om meê te spelen, want Luitenant Lagerlöf stoeide met hen, zoodra hij een uur vrij had.
Back-Kajsa was sterk en plichtmatig en ze was een vertrouwbaar mensch. Als de groote menschen uitgingen, konden ze er zeker van zijn, dat ze niet wegloopen zou en de kinderen alleen in de kinderkamer laten. Ze zou heelemaal voortreffelijk geweest zijn, als ze maar een beetje minder hardhandig was geweest. Maar ’t ging niet zacht toe, als de kleine armen in de mouwen van de kleeren gestoken moesten worden, het zeepschuim kwam vaak in de oogen van de kinderen terecht, en bij het kammen hadden ze een gevoel, alsof alle haren uit hun hoofd moesten getrokken worden.
De kinderkamer op Mårbacka was een licht, warm en ruim vertrek, het beste in ’t heele huis, maar die had dit gebrek, dat het een zolderkamer aan den voorkant van ’t huis was, zoodat men eerst den gang door moest, dan een trap op en den zolder over om er te komen. En de zoldertrap was steil en moeilijk voor kleine voeten om op te loopen, zoodat het erg prettig was geweest als het vorige kindermeisje een kind op den arm nam en het naar boven droeg, maar dat scheen Back-Kajsa niet te begrijpen. En dan was het vreeselijk griezelig om over den zolder te gaan, vooral ’s avonds, als het donker was, zoodat het bijna noodig was voor de kleine handen om een groote hand te hebben om er in te kruipen. Maar Back-Kajsa, die gewend was aan woeste, donkere bosschen vond zeker, dat de zolder op Mårbacka, een veilig, gezellig oord was. Zij liep maar door en gaf niemand een hand. Je moest maar blij zijn, als je een slip van haar japon te pakken kon krijgen.
De ledikanten, waar de drie kinderen in sliepen, waren door den knappen ouden meubelmaker in Askersby gemaakt, en ze waren heel mooi, met een rijtje gedraaide pijltjes aan het hoofdeinde. Maar het waren uittrekledikanten, want hoe groot de kinderkamer ook was, namen toch drie ledikanten veel plaats, en ’t was goed, dat ze overdag in elkaar geschoven konden worden. En dat was op zich zelf ook geen fout; maar hoe nu die knappe, oude meubelmaker in Askersby dat klaar gespeeld had—hij had ze zoo gemaakt, dat ze meestal midden in den nacht uit elkaar schoven.
Wie dat nu overkwam, vloog natuurlijk op uit zijn zoeten slaap; en als je dan merkte, dat je bed in ’t midden gebroken was, probeerde je in ’t eene stuk in elkaar te kruipen en hoopte, dat je dan weer zou inslapen. Maar dat lukte meestal niet, en na een poosje strekte je de beenen uit en liet ze hangen. Zoo lag je op den slaap te wachten, tot je zóó wakker werd als op helderlichten dag, en dan besloot je op te staan en te probeeren het ledikant weer in elkaar te krijgen. Als je dan meende, dat dit gelukt was en de deken weer terecht had gelegd, kroop je zoo voorzichtig mogelijk weer in bed en rekte je met welbehagen uit. Alles ging goed, de slaap kwam aansluipen... maar dan maakte je een onvoorzichtige beweging. En krak! krak! ging het, het ledikant viel weer in tweeën, en dan was alle hoop op slapen voor dien nacht voorbij.
Maar onder dat alles sliep Back-Kajsa door en ’t kwam in geen van die kleintjes op haar om hulp te vragen. ’t Vorige kindermeisje was dadelijk wakker geworden, zoodra een ledikant brak, en had het vlug en handig weer in elkaar gezet, zonder dat het haar gevraagd was.
Boven de kinderkamer was een klein nauw vlierinkje, dat vol oude weefstoelen en spinnewielen stond, en in dat oude boeltje woonde een katuil. Die had buitengewoon goed slag van leven te maken. ’s Nachts klonk het de kleintjes in de ooren alsof iemand groote, zware balken boven hun hoofd heen en weer sleepte. Maar als ze bang werden door dat geraas, had het vorige kindermeisje maar gelachen en gezegd, dat je daar toch niet bang voor hoefde te wezen: ’t was immers de katuil maar!
Maar Back-Kajsa, die uit het bosch kwam, was bang voor alle dieren. Voor haar waren zij booze geesten en als ze ’s nachts door den katuil wakker werd, nam ze haar psalmboek en begon te lezen.
Zij kon waarlijk de kleine kinderen niet gerust stellen; ze maakte ze bang, zoodat die arme katuil in hun verbeelding een groot wonderdier werd, met een tijgerkop en arendsvleugels. En ’t is niet te beschrijven hoe ze rilden en beefden tot diep in hun ziel, als ze er aan dachten dat zoo iets griezeligs vlak boven hun hoofd woonde. Stel je voor, dat het een gat in den zolder scheurde met zijn geweldige klauwen en bij hen in de kamer kwam!
Niemand zal zeggen, dat Back-Kajsa de kinderen verwaarloosde of hen sloeg. Daar was geen sprake van. ’t Vorige meisje was zeker niet zoo nauwgezet geweest met wasschen en verstellen, maar ze was zoo heel lief voor hen geweest.
Wat de kinderen in dien tijd als hun grootsten schat beschouwden—dat waren drie houten stoeltjes. Die hadden ze van den knappen ouden meubelmaker in Askersby gekregen. Ze wisten niet of dat een vergoeding was voor ’t mislukken van de ledikanten, maar dat dachten ze wel. Die stoelen waren niet mislukt; ze waren licht en sterk. Ze konden als tafel worden gebruikt, en als sleê; de kinderen konden er in de kamer op rondrijden; ze konden er op staan en er af springen op den grond, ze konden ze neerleggen en als schuur of stal gebruiken ja—er was niets, waar ze die stoelen niet voor konden gebruiken.
Maar waarom de kinderen zoo ongeloofelijk aan die stoelen gehecht waren begreep je pas, als je ze onderste boven hieldt. Dan zag je, dat op den onderkant van iederen stoel een kind was geschilderd. Op den eenen zag je Johan, een jongen in een blauw pakje, met een reusachtige zweep in de hand; op den tweeden Anna, een lief klein meisje, die een roode jurk aan had en een groote gelen hoed op, en aan een bloemruiker rook, en op den derden stond Selma, een klein wichtje met een blauw jurkje en gestreept boezelaar aan, die niets in de hand en niets op het hoofd had.
Die portretten waren er op geschilderd, om aan te geven aan wie de stoelen hoorden, en daarom beschouwden de kinderen ze als hun eigendom op een heel andere manier als hun kleeren, of andere dingen, die ze van hun ouders hadden gekregen. Kleeren gingen van de een naar de andere, dat zagen ze telkens, en hun mooie speelgoed werd weggeborgen of op de hoekplanken in de voorkamer gezet; maar de stoelen, die met hun portretten waren beschilderd—niemand kon er aan denken hun die af te nemen.
Daarom was het heel verkeerd van Back-Kajsa, dat ze soms alle drie stoelen op de hooge beukenhouten schrijftafel legde, zoodat de kinderen er niet bij konden. Al was ’t ook omdat ze pas den vloer had geschuurd en dat daar leelijke strepen op zouden komen, als de kinderen hun stoeltjes er over sleepten, vóór die goed droog was—het vorige kindermeisje zou het hart niet gehad hebben hun de stoelen ook maar één oogenblik af te nemen.
Mevrouw Lagerlöf zag wel, dat het kindermeisje haar kleine kinders niet begreep. Ze waren bang voor haar en ze voelden zich niet prettig bij haar. Maar Back-Kajsa was voor een jaar gehuurd en voor dat die tijd om was, kon zij haar niet best wegzenden. Zij hoopte, dat het beter zou worden, als het zomer werd; dan speelden de kinderen buiten en hadden niet zooveel met het kindermeisje te maken.
Maar op een morgen heel in ’t begin van den zomer gebeurde het, dat het jongste meisje alleen gelaten werd in de kinderkamer. Ze zat klaar wakker in haar bed en verwonderde er zich over, dat alle menschen weg waren. Waar zouden ze zijn? Ze voelde zich wonderlijk koud en niet recht uitgeslapen.
Toen ze wat nagedacht had, herinnerde ze zich, dat ze dien morgen met de andere kinderen met Luitenant Lagerlöf naar de bron bij Ås geweest was om te baden. Toen ze thuiskwamen, had Back-Kajsa hen alle drie gekleed te bed gelegd, opdat ze vóór den middag wat zouden slapen.
Maar de bedden, waar Anna en Johan in hadden gelegen, waren leeg, zoodat ze begreep, dat ze waren opgestaan en weggegaan.
Ze waren misschien al in den tuin aan ’t spelen. Ze voelde zich wel een beetje tekort gedaan, door dat ze van haar waren weggegaan en haar alleen in de kinderkamer hadden gelaten. Maar daar was nu niets aan te doen. Ze moest maar uit bed zien te komen en hen achterna gaan.
Ze was drie en een half jaar en ze kon best de deur opendoen en de zoldertrap afloopen. Maar heelemaal alleen over den zolder te loopen—dat was het grootste waagstuk, en ze luisterde of er toch niet iemand zou komen om haar te halen.
Neen, ze hoorde geen stap op de trap, ze zou de reis op haar eigen houtje moeten wagen. Maar toen ze wilde opstaan, kon ze niet.
Ze probeerde het telkens weer, maar ze viel weer achterover. ’t Was alsof haar beenen heelemaal niet van haar waren: ze had er geen macht over.
’t Kleine meisje was buiten zichzelf van schrik. ’t Gevoel van onmacht, nu haar lichaam haar niet wilde gehoorzamen, was zóó griezelig, dat ze ’t lang, lang daarna zich nog herinneren kon, ja, haar heele leven lang.
Ze begon natuurlijk te schreien. Ze was wanhopend en radeloos, en er was geen groot mensch in de nabijheid, die haar kon helpen en troosten.
Toch bleef ze niet lang alleen. De deur ging open en daar stond Back-Kajsa.
„Moet Selma niet naar beneden om te eten?” vroeg ze. „De grooten hebben...”
Verder kwam ze niet. ’t Kleine meisje dacht er heelemaal niet aan, dat dit het stugge kindermeisje was, die daar in de deur stond. In haar groote wanhoop zag ze alleen, dat er een volwassene gekomen was, die haar kon helpen, en ze strekte de armen naar haar uit.
„Kom me halen, Back-Kajsa,” riep ze. „Kom me halen!”
Toen Back-Kajsa bij het bed kwam, sloeg ze de armen om haar hals en klemde zich aan haar vast, zooals nog nooit een kind had gedaan, en een zacht beven ging door Back-Kajsa heen. Ze kon haar stem niet recht kalm houden, toen ze vroeg: „Wat is er, Selma? Ben je ziek?”
„Ik kan niet loopen, Back-Kajsa,” antwoordde het kind.
Toen hieven de sterke armen haar op, zoo gemakkelijk, alsof ze een jong poesje was, en opeens wist dat strenge, alledaagsche mensch hoe ze een kind toespreken moest.
„Daar moet je niet om schreien,” zei ze. „Ik zal je wel dragen!”
En toen was ’t, alsof al ’t verdriet van de kleine over was. Ze was niet bang of ongelukkig meer. Wat deed het er toe, of ze zelf niet loopen kon, als Back-Kajsa haar wilde dragen? Dat hoefde niemand haar te zeggen: zij begreep wel, dat iemand, die zoo’n sterke, heerlijke vriendin had als Back-Kajsa... die zou ’t wel goed hebben!
HOOG BEZOEK!
Johan en Anna waren heelemaal uit het veld geslagen, omdat er zoo’n beweging werd gemaakt over Selma’s ziekte.
Dat was wel te begrijpen. Johan was al zeven jaar en bezig lezen te leeren van Mijnheer Tyberg. Hij was immers een jongen en hij werd bijna als de oudste beschouwd. Wel had hij een ouderen broer, maar die was nooit thuis. Hij woonde bij de ouders van zijn moeder in Filipstad. En nu was ’t opeens zoo, dat niemand aan hem dacht, maar alleen, enkel en alleen aan het kleinste meisje.
En wat Anna betreft—zij was vijf jaar, en ze kon al naaien en in huis werken; en ze was lief om te zien en de oudste dochter en Moeders lieveling.
Maar wat had ze daar nu aan, nu Selma in haar hoofd had gekregen om ziek te worden?
Zie eens, alle volwassenen werden zoo vreeselijk aangedaan, als ze een kind zagen, dat niet loopen kon. „Hoe zal die stakker door de wereld komen?” zeiden ze. „Nooit zal ze iets van de wereld zien, maar altijd stil op dezelfde plaats moeten zitten. Ze zal nooit trouwen, en niet voor zich zelf kunnen zorgen. Ze zal het zoo moeilijk krijgen.” En allen waren ze heel lief en vol medelijden met het zieke meisje, en daar hadden Johan en Anna ook niets tegen. Maar ze hoefden daarom toch niet heelemaal te vergeten, dat er ook andere kinderen waren.
En wie nog ’t allerergste was—dat was Back-Kajsa. Zij droeg Selma op haar rug en ze stoeide met haar en vertelde haar, dat ze een engeltje was. Vader en Moeder, Tante en Grootmoeder waren toch ook niet veel beter. Had die knappe meubelmaker in Askersby niet een wagentje voor haar moeten maken, waar Back-Kajsa haar in reed? En mochten Johan of Anna ooit dat wagentje hebben om zand in te rijden? Neen—dat was voor Selma, dat mochten zij niet vuil maken!
Johan en Anna wisten allebei, dat er, toen Selma nog loopen kon, niets bijzonders aan haar was, maar nu kon er geen bezoek komen, of zij moest naar binnen gedragen worden en om en om gekeerd om bekeken te worden. En kwam er een boerenvrouw in de keuken, dan was Back-Kajsa er dadelijk om haar Selma te laten kijken. En ’t ergerlijkste was, dat Back-Kajsa er aldoor over moest praten hoe lief en bijzonder zoet ze was. Nooit schreide ze, en nooit was ze knorrig, hoewel ze niet loopen kon.
Johan en Anna wisten niet waarom ze niet zoet zou zijn. Kijk eens aan hoe zij ’t had! Ze werd den heelen dag gedragen en verzorgd en verwend!
Ja, Johan en Anna waren het er over eens, dat Back-Kajsa heel vervelend was. Ze kon niet verdragen, dat Mevrouw Lagerlöf voor Anna een mooier jurk maakte dan voor Selma, en als ’t gebeurde, dat iemand zei, dat Johan een aardige, lieve jongen was, kon ze nooit laten te zeggen, dat het wel een schande zou zijn, als zoo’n jongen, die loopen kon en gaan waar hij wou, niet lief was.
Dat de oude dokter Hedberg in Sunne keer op keer voor Selma werd gehaald, dat was natuurlijk goed—dat vonden Johan en Anna allebei. Ook konden ze er niet op tegen hebben, dat Högmans Inga, die vaak op de hoeve kwam om koeien en varkens te belezen, ook geraadpleegd werd. Maar wat ze vonden, dat te ver ging, was, dat Grootmoeder, de huishoudster en Back-Kajsa eens, toen Luitenant Lagerlöf niet thuis was, samen overlegden en de gevaarlijke oude tooverheks van Högbergsäter lieten komen, die elken Witten Donderdag een bezem zalfde en naar den Bloksberg reed. Johan en Anna hadden gehoord, dat ze zulk een macht had, dat ze een huis in brand kon steken, alleen door er naar te zien. Ze waren vreeselijk bang zoolang zij op Mårbacka was, en ze vonden het heel verkeerd van Back-Kajsa om daar zulke vreeselijke menschen heen te halen.
Zeker zouden ze Selma graag beter zien. Ze wenschten meer dan eenig ander mensch, dat ze weer gezond zou worden. Maar ze konden toch niet vinden, dat het zoo iets bijzonders was, dat ze een ziekte had weten te krijgen, die niemand beter maken kon. Maar dat vond Back-Kajsa vast en zeker. Als noch dokter Hedberg, die hen zoo vaak van hoesten en pijn in de borst genezen had, of Högmans Inga, die nooit tegenspoed had met varkens en koeien, noch de gevaarlijke tooverheks van Högbergsäter, die een bezemstok levend maken kon, haar helpen kon, vond Back-Kajsa, dat ze hoe langer hoe merkwaardiger werd. Eindelijk, toen Luitenant Lagerlöf met haar naar Karlstad reisde en den regimentsdokter Haak over haar consulteerde en hij er ook niets aan doen kon, barstte Back-Kajsa bijna van hoogmoed. Maar zou ’t niet beter zijn geweest, als Selma een ziekte had gehad, die beter kon worden? Dat vonden zij ten minste.
Johan en Anna zeiden, dat het vervelendste van alles was, dat Back-Kajsa veel te goed voor Selma was, zoodat ze heelemaal bedorven werd. Hoe klein ze ook was, ze had wel ontdekt, dat ze niet zoo gehoorzaam hoefde te wezen als de andere kinderen, die op hun beenen konden staan. Vooral hoefde zij niets te eten, waar ze niet van hield. Als Mevrouw Lagerlöf haar gestoofde raapjes opschepte of spinazie, of hard gekookte eieren, of biersoep, dan hoefde ze haar bordje niet leeg te eten, zooals vroeger. Zoodra ze het wegschoof, ging Back-Kajsa dadelijk naar de huishoudster in de keuken om iets te halen wat zij lekker vond.
Maar dat was nog niet alles. Johan en Anna merkten wel, dat nu noch dokter Hedberg, noch Högmans Inga of de gevaarlijke heks van Högbergsäter haar konden genezen, zij zich zelf zóó gewichtig vond, dat ze geen gewoon eten meer hebben wou, maar liefst gebraden kuikentjes, versche aardappelen of boschbessen met room. En toen ze naar Karlstad was geweest en ook dokter Haak niets voor haar kon doen, wou ze niets anders eten dan gebakjes en confituren.
Johan en Anna hadden gehoord, dat Tante Nanna Hammargren in Karlstad heelemaal wanhopend was geweest over Selma. Zij had voorspeld, dat ze nog dood zou hongeren. En Johan en Anna waren ’t er over eens, dat, als er niet gauw verandering kwam, dit nooit goed zou gaan.
Maar er kwam werkelijk een verandering.
Op een morgen nam Back-Kajsa ’t kleine meisje op haar rug en bracht haar in ’t keukenkamertje. Daar stond een groot wit uittrekbed, waar de oude Mevrouw Lagerlöf gewoonlijk in sliep en Back-Kajsa ging met haar naar ’t bed. „Nu zal Selma eens wat zien,” zei ze en zette haar tusschen de kussens.
’t Bed was opgemaakt, maar niemand had er dien nacht in geslapen en ook nu lag er niemand in. De oude Mevrouw Lagerlöf, die anders gewoonlijk eerst laat op den dag klaar was, zat al gekleed op de sofa en Juffrouw Lovisa, die in dezelfde kamer sliep, was ook al op en aangekleed. Allebei zagen ze er blij en vergenoegd uit, en toen ’t kleine meisje in ’t bed zat, stonden ze op en kwamen naar haar toe.
„Ja, van nacht is er een hoog bezoek gekomen,” zei Grootmoeder en lachte haar toe. Zij begon ook te lachen, want er was immers niets prettigers dan dat er gasten kwamen.
Toen keek ze rond in de kamer en vroeg zich verwonderd af, waar de gast wel zou wezen; hier in de kamer was die ten minste niet. Niet in de gele hoekkast, niet achter de hooge klok aan den muur en niet onder tante’s chiffonnière. Er was maar één plaatsje in de kamer, waar je je echt verstoppen kon, en dat was de afgesloten trap naar den kelder, maar daar zou zeker geen deftige gast inkruipen.
Dat alles was toch heel vreemd. Waarom moest zij in Grootmoeders bed zitten, en waarom stonden de anderen in dat bed te kijken, alsof daar een deftige gast zou zijn? Ze begreep er niets van en keek van de een naar de ander. Toen boog Juffrouw Lovisa zich voorover en verlegde de kussens wat, en toen zag ze, dat er naast haar in bed een klein, langwerpig pakje lag, maar daar dacht ze niet verder over na. Grootmoeder had immers gezegd, dat er een hoog bezoek gekomen was, en dat kon toch niet anders beteekenen, dan dat er iemand was gekomen van heel ver weg, die groote zakken met suikergoed en speelgoed voor de kinderen had meêgebracht. Dat was de gast, waar ze naar uitkeek.
„Zijn ze daar binnen?” vroeg ze en wees naar de zaaldeur. Ze probeerde te luisteren, of er ook iemand sprak in de andere kamer. Ze was in gespannen verwachting, omdat de anderen er zoo blij en gelukkig uitzagen.
„Maar je hebt haar immers bij je,” zei Grootmoeder, en draaide het langwerpige pakje een beetje om. En nu zag ze, dat het twee kleine handjes en een gerimpeld gezichtje had.
Ze keek verachtelijk naar de zuigeling. Zoo iets had ze wel meer gezien, en ze gaf er niets om. Ze keek weer den anderen kant uit en haar gedachten waren bij de gast en de zakken met suikergoed.
„Kijk eens; dit is een zusje, dat van nacht bij je gekomen is,” zei Tante Lovisa. „Je moet heel lief voor haar zijn.”
Daar was ze heelemaal niet op voorbereid. Ze had wel graag nog een zuster willen hebben, als die maar spreken en loopen kon. Maar die zuigeling interesseerde haar heelemaal niet.
Toch—nu begreep ze er zooveel van, dat het haar duidelijk werd, dat er geen deftige gast was gekomen; Grootmoeder had alleen dat stumpertje van een kind bedoeld. Die had geen zakken met suikergoed meêgebracht, dàt begreep ze wel.
Toen voelde ze een groote, bittere teleurstelling. Ze kon haar schreien niet bedwingen en Back-Kajsa moest haar weer op den rug nemen en haar naar de keuken brengen, opdat zij de gast niet wakker zou maken.
Ze had alle reden om te schreien, want van nu af was haar tijd van grootheid en geluk voorbij. Back-Kajsa moest Mevrouw Lagerlöf helpen bij ’t verzorgen van de kleine nieuweling, en die was nog hulpeloozer en had nog meer zorg noodig dan zij. Met dat kleintje kon je ook niet praten, zoodat ze altijd moest wachten en geduld hebben.
Van toen af werd zij ook niet meer zoo vaak aan de bezoekers vertoond; nu moest de zuigeling bekeken en geprezen worden. Al het merkwaardige aan haar raakte op den achtergrond, ze was niet van meer beteekenis dan Anna of Johan. Er kwamen veel droevige uren in ’t jaar, dat nu begon. Niet alleen moest ze ophouden met van gebak en confituren te leven, ’t ging zelfs zoover, dat als Mevrouw Lagerlöf haar gestoofde raapjes, spinazie of peultjes gaf, er niemand kwam om haar bordje weg te nemen en haar iets anders te geven; maar dat ze eten moest wat haar werd voorgezet.
Als Anna een mooier jurk kreeg dan zij, was er niemand, die er aanmerking op maakte. Allen vonden daarentegen, dat dit billijk was, omdat Anna de oudste was.
Ja, nu en dan werd het heel donker in haar kleine ziel, omdat ze er niet heelemaal zeker van was, dat Back-Kajsa niet even veel van ’t kleintje hield als van haar.
DE REIS NAAR KARLSTAD.
Back-Kajsa en haar beschermeling waren op reis. Ze zaten op den bok van de groote koets naast den staljongen Magnus, die zóó onder den indruk was van de verantwoording, die het rijden met drie paarden op den bitter slechten weg naar Karlstad meêbracht, dat hij geen woord kon zeggen.
Binnen in het rijtuig zat Mevrouw Louise Lagerlöf en Juffrouw Lovisa Lagerlöf. Zij reden vooruit, en tegenover hen zaten Johan en Anna. ’t Was oneindig prettiger op den bok te zitten en naar de paarden te kijken, dan opgesloten te zitten op deze reis, en Johan had wel graag naast den koetsier willen zitten, maar Mevrouw Lagerlöf had gezegd, dat er heelemaal geen plaats was voor Back-Kajsa op de achterbank en Selma moest natuurlijk bij Back-Kajsa zitten. Luitenant Lagerlöf ging ook meê op reis; maar hij reed alleen voor de anderen uit in zijn kleine kariool.