Majesteit

Part 8

Chapter 83,900 wordsPublic domain

Langzaam gaat de stoet van ceremonie door de eindeloos lange hoofdstraten voort. De geheele stad, trots haar marmer, dreunt van den hoefslag der paarden, op het vierkant plaveisel. Tusschen de voorhoede en de eindelooze achterhoede schemeren de galakoetsen met hare schitterende Troongarde als iets van juweel, klein, weinig, zorgvuldig bewaakt. De cavalerie is op dit oogenblik de ziel van Lipara; de daverende stap haar hartslag, en tusschen de grenadiers en de hooge huizen, schijnt het samengedrongen, dóórjuichende volk nauwelijks ruimte te hebben tot ademen.

De stoet nadert het Imperiaal. Langs het kolossale marmeren voorplein scharen zich de lanciers en kurassiers aan drie zijden, voor de zijvleugels en langs de facade. Vóór hen schaart zich de Garde. De Afrikanen sluiten het plein af...

De koetsen rijden voor; de keizer is uitgestapt. Met den kroonprins aan zijne zijde, gaat hij door de vestibule, de trappen op. De galerijen van het paleis wemelen van gouden uniformen, een dicht gevolg stuwt zich achter Oscar en Othomar. De grootmeester van de garderobe met twaalf kamerjonkers treedt den keizer tegemoet, die, evenals de prins, de kroon aflegt; de mantels worden hun losgehaakt.

Zij gaan naar de groote Witte Zaal, wit van de Corinthische zuilen, met vergulde kapiteelen; de keizerin, de prinses Thera, te midden van hare dames zijn daar. Het is een groote dag; de monarchie triomfeert met die zonne-apotheoze van parlementsopening over de dreiging van toekomst heen en duwt die toekomst zelve terug. De keizerin, in haar slepend licht violet fluweel, treed haar gemaal tegemoet en nijgt voor hem, in ceremonie. De prinses, de grootmeesteres, de dames nijgen...

Buiten, vóór, is het plein nu gevuld met de menigte; een opgewonden volksgeschreeuw schalmeit tegen het onwrikbaar paleis op, als eene zee tegen een rots. De deuren van het middelbalkon worden geopend. De keizer en de prins zullen zich vertoonen...

—Groet maar héel even, fluistert de keizer streng tot zijn zoon.

De zon regent buiten goud neêr op het gewoel, kleurt het dwarrelig, bewegelijk, zuidelijke bont tusschen de witte, onbewegelijke voor-zijvleugels van het Imperiaal, waarvan de kariatyden roerloos neêrzien. De vorsten stappen op het balkon. De hoeden zwaaien naar hen op; het geschreeuw bulkt met éen luidruchtig vulgairen keelgalm naar boven en schoot door de open deuren tegen het verguld plafond en de zuilen der Witte Zaal aan. De keizerin verschrikt er om, verbleekt; hare adem stokt...

Op het balkon groet de keizer van Liparië met een enkele wuiving van hand zijn opgetogen volk tegen, de hertog van Xara buigt licht het hoofd.

II.

Van Grondwetherziening en hervorming van het erfelijk Huis van Adel was geen sprake meer. De drie kwart constitutioneele meerderheid, door de Grondwet vereischt in het Huis der Standen om zulk een voorstel in overweging te kunnen nemen,—in den aanvang aanwezig,—bestond niet meer na de nieuwe verkiezingen. Oscar, aanstonds na zijne terugkomst uit Altara, had hun zijn durvende kracht getoond. De troepen verzameld om Lipara; nu goed, voor de manoeuvres, om den koning van Syrië, die komen zoû. De forten versterkt. Het eskader in de haven. Toen het keizerlijk besluit, dat het Huis der Standen eenvoudig... zoû worden ontbonden. Hoe ze geschreeuwd hadden, na de afkondiging van dat besluit, in couranten en op straat! Een oogenblik ’s avonds iets van een oproer. Maar de keizer, woedend, over het niet onmiddellijk krachtdadig optreden van den markies van Dazzara, had dezen den volgenden morgen zijne hooge ontevredenheid betuigd. De markies voelde, dat er met de ongenade van den keizer op zekere oogenblikken niet te spotten viel; de keizer deelde hem zelve op staanden voet zijn ontslag mede, en zeide, dat hij gaan kon. Verpletterd, de wanhoop in de oogen, verliet de markies het Imperiaal; op het voorplein kruiste zijn rijtuig dat van den hertog van Mena-Doni, luitenant-generaal der huzaren; hij zag den sensueelen Nerokop van den hertog, begeerlijk van ambitie, opgluren naar de façade van het paleis. De markies had zich in den hoek van zijn rijtuig teruggegooid en handen gewrongen, geweend als een kind...

Dien zelfden morgen werd Lipara in staat van beleg verklaard; de hertog van Mena-Doni tot gouverneur der rezidentie benoemd. Met groot militair vertoon en drie woorden toespraak ontbond de keizer het Huis der Standen. Het volk trilde, afgezweept, neêrgeranseld, tot kruipen gebracht aan de keizerlijke voeten. De nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven. Moest het volk getuchtigd worden om zijn keizer lief te krijgen? Was het om de tallooze artikels in de couranten der Noordelijke gouvernementen, Altara, Vaza en Lycilië, die geheel hare sympathie schonken aan hun allerinnemendsten, weldoenden kroonprins, onvermoeid overal zijnde en lenigend wat hij kon? Was het om de kolossale fabelachtige giften van millioenen uit de keizerlijke kas zelve geschonken voor de slachtoffers van de ramp? De uitslag der verkiezingen werd bekend; het Nieuwe Huis der Standen telde eene machtelooze luttele meerderheid van constitutioneelen. Wat hielp het of de liberale bladen schreeuwden van geknoei en pressie! Buiten en binnen de stad lag het leger; iederen dag vertoonde zich de keizer, en aan zijne zijde, de hertog van Mena-Doni...

De keizer verzocht het oude Ministerie te blijven, maar ontsloeg de, niet volstrekt autoritaire, ministers.

De crizis was ten einde. Op het Marsveld zouden de groote voorjaarsmanoeuvres plaats hebben, zoodra de koning en de koningin van Syrië te Lipara waren.

In Othomar rees eene hooge bewondering voor zijn vader. Hij had hem niet lief, met de teederheid, de vertrouwelijkheid, bijna nog kinderlijke aanhankelijkheid, waarmeê hij de keizerin liefhad; hij had altijd tegen hem opgezien, was als kind bang voor hem geweest. Nu, na den persoonlijken moed, dien hij den keizer had zien betoonen, de heerscherskracht, die hij had uitgeoefend, rees zijne Majesteit voor Othomars oogen hooger als met de gestalte van een halfgod. Zichzelven voelde hij daar klein mensch bij, als hij dacht: wat zoû ik gedaan hebben, als ik hierin had moeten doen? Had ik dadelijk het besluit durven nemen van eene ontbinding der Standen, en zoû ik niet gevreesd hebben voor een onmiddellijke revolutie in alle deelen des lands? Zoû ik, na de ongeregeldheden, dadelijk den markies van Dazzara hebben kunnen ontslaan, als een lakei hebben durven wegzenden, verknocht als hij was aan ons Huis, en stammende uit onzen roemrijksten adel! Zoû ik dien hertog, dien condottiere, met zijn wreeden kop, nog vóor ik den markies had ontslagen, reeds tot mij hebben durven roepen, zoodat de een kwam, toen de ander wegging!

En, in zijne verbeelding, zag hij zich reeds weifelen; niet weten, wat het beste, vooral niet wat het rechtvaardigst zoû zijn; stelde hij zichzelven voor: geraden door den ouden graaf Myxila, ten laatste dan besluiten de Standen te ontbinden, maar den markies niet ontslaan. Lipara niet in staat van beleg verklaren, en de troepen te laat verzamelen, en de revolutie tegelijkertijd overal zien ontknallen als met bom op bom...

Het rechtvaardigste, dit scheen hem het allermoeilijkst te doen voor een vorst.

Maar de monarchale zege van den keizer maakte dat, hoe waar hij ook in zichzelven zijne zwakte zag, een weêrschijn van kracht en beslistheid op hem afstraalde van zijn vader zelven, aan wiens zijde hij stond. Daarbij had hij niet veel tijd tot peinzen. Iedere dag bracht zijne eigenaardige plichten meê. Nauwelijks éen enkel uur eenzame rust kon hij zich maken. Hij was gewend aan dit leven van zich altijd bewegen, zich altijd voordoen, nu hier, dan daar, er zoo aan gewend dat hij niet voelde de vermoeienis, die hem reeds vóór de tournée in het Noorden afmatte, en zich als ingekankerd had in zijn merg en zijne zenuwen. Hij dacht over die vermoeienis niet na, beschouwde ze misschien als eene organische loomte, iets tijdelijks, dat wel zoû overgaan. En iedere dag bracht het zijne. Zoo was hij gewend vroeg op te staan, altijd om zeven uur; Lipara lag dan nog in haren rozen sluimer van morgenlicht, stil wit; hij reed dan op zijn volbloed Arabier, zwarten Emiro,—even achter zich zijn lievelings-Schotschen-herdershond, meê galoppeerend, den spitsen snuit gestrekt, den kraag van haren hoog opgezet—; zonder adjudanten ging hij het park van het Imperiaal door, naar de Elizabethparken—des middags het rendez-vous der elegante equipages en cavaliers,—des morgens stil en wijd verlaten, met nauwelijks éen enkelen vroegen ruiter, die eerbiedig voor den prins front maakte en den hoed diep afnam. Dan reed hij langs de witte kaden met hare villa’s en palmen, hare terrassen en aloë’s en de onvergelijkbare haven lag voor hem, steeds intenser opblauwend onder het roze licht van den morgen, dat straffer werd. Verder op, de dokken, de schepen; daar gonsde er al de werkzaamheid. Langzaam stapte hij de haven langs; in de portieken der villa’s zag hij soms iets van de figuur eener vrouw, en hare oogen hem nakijken door rozen en clematis heen. Die rit was hem lief, om de zachte frissche lucht, om zijn paard, zijn hond, om de eenzaamheid met hen beiden, om de lange stille kaden, den wijden stillen hemel, den verren horizont, die nog even nevelde in laatsten morgenmist. De morgenbries aanwaaide zijn voorhoofd onder zijn uniformpet; de gedachten dwaalden doelloos door zijn brein. Dan schudde hij zich los uit dien wellust, reed terug naar de stad en ging naar de Xaveriuskazerne, die der lanciers, naar de Wenceslaskazerne, der grenadiers of naar de Berengarkazerne, die der huzaren. Hier vroeg hij, onderzocht hij, inspecteerde hij, en vond er zijne adjudanten, Dutri en Leoni; met hen reed hij terug naar het paleis, en begaf zich naar het kabinet van zijn vader; het was het uur, dat graaf Myxila bij den keizer kwam, en de staatszaken met den Rijkskanselier behandeld werden; de kroonprins was daarbij den laatsten tijd tegenwoordig. Dan zocht hij de keizerin op, die hem wachtte; het was meestal een allerliefst moment, dat zij samen vertrouwelijk waren vóór het lunch; vol charme van intimiteit. Dicht zat hij naast haar op een lagen stoel, nam hij hare hand, stortte de bezwaren van zijn hart bij haar uit, deelde haar mede zijn onrust over de toekomst, over zichzelven als hij later zoû dragen de kroon. Zijne oogen tuurden dan onder op door hunne wimpers, met hunne zwarte melancholie; zijne stem klaagde en vroeg om troost. En zij bemoedigde hem; zij zeide, dat niets gebeurde, dan wat gebeuren moest, dat alles noodzakelijk was in de groote, schalm aan schalm aaneengeschakelde, wereldorde; dat hij af moest wachten, maar tegelijkertijd naar zijn eigen gevoel zijn plicht moest doen, en dat hij zich niet ontzenuwen moest, door zulk eindeloos, niets oplossend gepeins. Hij zeide haar, dat hij zoo bang was voor zijne eigen weifelingen, en hoe hij vermoedde, dat zijne besluitnemingen altijd te laat zouden komen en zij antwoordde hem zacht lachend, dat zoo hij zóo goed zijne eigen gebreken kende, hij zich moest trainen in beslissen; hij vroeg haar naar de rechtvaardigheid—de onmogelijkheid voor hem op aarde—zij wees hem op zijn eigen gevoel van menschelijke ziel. Maar toch, hoe innig zoet deze uren waren, hij voelde, dat hij de zelfde bleef onder hun gewissel van woorden, en dat, zoo de woorden gewisseld waren, er niets in hem veranderd was. Hierom vond hij zich slecht en meende hij, dat hij zijne moeder niet genoeg liefhad, met niet genoeg overtuiging. Dan zag hij haar aan, zag haar glimlachen, ried onder haren glimlach dien nerveuzen angst, die haar nooit meer los zoû laten, en voelde, dat zij zoo alleen sprak om hèm, om hem op te beuren en niet uit overtuiging. En de gedachten dwaalden niet meer losjes door hem heen, als op zijn morgenrit aan de kaden: ze vielen als fijne nevels op elkaâr in zijn verbeelden en vormden zijn weemoed.

Het lunch was intiem. Na het lunch pozeerde hij een uur voor Thera, die schilderde en zijn portret maakte. In den namiddag waren er altijd verschillende bezigheden; tentoonstellingen, liefdadige instellingen, inrichtingen van allerlei aard te bezoeken, den steen te leggen van een gebouw, een oorlogschip te laten loopen van stapel. Iedere minuut was gevuld, en iederen dag vulde zijne minuten anders dan de vorigen. Het diner werd altijd met groote etiquette en splendeur gebruikt; iederen dag waren er talrijke genoodigden, diplomaten, hooge ambtenaren, officieren. Het duurde lang, was iederen dag het ceremonieel gastmaal van een keizer. Dan des avonds de feesten aan het hof, of ten huize der ambassadeurs of dignitarissen; de comedies en concerten. De prins bleef echter nooit laat. In zijn eigen kabinet zat hij dan nog een paar uur te lezen, te werken; hij ging om twaalf uur naar bed.

Aan dit leven van eentonige afwisseling was hij gewend, er in gegroeid. Zoodra hij van Lycilië terug was te Lipara—de stad toen nog in staat van beleg—wachtte het hem drukker dan ooit; de opening van het Parlement was gauw op zijne terugkomst gevolgd. De keizer was tevreden geweest over de houding van den kroonprins in het Noorden, misschien om den lof, die de Noordelijke couranten den hertog van Xara, vol sympathie, schonken; om zijn oogenblik van populariteit. Hij wilde zijn zoon meer en meer laten deelen in de staatszaken en sprak meer met hem over ze, alleen of met den Rijkskanselier. De strenge maatregelen echter van ruw geweld, die de hertog van Mena-Doni genomen had,—hijzelve te Lipara, en zijne officieren te Thracyna: hevige charges der huzaren op de dringende menigte—waren Othomar tegen geweest: hij had ze met wanhoop en smart vernomen, en toch geweten, dat met zachtheid niets ware verkregen. En in zijn opzien tegen den keizer, als tegen een halfgod van wil en van kracht, mengde zich iets van antipathie en onwil, dat hem van zijn vader stiet, en moeilijk maakte gedachtewisseling tusschen hen beiden.

Nu, na de opening van het Parlement, was de stad, het geheele land, kalm geworden; de troepen echter bleven op het Marsveld, voor de aanstaande manoeuvres. De komst der Syrische vorsten was bepaald. Othomars dagen volgden zich weêr op als vroeger. Verschillende diners werden hem aangeboden, door de officieren der Garde van den Troon, en der andere corpsen, waarin hij zijn rang bekleedde. Ja, het was zijn oogenblik van populariteit. Men citeerde reeds, dat zijn bijnaam later zoû klinken als Othomar de Weldadige. In deze dagen legde hij den eersten steen van een groot Huis der Armen, tot welker stichting de erfenis van een schatrijken, kinderloozen hertog—een der oudste geslachten van Liparië, dat uitstierf,— millioenen had bijgedragen.

Othomars zachtheid maakte een innemend contrast met de, juist uitgeoefende, ruwe kracht van Oscar. Hijzelve was echter innerlijk zeer verbaasd over zijn roep van weldadigheid; hij deed gaarne goed, maar voelde zucht tot goed-doen niet als hoofdtrek van zijn karakter in zich. Hij voelde integendeel géen hoofdtrek in zich.

Na het diner hem door de officieren van den Staf aangeboden, zoû Othomar des avonds met Ducardi, Dutri en Leonie gaan naar den hertog van Yemena, om den opperhofmaarschalk officieel dank te zeggen voor de gastvrijheid hem op Castel Vaza betoond. De hertog bewoonde in Lipara een groot nieuw hôtel; zijn oud familiehôtel was te Altara.

Het was negen uur. De kroonprins werd nog niet verwacht. De hertog en de hertogin echter ontvingen reeds hunne invité’s; de hertogin had, toen Othomar zijn bezoek had doen aankondigen, talrijke uitnoodigingen gedaan. De ruime receptiesalons vulden zich. Bijna geheel het corps diplomatique was tegenwoordig; enkele der ministers en groote charges van het hof, met hunne dames; de oude gravin Myxila en hare dochters, tal van officieren. Het was de intime kring van het Imperiaal; eene brutale gemeenzaamheid ging onder hen om, met het sans-gêne, dat in de mode was.

Bij de hertogin stonden Lady Danbury, de vrouw van den eersten Engelschen secretaris en de markies van Xardi, de zoon van den hertog. Zij praatten druk over de Dazzara’s.

—Ik heb ze gezien, zei Lady Danbury. Het is verschrikkelijk, verschrikkelijk. Ze wonen nu op Castel Dazzara, die oude ruïne in Thracyna, met hun vijf dochters, poor things! De plafonds vallen in. Drie kromme oude bedienden in liverei, en de liverei ouder nog dan de bedienden. En schulden, naar men zegt, schulden! Ik stond verbaasd, dat de markiezin zóo oud was geworden: ze heeft het zich vreeselijk aangetrokken, schijnt het.

—Oud geworden? vroeg de hertogin. Ik vond haar nog zeer jong, den laatsten keer, dat ik haar zag...

Ze haatte Lady Danbury, die lang, mager en spits van trekken was, en iets had van een gracieuze adder. En ze vervolgde:

—Ze zag er nog zoo goed uit; ze is tenger, maar ze heeft een prachtigen hals... Ik begrijp heusch niet, dat ze zóo oud kan zijn geworden...

En als peinzende over dit raadsel, tuurt de hertogin naar de te magere schouders van Lady Danbury.

De oogen van Xardi schitteren; hij vermoedt een schermutseling.

—Men zegt, dat de markies un de vos intimes was, vroeger, niet waar? insinueert de Engelsche. Het hatelijke “vroeger” valt Xardi echter tegen.

—Ik hoû veel van de Dazzara’s, zegt de hertogin; maar... en ze lacht geheimzinnig met bedoeling; hij is altijd een ongeluksvogel geweest...

—Zijne Excellentie, den hertog van Mena-Doni! kondigt de hofmeester aan.

—De opgaande zon! fluistert Xardi tot Lady Danbury.

Mena-Doni buigt zich reeds voor de hertogin, die hem tegenlacht. Lady Danbury, aan de zijde van Xardi, is doorgegaan.

—En de geluksvogel, denkt u? vraagt ze.

—O neen! zegt Xardi beslist. Ten minste, niet heelemaal...

Ze zien elkaâr aan, en lachen.

Keizerlijke adelaren blijven toch de mooiste vogels, niet waar? schertst Lady Danbury.

—Wat weet u daarvan?

—Helaas, mijn nederige persoon niets. Eer ik het zoover in zoölogie breng...!

—Maar wat heeft u dan gehoord?

—Wat iedereen hoort, als Dutri niet zijn mond kan houden.

—Omtrent wat?

—Omtrent zeker teeder afscheid op Castel Vaza...

De markies van Xardi schatert van het lachen. Lady Danbury klemt in eens zijn arm.

—Zeg, Xardi, ik weet wel mindere tengere personen, dan de markiezin van Dazzara, die zouden vervallen om de keizerlijke disgrâce. Et toi?

De markies lacht luid meê, en:

—Zelfs maar een kroonprinselijke... fluistert hij, achter den Watteau-waaier van Lady Danbury; ze proesten van het lachen samen.

—Zijn Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara; hunne Excellenties, graaf Ducardi, prins Dutri, de markies van Leoni! luidt het plechtig, langzaam aangekondigd.

Er ontstaat eene lichte emotie in de groepen. Men schaart zich en haie door de zaal; een paar dames verwarren zich in hare slepen en lachen. Zoo wacht men.

Othomar verschijnt aan de opene deur; Ducardi, Dutri en Leoni zijn achter hem. De oude hertog haast zich den prins tegemoet; de markies van Xardi heeft Lady Danbury haastig haren waaier in de hand geduwd, en voegt zich bij zijnen vader.

De oude hertog is een fijne magere man, vol geäffineerd ras, met geheel gladgeschoren gelaat; hij is eenvoudig in rok, met het breede groene Commandeurslint van den Rijksappel dwars over de borst, en het grootkruis van St. Ladislas om den hals.

Othomar draagt zijn groot-uniform van chef van het regiment der kurassiers van Xara: zilver, rood en wit. Zijn helm met vederbos houdt hij onder den arm. Hij drukt den hertog de hand, spreekt hartelijke woorden tot hem. Maar in de naïveteit zijner jongensziel voelt hij bittere wroeging knagen aan iets van geweten, nu hij zoo spreekt van Castel Vaza, nu hij de innige betuigingen van den hertog aanhoort. Ook den markies van Xardi drukt Othomar de hand.

Nu is ook de hertogin nader gekomen en begroet zij den kroonprins met hare beroemde nijging. Lady Danbury benijdt heure gratie en vraagt zich af, hoe ze mogelijk is met die sculpturale vormen: ze kan zich niet ontkennen, dat de hertogin van Yemana een splendide vrouw is... Tusschen den hertog en de hertogin gaat de prins door de haie der gasten, die buigen; de markies van Xardi volgt met de adjudanten.

Othomar heeft de hertogin na zijn terugkeer in Lipara wel eenige malen in het Imperiaal gezien, maar niet alleen. Zij wisselen nu hoffelijke woorden, met officieele stembuiging en klank. De groepen vormen zich weêr, als op een intimen raôut.

De hertogin is met Othomar verder gegaan, tot de lange serre toe, weinig verlicht, groen schemerend, met het voornaam palmgeblader der groote planten, met het fijn gewemel der bamboezen, die tegen de vierkante ruiten parelen dauw aanademen. Zij zwijgen een oogenblik, zien elkaâr aan. En Othomar voelt, dat zijne aandoeningen om deze vrouw niets zijn dan vluchtende momenten, wolkjes in zijne ziel. Het onbekende is voor hem opengegaan, maar werd hem désilluzie. Toch is hij haar dankbaar voor wat zij hem gaf: den troost harer passie, toen zijne oogen nog nat van verdriet waren. Zij heeft hem gesterkt door dien troost en hem man gemaakt. Maar alles in het leven is dubbel en zijne dankbaarheid heeft eene weêrzijde van zonde; hij ziet den hertog ginds een druk gesprek, onderlijnd met fijne, prezieze gebaren, houden met Ducardi; en de wroeging vlijmt zacht zijne jongensziel.

En naast zijne dankbaarheid, voelt hij zijne désilluzie. Liefde, is dit liefde...? Hij voelt niets; in zijne ziel is niets nieuws gekomen. Hij ziet hoe heerlijk mooi de hertogin is, in haar ivoorkleurig broché, den sleep met donker bont omzet, de borst vierkant ontbloot, een ris parelen om den hals. Het half-licht zweemt door de planten sprookjesachtig groen langs haar heen met zachte dommeling en schaduw vol geheim; haar gelaat is fijn glimlachend op den achtergrond van gedoezeld donker. Hij herinnert zich haar zoen en de dolle omhelzing harer armen. Ja, het was een zalige ontzenuwing, een dronkenschap van het vleesch, nog niet gekende bedwelming, fyzieke troost. Maar liefde, was het liefde...? En hij moest wel besluiten: misschien is het liefde, en al voelt hij het gemis in zijne ziel, hij besluit toch: ja, misschien is het dat... liefde.

—En wanneer zie ik Uwe Hoogheid weêr? fluistert ze.

De vraag is ruw gedaan en verwondert hem. Maar deze enkele seconde van even-alleen-zijn is der hertogin zoo kostbaar, dat zij wel niet anders kan. Ze ziet zijne verwondering en aanbidt hem om zijne naïveteit. En hare oogen zien hem zoo dringend aan, dat hij antwoordt:

—Morgen dineer ik bij den Franschen gezant; daarna ga ik naar de opera... Kan ik u om elf uur hier vinden?

Hij verwondert zich om den logischen gang zijner gedachten, om zijn vraag, die hem zoo vreemd in de ooren klinkt. Maar zij antwoordt, verlegen lachend:

—In Godsnaam, Hoogheid; hier niet, om elf uur! Hoe zoû dat kunnen...! Maar... kom bij... Dutri...

Ze stamelt het; ze herinnert zich het weelderige appartement van den adjudant en ziet er zich terug... met anderen. En in hare verwarring merkt ze niet, dat ze hem zeer pijn heeft gedaan en zijne teêrgevoeligheid als met scherpe nagels gekrast heeft; vooral merkt ze dit niet, omdat hij antwoordt, verward:

—Goed...

Zij komen lachend, met hunne officieele, blanke stemmen terug, wandelen langzaam; hij, zoo jong in zijn gezilverde uniform, den helm, waaraan de veeren hangen, onder zijn natuurlijk bevallig geronden arm; zij, opluikend in glans, den ivoorkleurigen sleep lang slepend achter haar aan, den waaier van pluimen en brillant op en neêr slaand op haar borst met het grein van Carrarisch. Alle oogen zien naar ze en letten den triomf der hertogin op...

En Othomar weet nu, dat zijne “liefde” zal worden, wat men een liaison noemt, en waarvan hij hoorde van die en van die, en waarvan hij las in romans. Hij had zich deze regeling zoo nog niet voorgesteld. Hij weet niet hoe hij aan Dutri zeggen zal, dat hij der hertogin ten zijnent rendez-vous heeft gegeven, en als hij denkt aan den adjudant, brokkelt iets van zijn ingeboren vorstelijkheid af als met kleine stukjes marmer of albast van een tengere zuil...