Part 9
Den hertog en den generaal naderend, spreekt hij over de aanstaande manoeuvres. De hertogin ziet hij nu op een afstand en Mena-Doni buigt zijn Nero-kop tot vlak bij haar gelaat. In zijne groote antipathie voor dien man mengt zich jaloezie. En terwijl hij glimlachend naar den hertog van Yemena hoort, meent hij nu zeker te weten, dat zijne liefde toch wel liefde is, omdat er jaloezie bijkomt.
III.
Den volgenden morgen, toen Othomar alleen paard reed, dacht hij den geheelen tijd aan Dutri. De moeilijkheid van een gesprek met zijn adjudant, scheen hem iets onoverkomelijks. Zijn hart klopte nu hij Dutri ontmoette, die hem wachtte in de Xaverius-kazerne. Maar de jonge officier wist hem in te fluisteren, zóo kalm hoffelijk, alsof dit alles de eenvoudigste zaak ter wereld was:
—Ik sprak de hertogin van Yemena, Hoogheid... Hare Excellentie zei me, dat Uwe Hoogheid haar in het geheim wilde spreken, en mij de eer aandeed... Neemt Uwe Hoogheid dezen sleutel...
Othomar nam werktuigelijk den sleutel aan. Zijn gelaat bleef strak, ernstig, maar inwendig voelde hij zich zeer verstoord op de hertogin, en begreep hij niet, hoe en waarom zij Dutri in hun geheim haalde. De eenvoud en gemakkelijkheid, waarmeê zij dit blijkbaar gedaan had, bliksemde hem als iets ontzettends toe. Eene wanorde scheen door zijn hoofd te dwarrelen, alsof de hertogin en Dutri er allerlei vastgezette denkbeelden van zijn jeugdig nadenken, met éen adem, hadden door elkaâr geblazen. Hij dacht aan den ouden hertog. Hij vond dit alles slecht. Hij wist, dat Dutri een jonge losbol was; hij hoorde door hem de geheele chronique-scandaleuze van het hof, maar hij had nooit de helft geloofd van wat Dutri vertelde, en den adjudant dikwijls stroef gezegd, dat hij er niet van hield zoo te hooren kwaad spreken van menschen, die zij iederen dag zagen en die verknocht waren aan zijn Huis. Nu scheen het hem toe, dat alles wat Dutri verteld had, waar kon zijn, en dat er nòg erger dingen konden gebeuren. Deze sleutel, met zulken hoffelijken eenvoud, met dit gemak van libertijn aangeboden, scheen hem een voorwerp van schroeiende schande. Hij schaamde zich het ding reeds in zijn zak te hebben gestoken...
Hij ging echter verder. De sleutel brandde hem, terwijl hij sprak met generaal Ducardi, en, terug, in het Imperiaal, met zijn vader en Myxila. Vóor hij de keizerin op zoû zoeken, die hem reeds wachtte, sloot hij den sleutel weg in zijne schrijftafel; langzaam, een schaduw over zijn voorhoofd, ging hij daarna pas voor pas, de lange galerijen door, naar de appartementen der keizerin. In de antichambre rees de hofdame op, boog, klopte aan de deur en ontsloot die:
—Zijne Hoogheid, de Hertog van Xara...
Stil sloeg Othomar een kruis, als kwam hij een kerk binnen.
—Moge God en Zijne Moeder mij vergeven! mompelde hij tusschen zijne lippen; toen trad hij binnen bij de keizerin.
In het groote vertrek zat zij alleen, bij een der open ramen, die op het park zagen; zij droeg een zeer eenvoudigen, gladden donkeren japon. Het trof hem hoe jong zij er uitzag, en hij dacht er aan, dat zij jonger was dan de hertogin. Een aureool van delicate reinheid scheen om hare tengerlange gestalte te trillen als een atmosfeer van licht, en gaf haar eene hoogheid, die niet om andere vrouwen scheen. Zij glimlachte hem toe en hij kwam langzaam nader en kuste haar de hand.
Zij had hem dien dag nog niet gezien, nam zijn hoofd tusschen hare slanke, koele handen en kuste hem.
Hij zette zich naast haar op een lagen stoel.
Toen streek zij met de hand over zijn voorhoofd.
—Wat is er? vroeg ze.
Hij zag haar aan en zeide, dat er niets bizonders was. Verder zag ze niet: hij bracht haar wel meer een bewolkt voorhoofd mede. Nog eens streek ze er over heen.
—Ik heb papa beloofd ernstig met je te praten, Othomar, sprak ze.
Hij keek tot haar op.
—Hij vond het beter, dat ik met je sprak, omdat hij zelve oordeelde, dat ik gemakkelijker met je kon spreken. Hij is anders heel tevreden over je, mijn jongen, en verheugt er zich in, dat je zoo een klaar oordeel hebt, soms, over sommige staatszaken.
Dit oordeel zijns vaders verbaasde hem.
—En waarover beloofde u met me te spreken?
—Over iets heel, heel gewichtigs, sprak ze met een zachten glimlach. Over je huwelijk, Othomar.
—Mijn huwelijk...?
—Ja, mijn jongen... Je wordt twee-en-twintig. Papa is wel veel later getrouwd, maar hij had veel broêrs. Ze zijn gestorven. Oom Xaverius is in zijn klooster. En wij... papa en ik, we zullen wel geen kinderen meer krijgen, Othomar.
Ze had hare armen om zijn hals gelegd en trok hem naar zich toe: ze fluisterde:
—We hebben niemand dan jou, mijn jongen en onzen kleinen Berengar. En... papa vindt, dat je daarom trouwen moet. We moeten een erfprins hebben, een Graaf van Lycilië...
Zijne oogen werden vochtig; hij legde zijn hoofd tegen haar aan.
—Twee om keizer te worden; Berengar, als ik er niet meer zijn mocht; is dat niet genoeg, mama?
Ze schudde glimlachend het hoofd van neen. Neen, dat was niet genoeg zekerheid voor het Huis van Czyrkiski-Xanantria.
—Mama, zeide hij zacht; als sociologen spreken over de sociale quaestie, betreuren zij het, dat er onder het proletariaat zooveel kinderen worden geboren en noemen zij de arme ouders, die niets hebben dan hunne liefde, zelf verantwoordelijk voor de meerdere ellende, die zij met die kinderen in de maatschappij veroorzaken. Treft dit verwijt eigenlijk ook ons niet? Of vindt u een keizer zoo gelukkig?
Haar voorhoofd betrok.
—Je bent in een van je sombere buien, Othomar. In Godsnaam, mijn jongen, geef je daar toch niet aan toe. Filozofeer zoo niet, neem het leven op, zooals het je gegeven is. Dit is de eenige manier, om het te dragen. Denk er niet over na of je later gelukkig zal zijn als keizer, maar neem aan, dat je keizer worden moet.
—Goed, ik, maar waarom kinderen, mama?
—Welke vorst laat zijn huis uitsterven, Othomar! Wees niet dwaas. Hecht aan traditie, dat is voor ons alles. Heb over die quaestie niet zulke vreemde denkbeelden. Ze zijn niet die van een aanstaanden—ik had bijna gezegd—alleenheerscher; ze zijn niet die van een vorst. Niet waar, Othomar, je begrijpt, je móet, je móet trouwen...
Hare stem klonk beslister dan gewoonlijk, bijna hard.
—En, beste jongen, ging zij door; zegen de omstandigheden en trouw nu, zoo gauw mogelijk. De politiek met het buitenland staat op het oogenblik zóo, dat er geen bizondere aanwijzingen voor je huwelijk zijn. Je kan zoo iets als kiezen. Want je bent de kroonprins van een groot rijk, mijn jongen, van een van de grootste rijken van Europa...
Hij wilde spreken, ze ging haastig voort:
—Ik herhaal je: je kan—bijna—kiezen. Je weet niet, hoeveel dit is. Apprecieer dat, apprecieer de omstandigheden. Reis naar de hoven van Europa, die in aanmerking komen. Zie uit je oogen, doe je keuze. Er zijn lieve prinsessen van Engeland, van Oostenrijk...
Othomar sloot zijne oogen even, of eene vermoeidheid hem afmatte.
—Later, mama... fluisterde hij.
—Neen, mijn jongen, zei de keizerin: niet spreken van later, niet uitstellen. Denk er nu over na. Denk hoe je je reis nemen wilt en wie je meê wilt nemen en praat er over met papa en Myxila. Beloof je me dat?
Hij drukte zijn hoofd even tegen haar aan en beloofde het, met een glimlach vol moêheid.
—Wat is er toch, mijn jongen? vroeg ze. Zeg dan, wat is er toch?
Zijne oogen werden vochtig.
—Ik weet het niet, mama. Ik ben soms zoo moê...
—Ben je niet wel?
—Jawel, dat wel, maar ik ben zoo moê...
—Maar waarvan dan toch, mijn kind?
Hij begon zacht te snikken.
—Van... van alles... mama.
Zij zag hem lang aan, schudde langzaam, afkeurend haar hoofd.
—Vergeef me, mama, stamelde hij en hij veegde zijne oogen af; ik zal er niet meer aan toegeven...
—Dat heb je me al eens meer beloofd, Othomar.
Als een kind drukte hij weêr zijn hoofd tegen haar aan.
—Neen, heusch, betuigde hij, vleiend; ik zal er me heusch tegen verzetten. Het is niet goed van me, mama. Ik zal me meer ophouden: ik zal sterker worden, ik zweer het u, voor ú zal ik sterker worden...
Ze zag hem weêr lang in de oogen, met haren reinen glimlach. Innige teederheid ging van haar uit op hem; hij voelde, dat hij nooit iemand zóo zoû liefhebben als die moeder. Toen nam zij hem in beide hare armen en drukte hem tegen zich aan.
—Ik neem je belofte aan, en ik dank je... mijn arme jongen! fluisterde zij in haren zoen.
Op dit oogenblik klonk er een jong gegons van stemmen, als van losgelaten vogels, uit het park, door de open ramen heen. Getrippel van vele kleine voeten knarste op het grint. Een hooge schelle kinderstem klonk op eens met woedende woorden uit de anderen op; de anderen zwegen...
De keizerin was met een electrischen schok opgeschrikt. Zij richtte zich haastig omhoog, doodsbleek.
—Berengar! riep ze, en hare stem bestierf.
—En ik zal het zeggen aan Zijne Majesteit, wat voor een vlegel je bent, en dan zullen we eens zien! Dan zullen we wel eens zien, dan zullen we wel eens zien...
De keizerin had zich bevende uit het venster gebogen, ze zag een tiental kleine jongens; ze keken beteuterd.
—Waar is Zijne Hoogheid? vroeg ze.
—Zijne Hoogheid is daar, Mevrouw! antwoordde een klein graafje verlegen en wees met een vingertje naar het achterplein, dat de keizerin niet zien kon.
—Maar wat gebeurt er toch? Is dat een leven maken! Laat Zijne Hoogheid dadelijk hier komen! Berengar! Berengar!
Zijne Hoogheid, Berengar, geroepen, kwam aan. Hij ging tusschen de kleine hertogjes en graafjes door, en zag naar het venster op, waaruit zijne moeder zich boog. Hij was een klein, flink gebouwd, pittig ventje; zijn gezicht was rood van verontwaardiging, met twee kleine woedende oogjes er in, als zwarte vonkjes.
—Berengar, kom hier! riep de keizerin. Wat is er toch? Waarom kan je niet spelen, zonder te vechten?
—Ik vecht niet, mama, maar... maar, ik zal het aan papa zeggen... en en dan zullen we wel eens zien...! Dàn zullen...
—Berengar, kom dadelijk door het paleis hier binnen, dadelijk! beval de keizerin.
Othomar, achter de keizerin, zag naar de groep jongens. Hij zag, hoe Berengar met een enkel woord zich verontschuldigde bij het grootste hertogje en langs het achterplein verdween.
Na een oogenblik kwam het kind de kamer in.
—Berengar, sprak de keizerin; het is heel ongemanierd zoo een leven te maken in het park, en dat wel vlak achter het paleis.
Het kind zag haar aan, met ernstig rood gezichtje.
—Ja mama, beaamde het zacht.
—Wat is er gebeurd?
Berengars lippen beginnen te trillen.
—Het is die lamme schildwacht... begon hij.
—Wat is er met dien schildwacht?
Hij... hij prezenteerde niet voor me!
—Prezenteerde de schildwacht niet voor je? Waarom niet?
—Ik weet het niet! riep Berengar verontwaardigd.
—Maar hij prezenteert toch altijd?
—Ja maar, nu deed hij het niet. Wel den eersten keer, toen wij voorbij kwamen, maar niet den tweeden keer... We speelden krijgertje, en toen we voor de tweede maal voorbij hem liepen, prezenteerde hij niet!!
Othomar begon te schateren.
—Je hoeft er niet om te lachen! riep Berengar boos; en ik zal het aan papa zeggen, en dan zal je wel zien.
—Maar woû je hebben, Berengar, zei de keizerin; dat iederen keer, als jij met krijgertje spelen voorbij liep, die man zijn geweer prezenteerde?
Berengar bedacht zich.
—Hij kon het toch minstens wel de tweede maal gedaan hebben. Als het nu drie, vier, vijf malen was geweest. Maar de twéede maal pas...! Wat moeten al die jongens wel van me denken?!
—Hoor eens, Berengar, zei de keizerin; wat er ook gebeurt, het komt in het geheel niet te pas, dat je, wien het ook zij, met leelijke namen noemt en ook niet, dat je zoo een leven maakt in het park, vlak achter het paleis. Uitschelden, dat doet een kind van een keizer niet, zelfs niet een schildwacht. Ga daarom dus nu dadelijk naar dien schildwacht toe en zeg, dat het je spijt, je zoo driftig gemaakt te hebben.
—Mama! riep het kind ontzet.
Het gezicht van de keizerin stond strak.
—Ik wil het, Berengar.
De jongen zag haar met de grootste verbazing aan.
—Moet ik dat zeggen... aan dien schildwacht, mama?!
-Ja.
Blijkbaar begreep Berengar op dit moment de wereldorde niet; hij vermoedde een oogenblik, dat de revolutie was uitgebroken.
—Maar, mama, dat kan ik niet!!
—Het moet, Berengar, en dadelijk.
—Maar mama, zal papa dat goed vinden?!
—Zeker, Berengar, zei Othomar; wat mama je zegt te doen, vindt papa natuurlijk goed.
In radeloosheid zag de jongen naar Othomar op; zijn gezichtje trok lang, zijn stevige vuistjes trilden. Toen barstte hij in een wanhopig snikken uit.
—Kom Berengar, ga, zei de keizerin weêr.
Het kind ontstelde nog meer om hare strakte; zoo zag hij altijd haar staren op de menigte, maar niet op hare kinderen. En hij wierp zich met de kleine wijdte zijner radelooze armpjes in hare rokken, omklemde haar en snikte met groote klokken van snikken.
—Ik kàn dat niet doen, mama!!
—Het moet, Berengar...
—En... en... en ik wil het niet, ik wil niet!!! knarste de jongen in eens woedend, stampvoetend.
De keizerin deed niets dan hem aanzien, heel lang, héel lang. Het verwijt van haren blik brak het kind. Het snikte luid op, en scheen er niet meer aan te denken, dat zijne vriendjes daarbuiten Zijne Hoogheid zeker zouden hooren snikken. Hij zag, dat er niets aan te doen was, dat het moest. Het moest!! Zijne Keizerlijke Hoogheid, Berengar, markies van Thracyna, (Ridder van St. Ladislas), mòest zijn spijt betuigen aan een schildwacht, die hèm, Zijne Hoogheid, nog wel te kort had gedaan.
Zijn middeneeuwsch kinderzieltje was er geheel door in omwenteling. Hij begreep niets meer. Hij zag alleen maar, dat het moest, omdat zijne moeder hem met zoo een treurigen blik aanzag.
—Othomar! snikte hij zijne wanhoop uit; Othomar! Wil... jij... dan met me... meêgaan!!! Maar hoe zal ik het doen, hoe zal ik het doen!
Othomar glimlachte hem medelijdend toe, en stak zijne hand naar hem uit. De keizerin knikte, dat de prinsen zouden gaan.
—Hoe zal ik het doen! O God, hoe zal ik het doen! hoorde zij Berengars stem nog uit de antichambre in wanhoop opsnikken.
Elizabeth was doodsbleek geworden. Zoodra zij alleen was, zonk zij in een stoel, het hoofd achterover. Hélène van Thesbia kwam juist binnen.
—Mevrouw! riep de jonge gravin. Wat heeft U?
De keizerin greep hare hand; Hélène voelde die ijskoud.
—Niets, Hélène, antwoordde zij; maar Berengar heeft me zoo verschrikkelijk laten schrikken. Ik dacht... ik dacht, dat ze hem vermoordden!!!
En in een zenuwbui van stootende snikken stortte zij zich in de armen der gravin.
IV.
Dien avond, vóor Othomar met zijne adjudanten naar het diner bij den Franschen gezant zoû gaan, hield hij Dutri staande:
—Ik zie, dat hare Excellentie, de hertogin, u zeer vertrouwt, prins, sprak hij kort. Ik wil niet betwijfelen of haar vertrouwen misplaatst is. Maar ik verzeker u dit: dat zóo het ooit mocht blijken, dàt het misplaatst was, ik dit nooit—noch nu, noch later vergeten zal...
Dutri zag vreemd op: hij hoorde daar zijn aanstaanden keizer spreken. Toen maakte hij een moue als een boudeerend kind en sprak:
—Ik kan niet zeggen, dat Uwe Hoogheid zeer dankbaar is voor de gastvrijheid, die ik Haar heb aangeboden.
Othomar glimlachte pijnlijk, reikte hem nu de hand...
—Of dat het vriendelijk is van Uwe Hoogheid mij van dàag met Hare ongenade te bedreigen, ging Dutri voort.
—Ik ken je, Dutri, sprak de prins aan zijn oor. Ik ken je tong. Daarom alleen waarschuw ik je... En, nu in Gods naam, zwijg hier verder over, want dit... dit alles doet me pijn...
Dutri zweeg en vond hem een kind en een vorst tegelijk. Hij haalde in stilte zijne schouders op om Othomars weêrgâlooze naïviteit, maar hij huiverde als hij dacht aan eene mogelijke ongenade. Hij had geen fortuin; zijne pozitie bij den kroonprins was zijn leven, zijne ambitie, zijn alles, voor nu en voor later: als de prins keizer zijn zoû...! Hoe blij was hij eerst geweest, dat Alexa hem alles verteld had, dat hij een geheim wist van zijn prins, die nooit geheimen scheen te hebben! Eene vage vreugde, dat dit geheim hem macht zoû geven over zijn toekomstigen keizer, was reeds door zijn hoofd vol luchthartige berekening gefladderd. En nu, nu dreigde de prins hém, ontzenuwde dus die macht al in den aanvang! Dutri had nu bijna spijt, dat hij in dit geheim was opgenomen; hij vreesde zelfs, dat de keizer er iets van zoû hooren, dat hem de ongenade van den vader al treffen zoû, voor die van den zoon...
—Had Alexa me er dan ook maar nooit ingehaald! klaagde hij nu bij zichzelven met zijne oppervlakkige wisselvalligheid van gedachte.
Maar hoewel Dutri zweeg, en zelfs tegensprak, werd er over de liaison van den kroonprins gesproken, misschien alleen naar aanleiding van de zegevierende blikken van Alexa, als Othomar, op een soirée, op een bal, een oogenblik tot haar sprak. De tegenspraak van Dutri, die men kende als een klap-uit, bracht echter verwarring, en men wist niet waaraan men zich te houden had en wat de waarheid was.
Gelukkig om die liefde voelde Othomar zich echter niet; de woeste passie van die vrouw met haar brandende blikken, die hem het eene oogenblik overweldigde door hare zoenen, het andere voor hem neêrkroop als een slavin en aan zijne voeten brak in nederigheid voor haar aanstaanden heerscher, verbaasde hem eerst, sleepte hem in sommige wanhoopsbuien meê, maar wekte in hem op den duur een gevoel van onwil en tegenkanting. In het geparfumeerde appartement van den jongen adjudant, waar zij elkander zagen, en dat coquet was, als het boudoir van een jong meisje, gecapitonneerd als een bijouteriekist, kreeg hij soms lust die vrouw, die hem toch met hare vreemde ziel liefhad en hare liefde niet veinsde, van zich af te stooten, haar te trappen, te slaan. Zijn temperament was niet voor zoo brutalen hartstocht. Het was of zij schudde aan zijne zenuwen. Hij walgde soms van haar. En toch, een enkel woord van hem, en ze bedwong hare woestheid, zonk nederig naast hem neêr, streelde zacht zijne hand, zijn hoofd, en hij kon er niet aan twijfelen, dat zij hem aanbad, misschien wel een weinig omdat hij de kroonprins was, maar toch ook veel om hemzelven.
Zoo was het April geworden, en bijna reeds zomer; de Syrische vorsten zouden komen. Ze waren eerst bij den Sultan geweest en daarna aan het hof te Althene. Door Liparië zouden zij naar de Noordelijke rijken van Europa gaan. Op den dag hunner aankomst fladderde Lipara van vlaggen; de, al zoo straffe, zuidezon regende goud over de witte stad; de haven azuurde in lichte rimpeling. Eene gonzende menigte: gebruinde gezichten—vele nog bont nationaal gekleede landlieden uit Thracyna—wemelde en drong over de kaden. Op het azuur van het water, als op liquide metaal, dreven de pantserschepen, welke de vorsten, verwelkomende, zouden binnen halen, naar den mond van de haven uit. Daar, op de Xaveria, waren met hun gevolg van admiralen en schouten-bij-nacht, de beide prinsen Othomar en Berengar, en hun schoonbroêr, de aartshertog van Karinthië. Tallooze kleine bootjes gleden snel over de zee heen, als waterspinnen.
Een schot van Wenceslas-fort, den straffen ether verscheurend, meldde het oogenblik, dat de kleine vloot het Syrische yacht ontmoette, en de Oostersche vorsten dit verlieten voor de Xaveria. Uit de villa’s aan de kaden, uit de bootjes met toeschouwers, richtten zich de binocles naar het verschiet van in licht zwijmelende blauwte, waarop de schepen nog zichtbaar trilden. Een half uur daarna golfde, als van het Imperiaal af, het gejuich der menigte aan en golfde luider op en luider naar de haven toe. Door de haie der grenadiers, die stonden van het paleis tot het paviljoen, waar de hooge gasten zouden aan wal komen, reden de, door jockey’s bereden, landauers, aan, waarin Hunne Majesteiten zaten. Hen volgden de equipages der beide zusters, de aartshertogin van Karinthië en Thera, en van het gevolg.
De vloot, het Syrische yacht omringend, was de haven weêr binnen gedreven. Door de eerewacht der Troongarde heen, tusschen de draperieën van purper en vlaggen, zag de menigte iets van begroeting der vorsten in het paviljoen. Men galmde leve’s!; daarna reed de stoet naar het Imperiaal, de keizer met den koning van Syrië in het eerste, de keizerin met de koningin in het volgende rijtuig; daarachter de landauers met de prinsen en prinsessen en het gevolg.
Een roes van feesten en vertoon volgde. Na de tragedies der overstroomingen en der Parlementscrizis woei eene vroolijkheid van humor over de, in de zon glinsterende, rezidentie heen en duurde laat tot in de verlichte zalen en parken van het Imperiaal toe. Die humor was om de Oostersche vorstin. Den koning van Syrië vloeide misschien nog een paar druppelen van het bloed van Salomo door de aderen. Maar de koningin was niet van vorstelijke afkomst. Zij was de dochter van een der Syrische grooten en de naam van hare moeder werd niet genoemd in den Almanach de Gotha. Die moeder was zeker een favorite van twijfelachtig adellijke herkomst, maar wat zij precies geweest was, wist niemand. Een demi-mondaine uit Parijs of Weenen, die in het Oosten was gestrand en er fortuin had gemaakt in den harem van een grooten Syriër? Eene half Europeesche, half Egyptische danseuze uit een danshuis van Caïro of Alexandrië? Wat ook, hare gelukkige dochter, de koningin van Syrië, vertoonde onloochenbaar eene mengeling van bloed, iets Oostersch’ en Europeesch’ samen. Naast den echt Semitischen type van den koning, die iets nerveus deftigs had in zijne half Europeesche, half Orientalische uniform, waarop de diamanten schitterden, had de vorstin, dik, klein, mollig, zachtbruin, het exuberant glimlachende, en bewegelijk wiegende van ledematen, het draaiende van hoofd en werkende van oogen eener kleurlinge. Hare eerste verschijning al, in het rijtuig, naast de delicate figuur van keizerin Elizabeth, in kleurig reistoilet en hoed met groote pluimen, overvloeiend vriendelijk buigend en lachend naar alle zijden, had de Lipariërs, gewend aan de koele hoogheid hunner vorsten, met eene vroolijkheid doortinteld, die onuitbluschbaar scheen. De Syrische vorstin werd het topic van alle gesprekken en om haar tintten alle gesprekken zich met een glimlach van ondeugd. Daarbij scheen zij zoo in-goed, dat men onmogelijk kwaad van haar wist te vertellen en zich alleen maar om haar amuzeerde. Men herinnerde zich, dat de Syrische potentaten fabelachtig groote giften om de overstroomingen hadden geschonken. En de humor, die over Lipara woei, was een zuidelijke humor, zonder kwaadmeenen en alleen maar goedlachs of schaterend van pleizier, omdat de Lipariërs nog nooit zoo een grappige koningin gezien hadden.
De groote manoeuvres hadden plaats op het Marsveld. De koning vergezelde den keizer en de prinsen te paard met hun zwerm van Europeesche en Oostersche adjudanten. De vorstinnen en haar gevolg wachtten de défilé’s in landauers af. Berengar marcheerde dapper in zijne compagnie grenadiers, waarin hij luitenant was, meê, wat zijne korte beentjes marcheeren konden, en hield zijn gezichtje strak, om de moeite niet te verraden, die hij had de lange stapbeenen bij te houden. De huzaren verbaasden den Syrischen vorst om hun één-zijn met hunne paarden, als zij in woesten rit zich half afwierpen naar den grond toe, en raapten in stormender vaart een vlag van den grond, zich weêr zwaaiden met éen kreet op en wuifden het doek. De Afrikanen voerden hun zwierige fantazia’s uit, drilden de speren, die bliksemden als losrakende bundels stralen, en wapperden aan in wolken van witte burnousen en stof, waarin hunne negerkoppen met tallooze zwarte vlekken wemeldonkerden en vonkten van oogen.