Part 3
Toen ze van huis gingen, had zeker niemand van hen er zich goed in gedacht wat het zeggen wilde, aan boord van de Jakob te komen. ’t Kleine zieke meisje meende ten minste, dat die aan den steiger lag, zooals de groote stoombooten.
Maar dat was zoo niet. De Jakob lag ver in zee en ze moesten in een boot er heen roeien. En wonderlijk was ’t om te zien: hoe dichter ze bij ’t schip kwamen, hoe hooger het werd. Eindelijk lag het daar, zoo hoog als een berg, en ’t scheen heelemaal onmogelijk, dat zij, die in dat kleine roeibootje zaten, daar aan boord zouden kunnen klauteren.
Tante Lovisa verklaarde dan ook, dat als ze naar die hooge schuit moesten, dan kon zij niet aan boord komen.
„Wacht nu maar even, Lovisa,” zei de luitenant. „Je zult wel zien, dat het beter gaat dan ze denkt.”
Maar Juffrouw Lovisa verzekerde, dat ze even goed zou kunnen probeeren in de vlagstang op Loholm te klimmen. Zij vond, dat het ’t beste was dadelijk om te keeren.
Mevrouw Lagerlöf en Back-Kajsa gaven haar gelijk en stemden voor omkeeren en naar huis gaan.
Maar Luitenant Lagerlöf was koppig en zette door. Ze zouden wel aan boord komen; daar was geen zorg voor. ’t Was misschien de eenige keer in hun leven, dat ze konden zien hoe ’t er op een koopvaardijschip uitzag, en die gelegenheid moesten ze niet voorbij laten gaan.
„Ja, als we aan boord komen, kunnen wij er nooit meer af,” zei Tante Lovisa.
Ongeveer op de helft van hun tocht kwamen ze een boot tegen, vol geladen met zakken.
„Zie je die boot daar?” zei Luitenant Lagerlöf tegen zijn zuster. „Weet je wat er in die zakken zit?”
„Neen, lieve Gustaaf, hoe zou ik dat weten?” zei Juffrouw Lagerlöf.
„Nu, dat zijn zoutzakken van de Jakob,” vertelde haar broer. „Ze hebben geen armen of beenen, maar als zij uit de schuit konden komen, zul jij ’t toch ook wel kunnen.”
„Ja, jij moest maar eens krinoline en lange rokken aantrekken, dan zou je ook wel raar worden,” zei Juffrouw Lovisa.
Zoo plaagden ze elkaar een beetje op de heele reis. ’t Kleine meisje, dat zoo graag den paradijsvogel wou zien, hoopte van ganscher harte, dat haar vader Tante Lovisa en de anderen zou kunnen bewegen om aan boord te gaan; maar zij vond ook, dat het onmogelijk scheen.
Toch legden ze aan onder den zwaaienden valreep, en een paar matrozen van de Jakob sprongen naar beneden in de boot om hen bij het opklimmen te helpen. De eerste, die ze aanpakten, was de kleine zieke. Een van hen gaf haar aan een van de kameraden, die hooger stond dan hij, en die droeg haar de ladder op en zette haar neer op het dek van de Jakob. Daar verliet hij haar om de andere gasten te helpen en zij bleef alleen staan.
Ze was verschrikt, want ze had maar een smallen rand van ’t dek om op te staan. Voor haar gaapte een groot, wijd gat en diep daar beneden lag iets wat sneeuwwit was en in zakken gedaan werd.
Ze bleef daar vrij lang alleen staan. Er moest daar beneden in de boot iets zijn, dat het aan boord komen bemoeilijkte. Niemand verscheen, en toen ze wat georiënteerd was, begon ze natuurlijk rond te zien naar den paradijsvogel.
Ze keek naar boven in de takels en touwen. Ze had zich voorgesteld, dat hij minstens zoo groot moest zijn als een kalkoen, zoodat het niet moeilijk was hem in ’t oog te krijgen.
Maar toen ze geen vogel zag, wendde ze zich tot den kajuitsjongen van Kapitein Strömberg, die in haar buurt stond, en vroeg waar de paradijsvogel was.
„Ga maar meê, dan kun je hem zien,” zei hij. Hij gaf haar een hand, opdat ze niet in het ruim zou vallen. Toen ging hij achteruit de kajuitstrap af en zij volgde.
Beneden in de kajuit was het zoo mooi: het blonk er van glanzend mahoniehout, aan de wanden en aan de meubels en daar was werkelijk de paradijsvogel!
Die was nog wonderbaarlijker dan ze had gedacht. Die was niet levend, maar stond daar toch midden op een tafel, mooi en gaaf, met al zijn veeren.
Ze klauterde op een stoel en van daar op de tafel. En daar ging ze naast den paradijsvogel zitten en verdiepte zich in zijn schoonheid. De kajuitsjongen stond naast de tafel en wees haar op de lange neerhangende veeren. En toen merkte hij op: „Kijk, je kunt wel zien, dat hij uit het Paradijs komt. Hij heeft geen pooten.”
Dat paste goed in haar voorstelling van het Paradijs, dat men daar niet hoefde te loopen, maar genoeg had aan een paar vleugels, en ze bekeek den vogel met groote aandacht. Ze vouwde de handen, zooals ze ’s avonds deed voor haar avondgebed. Ze had graag willen weten of de kajuitsjongen wist, dat de vogel Kapitein Strömberg beschermde, maar ze durfde het hem niet vragen.
Ze had daar den heelen dag kunnen zitten in haar groote verwondering, maar ze werd gestoord door luide kreten op het dek. Dat klonk alsof men: „Selma! Selma!” riep.
Dadelijk daarna kwamen zij haastig en opgewonden naar beneden in de kajuit: Luitenant Lagerlöf en Back-Kajsa, Mevrouw Lagerlöf en Juffrouw Lovisa, Kapitein Strömberg en Johan en Anna. Er waren zooveel menschen dat de heele kajuit vol was.
„Hoe ben je hier gekomen?” vroegen ze en zagen er heelemaal verwonderd en verbaasd uit.
En toen opeens dacht ze er zelf aan, dat ze had geloopen op het dek, geloopen de trap af, geloopen in de kajuit en dat niemand haar gedragen had.
„Kom nu van de tafel af,” zeiden ze, „dan kunnen we zien of je loopen kunt.”
Ze kroop van de tafel op den stoel en van den stoel op den grond—en toen ze daar aankwam kon ze staan en loopen.
Hoe blij, hoe gelukkig waren ze! Nu was immers het doel van de reis bereikt; die dure onderneming was niet te vergeefs geweest. Het kindje zou geen hulpelooze ongelukkige misdeelde worden, maar een gewoon mensch!
Ze stonden bijeen met tranen in de oogen en spraken er over, dat de heerlijke baden in Strömstad de beterschap hadden gebracht. En ze prezen de frissche lucht, en de zee, en de heele stad, en waren zoo blij, dat ze daar gekomen waren.
’t Kleine meisje dacht er het hare van. Ze vroeg zich af of de paradijsvogel haar werkelijk geholpen had. Was het dat kleine wonder met de trillende vleugels die uit het land kwam, waar men geen voeten noodig had, dat haar had leeren loopen hier op deze wereld, waar het zoo hoog noodig was?
HET HERINNERINGSGESCHENK.
Ze hadden afscheid genomen van Mevrouw Strömberg en waren weggetrokken van klein Mårbacka. De kinderen hadden hun kostbare schatten ingepakt en de groote menschen hun koffers gesloten. Nu zouden ze aan boord gaan van de stoomboot, die hen uit Strömstad weg zou voeren.
Op den steiger stonden een massa menschen. Daar was niet alleen Kapitein Strömberg en de bemanning van de boot, en andere bekende badgasten. Er waren oneindig meer menschen.
„Ik geloof, dat alle loodsen en kapiteins en visschers uit de stad hier gekomen zijn,” zei een van de heeren, die gewoonlijk met hen uit zeilen gingen.
„Ja, en alle badvrouwen en visschersvrouwen ook,” merkte een ander op.
„Ze zijn zeker gekomen om Gustaaf goeden dag te zeggen,” zei Mevrouw Lagerlöf, „hij maakt kennis met alle menschen.”
Luitenant Lagerlöf moest van zóó veel menschen afscheid nemen, dat hij bijna niet op tijd in de boot kon komen. Allen wisten, dat hij naar Strömstad was gekomen om genezing te zoeken voor een kindje, dat niet loopen kon, en ze kwamen hem gelukwenschen.
„Dat is prettig, luitenant, om te zien, dat het kleine meisje nu op het dek staat bij de andere kinderen,” zei een visscher.
„’t Is zeker jouw visch, die haar beter heeft gemaakt, Olaus,” antwoordde de luitenant dadelijk.
„Ja, visch is een best eten,” zei de oude visscher.
De luitenant had zich al weer tot een groep badvrouwen gewend.
„Ik dank u hartelijk!” zei hij, „u hebt ook uw deel gehad aan ’t geheele werk.”
„Nu moet je aan boord komen, Gustaaf!” riep Mevrouw Lagerlöf van ’t dek. „Er is al voor den derden keer gefloten.”
Op ’t allerlaatste oogenblik kwamen twee mooi gekleede kleine meisjes aanloopen over de loopplank. Zij liepen gauw naar de meisjes Lagerlöf, maakten een knik, gaven ze de hand, wenschten haar een voorspoedige reis, gaven ieder een klein pakje en liepen weer naar land.
’t Waren de twee dochtertjes van den koekenbakker, waar Anna den heelen zomer meê had omgegaan. ’t Kleine zieke meisje kende ze nauwelijks. Ze was er heelemaal verbluft door, dat ze ook voor haar een afscheidsgeschenk hadden.
Toen ze het papier opendeed, zag ze iets heel moois: een rood zijden lint, waarop een stuk stramien was geplakt met enkele, met zwart zij gestikte letters.
„Dat is een leesteeken,” zei Back-Kajsa, „dat mag jij hebben om in je gezangboek te leggen.”
„Daar staat op: „Ter herinnering”,” zei haar mama. „Dat is opdat je nooit het kleine meisje, dat dit voor je maakte, zoudt vergeten.”
’t Roode zijden lint met het stukje stramien en de zwart zijden letters heeft jaren lang in haar gezangboek gelegen. En als zij dat ’s Zondags in de kerk opensloeg en het leesteeken zag, bracht dat meestal haar gedachten naar lang verleden tijden terug.
Ze rook weer de zeelucht, ze zag booten en zeelieden voor zich, niet zoozeer de zee zelf, maar allerlei slakkenhuisjes, kwallen, krabben, zeesterren en makreel.
En dan dook het lichtroode huisje in de Karlstraat op uit de vergetelheid. Zij zag den paradijsvogel, Mevrouw Strömberg, de Jakob, het grauwe eiland, de stoomboot Uddeholm en de drie paarden, die de groote koets trokken.
Eindelijk zag ze ook hoe de wagen over een groot groen grasveld reed, met lage roode gebouwtjes omgeven, door een wit hek bijeengehouden. Zij hielden voor een lang, rood woonhuis stil, met kleine vensters en een klein erkertje, en ze hoorde hoe allen, die meêreden, uit één mond riepen: „Goddank, nu zijn we weer thuis!”
Alle anderen zagen dadelijk, dat dit Mårbacka was, allen behalve zij. Als ze alleen geweest was, zou ze niet geweten hebben, wat dit voor een plaats was. Ze herinnerde zich haar huis wel, maar ze had nog nooit gezien hoe het er uitzag.
Op het erkertje stond een klein gebogen oud vrouwtje met wit haar, met een gestreepten rok en een zwart jakje aan. Dat was Grootmoeder. Haar herinnerde zij zich ook zoo goed, maar ze wist heelemaal niet hoe ze er uitzag.
En zoo was het ook met broer Daniël en het kleintje, en de huishoudster, en Otello. Ze waren allemaal nieuw voor haar. Ze herinnerde zich hen alleen, maar zij had ze nooit te voren gezien.
Ze werd naar Grootmoeder gebracht en moest laten zien, dat ze loopen kon. Later, wanneer ze in de kerk van Östra Ämtervik over het leesteeken gebogen zat, dacht ze er over hoe ze niet alleen had leeren loopen op die reis naar Strömstad. Ze had ook leeren zien.
’t Kwam door die reis, dat ze wist hoe ze er uitzagen, al haar naaste familieleden, terwijl ze in hun beste dagen waren en zich over ’t leven verheugden. Als die reis er niet geweest was, zou alles van dien tijd uit haar hoofd zijn weggewischt.
Maar met behulp van dit roode lintje bleven die herinneringen leven.
„Laat de vergetelheid niet over dit alles heen groeien,” zei dit lint tegen haar.
„Denk aan je ouders, die zoo graag wilden dat hun kindje een gezond en flink mensch zou worden en die niet rustten vóór zij genezing voor je hadden gevonden! Denk aan Back-Kajsa en haar groote liefde en geduld en aan al den angst en schrik, op zee en aan land, die ze ter wille van jou heeft uitgestaan.”
DE LANDWEERMANNEN.
In 1810, toen Grootmoeder een paar jaar getrouwd was, en een paar kleine kinderen had, zat zij op een avond voor ’t venster aan de Oostzij, in ’t keukenkamertje. De schemering was gevallen, zoodat het te donker was om te naaien, en omdat het al laat in Maart was en de kaarsen bijna op waren, had zij haar breikous opgenomen, want breien kon ze zelfs in ’t pikdonker.
Juist toen ze daar met haar werk zat, voelde ze, dat ze haar hoofd moest opheffen en naar buiten zien. Toen kon ze haar oogen nauwelijks gelooven. Nog kort geleden was het stil en helder, en nu was ’t volle sneeuwstorm buiten. De sneeuw viel zóó dicht, dat ze maar even den vuurgloed door het venster van de knechtenkamer kon zien, die ze vlak vóór zich had. De wind had zoo’n kracht, dat de sneeuw tegen de vensters kletterde, en in ’t korte oogenblik, dat ze daar gezeten had, was er al zóóveel sneeuw door den storm opgejaagd, dat die struiken en hekken had bedolven.
Het duister was snel toegenomen, sinds ’t stormweer was gekomen, maar ze kon toch zien, dat verscheiden groote dieren door de sneeuwhoopen naar de plaats achter op de hoeve renden. Ze begreep dadelijk wat soort dieren dat waren.
„Als de meisjes nu maar oppassen, en geen brandhout gaan halen,” dacht ze, „want het zijn de grauwpooten, die van avond er op uit zijn.”
Onmiddellijk daarna hoorde ze een schreeuw, en zag een wolf voorbij haar venster sluipen, op zijn terugweg van de plaats achter op de hoeve. Hij had iets in den bek, dat zich verweerde. Ze vond, dat het op een kind leek, maar wat kan dat voor een kind zijn? Ze had immers haar beide kleintjes bij zich, en andere kinderen waren er op de hoeve niet.
Vlak achter dien eersten wolf kwam een tweede en die had ook een kind in den bek.
Toen kon Grootmoeder niet stil blijven zitten. Ze sprong zoo snel op, dat haar stoel omviel, vloog naar de keuken en verder de keukendeur uit, naar buiten. Maar daar bleef ze staan. Voor haar lag de heldere, stille, liefelijke lentenacht. Niets was er te zien van een sneeuwstorm, en niets van wolven. Ze moest bij ’t breien zijn ingeslapen, en wat ze gezien had, was niet anders dan een droom geweest.
Maar Grootmoeder begreep, dat hier ernst achter school. „We moeten goed op de kleintjes letten,” zei ze tegen de dienstboden.
„Dit was geen droom; ’t was een waarschuwing.”
Maar er overkwam den kinderen niets ernstigs, zij groeiden op en tierden, en ’t gezicht, of de droom—of wat het nu wezen mocht—was bijna vergeten, zooals zooveel van dien aard.
Tegen ’t eind van Augustus kwam een troep arme landweermannen Mårbacka binnenloopen. Ze waren in lompen gekleed, hongerig en ziek; ze waren mager als skeletten en hun oogen waren als die van wilde dieren. Allen zagen ze er uit als ten doode opgeschreven.
Zij vertelden, dat ze van Fryksände en andere gemeenten in ’t noorden van ’t Fryksdal kwamen. Maar nu ze dicht bij huis waren, voelden ze zich niet blij, maar vreesden, dat hun naaste betrekkingen hen niet zouden willen erkennen. Twee jaar geleden waren ze uitgetrokken als flinke en sterke mannen. Wat zouden de menschen thuis zeggen, als ze zóó ellendig terugkwamen, dat ze nergens voor deugden dan om onder den grond gestopt te worden op het kerkhof. In den oorlog waren ze niet geweest: ze waren enkel maar heen en weer getrokken in vocht en honger. Gevechten hadden ze nooit gezien: ze hadden alleen met ziekte en ontbering gevochten.
Toen ze uittrokken, waren er vele duizenden geweest, maar ’t eene duizendtal na ’t andere was omgekomen. Zij vertelden, dat zeer velen van hen aan ’t roeien waren gezet, in open pramen, op de woeste zee, midden in den winter. Hoe die tocht gegaan was, wist niemand, maar toen de pramen aan land dreven, had de bemanning dood aan de riemen gezeten, met ijs bedekt en bevroren.
Zij, die nog leefden, probeerden nu naar huis te komen, maar het was hun meermalen op die reis overkomen, dat ze met steenworpen verdreven waren uit de dorpen en van de hoeven, die ze genaderd waren.
Wat ze ’t meest betreurden, was dat ze niet in den oorlog gestorven en doodgeschoten waren, maar zich door ’t leven moesten voortsleepen onder eindeloos lijden.
Ze wisten wel hoe ze waren, vol ongedierte, stinkend van ’t vuil en akelig om te zien. Toen ze op Mårbacka aankwamen, vroegen ze niet om een bed of een onderdak. Ze bedelden maar om een paar bossen stroo en een droogen heuvel om daar te mogen liggen.
Op Mårbacka ontving men de arme krijgers niet met steenworpen.
Grootvader was niet thuis, maar Grootmoeder stond hun toe een kamp op te slaan op de plaats achter op de hoeve binnen het hek. Pap en brei kookten ze voor hen in groote ketels, en alles wat ze aan kleeren konden missen werd hun gebracht.
De menschen op de hoeve kwamen aanhoudend bijeen om hun kamp om hun verhalen te hooren van wat ze hadden beleefd. Maar niet allen konden spreken. Velen van hen waren zóó suf, dat ze niet antwoordden, als ze werden toegesproken. Ze schenen niet recht meer te weten wie ze waren en waar ze heen wilden.
’t Was zóó vreemd met deze mannen, dat ze zóó veranderd waren, dat het gerucht ver in ’t rond drong, en de menschen kwamen van heel ver om hen te zien.
„Die daar,” zei een vreemde, die de arme zwervers lang had staan aanzien, „die daar zeggen ze, dat een zoon van Göran Persa in Torsby is. Maar ik ken den zoon van Göran Persa. Dat was een flinke jongen. Hij lijkt er geen haar op.”
Op een dag kwam een arme weduwe aan. Ze was uit een klein gehuchtje, ver in ’t noorden, waar ze haar onderhoud vond in harden strijd met nood en honger.
„Is er iemand onder jelui, die Börje Knutsson heet?” vroeg ze, toen ze een poosje de zieke krijgslieden had staan aanzien.
In de heele troep was niemand, die antwoordde. De mannen zaten op den grond, met de beenen hoog opgetrokken en steunden de kin op de knieën. Zoo zaten ze graag uren achtereen, zonder zich te verroeren.
„Als hier iemand is, die Börje Knutsson heet, moet hij zich bekend maken, want hij is mijn zoon,” zei de vrouw.
Niemand van die ellendige stumpers zei een woord of verroerde zich. Zij zagen zelfs niet naar haar op.
„Ik heb elken dag geschreid, sinds hij wegging,” zei de arme weduwe, „als hij hier is, kan hij wel opstaan en ’t mij zeggen, want ik kan hem niet herkennen.”
Maar alles bleef even stil, en de vrouw ging langzaam heen.
’t Eerste mensch, die ze tegenkwam, vertelde ze wat haar gebeurd was. En toen was ze kalm en bijna blij.
„Ik dacht tot nu toe, dat ik krankzinnig zou worden, als mijn zoon niet terugkwam,” zei ze. „Maar nu dank ik God, dat hij niet onder die geraamten daar was.”
De landweermannen rustten een heele week op Mårbacka uit. Toen trokken ze verder naar het Noorden, een beetje versterkt en verkwikt.
Maar zij lieten de roodvonk achter. Allen op de hoeve werden ernstig ziek; maar niemand stierf, behalve Grootmoeder’s beide kleine kindertjes. Zij waren te jong om de ziekte te weerstaan.
Toen de kinderen in de kistjes werden gelegd, dacht Grootmoeder: „Als ik had gedaan, als de anderen—als ik die menschen niet ontvangen had, maar ze met steenworpen weggejaagd, dan waren mijn kindertjes nog in leven.”
Maar juist toen ze zoo dacht, herinnerde ze zich dat visioen op dien lenteavond: de beide wolven en de kinderen, die ze wegsleepten.
„Onze lieve Heer heeft geen schuld,” dacht ze, „Hij heeft mij gewaarschuwd.”
De kinderen waren immers niet gestorven, omdat zij barmhartig was geweest, maar omdat ze niet zorgvuldig genoeg was geweest om ze voor besmetting te bewaren.
Als ze er over dacht hoe het ten slotte haar eigen schuld was, dat haar kinderen dood en weg waren, werd de smart haar te machtig. „Dat kom ik nooit te boven,” dacht ze. „Ik word nooit meer een gewoon mensch!”
Wat haar wanhoop nog vergrootte, was de angst hoe haar man het verlies van de kleintjes zou opnemen; hij was al verscheiden maanden niet thuis geweest. De melancholie had zeker weer macht over hem, zoodat hij niet thuis durfde komen. Waar hij nu was, wist zij niet. Ze kon hem niet eens bericht zenden om hem te laten weten, wat er was gebeurd.
Nu zou hij zeker denken, dat dit een straf van God was, omdat zij getrouwd waren. Misschien zou hij wel nooit bij haar terugkomen.
Maar nu wist ze ook niet meer of hij ongelijk had. ’t Was misschien maar ’t best, dat ze elkaar nooit meer terug zagen.
Allen op de hoeve zagen met angst hoe bedroefd ze was, en wisten niet hoe ze haar zouden kunnen helpen.
Maar lange Bengt, de knecht, die de oudste van allen was, durfde wel wat op eigen verantwoording doen, en hij ging weer eens op reis naar Kymsberg om uit te vinden waar de huisvader was.
Dezen keer was lange Bengt binnen twee dagen terug. Hij had Grootvader gevonden en zijn boodschap gebracht; maar nauwelijks had hij uitgesproken of zijn heer had een versch paard voor de sjees laten zetten en toen waren ze zonder te rusten den heelen nacht door gereden, zoodat zij al den volgenden morgen op Mårbacka aankwamen.
Nu was de man niet stug en stijf, toen hij thuis kwam. Hij nam zijn vrouw met teere liefde in zijn armen en droogde haar tranen en troostte haar met de zachtste woorden.
’t Was alsof hij eerst nu hij haar radeloos en vol rouw zag, haar heel zijn groote liefde kon toonen.
Ze kon niet anders dan verwonderd zijn.
„En ik dacht, dat ik je nu ook zou verliezen,” zei ze.
„Neen, zoo ben ik niet, dat iemand mij door droefheid verliest,” antwoordde hij. „Meende je dan, dat ik je zou verlaten, omdat je al te barmhartig was geweest?”
Op dat oogenblik meende zij, dat ze hem beter begreep dan ooit te voren.
In vreugde en in rustige dagen, dàn wist ze, dat ze op zichzelf moest vertrouwen, en dat kon ze ook wel. Maar in smart en nood en in ernstige tijden zou hij altijd aan haar zij staan en haar steun en beschermer wezen.
DE STEENEN HUTTEN.
De meeste gebouwen, die op Mårbacka stonden, toen Luitenant Lagerlöf de hoeve overnam, waren oud, maar de knechtenkamer en de schapenstal werden beschouwd als ouder dan al de andere. Dat kon nu wel niemand met absolute zekerheid zeggen, want de oude houten schuur, die als provisiekast werd gebruikt, en de stal, die een laag balkon had vlak onder het dak, en het badhuis, waar het spek werd gerookt, en het ovenhuis, waar men koren liet kiemen, waren ook geen nieuwelingen in de wereld. Maar de knechtenkamer en de schapenstal waren van grauwe steenen opgetrokken, zooals men uit de akkers opgraaft; ’t waren knobbelige en platte, groote en kleine. Daarvan had men muren gebouwd, die twee el dik waren, alsof de bedoeling was, dat ze een belegering zouden kunnen doorstaan. Zoo’n manier van bouwen hadden de menschen verleden jaar niet, en ook voor verleden jaar niet, zoodat men vond, dat deze twee hutten den prijs verdienden, als ’t er om ging wie de oudste was.
Men moest er wel om denken, dat de eerste menschen, die op Mårbacka kwamen wonen, uit een of andere stad in de buurt waren gekomen, waar meer dan genoeg menschen waren in alle huizen, maar gebrek aan onbebouwden grond, zoodat het moeilijk was aan brood te komen. Ze waren zeker een paar jonge menschen, die graag hadden willen trouwen, maar omdat ze zoo arm waren, hadden ze er niets anders op kunnen vinden dan als landontginners de wildernis in te gaan. Ze hadden de bergwei ten Zuiden van den Åsberg gezien en die kwam hun geschikt voor, en daarheen verhuisden ze. Om te beginnen trokken ze zeker in een van de kleine houten hutjes, waar de veehoedsters vroeger gewoond hadden. Maar na een poosje voelden ze zich daar onveilig. Niemand woonde daar in de buurt; nu en dan bracht de beer een bezoek aan den veestal en henzelf kwamen nu en dan wilde benden kolenbranders bezoeken.
In zulke omstandigheden was het natuurlijk, dat ze zich een paar steenen hutten bouwden, één voor zichzelf en één voor het vee.
’t Huis, waar de dieren moesten zijn, was het grootste. Het had geen vensters, alleen kijkgaten met zelf gesmeede tralies, zoodat geen beer of wolf binnen kon dringen. De vloer bestond enkel uit vastgetrapte klei, maar de ruimte was verdeeld door een wand van ruwe balken, zoodat de diersoorten, die niet bijeen kunnen zijn, gescheiden konden worden. Paarden en schapen, die altijd goede vrienden zijn, mochten dus in het eene gedeelte leven, terwijl koeien en geiten in de andere afdeeling waren.